Boeiende terugblik op het leven van een profeet die stokbrood eet

Civis Mundi Digitaal #37

door Wim Couwenberg

Waar slaat die wonderlijke titel op? Als u dat zich wellicht afvraagt, bedoel ik dat letterlijk; namelijk op Jan de Boer, recent medewerker van Civis Mundi, met tal van korte, pittige commentaren op actuele ontwikkelingen. Hij publiceerde zopas een boek met zijn memoires, waarin hij de loop en de motivering van zijn leven in grote trekken schetst, en dat presenteert als het leven van een profeet die stokbrood eet (een uitgave van uitgeverij Noordboek in Leeuwarden, 2016).

De titel is een korte samenvatting van de wijze waarop hij op zijn leven terugblikt; een leven waarin hij bekend geworden is als de Jeremia van de 21e eeuw, en in Friesland als een nieuwe Domela Nieuwenhuis. Jan is een man met een missie, een boodschap voor de wereld. Daarvan heeft hij in zijn leven op allerlei manieren in woord en daad getuigd. In volle ernst, maar tegelijk ook niet zonder zekere zelfspot. Sinds zijn pensionering woont hij in Zuid-Frankrijk, in een heerlijk Middellands zeeklimaat, in de streek waar hij voorheen ’s zomers zijn vakantie placht door te brengen, en daar nu als Hollandse profeet met de Fransen stokbrood eet, in het levendige besef dat hij niet zelden een roepende in de woestijn is geweest, en wat hem gemaakt heeft tot een oprechte cultuurpessimist.

 

Missie

Wat is die boodschap die zijn leven sterk bepaald heeft, en deze memoires rechtvaardigt? Dat is tweeërlei. Enerzijds zijn bijzondere bekommernis om het lot van de on- en minder fortuinlijken in het leven. Dat motiveert hem tot een constante strijd voor een rechtvaardige wereld, met eerlijker verdeelde levenskansen. Anderzijds zijn diep gevoelde ecologische bekommernis om de snel groeiende aantasting van het natuurlijke milieu door een op continue groei gerichte vrijemarkteconomie, wat tot de ondergang van onze beschaving zal leiden.

De waarschuwingen van de Club van Rome in diens rapport Grenzen aan de Groei (1972) zijn, zo meent hij, tevergeefs geweest. De motor van onze thermo-industriële beschaving stokt, en staat op het punt uit te doven. De grenzen van de groei van onze groei-economie zijn bereikt. Het besef daarvan is wel groeiende, evenals de steun aan het degrowth scenario als toekomstig model. Maar nog niet onder de beleidsmakers van de Partij van de Arbeid, waar hij sinds lang lid van is. De tegenvraag van de tegenstanders van dat scenario luidt: hoe die afnemende groei-economie op sociaaleconomisch verantwoorde wijze operationeel te maken? Hoe het zij, Jan de Boer heeft de tijd mee. Het kost steeds meer moeite die groei weer op gang te brengen.

Die dubbele boodschap dreef Jan de Boer steeds meer tot een links gerichte ethische bevlogenheid, en een democratisch-socialistische gesteldheid. Dat mondde uit in een actief, maar tegelijk ook heel kritisch uitgeoefend lidmaatschap van de Partij van de Arbeid. Want dat lidmaatschap werd door hem als een authentieke libertair beleefd als een onafhankelijke intellectueel. En zodoende moest hij permanent opereren in een politiek spanningsveld.

Na een reeks van banen, respectievelijk op Voorne-Putten, Rotterdam, Utrecht, Almelo en Ede, belandde hij in de jaren ’70 en ’80 ten slotte in Leeuwarden, en ontpopte zich daar als een spraakmakende directeur van de sociale dienst. En daarmee kreeg men daar al spoedig te maken met een man met uitgesproken opvattingen over van alles.

Als je De Boer in huis haalt, zo las ik hierover in een stuk waarin hij gekenschetst werd als een vreemde eend aan de Vliet in Leeuwarden, waar zijn kantoor stond, dan krijg je een harde werker met veel ideeën, die niet zelden op pittige tegenstand stuitte, en zodoende met de nodige discussie en het daarmee gepaard gaande rumoer rond een rebel met lang haar, spijkerpak en linkse opvattingen. Een typische activist van die jaren, toen op veel fronten afgerekend werd met ouderwetse, regenteske figuren.

Als directeur van de sociale dienst had Jan de Boer natuurlijk niet het laatste woord. Hij moest ook wetten en regelingen uitvoeren waar hij het niet mee eens was. Maar zijn positie gaf hem de mogelijkheid kritiek te spuien en met alternatieve voorstellen te komen. En daar maakte hij gretig gebruik van. Vooral zijn uitgesproken opvattingen over het sociale zekerheidsbeleid brachten hem landelijke bekendheid. Hij gaf lezingen in het hele land, schreef opinieartikelen in regionale en landelijke dagbladen, en was volop actief als kritisch lid van de Partij van de Arbeid.

 

Kosmopoliet en francofiel met interessante Camus-relatie

Het boek opent met een voorgeschiedenis over zijn jonge jaren, en daar maken we met hem kennis als een idealistische wereldburger, met een wereldburgerpaspoort dat aan het slot van zijn boek vermeld staat. Dat was geïnspireerd door de wereldburgerbeweging van de Amerikaanse ex-piloot Gary Davis, die na de oorlog ostentatief zijn Amerikaanse paspoort verbrandde. Dat was leuke luchtfietserij, maar uiteindelijk niet meer dan snel uitdovend strovuur. Ik ben zelf in die dagen lid geweest van de Wereldfederalistenbeweging, die nog altijd bestaat, met ook een kosmopolitisch ideaal dat veel te hoog gegrepen is, maar wel serieuzer van opzet dan de beweging van Gary Davis.

Jan de Boer ontpopt zich in zijn jonge jaren spoedig tot een echte francofiel, die belangrijke intellectuele contacten kreeg met Franse iconen als Sartre, André Breton, en vooral met Albert Camus, met wie hij herhaaldelijk in gesprek raakt en van gedachten wisselt over diens visie, over de absurditeit en zinloosheid van het leven. Ik schreef daar eerder ook over, maar op een hoopvoller wijze dan Camus.

Met de menswording in de evolutie (antropogenese) wordt die evolutie zich bewust van zichzelf en wordt zij tevens een beschavingsproces. Daarin groeit de behoefte aan reflectie op zin en betekenis ervan. In religie en filosofie wordt getracht daarop een antwoord te vinden. En terwijl de Franse filosoof en schrijver Albert Camus in zijn grote essay ‘Le myth de Sisyphe’ de absurditeit van het menselijk bestaan gelegen ziet in de botsing tussen enerzijds het menselijk verlangen naar zin en betekenis en anderzijds de wereld die zijns inziens perse betekenis- en zinloos is, lijkt mij in dat verlangen juist de zin van de antropogenese gelegen.

Hiermee groeit ook de menselijke verantwoordelijkheid voor die evolutie evenals de capaciteit in oorspronkelijk blind verlopende natuurprocessen in te grijpen en zelf als mensen richting te geven aan die evolutie. In de zich ontwikkelende moderniteit voltrekt zich een aanzienlijke groei van die capaciteit. Het concept van de maakbare mens met daarmee samenhangende nieuwe technologieën is daarvan een nieuwe intrigerende expressie.

Het strevende deel van de mens als biologisch gegeven noopt er derhalve toe de finaliteit van de evolutie als beschavingsproces ook in filosofische en wetenschappelijke zin serieus te nemen. In de vooruitgangsgedachte van de moderniteit is dat ook gedaan. Daaraan is het linkse denken ontsproten, dat die gedachte in linkse ideologieën operationeel gemaakt heeft.

Het probleem van het linkse denken is dat het zich makkelijk laat meeslepen door niet of onvoldoende gefundeerd wensdenken met talrijke uitingen van utopisch denken als resultaat. Geconfronteerd met de teleurstellende effecten daarvan is het linkse denken zich wel meer bewust geworden van de negatieve dialectiek waaraan ook het linkse vooruitgangsstreven zich evenmin kan onttrekken. Dat wil zeggen de complexe verwevenheid van positieve en negatieve effecten van dat hartstochtelijke streven naar een betere wereld.[1] Als linkse denker kan Jan de Boer zich dat ook aantrekken.

 

Kosmopoliet met lokale bekommernissen

Als kosmopoliet heeft Jan de Boer via allerlei kleine baantjes de halve wereld afgereisd. Maar sinds eind jaren ’50 verenigt hij dat als libertaire kosmopoliet met een sterke lokale betrokkenheid, eerst in Voorne-Putten als leraar geschiedenis. Daarna in allerlei functies in het openbaar bestuur, dat hem als linkse denker het meeste aantrok, en dat zoals gezegd uitmondt in zijn spraakmakende werk als directeur van de sociale dienst in Leeuwarden.

Het essay van Paul Scheffer voor de Maand van de Filosofie, in het vorige nummer kort besproken[2] is gewijd aan het thema van deze maand: de reflectie op de betekenis van de Grens. Het overschrijden van grenzen wordt vaak gezien als de enige weg naar vooruitgang. We leven het leven als een immer wijkende horizon, als een vrijheid die zich steeds verder heeft losgezongen van een vorm – met een wereld zonder grenzen als het hoogste ideaal. Want wie zijn wij, wereldburgers, om anderen toegang tot ons grondgebied te ontzeggen?

Dit heeft alles te maken met een overschatting van de mobiliteit: de minderheid van mensen die in beweging zijn wordt overal bestudeerd, maar dat de overgrote meerderheid aan een plaats gebonden is lijkt geen onderwerp van onderzoek. Die blinde vlek belemmert niet alleen ons zicht op de werkelijkheid, het leidt ook tot een verachting van alles wat plaatsgebonden is en vooral geïnteresseerd in de dingen uit de eigen lokale omgeving. Dat is inderdaad een opvallend gegeven. Het heeft, lijkt me, te maken met de tegenstelling tussen hoger en lager opgeleiden, maar ook met de huidige invulling van de tegenstelling tussen links en rechts.

Jan de Boer neigt in zijn denken tot een wereld zonder grenzen. In zijn werk heeft hij dat prima weten te combineren met zijn diepgevoelde bekommernis om het lot van de grote meerderheid van plaatsgebonden en zorgbehoevende medemensen, en daarin zijn sociale missie praktisch gestalte kunnen geven. Hij is van oorsprong een Fries, en dat is hij bij en na al zijn omzwervingen onverminderd gebleven. Vandaar dat hij het grootste deel van zijn archief ter beschikking gesteld heeft aan het Historisch Centrum Leeuwarden. Als grenzeloos levende kosmopoliet heeft hij zijn Friese wortels niet verloochend.

 

Op weg naar z’n bestemming

Als we jong zijn, is de grote vraag: wat willen we worden? Wat is onze bestemming? Dat kunnen we in deze memoires ook mooi volgen. Via allerlei baantjes heeft Jan de Boer stap voor stap zijn bestemming gevonden in het verkondigen en praktiseren van een boodschap die de zin en betekenis van zijn leven is geworden. Aan het slot van zijn boek vertolkt hij die boodschap nog eens in heldere taal. Ik deel zijn zorg om de huidige mondiale chaos; en zijn visie op Europa, Europa kan alleen nog zijn unieke beschavingsrol vervullen als het uit de te eng geworden nationale grenzen uitgroeit naar een politiek verenigd werelddeel, zij het in eerste instantie op een beperktere schaal, wat mij betreft.

Ik deel veel van zijn kritiek op het kapitalisme, maar ook op wat hij schrijft over het socialisme, dat zoals hij stelt er niet in geslaagd is een leefbaar alternatief voor kapitalisme te creëren. Met vooralsnog de nodige aarzeling sympathiseer ik ook met zijn pleidooi voor een basisinkomen, gegeven de toenemende structurele werkloosheid als gevolg van de technologische vooruitgang; maar niet voor iedereen, zoals Jan de Boer beoogt. Hoe dat immers operationeel te maken, terwijl het nu al zo moeilijk blijkt te zijn in Europa tot een politieke eenheid te komen? In Liberaal Reveil (1, 2016) staat een interessante discussie over dit in liberale kringen vooralsnog controversiële thema, met als uitgangspunt de kritische stellingname van het redactielid Fleur de Beaufort in Liberaal Reveil van september 2015. Dat gaat over de mogelijkheid en wenselijkheid van gratis geld voor iedereen. De kritiek op die stellingname van twee kanten heeft haar vooralsnog niet overtuigd van de mogelijkheid van zo’n basisinkomen – kan het werken? – noch van de wenselijkheid ervan uit liberaal oogpunt.

Ik deel niet zijn onverbiddelijke cultuurpessimisme. De mondialisering van onze beschaving, aldus Jan de Boer, heeft ook mondiale systeemrisico’s met zich meegebracht. Daardoor is nu voor de eerste keer in de menselijke geschiedenis een ineenstorting op zeer grote, bijna wereldschaal, voorspelbaar. Ik mag hopen, zo voegt hij eraan toe, dat in die gewelddadige mondiale chaos er zich kleine ecologische lokale groepen weten te handhaven. Net als de kloosters in de vroege Middeleeuwen, die na de ineenstorting van het Romeinse Rijk en de grote volksverhuizingen een weg naar een nieuwe, dan meer respectueuze samenleving weten te wijzen. De geschiedenis, zo stel ik hiertegenover, loopt toch telkens weer anders dan we verwachten. We moeten natuurlijk doen wat we kunnen, en tegelijk blijven hopen op onvoorziene wendingen in het geschiedverloop, zoals zo vaak gebeurt. Ik denk ook aan de bekende list der rede van de Duitse filosoof Hegel.

Het leven heeft, zo schrijft Jan de Boer, geen immateriële zin, alleen een materiële, te weten de instandhouding van de soort. Of dat een zegen is, valt te betwijfelen, stelt hij. Hoe weet hij dat allemaal zo zeker? En als onze geschiedenis als mensheid geen zin heeft, waarom dan zijn ecologische bekommernis om de aantasting van ons natuurlijke milieu? Wat maakt het uit of het leven van de mensheid wat eerder of later ten onder gaat, als het toch bij voorbaat zinloos is?

De wetenschap is mij lief. Maar ondanks alle wetenschappelijke verlichting blijft ons bestaan in laatste instantie in raadsels gehuld, hoezeer dat ook uit wetenschappelijk oogpunt verklaarbaar lijkt. Hoe dieper we als mensen in het heelal en de materie doordringen, en hoe grondiger we ons verdiepen in de ontwikkelingen en perspectieven van de nieuwe technologische revolutie in onze tijd, des te raadselachtiger de werkelijkheid van macro- en microkosmos ons toeschijnt.

Een oude vriend schreef mij op het einde van zijn leven gedesillusioneerd dat het leven ineens remmend en knarsend tot stilstand komt met een grote nulsom als uitkomst. Is het geen schande, zo riep hij vertwijfeld uit, dat ons de weelde van het bestaan als mens geschonken wordt, maar dat dit met de dood voor eens en altijd in het niets verdwijnt? Die vertwijfelde conclusie deel ik niet. We eindigen dit leven mijns inziens met een open vraag, zoals de toekomst in dit leven ook een open vraag is. Opgegroeid met het geloof in eeuwige waarheden en waarden eindig ik met een levenshouding die veelal neigt naar religieus agnosticisme, een derde weg tussen het oude religieuze – katholieke – geloof en het nu massaal beleden atheïsme. Het is een weg die de ontwikkeling naar nieuwe spirituele mogelijkheden openhoudt.

 

Privéleven

Wat ik in Jan de Boer bewonder, is ook zijn openhartigheid over zijn privéleven. De vreugde over zijn levenskansen als mens gaat samen met heel wat persoonlijk leed, waar hij geen geheim van maakt. Meerdere huwelijken, die ofwel met de dood van zijn vrouw eindigen, of in een echtscheiding; een dochter, die zichzelf het leven beneemt; en meer treurigs. Vreugdevol is zeker zijn laatste huwelijk, sinds hij in Zuid-Frankrijk woont. Hij huwt daar een Française met Andalusische wortels: Ana Carmen Ferrero, met wie hij de gelukkigste jaren van zijn leven beleeft. Samen richten zij de compagnie De l’autre côté du miroir op, waarmee zij sinds 2008 jaarlijks voorstellingen organiseren met poëzie, dans en muziek. Zij, als voortreffelijk flamencodanseres, en hij als dichter. Want Jan de Boer beleeft zijn leven ook als dichter. Daar getuigt hij in zijn memoires eveneens van in tal van gedichten in het Frans, die hij daarna zelf naar het Nederlands vertaald heeft. En hij bekent ook dat hij, evenals zijn vrouw, zo nodig vrijwillig een einde aan zijn leven zal maken met de middelen die hij daarvoor in huis beschikbaar heeft.

Dit boek met memoires is op 10 april jl. in Leeuwarden tijdens een zeer geslaagde happening, met veel genodigden uit de politieke wereld, aangeboden aan de oud-minister voor Cultuur Hedy d’Ancona, begeleid door poëzie en flamencodans van zijn vrouw Ana en zichzelf.



[1] Zie Th. Adorno en M. Horkheimer, Dialektiek der Aufklӓrung, 1947.

[2] Zie Civis Mundi, 36, april 2016, Essay Maand van de Filosofie. Bespreking van: Paul Scheffer, De vrijheid van de Grens.