Politieke journalistiek in het postideologische tijdperk beoefend met het machtsmotief voordurend in het vizier, maar wel met in acht neming van zijn taboekarakter

Civis Mundi Digitaal #21

door Wim Couwenberg

Bespreking van: Pieter van Os, Wij begrijpen elkaar uitstekend. De permanente wurggreep van pers en politiek. Uitgeverij Prometheus-Bert Bakker, Amsterdam, 2013

Politieke journalistiek in het postideologische tijdperk beoefend met het machtsmotief voordurend in het vizier, maar wel met in acht neming van zijn taboekarakter

Wim Couwenberg

Bespreking van: Pieter van Os, Wij begrijpen elkaar uitstekend. De permanente wurggreep van pers en politiek. Uitgeverij Prometheus-Bert Bakker, Amsterdam, 2013

Wie een goed idee wil krijgen van de wijze waarop pers/media en politiek/politici op het Binnenhof en daarbij met elkaar verkeren en met elkaar verstrengeld raken in een permanente wurggreep, zoals dat in dit boek plastisch wordt voorgesteld; hoe zij elkaar proberen te beïnvloeden en hoe zij achter hun rug om op elkaar afgeven; wie geïnteresseerd is in de boeiende komedie op en rond het Binnenhof van geveinsde onderlinge vriendelijkheid met tutoyeren over en weer om de relaties zoveel mogelijk te smeren en de argwaan en misleiding die daarachter schuil gaan; hoe de jacht op nieuws/primeurs van journalisten uitgeruild wordt tegen de hunkering naar journalistieke aandacht van politici wier politieke toekomst afhangt van hun zichtbaarheid in de media; wie wil weten hoe politiek en nieuws daar gemaakt worden, hoe spindoctors (voorlichters, politieke of fractieassistenten) daarbij te werk gaan, hoe een hype opkomt en verloopt, voor hem/haar is dit boek van NRC journalist Pieter van Os om van te smullen. Het is zogezegd uit het actuele Binnenhof-leven gegrepen en het leest als een trein. Je komt terloops ook te weten, hoe journalistiek tegenwoordig functioneert met haar eigen procedures, afspraken en discussies over wat nieuws is en wat niet en hoe het waarheidsgehalte daarvan te controleren.

Journalistiek van nu heel anders dan die tijdens de verzuiling

Het is inderdaad een heel andere journalistiek dan die in de tijd van de verzuiling, waar kort aan herinnerd wordt. De nostalgische gevoelens van CDA prominent Piet Hein Donner naar de jaren 50 worden daarbij ter illustratie opgevoerd. Toen hadden politici het heel wat makkelijker in hun omgang met de pers dan nu. De pers was nog hun dienaar en gedroeg zich in lijn hiermee heel gedwee. Politici ontleenden hun machtspositie in die jaren aan de ideologie/levensbeschouwing van hun partij en het daarbij behorende volksdeel dat zij vertegenwoordigden en hoefden journalisten dus niet zoals nu naar de ogen te zien en te bedelen om hun aandacht.

Ik heb die tijd zelf nog meegemaakt. In de jaren 50 was ik journalist/politiek redacteur van een groot landelijk katholiek dagblad. En ik deed in die kwaliteit ook regelmatig verslag van de debatten in de Eerste en de Tweede Kamer. We hadden in die jaren nog niet te maken met voorlichters, politieke of fractieassistenten. We maakten toen nog complete overzichten van die debatten die de voormalige Tweede Kamervoorzitter Gerdi Verbeet node mistte en waarin zij daarom met overheidsgeld zelf voorzien heeft door debat verslagen te laten maken voor de site van de Tweede Kamer.

Hoe anders gaat het nu zoals dit boek prima uit te doeken doet. Het grote verschil van de verzuilingstijd met de huidige situatie lijkt mij de journalistieke oriëntatie. Die stond tijdens de verzuiling geheel in het teken van de ideologie, levensbeschouwing en de daarmee samenhangende belangen, waarvan politieke journalisten de vanzelfsprekende spreekbuis waren. Wel werd die oriëntatie in de jaren 50 al stevig ter discussie gesteld door aanhangers van de toenmalige Doorbraakgedachte met de PvdA als hun politieke voorvechtster. Dat is nu bijna vergeten. Maar in de jaren 50 was die doorbraak strijd een toonaangevend politiek thema. Het sloeg in die jaren echter nog weinig aan. Op termijn is die strijd niettemin via ontzuilingprocessen een groot succes geworden.

Wat nu zo in het oog springt, ook in dit boek, is hoezeer niet alleen de politiek, maar ook de politieke journalistiek in het teken staat van het machtsmotief. Dat is overigens heel verklaarbaar, want deel uitmakend van het postideologische tijdperk, zoals dat zich sinds het einde van de Koude Oorlog als hoogtepunt van de ideologische strijd op internationaal niveau in Europa, definitief lijkt door te zetten als nieuwe historische context van politiek en publieke opinie met als saillante veranderingen: de omslag van ideologisch gewortelde naar primair pragmatisch gestuurde politiek en opportunisme als spontaan uitvloeisel; en naast het oude links rechts schema uit het ideologische tijdperk de tegenstelling tussen middenpartijen waartoe nu niet alleen het CDA, maar ook de PvdA en de VVD gerekend worden en daar tegenover aan de flanken van het politieke centrum populistische partijen als de PVV en de SP. In dit boek vinden we die veranderingen ook terug.

Ontbloting machtsmotief

De ideologische verpakking van het machtsmotief is inmiddels sterk versleten geraakt. De ideologische veren zijn afgelegd of worden alleen nog voor de show in stand gehouden. En daarmee treedt het machtsmotief nu akelig naakt aan de oppervlakte. Het publiek reageert daarop in populaire stijl. Van overtuigde vertolkers van hun ideologie met Joop den Uyl als laatste vertegenwoordiger worden partijpolitici nu bij voorkeur ervaren als carrièrejagers of zakkenvullers. In de geest van moraliserend Nederland proberen politici dat motief nog wel verdonkeremanen en als streng bewaakt Nederlands taboe in stand te houden. En politieke journalisten doen daar niet voor onder. Sinds de ontzuiling hebben zij zich ontworsteld aan hun onderworpenheid aan de politiek, zijn zij sindsdien een politieke machtsfactor geworden, maar bagatelliseren zij op hun beurt hun zozeer begeerde en geëxploiteerde machtspositie of ontkennen zij die zelfs, zoals Pieter van Os ruiterlijk erkent als uitvloeisel van hun cultuur van verhulde hypocrisie, hun strategisch ritueel van objectiviteit zoals hij dat als politicoloog noemt.

Die ontkenning van macht als drijfveer door politici en hun journalistieke volgers, heeft dat niet alles te maken met de politieke preutsheid die in dit land rond het machtsmotief is gegroeid? Het herinnert min of meer aan de seksuele preutsheid van voorheen en daarmee samenhangende dubbele moraal: ontkenning van het machtsmotief wat hand in hand gaat met een politieke strategie en tactiek die onverkort blijft afgestemd op de eisen van de politieke en maatschappelijke machtsstrijd. Een sterk in morele termen denkend land als Nederland is hiervan zoals gezegd een treffend voorbeeld. In die geest merkte Ed van Thijn als fractievoorzitter van de PvdA in de Tweede Kamer eens op dat PvdA-leider Joop den Uyl een politicus was zonder machtsdrift.[1] Alsof dat niet een contradictio in terminis is.

Politici zijn niet geïnteresseerd in ideeën over mens en samenleving, maar geobsedeerd door tactiek en machtsrelaties. Met deze regels begint dit boek, dat helemaal de geest ademt van de postideologische ontwikkeling van de Nederlandse politiek. En politieke journalisten zijn niet veel anders, sinds zij de smaak van de macht geproefd hebben, zoals in dit boek in geuren en kleuren geschetst wordt. Sinds de ontzuiling hebben zij zich zoals gezegd een eigen machtspositie toegeëigend naast en tegenover de oude gevestigde machten. In eerste instantie hebben zij dat tot gelding gebracht in geëngageerde journalistiek ten dienste van de politieke vernieuwingsbeweging die met die ontzuiling tevens op gang komt en waarin zij een eigen politieke rol gingen spelen met Algemeen Handelsblad journalist Hans van Mierlo als meest succesvolle voorbeeld. Dit politieke engagement is er nu niet meer, veeleer politiek cynisme met afzeik journalistiek als bekend symptoom.

Terwijl politieke verslaggevers in mijn tijd als journalist overwegend middelbare heren waren keurig in pak van wie er een (Stempels) later hoofdredacteur van NRC is geworden en een ander - Vrolijk - namens de PvdA minister, bestaat, aldus van Os, het politieke journaille nu uit relatief jonge mensen, die de arrogantie van hun zelfontkennende macht combineren met de pretentie heuse waakhonden van de democratie te zijn.

Interessant is ook wat Van Os opmerkt over de relatie tussen politieke verslaggevers en wetenschappers. Hij noemt dat het wetenschappelijk-publicitaire complex naast het politiek-journalistieke complex. Als politieke verslaggevers eigen observaties of opinies het nodige gezag willen geven, bellen zij wetenschappers op - door Van Os als leunstoelgeneraals getypeerd - ter bevestiging ervan met een passend citaat van zo’n wetenschapper. Wetenschappers werken daaraan mee om zodoende meer zichtbaar te worden voor het grotere publiek. Een doorgewinterde leunstoelgeneraal is in de ogen van Van Os de politicoloog A. Krouwel een ware crack in dit genre.

Drie nieuwe machten

Naast de klassieke trias politica - wetgevende, regerende en rechterlijke macht - komen sinds de jaren 60 drie nieuwe machten steeds meer in beeld: eerst de bureaucratie als vierde macht - in Nederland door staatsrechtgeleerde R. Crince le Roy als zodanig gepresenteerd en nu als politieke technocratie bekend; als vijfde macht de belangen groepen met corporatieve naast parlementaire democratie als uitvloeisel; en tenslotte als zesde macht de media, nu als mediacratie bekend.

In dat veld van concurrerende en elkaar bewakende en beïnvloedende machten is er een voortdurende verschuiving van macht gaande. In de literatuur spreekt men in dit verband van de verplaatsing van politieke macht van gekozen politici naar achter de schermen opererende anonieme machtcentra. Daarbij valt niet alleen te denken aan bureaucratische manipulaties en maatschappelijke en internationale pressies, zoals die zich tersluiks doen gelden via de snelgroeiende invloed van het lobbywezen, dat in dit boek ook kort aan bod komt, maar ook aan de geruisloze politieke invloed van de media, waaronder vooral hun agenda macht. Die drie nieuwe machtposities, zo werd onlangs gesteld, zorgen in Nederland voor feedforward besturing en groepsdynamiek in de samenleving naast en tegenover de oude drie machten die voorzien in feedback.

Is zo’n voorstelling van zaken een uiting van salonpopulisme? Ik kom hiermee aan het voorlaatste hoofdstuk van het boek. Dit hoofdstuk gaat over salonpopulisten en past eigenlijk niet in de opzet van het boek zoals Van Os die in zijn inleidende verantwoording kort omschrijft. Waarom is dit hoofdstuk dan opgenomen?

Salon populisme als PR stunt

Auteurs van een boek moeten tegenwoordig vechten om de nodige aandacht naar hun boek toe te trekken te midden van een overvloed van concurrerende prikkels. De auteur moet zelf ook flink op de trom slaan om in beeld te komen. Met het oog daarop is het bijvoorbeeld slim iets in het boek op te nemen dat makkelijk inzet wordt van controverse. Het lijkt me dat Pieter van Os dat bewust gedaan heeft met dit hoofdstuk waarin hij hoog opgeleide critici van de Nederlandse politiek van salonpopulisme beticht en dat ook nog doet in een voorpublicatie in zijn krant. Dat heeft prima gewerkt, want in allerlei media is dat opgemerkt en kreeg zijn boek zodoende de gewenste aandacht. Op die voorpublicatie in zijn krant heb ik zelf ook gereageerd, maar dat werd door de redactie ervan niet op prijs gesteld. Vandaar dat ik die reactie nu in dit nummer publiceer.

Van Os lijkt in zijn boek te zijn uitgegaan van de negatieve klank die populisme sinds de Fortuynrevolte gekregen heeft. Die revolte werd zoals bekend geïnterpreteerd en bestreden als de opkomst van een populistisch getoonzet politiek alternatief dat onmiddellijk als een negatieve ontwikkeling geduid en gehekeld werd. Evenals de publicist H.J. Schoo heb ik die louter negatieve interpretatie van populisme in een reflectie op de Fortuyn-revolte[2] nadrukkelijk ter discussie gesteld.

Die revolte richtte zich ongetwijfeld tegen het politieke establishment en het gevestigde politieke bestel. Maar deed dat ook niet de politieke revolte van de jaren ’60 en de radicaal-democratische beweging die daarin op de voorgrond trad met als strijdbanier de leuze terug naar de basis en D66 als belangrijkste partijpolitieke boegbeeld van die beweging? Ondanks die populistisch getinte leuze en daarop aansluitende activiteit werd die beweging echter niet als populistische reactie in negatieve zin in de ban gedaan. Aan de politieke linkerzijde werd D66 daarentegen begroet als neo-democratische correctie en tevens als welkome nieuwe uitdager van het confessioneel-liberale establishment en als zodanig spoedig betrokken bij de progressieve concentratie die daartegen ten aanval trok.

Achtergrond negatieve interpretatie populisme

Die louter negatieve interpretatie is het gevolg van de verabsolutering van de representatieve democratie die in Nederland tot de conventionele wijsheid behoort en sinds lang als regententraditie deel uitmaakt van de heersende politieke cultuur. Als we uitgaan van de oligarchische tendens die in iedere representatieve democratie optreedt en gekozen elites op termijn maakt tot een gesloten en in zichzelf gekeerde politieke klasse, is een populistische reactie daartegen een normale poging tot herstel van democratisch functionerende politiek en vervult zij als zodanig nuttige democratische functies als het signaleren en agenderen van niet of onvoldoende erkende problemen, het corrigeren van een naar binnen gekeerd politiek bestel en het herstellen van democratische legitimiteit.[3] Het succes van die reactie kunnen we interpreteren als een bevestiging van de realiteit van een te gebrekkig functionerende democratie.

Een typisch Nederlands populisme, dat tot dan toe weinig was opgemerkt ziet Schoo in het orangisme. En op de keper beschouwd is dat een adequate typering, al zal menigeen daarvan opkijken. Als verbond van het volk aan de basis met het Oranjehuis tegen de politieke regentenklasse met haar vriendjespolitiek en hokjesgeest is dat in zijn ogen gestolde argwaan tegen de politieke klasse.

Modderig beroep

Pieter van Os is als bestrijder van salonpopulisme daarvan overigens evenmin gevrijwaard zoals hij zelf erkent. Hij kritiseert D66 fractieleider Alexander Pechtold om diens kritiek op machtsverschuivingen ten koste van het Binnenhof. Maar hij signaleert dat proces in zijn boek eveneens. Ik voel mee met salonpopulisten, schrijft hij zelf op een gegeven moment in zijn boek. Al bij al staat hij zelf heel ambivalent tegenover populisme, zowel de volkse als de sjieke variant ervan. Parlementaire democratie is zoals we weten de minst slechte regeringsvorm. Als zij wegvalt zoals tijdens de bezettingstijd, wordt zij vreselijk gemist. Zodra zij hersteld wordt, begint spoedig weer de kritiek op haar meestal heel onvolmaakte praktijk. Daar zullen we mee moeten leven.

Politiek is een modderig bedrijf - muddling through, zo typeerde een Amerikaanse politicoloog politiek eens - zoals politieke journalistiek op haart beurt een modderig beroep is stelt Van Os in zijn laatste hoofdstuk. En uit zijn boek blijkt, hoezeer dat samenhangt met het machtsmotief dat daarbij in het geding is. Het deprimeerde hem, schrijft hij, altijd maar bezig te moeten zijn met de machtskwestie. Daar heeft hij nu geen last meer van. Hij heeft de politieke verslaggeverij inmiddels vaarwel gezegd en ingeruild voor verslaggever cultuur, niet zo spannend, maar wel veel minder modderig.


[1] Zie H. van der Werf, Den Uyl- profiel van een politicus, 1975, p.73

[2] S.W. Couwenberg, Opstand der burgers, Civis Mundi jaarboek 2004, p 54 e.v.

[3] In die geest ook H.J. Schoo, Van oude en nieuwe klassen of de deftigheid in het gedrang, in: Haagse tegenstrijdigheden, 2003, pp. 18-19