Geestkunde

Civis Mundi Digitaal #2

door Ruud van Wees

Bespreking van: Freek van Leeuwen, Geestkunde, Een brug tussen de stoffelijke en geestelijke helft van de schepping, tussen godsdienst en wetenschap.

Ingetogen esoterie: over een brug tussen de stoffelijk en de geestelijke helft van de schepping

Ruud van Wees

 

Bespreking van: Freek van Leeuwen, Geestkunde, Een brug tussen de  stoffelijke en geestelijke helft van de schepping, tussen godsdienst en wetenschap, Boekenplan, Maastricht, 2010, 581 p., € 36,50, of via www.bol.com. Op www.geestkunde.net kunt u een korte samenvatting en meer informatie over de inhoud van dit boek vinden.

 

‘Geestkunde is de kennis van de menselijke geest en van de weg naar zelfverwerkelijking en hereniging met de goddelijke algeest,’ aldus het onderschrift onder de titel op de kaft van dit boek. De inhoud ervan vormt de schriftelijke neerslag van de spirituele ervaringen, en de intellectuele verwerking daarvan als levenswerk, van Freek van Leeuwen, apotheker in ruste. Deze ervaringen doet hij van jongs af aan tijdens zelfbezinning en gebed, hebben vooral de menselijke geest als onderwerp en zijn vier vermogens: waarnemen, denken, voelen en willen. ‘Ik richtte mijn aandacht naar binnen en noemde dat op kinderlijke wijze ‘wegkruipen in mijn eigen holletje’.’ (p. 533)

Soms ook betreffen zijn ervaringen waarnemingen in de geestelijke werelden en van zijn geestelijke begeleiders, die hij dan met zijn ‘geestesoog’ kan schouwen en/of met zijn ‘geestesoor’ kan horen, al of niet in een uit zijn lichaam uitgetreden toestand. Toen hij twintig was werd hij eens tijdens zijn geestelijke oefening weer geheel in de geestelijke wereld opgenomen: ‘Ik kreeg toen de genade te mogen ervaren dat ik met God, onze geestelijke oorsprong, werd herenigd, .... Daarbij mocht ik ervaren dat onze oorsprong de álomtegenwoordige zee van geestelijk licht en geestelijke warmte is, de goddelijke algeest.’ (p. 533) In het eerste hoofdstuk beschrijft hij nauwgezet deze uitgebreide ervaring, waarin hij getuige was van de schepping van zichzelf als geest en van de geestelijke werelden en -uiteindelijk- de stoffelijke wereld. ‘Tijdens die ervaring werd mij duidelijk dat de geest in wezen de bewuste levenskracht is, die zich in de geestelijke wereld voordoet als een bolvormige wolk van dat licht en die warmte. Met die eigenschappen hangen de geestelijke vermogens samen, waaraan de menselijke geest in deze stoffelijke wereld herkenbaar is: met het licht het vermogen om waar te nemen en te denken, met de warmte het vermogen om te voelen en te willen. Deze godservaring -God zij dank- is daarna het middelpunt geworden van mijn leven, mijn denken, voelen en handelen.’ (p. 534)

 

Capita selecta van de thema’s

In de volgende negen hoofdstukken ontvouwt Van Leeuwen zijn denkbeelden over de menselijke geest en diens vier geestelijke vermogens, de heilige geest, de engelenhiërarchieën en de geestelijke werelden, geestgestuurde evolutie van materiële, levens- en cultuurvormen. Verder: over de relatie van de geest, als bewuste levenskracht en ‘hart’ van de mens, met de ziel, als uitstraling van de geest waarin de voortbrengselen van de geestelijke vermogens worden bewaard; welke ziel door de werkzaamheid van de vermogens een vorm aanneemt, door Van Leeuwen de ‘geestgedaante’ genoemd, die de vormoorzaak van het menselijk lichaam is en tevens de interface vormt via welk de interactie verloopt tussen het lichaam enerzijds en de ziel en de geest anderzijds. Bovendien: over het aardse leven met vrije keuze als leerschool, waarin elke mens tijdens meerdere levens door vallen en opstaan moet leren de aanvangstoestand van onbewuste vereenzelviging met zijn (of haar) lichaam, materiële omgeving en maatschappelijk-culturele situatie, positie en rollen te overwinnen. Deze weg verloopt via de bewuste gehechtheid aan de zintuiglijke en fysieke genietingen en via de eenzijdige vereenzelviging, bijv. met een enkel vermogen of met zijn (of haar) bewustzijn, ziel of cultuur, naar de bevrijding en zelfopvoeding, door middel van het bewuste en beheerste gebruik van de vermogens, culminerend in zelfverwerkelijking en de omvorming van de ontplooide vermogens tot het geweten en de deugden. Tenslotte loopt die weg over de uiteindelijke (momenten van) geestelijke hereniging met de algeest door volgehouden zelfbezinning en gebed, waartoe Van Leeuwen specifieke oefeningen en aanwijzingen geeft.

 

Niet nieuw, wel uitzonderlijk

Op zichzelf genomen zijn de grote lijnen van de denkbeelden van Van Leeuwen niet nieuw. Veel religieuze stromingen, vooral de meer esoterische daaronder, hebben soortgelijke denkbeelden ontwikkeld, al of niet op basis van geclaimde bijzondere ervaringen of wijzen van  kennisverkrijging. Van Leeuwen zelf verwijst ook naar literatuur van ‘soortgenoten’ als Jozef Rulof en Rudolf Steiner en van exponenten van zulke religieuze stromingen en hij erkent dat hij zijn gedachtegoed mede aan de hand daarvan heeft ontwikkeld of gestaafd. Wel vind ik hem uitzonderlijk in zijn zorgvuldige formuleringen met veel aandacht voor de oorsprong en precieze betekenis van begrippen, de zeer systematische en gedegen uitwerking van zijn denkbeelden, zoals die over de wisselwerking tussen geest, ziel, geestgedaante en hersenen, in de filosofische typering waarvan ik twijfel tussen het interactionistisch dualisme of een interactionistische vorm van hylisch (materieel) pluralisme. Bijzonder is ook dat hij in een aantal uitgebreide bijlagen zijn ideeën in overeenstemming heeft proberen te brengen met vigerende theorieën in, onder andere, de natuur- en neurowetenschappen. Dit alles heeft geleid tot een ‘ingetogen esoterie,’ een esoterie die zonder een te veel aan franjes (bijv. over vroegere beschavingen, of allerlei details van de geestelijke werelden) zich goed aan het centrale thema van de menselijke geest en diens zelfbeschaving houdt.

 

Brug tussen godsdienst en wetenschap?

Van Leeuwen schrijft in zijn naschrift: ‘Zelf neem ik een afstandelijke, wetenschappelijke houding aan tegenover geestkunde, omdat ik zoek naar waarheid en ervaarbare werkelijkheid. Geestkunde blijft voor mij een toetsbare veronderstelling en daardoor open voor verandering of verbetering. Geestkunde is een poging, een aanzet om een beschrijving te geven van geestelijke onderwerpen en ervaringen in samenhang met de geestelijke betekenis van de zichtbare schepping. Daardoor vormt geestkunde ook een brug tussen godsdienst en natuurwetenschappen.’ (p. 536) Desondanks kan ik me indenken dat de boven aangeduide ervaringen en waarnemingen, de wijze(n) van waarneming, de transcendente verklaringen en de dualistische taal en denkbeelden waarin Van Leeuwen zijn gedachten stelt, veel wetenschappelijk gevormden afschrikt of als schwärmerei in de oren klinkt. De beweerde waarnemingen waarop zijn verslagen berusten zullen velen van hen als oncontroleerbaar beschouwen, waarmee al de leerstellige gevolgtrekkingen als ontoetsbaar in de lucht lijken te komen hangen. Echter dient bedacht te worden dat deze kritiek is ingegeven door het heersende beeld van de empirische wetenschap als zou zij haar toetssteen slechts vinden in gegevens die via zintuiglijke waarneming zijn verkregen. In dit wetenschapsmodel komen alleen die veronderstellingen van Van Leeuwen in aanmerking voor wetenschappelijke beproeving die specificatie toelaten in uitspraken die verwijzen naar zintuiglijke observaties. Dit zou analoog zijn aan de werkwijze van de parapsychologie, die immers op dezelfde wijze geclaimde bijzondere menselijke waarnemings-, ken-, communicatie- en handelingsvermogens probeert te toetsen; een werkwijze die, naast andere wetenschappelijke methoden, bijvoorbeeld ook toepassing heeft gevonden in onderzoek naar bijna-doodervaringen. Maar deze optiek op het onderwerp van spirituele ervaringen wordt -hoewel zij in harmonie is met de moderne wetenschapsopvatting- toch weinig toegepast vanwege het overheersende materialistische wereldbeeld in veel wetenschappen (zie mijn artikel hierover in dit nummer), en bovendien vormt zij slechts één van de mogelijke wetenschappelijke benaderingen.  

 

Wetenschap en een pluriform ervaringsbegrip       

Ik zou hier willen opmerken dat de interpretatie van de begrippen ‘ervaring’ en ‘empirie’ (als methodisch verkregen en bewerkte ervaring) in de wetenschap vaak onnodig wordt beperkt tot zintuiglijke waarneming. De ervaringswerkelijkheid kent meerdere modaliteiten waarvan de zintuiglijke er een is. Voorbeelden van andere ervaringsmodi zijn de fysische, biotische, analytische, economische, esthetische, ethische en religieuze modi, die elk hun eigen aard en vormen van oorzakelijkheid (incl. vorm- en doeloorzakelijkheid, waarom niet!) en wetenschappelijke  toetsing kennen. Tot zover deze zeer korte aanduiding van een pluralistische, gestratificeerde ontologie, die correspondeert met een stratificatie van wetenschappelijke disciplines.

De mystieke ervaringen van Van Leeuwen, als specimen van religieuze ervaring, kunnen dus ingebracht worden als bron van hypothesen. Maar eveneens als toets voor hypothesen, want (geformuleerde) ervaringen van meerdere mystici, hedendaagse en historische, zouden met elkaar kunnen worden vergeleken, waarna kan worden vastgesteld in hoeverre zij overeenkomen dan wel verschillen, waarbij de intersubjectieve overeenkomsten ons iets vertellen over de realiteitswaarde van deze ervaringen. Dan gaat het om ervaringswerkelijkheid, niet om een werkelijkheid ‘op zich,’ maar dat geldt ook voor de zintuiglijke werkelijkheid: zij is waargenomen werkelijkheid. Van Leeuwen wijst ons ook een volgende toetsingsmogelijkheid: de spirituele ervaringsvorm is volgens hem door een ieder die wil aan te leren door oefeningen die hij vervolgens nauwkeurig beschrijft in termen van zijn eerder ontwikkelde denkbeelden. Evenals men in de gangbare wetenschappen zich eerst moet scholen in de methodologie om tot hanteerbare en gezaghebbende (uitspraken over) feiten te kunnen komen, kunnen zij die wetenschap van de mystiek willen bedrijven niet uitgaan van de naïeve, ongeschoolde ervaring, maar dienen zij zich door oefening in inkeer te bekwamen in de geestelijke waarneming van vermoede feiten van geestelijke aard: hun eigen geest, de geestelijke werelden en hun bewoners, en -wanneer het hun vergund is- van God.