‘De volmaakte vorm van wetenschappen moet de poëzie zijn’

Civis Mundi Digitaal #38

door Helena Bloem

Over de natuurwetenschappelijke invloeden bij Novalis, toegelicht aan de hand van het sprookje Eros en Fabel uit zijn roman Heinrich von Ofterdingen *
Opgedragen aan mijn dochter Claudiavoor haar 26ste verjaardag


     

Inleiding: Een duizelingwekkend natuurwetenschappelijk sprookje

In eerste instantie duizelde het me bij het lezen van het sprookje van Eros en Fabel uit Novalis’ roman Heinrich von Ofterdingen van de vele beschrijvingen en snel op elkaar volgende en steeds wisselende gebeurtenissen. (1) Dikwijls dacht ik bij mezelf: “Waar begin ik aan, om dit warrige verhaal te gaan bespreken?” Bij nadere bestudering van met name Duitstalige studies over de natuurwetenschappelijke context waarin dit sprookje van Novalis is ontstaan, begon ik steeds meer lijnen en verbanden te ontdekken, en werd dit onderzoek uitdagender en boeiender. De natuurwetenschappelijke fenomenen kun je prachtig leggen naast de ontwikkelingen in het sprookje. Je kunt zelfs stellen dat dit sprookje van Novalis één groot natuurkundig practicum is.

Verschillende 18e eeuwse natuurwetenschappelijke vondsten, die ik hierna ga bespreken, sluiten naadloos aan op de belangrijkste gebeurtenissen in het verhaal. Zij laten de praktijk zien van de toenmalig veelvuldig uitgevoerde experimenten op het gebied van magnetisme en galvanische elektriciteit, waarbij de personages in het verhaal als het ware functioneren als ‘proefpersonen’.
Dit maakt het sprookje van Eros en Fabel tot één boeiende ontdekkingstocht door de wereld van de toenmalige natuurwetenschap, die toen net in de kinderschoenen stond. In de loop van de 18e eeuw waren de natuurwetenschappen erg in opkomst en werd er veel onderzocht en geëxperimenteerd.

Novalis werd in zijn werken beïnvloed en geïnspireerd door talloze bronnen, zoals de natuurkunde, scheikunde, geologie, astronomie en meteorologische verschijnselen, maar ook door de (natuur)filosofie, mythologie, astrologie, mystiek en alchemie. Novalis leefde in een vernieuwende tijd, waarin veel baanbrekende ontdekkingen en uitvindingen werden gedaan, die wij in de 21ste eeuw nog gebruiken. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de batterij, kunstmest, e.d. Dit zijn nog maar enkele kleine voorbeelden van de talloze uitvindingen en vernieuwingen van die tijd. Dit artikel heeft tot doel inzicht te geven in dit natuurwetenschappelijke gedachtengoed, waarbij ik wil laten zien op welke wijze deze op Novalis invloed hebben gehad en dan met name op zijn sprookje Eros en Fabel uit zijn onvoltooid gebleven roman Heinrich von Ofterdingen. Daartoe beperk ik mij uitsluitend tot de natuurwetenschappelijke elementen in het sprookje van
Eros en Fabel. In een volgend artikel zal ik nader ingaan op de mystieke, mythologische en alchemistische aspecten hierin. Als uitgangspunt voor deze bespreking maak ik gebruik van de mooie, integrale vertaling van de roman Heinrich von Ofterdingen door Ria van Hengel, die ik in CM 36 heb besproken. (1) Van dit sprookje bestaat echter ook een Nederlandse bewerking en navertelling door Jeanne Meijs, bedoeld voor kinderen vanaf 12 jaar. Deze uitgave is kleurig en lieflijk geïllustreerd door Maria Moll. Het verhaal in dat boekje is door Jeanne Meijs knap samengevat op een voor kinderen begrijpelijke wijze.
Deze navertelling voor kinderen kan echter niet los gezien worden van haar grotere werk Eros en Fabel/Liefde en Seksualiteit. Hierin vertelt en vertaalt Jeanne Meijs de complete versie van het sprookje, waarbij zij het als uitgangspunt neemt voor haar boek, dat bedoeld is als een handleiding voor intermenselijke relaties op het gebied van liefde en seksualiteit en seksuele voorlichting. Deze boeken heeft zij geschreven vanuit de antroposofische invalshoek die voor een groot deel zijn gebaseerd op en geïnspireerd door de ideeën van Rudolf Steiner. De antroposofische denkbeelden kunnen in dit kader niet mijn uitgangspunt vormen, omdat deze van veel later datum zijn en geen rechtstreeks verband hebben met de natuurwetenschappelijke ontwikkelingen uit de tijd van Novalis zèlf.
Voor het hierboven aangegeven doel van dit artikel heb ik ervoor gekozen om zo dicht mogelijk bij het tijdsbeeld van Novalis zelf te blijven en gebruik te maken van bronnen uit de tijd waarin hij dit sprookje heeft geschreven. Daarom laat ik de vertaling en de interpretaties van dit sprookje uit de boeken van Jeanne Meijs buiten beschouwing. (2)Alle illustraties bij het sprookje in dit artikel zijn, tenzij anders vermeld, wèl ontleend aan het bovengenoemde kinderboek van Jeanne Meijs en Maria Moll.

 
Leraar van Novalis: Johann Christian Wiegleb (1732-1800) in Langensalza (l), Laboratorium in Wieglebs Apotheek in Langensalza (r)
1. De natuurwetenschappen ten tijde van Novalis

1.1. De leraren van Novalis in de periode 1795-1800

Op 30 december 1795 werd Novalis benoemd als ambtenaar bij de Zoutmijndirectie in Weissenfels in het Kurfürstentum Sachsen, waar zijn eigen vader directeur was. Als voorbereiding voor zijn werkzaamheden volgde hij diverse opleidingen en cursussen in chemie en mineralogie en maakte hij kennis met de beginselen van de wiskunde. In januari 1796 volgde hij een veertiendaagse scheikundecursus bij apotheker en chemicus Johann Christian Wiegleb (1732-1800) in Langensalza. Wiegleb had belangrijke bijdragen geleverd aan de ontwikkeling van de scheikunde en de farmacie. Hij was een invloedrijk wetenschapper en had een omvangrijke kennis, zowel natuurwetenschappelijk als ook historisch en filosofisch. Zijn scheikundige experimenten publiceerde hij regelmatig in het “Chemisches Journal” van Lorenz von Crell. In 1779 stichtte hij de eerste apothekersopleiding. Van Wiegleb is ook bekend dat hij zich intensief heeft beziggehouden met alchemie. (3)

 

Leraar van Novalis aan de Bergakademie te Freiberg: Abraham Gottlob Werner (1750-1817), schilderij door Gerhard von Kügelgen (l); De Bergacademie te Freiberg waar Novalis studeerde van 1797 tot 1799. Het oude hoofdgebouw werd in 1892 afgebroken.(r)

Naast zijn werk bij de zoutmijnen startte Novalis in december 1797 met zijn studie geologie aan de Bergacademie in Freiberg. Hij studeerde daar tot 1799. Een van zijn leraren was de beroemde mineraloog en geoloog Abraham Gottlob Werner (1750-1817). (3, Olshausen p 12-15)Werner was bekend geworden door het ontwikkelen van een classificatiesysteem voor mineralen en is de bedenker van het Neptunisme, het idee dat alle gesteenten op aarde in de zeeën en oceanen zijn ontstaan. Hij publiceerde in 1774 het eerste moderne handboek Von den äusserlichen Kennzeichen der Fossilien over de beschrijving en determinatie van mineralen.

Werner kan gezien worden als een van de belangrijkste mineralogen van zijn tijd, want hij ontwikkelde de mineralogie tot een moderne wetenschap. Hij heeft vanaf 1775 tot zijn dood in 1817 lesgegeven aan de Bergacademie. Ondanks dat Werner geen productief schrijver was en weinig publiceerde, kreeg hij grote bekendheid door zijn bevlogen manier van lesgeven, waardoor studenten vanuit heel Europa naar Freiberg kwamen om zijn colleges bij te wonen. Zijn talent als leraar zorgde ervoor dat zijn ideeën zich snel over Europa verspreidden.

In dezelfde tijd rond 1798 volgde Novalis ook lessen bij Wilhelm August Lampadius (1772-1842), een van de belangrijkste scheikundigen van zijn tijd en een veelzijdig wetenschapper. Lampadius hield zich onder meer bezig met meteorologie, de winning van bietsuiker, het vervaardigen van kunstmest en de veredeling van brandstoffen. Hij ontdekte de zwavelkoolstof ofwel koolstofdisulfide (CS2), een grondstof van viscose. Lampadius was voorstander van een nieuwe scheikunde volgens de methodieken van Lavoisier. Bovendien was hij de uitvinder van de gaslantaarn en richtte hij in 1797 in Freiberg het eerste laboratorium ter wereld op, dat aan een Hoge School verbonden was.(4)
Na de dood van zijn jonge bruid Sophie in maart 1797, verloofde Novalis zich in december 1798 met Julie von Charpentier (1778-1811), de jongste dochter van geoloog en mijnbouwdeskundige Johann Friedrich Wilhelm Toussaint von Charpentier (1738-1805). Via wederzijdse relaties kwam hij met de familie Charpentier in contact. Charpentier was docent geweest aan de Bergacademie voor wis- en natuurkunde, maar had dit opgegeven om zich te kunnen wijden aan geologie en mijnbouw. Charpentiers belangrijkste publicatie was zijn in 1778 verschenen Mineralogische Geographie der Kursächsischen Lande. Deze was gebaseerd op een aan hem verleende opdracht om een gebergtekaart van het “Kurfürstentum Sachsen” te vervaardigen. Dit is de eerst verschenen geologische kaart van een groter gebied.
Een groot deel van zijn natuurwetenschappelijke kennis verwierf Novalis ook door zelfstudie. In zijn bibliotheek bevonden zich standaardwerken over mijnbouw, mineralogie, geologie en zoutwinning. (5)

 
Wilhelm August Lampadius (1772-1942) (l)
Johann Friedrich Wilhelm Toussaint von Charpentier (1738 – 1805) portret door Anton Graff (r) (verloren gegaan)
1.2. Magnetisme als wetenschap ten tijde van Novalis
Mineraal magnetisme is een natuurkundig verschijnsel, waarbij men in de oudheid al ontdekte dat magnetietkristallen elkaar kunnen aantrekken of afstoten. Veel ijzerlegeringen, waaronder nikkel en kobalt, vertonen magnetische eigenschappen. IJzer, kobalt en nikkel kunnen, als zij in aanraking komen met magnetiet, zelf magnetische eigenschappen krijgen.
Franz Anton Mesmer (1734-1815) was arts en astroloog en ontdekker van het zogenaamde dierlijk magnetisme. Dit werd populair als genezingsmethode in de tijd van Novalis en leidde later tot de ontwikkeling van de hypnose. Dierlijk wil zeggen dat een elektromagnetische kracht ook overdraagbaar is op levende wezens. Later werd dit ook wel mesmerisme genoemd. Uit aantekeningen van Novalis blijkt dat hij met Mesmers ideeën bekend was. Hij deed zelfs in zijn ‘Medizinische Bemerckungen’ verslag van proeven die hij op zijn verloofde Julie von Charpentier had ondernomen, zoals: “Voetbaden van ijzervijlsel – zaagsel – zand. Galvanisme experimenten op Julie; Gezichts- en kaakbaden bij Julie. Magnetische experimenten met Julie; Dierlijk magnetische experimenten met Julie.”
Ook de natuurfilosoof F.W.J. Schelling (1775-1854), die Novalis persoonlijk heeft gekend, hield zich eveneens intensief bezig met magnetisme, elektriciteit en galvanisme. Met name zijn vroegere werken, waarin Schelling de natuurwetenschappen doortrekt naar een metafysische en bezielende betekenis, heeft Novalis uitgebreid bestudeerd. (6)

1.3. Elektriciteit en galvanisme als wetenschap ten tijde van Novalis
Waarnemingen over het ontstaan van een elektrische lading wanneer barnsteen bijvoorbeeld over een dierenvel o.i.d. gewreven wordt (= statische elektriciteit), waren al in het oude Griekenland bekend. Deze kennis over statische elektriciteit werd vooral in de eerste helft van de 18e eeuw enorm uitgebreid door ontdekkingen van onder meer Stephen Gray (1666-1736), een Engels wetenschapper en astronoom. Tijdens zijn onderzoek naar statische elektriciteit ontdekte hij dat sommige materialen geleidende eigenschappen hebben; Gray deed vele studies naar elektrische verschijnselen. In 1726 elektrificeerde hij – via wrijving – een glazen buis en vond uit dat de kurken op de uiteinden van de buis elektrisch geladen werden. Hij was de eerste die onderscheid maakte tussen geleiders en isolatoren.
Een verder hoogtepunt binnen het elektriciteitsonderzoek was het in 1749 door Benjamin Franklin (1706-1790) geleverde bewijs dat bliksem een vorm van elektriciteit is en dat er positieve en negatieve lading bestaat. Rond 1780 ontdekte Luigi Galvani (1737-1798) dat chemische processen elektriciteit kunnen oproepen. Hij nam waar dat spieren in geprepareerde kikkerpoten kunnen samentrekken onder invloed van statische elektriciteit. Hij noemde dit ‘dierlijke elektriciteit’, die de levenskracht zou zijn die alles laat bewegen. (6, Wiebel, p 6)

 

Luigi Galvani (1737-1798) || Galvani’s experimenten met geprepareerde kikkerpoten

Pas ruim een halve eeuw later toonden experimenten van onder andere Leopoldo Nobili (1784-1834), Carlo Matteucci (1811-1868) en Emil du Bois-Reymond (1818-1896) aan, dat er in het menselijk lichaam elektrische stroompjes door de zenuwen lopen die in het lichaam zelf worden opgewekt en de spieren laten bewegen.

1.4. De verbinding van natuurwetenschap en filosofie bij Ritter en Novalis
De Italiaanse natuurkundige Alessandro Volta (1745-1827) ontdekte rond 1800 dat elektriciteit afkomstig kan zijn uit de overgang tussen twee verschillende metalen. Om dit te bewijzen ontwikkelde hij de zogenaamde Zuil van Volta, de voorloper van onze huidige batterij. Volta voerde samen met de chemicus en natuurkundige Johann Wilhelm Ritter (1776-1810) in Jena talloze Galvanische experimenten uit.

  

Alessandro Volta (1745-1827) || De zuil van Volta || Johann Wilhelm Ritter (1776-1810)

Ritter was een leeftijdsgenoot en een vriend van Novalis. Via Novalis kwam Ritter ook in contact met Friedrich en Dorothea Schlegel en maakte hij, evenals Schelling, een tijdje deel uit van deze Romantische vriendengroep. Ritter heeft zeer belangrijke ontdekkingen gedaan in de elektrochemie (droge batterij). Hij ontdekte het ultraviolette spectrum van elektromagnetische straling [UV-straling] en was de eerste die een expliciete link legde tussen galvanisme en chemische reactiviteit. Ritter probeerde het galvanisme toe te passen op alle levende wezens in de natuur. Hij wilde met zijn experimenten, die hij vaak op zijn eigen lichaam uitvoerde, de theoretische ideeën van Novalis bewijzen, dat alle tegenstellingen berusten op een verborgen, dialectische eenheid. Ritter zette zich letterlijk met lichaam en ziel in voor fysieke en filosofische ontsluiting van de natuur en probeerde op deze wijze de romantische natuurfilosofie en fysieke kennis met elkaar te verbinden. Ten gevolge van zijn eigen experimenten stierf hij geïsoleerd, ziek en berooid in 1810. (7)
De onderzoekingen en experimenten van zijn vriend Ritter zijn zeer verhelderend voor het begrip van het werk van Novalis. Novalis heeft in 1797 verschillende lezingen van Ritter bijgewoond en hem thuis bezocht. Ook heeft hij kennisgenomen van Ritters galvanische bewijsvoeringen die in 1798 in druk zijn verschenen. Ritter publiceerde ook regelmatig in de “Annalen der Physik”. Met name in zijn traktaat “Beweis, dass ein beständiger Galvanismus den Lebensprocess im Thierreiche begleite”, streefde hij ernaar aan te tonen, dat het levensproces binnen het dierenrijk door een voortdurend galvanisme in stand gehouden wordt. (8)
Novalis en Ritter voerden veel gesprekken over een samengaan van natuur en filosofie, die eind 18e eeuw, mede onder invloed van de Verlichting, steeds meer van elkaar gescheiden werden. Ze probeerden deze afsplitsingen binnen de wetenschappelijke deelgebieden weer samen te brengen. Novalis was een groot bewonderaar van Ritter. Met een gevatte woordspeling schrijft hij over Ritter in een brief van 20 januari 1799 aan Caroline Schlegel: “Ritter is ridder en wij zijn slechts schildknapen.” (“Ritter ist Ritter und wir sind nur Knappen.”) (9)
Vooral in het net ontdekte galvanisme zag Novalis een mogelijk verbindingsmiddel tussen de verschillende wetenschapsgebieden. Zo schreef hij in 1798 onder meer hierover: “Ziel en lichaam werken galvanisch op elkaar in – in ieder geval op analoge wijze – waarvan de wetmatigheden echter op een hoger plan moeten liggen” (“Seele und Körper wirken galvanisch auf einander – wenigstens auf eine analoge Art – deren Gesetze aber in einer höhern Region liegen”.) Voorts verklaarde hij het Galvanisme “als een fractie van gevoel in het anorganische rijk” (“Spur der Empfindung im anorganischen Reiche”).
Novalis had niet alleen een afkeer van de ´gewone´ kwantitatieve natuurkunde, maar streefde net als Schelling een omwenteling na van een speculatieve, naar een meer transcendentale, geestelijke en filosofisch georiënteerde natuurkunde. Zo laat het onderstaande fragment uit Novalis´ notities zien dat hij het galvanisme zag als een verbindingselement in een streven naar een transcendentale natuurwetenschap: “Licht, lucht en warmte zijn in zekere zin overgangen van het lichaam naar de ziel. De organische stof is een synthese tussen lichaam en ziel – die daardoor allebei meer worden, op een hoger plan komen dan voorheen. De mens en burger zijn meer dan alleen maar mens…”
Het elektromagnetisme werd pas in 1820 door Hans Christian Oersted (1777-1851) ontdekt en bewezen. Oerstedt was een Deense natuurkundige en scheikundige en een bekende van Ritter. Des te opvallender zijn daarom Novalis’ uitspraken over elektromagnetisme, waaruit blijkt dat hij dit al goed heeft aangevoeld zonder het te kunnen verklaren en te bewijzen. Hij was hiermee zijn tijd dus vooruit: “Magnetisme is omgekeerde elektriciteit en elektriciteit is omgekeerd magnetisme – zou magnetisme ten opzichte van het licht wellicht in die verhouding staan als elektriciteit tot warmte? Geen elektriciteit zonder magnetisme – geen magnetisme zonder elektriciteit”.
(6,  Wiebel, p 7- 9)

2. Klingsohrs sprookje: Het verhaal van Eros en Fabel
Aan het einde van deel I van zijn roman Heinrich von Ofterdingen laat Novalis de dichter Klingsohr een sprookje vertellen, het sprookje van Eros en Fabel. Het is een behoorlijk ingewikkeld sprookje. De verhaallijnen lijken vrij grillig en willekeurig door elkaar heen te lopen. Zeker wanneer men deze los ziet van de natuurwetenschappelijke context waarop deze verhaallijnen zijn gebaseerd.
De fenomenen die Novalis in dit sprookje laat plaatsvinden kunnen echter heel goed met behulp van de toenmalige natuurwetenschappelijke kennis worden verklaard en verduidelijkt. Door deze sterke opeenstapeling van natuurfenomenen  staat het sprookje enigszins los van de rest van de roman. (6, Wiebel, p 3) Wel zijn er in de verhaalopbouw en de strekking ervan overeenkomsten te zien met het verhaal van Atlantis uit de Heinrich von Ofterdingen. (10)Novalis laat via de zeer ervaren en bekwame dichter Klingsohr zien tot welke grote hoogte de poëzie kan komen.
Eerst volgt nu een samenvatting van het sprookje zonder verwijzing naar de relevante natuurverschijnselen, die daarna uitvoerig worden toegelicht.

2.1. Samenvatting van het verhaal
Uitgangspunt van het sprookje is het bevroren rijk van de oude koning Arcturus, wiens paleis zich op een eiland bevindt. Novalis geeft een mooie beschrijving van een rijk waarin alles verstild en verstard is met overal fonkelende ijs- en sneeuwbloemen en pastelkleurige lichtweerkaatsingen op de gladde muren van de gebouwen. Het verhaal begint als de dochter van Arcturus, Freya (personificatie van de Vrede), het schild van de oude held IJzer aanraakt. Door deze – zoals we hierna zullen zien - magnetische aanraking wordt het hele paleis in een zachte lichtgloed gezet. De essentie van het verhaal gaat over de ontwikkelingen van dit oude rijk tot een hernieuwd koninkrijk dat uiteindelijk tot stand kan worden gebracht door het huwelijk van Freya met Eros (personificatie van de Liefde), die als zoon geboren is in een ‘gewone, aardse’ familie. Deze ontwikkelingen worden in gang gezet als in het begin van het sprookje het hof van Arcturus samenkomt en de koning met Freya een kaartspel begint, waarvan de tekens een mysterieuze, astrologische betekenis hebben. Deze kaartleggingen vormen een ritueel van tekens die het begin inluiden van de veranderingen die gaan plaatsvinden. Terwijl de koning en Freya hun kaartspel spelen, onderbreekt op een gegeven moment de koning het spel om de oude held IJzer opdracht te geven zijn zwaard de wereld in te werpen, “zodat duidelijk wordt waar de vrede rust”. (1, RvH, 130)
Deze uitspraak van Arcturus is een voorverwijzing naar het doel van deze opdracht dat te maken heeft met de afloop van het verhaal. Deze actie van de oude held IJzer is, zoals we verderop nog zullen zien, de aanzet tot een hele reeks avonturen. Uiteindelijk worden deze pas tot een goede afloop gebracht als Eros erin slaagt Arcturus’ dochter Freya, de Vrede, weer tot leven wekken, waarop het Gouden Tijdperk zal aanbreken.

 

Vervolgens gaat het verhaal verder met de familie van Eros, die bestaat uit zijn vader en moeder, zijn halfzusje Fabel (personificatie van de Poëzie), Ginnistan (de dochter van de maan en personificatie van de Fantasie) die de voedster is van beide kinderen en tevens moeder van Fabel, en de Schrijver, die in dienst is van de vader. Ook de, steeds op de achtergrond blijvende, engelachtige Sophie (die pas veel later de vrouw van Koning Arcturus blijkt te zijn en de personificatie is van de Wijsheid) neemt op passieve wijze aan dit huishouden deel door middel van een magische kom met water. Dit water heeft het vermogen de geschreven teksten van de schrijver uit te wissen, ofwel te laten staan. Afhankelijk van de ‘wijsheid’ van deze teksten. Meestal komen de door de schrijver geschreven bladen blanco uit de kom water, hetgeen hem met grote woede vervult. Op een gegeven moment vindt de vader op zijn erf een gemagnetiseerd ijzeren staafje, afkomstig van het zwaard van de oude held IJzer. Deze vondst is het begin van een reeks gebeurtenissen die daarna in gang gezet worden. De schrijver bekijkt het stukje ijzer en maakt er notities over. Ginnistan neemt het ook in haar hand en verbuigt het tot de vorm van een slang die zichzelf in de staart bijt [= Ouroboros; de betekenis van het symbool van de Ouroboros komt in het vervolgartikel over de alchemie en mystiek in het sprookje uitvoerig aan de orde]. Als het kind Eros deze Ouroboros aanraakt, springt hij uit zijn wieg om vervolgens razendsnel uit te groeien tot een volwassen jongeling met lange goudblonde haren. Zijn kleine zusje Fabel draagt hij op de arm. Sophie geeft nu aan dat het moment gekomen is dat Eros zijn reis moet gaan ondernemen. (1, RvH p130-135)

 

Eros verlaat onder begeleiding van Ginnistan zijn familie en gaat op weg naar het koninkrijk van Arcturus dat hij uiteindelijk via allerlei dwaalsporen op het pad der liefde en na ingewikkelde avonturen bereikt. Intussen smeedt de schrijver snode plannen om het gezin ten gronde te richten, waarbij de vader en de moeder gevangen gezet worden in de onderaardse grot van de drie spinsters (Wraakgodinnen). De familie valt uiteen. De schrijver verbrandt de moeder op een grote brandstapel die zo ontzagwekkend is dat de vlammen ervan zelfs de zon verbranden. De kleine Fabel, Eros’ halfzusje, ziet kans te ontsnappen en weet de drie spinnende Wraakgodinnen uiteindelijk door een list met tarantula’s en kruisspinnen onschadelijk te maken. Veel later, nadat Atlas weer tot leven is gewekt, nemen zijn dochters de Hesperiden met hun tuin en hun gouden appel de plaats in van de Wraakgodinnen (11)


    

Later brengt zij de as van de moeder terug naar Sophie die deze uitstrooit in haar magische water en vervolgens deze als drank in een kelk laat rondgaan aan de weer verenigde familie. Daarna onderneemt Fabel samen met Eros en Ginnistan een lange reis, waarbij ze met behulp van de personificaties van de metalen Goud, IJzer en Zink, Atlas, de vader en tenslotte Freya weer tot leven wekt. Uiteindelijk bereikt Eros het paleis van Arcturus, waar hij begroet wordt door Sophie, die nu de koningin van Arcturus en de moeder van Freya blijkt te zijn. Nadat Freya tot leven gewekt is en Eros met haar trouwt, ontdooit het bevroren rijk van Arcturus en keert het leven er weer in terug. Koning Arcturus kroont Eros met zijn eigen kroon, Sophie doet ditzelfde met Freya. (1, RvH p 153, 154)
Daarop transformeert de troon zich tot een bruidsbed “met een hemel waar Phoenix met de kleine Fabel boven zweefde”. Het sprookje eindigt vervolgens als Fabel haar gouden draad spint, dat alles en iedereen met elkaar verbindt en met luide stem zingt:
“Gegrondvest is het rijk der eeuwigheid
voorbij is eindelijk de droom der smarten
In liefde en vrede eindigde de strijd,
Sophie is eeuwig priesteres der Harten” (1, RvH p 155, 217)

 

3. De natuurwetenschappen in het sprookje van Eros en Fabel

3.1 Magnetisme in het sprookje van Eros en Fabel
In een brief aan Schlegel op18 juni 1800 schreef Novalis o.m.”…enkele lijnen slechts, als arabesken [siermotieven] – beschouw zo mijn sprookje”( “…Einzelne Züge bloss, als Arabesken – so betrachte nun mein Märchen“). De natuurkundige fenomenen in dit sprookje laten echter veel meer zien dan alleen een arabesk, omdat de magnetische en galvanisch-elektrische gebeurtenissen wel degelijk zeer bepalend en sturend zijn voor de handelingen in het verhaal en blijk geven van Novalis’ natuurfilosofische wereldbeschouwing. (6, Wiebel, p 3, 22)  
Dit begint al aan het begin met de magnetisering van de ‘Oude Held IJzer’ door Freya:
“Ze greep zijn hand, drukte die teder tegen haar hemelse boezem en raakte zijn schild aan. Zijn wapenrusting weerklonk en een doordringende kracht bezielde zijn lichaam. Zijn ogen fonkelden en zijn hart klopte hoorbaar tegen zijn pantser. De schone Freya zag er vrolijker uit en het licht dat van haar uitstroomde werd vuriger”. (1, RvH p127; 6, Wiebel, p 10)
Deze ‘doordringende kracht’ die Freya via haar hand overdraagt op de oude held - die de personificatie is van het IJzer - veroorzaakt bij deze een magnetisering. Doordat de held op bevel van koning Arcturus later zijn zwaard tegen een bergwand aangooit komt een stukje van dit gemagnetiseerde ijzer in de mensenwereld terecht. Deze worp van het zwaard brengt het magnetische contact tussen de werelden tot stand. “De held haalde het zwaard van zijn heup (…) en wierp het uit het geopende venster over de stad en de ijszee. Als een komeet vloog het door de lucht en tegen de berggordel leek het met een felle klap te versplinteren want het viel in louter vonken omlaag.” (1, RvH p 129) Als we het sprookje verder vervolgen, wordt op een gegeven moment een van de zwaardsplinters door de vader gevonden.
“Plotseling kwam de vader binnen met een dun ijzeren staafje, dat hij op het erf had gevonden. De schrijver bekeek het, draaide het ijverig rond en ontdekte na enige tijd dat het vanzelf naar het noorden draaide als het in het midden aan een draad was opgehangen. Ginnistan nam het ook in haar hand, boog het, duwde ertegen, blies erop en had er al spoedig de vorm van een slang aan gegeven, die zichzelf nu plotseling in de staart beet. “ (1, RvH p130; 6, Wiebel, p 11)
De schrijver die het ijverig ronddraait, ontdekt de werking van het staafje en noteert mogelijke betekenissen ervan. Omdat zijn notities niet beklijven in de schaal van Sophia, verliest hij zijn belangstelling. Ginnistan daarentegen vervormt het stukje ijzer tot een Ouroboros [een slang die zichzelf in zijn staart bijt], waarop Eros bij het aanraken ervan snel gaat groeien en volwassen wordt.
Toen hij die [het staafje] te pakken kreeg, sprong hij energiek uit de wieg (…) en nu stond hij uitsluitend bedekt met zijn lange gouden haren, in de kamer en bekeek met onuitsprekelijke vreugde het kleinood dat zich in zijn handen naar het noorden uitstrekte en hem hevig ontroerde. Hij groeide zienderogen”. (1, RvH p 130,131)
Met betrekking tot Eros veroorzaakt het magnetisme een tweetal dingen. Enerzijds dient het magnetische staafje hem als wegwijzer en kompas richting het Noorden om daar de hem voorbestemde weg naar zijn geliefde Freya te vinden. Dit herhaalt zich weer in de strofe van het lied aan het begin van de reis.:
(…)De kleine slang bleef op haar post:
Het noorden wees zij aan.
Haar volgend, nu van zorg verlost
Zijn beiden voortgegaan. (1, RvH p 133)
De reis wordt echter onderbroken op de maan, want het kompas heeft eigenlijk niet goed gewerkt. Een verklaring hiervoor kan worden gezocht in de door Ginnistan veroorzaakte vervorming van het staafje tot een Ouroboros. Immers, een magneet waarvan beide polen samengevoegd worden, kan niet meer bipolair werken en is dus niet meer gevoelig voor magnetische invloeden. (12) Een ander gevolg van de magnetische werking van het ijzeren staafje is de snelle groei van Eros tot volwassen man. Waarschijnlijk is dit een verwijzing naar het dierlijk magnetisme van Mesmer.

3.2 Galvanisme en elektriciteit in het sprookje van Eros en Fabel
In het verder verloop van het sprookje maakt het magnetisme geleidelijk plaats voor (galvanische) elektriciteit. Het magnetisme had vooral als doel alles tot een actie aan te zetten en heeft op het moment dat Eros zijn reis begint hiermee zijn functie gehad. In functionele zin komt daarvoor in de plaats het fenomeen van de galvanische elektriciteit, dat duidelijk aan de orde komt bij de tot leven wekking van Atlas door de personificaties van Goud en Zink onder leiding van Fabel:
“Ze reden rondom de aarde totdat ze bij de oude reus kwamen, langs wiens schouders ze omlaag klommen. Hij leek verlamd door de klap en kon geen vin verroeren. Goud legde een munt in zijn mond en de tuinman [Zink] schoof een schaal onder zijn lendenen. Fabel raakte zijn ogen aan en goot de kruik over zijn voorhoofd leeg. Toen het water via zijn ogen in zijn mond stroomde en omlaag over hem heen in de schaal, schoot er een bliksemschicht van leven door al zijn spieren. Hij sloeg zijn ogen op en kwam energiek overeind.” (1, RvH p 149; 6, Wiebel, p 13)
Kort daarop volgt een tweede opwekkingsscene van de vader van Eros en Fabel, ook weer met behulp van galvanische elementen:
“Goud smolt de munt en vulde het vat waarin de vader lag met een glanzende stroom. Zink wond een ketting om de boezem van Ginnistan. Het lichaam dreef op de trillende golven. “Buk je, lieve moeder, “ zei Fabel “en leg je hand op het hart van de geliefde”. Ginnistan bukte zich. (…) De ketting beroerde de stroom, haar hand zijn hart. Hij ontwaakte en trok de verrukte bruid tegen zijn borst. Het metaal stolde en werd een heldere spiegel..” (1, RvH p 150, 151; 6, Wiebel, p 13)
Het hoogtepunt van het sprookje is de opwekking van Freya, die ook weer door galvanische fenomenen tot stand komt, wederom door Fabel geïnitieerd.
“Eerbiedwaardige oude man,” zei Fabel, “Eros heeft uw zwaard [= IJzer] nodig. Goud heeft hem een ketting gegeven die met één uiteinde in de zee reikt en met het andere om zijn borst is gewonden. Raak die met mij aan, en leid ons naar de zaal waar de prinses rust”. Eros nam het zwaard aan uit de hand van de oude man, zette de knop op zijn borst en liet de punt naar voren wijzen. De vleugeldeuren van de zaal vlogen open en Eros naderde verrukt de sluimerende Freya. Plotseling klonk er een geweldige klap. Een felle vonk sprong van de prinses naar het zwaard; het zwaard en de ketting stonden in gloed. (…) “Werp het zwaard weg,” riep Fabel, “en wek je geliefde.” Eros liet het zwaard vallen, vloog naar de prinses toe en kuste vurig haar zoete lippen. Zij sloeg haar grote donkere ogen op en herkende haar geliefde. Een lange kus bezegelde het eeuwige verbond.” (1, RvH p 152,153; 6, Wiebel, p 13, 14)
In tegenstelling tot de opwekking van Atlas en van de vader is hier het ijzer bij betrokken in plaats van zink. Verder valt op, dat Freya niet onmiddellijk door het natuurkundige fenomeen tot leven gewekt wordt, maar dat daarvoor de kus van Eros nodig is. Hier is dus sprake van de elektrostatische werking gecombineerd met het klassieke sprookjesmotief van de ‘verlossende kus’. In deze opwekking van Freya combineert Novalis poëzie en natuurwetenschap met elkaar. (5, p 224, noot 64)
Bij de opbouw van de galvanische ‘experimenten’ in het verhaal zijn verschillende overeenkomsten te onderscheiden: Het element goud is altijd erbij betrokken, evenals een vloeistof. Verder wordt een metaal gebruikt dat gevoelig is voor oxidatie. Dat is in de eerste twee gevallen Zink, namelijk bij de opwekkingen van Atlas en de Vader, en later bij Freya IJzer.
Het is niet zomaar dat Novalis goud en zink als plus- resp. minpool gebruikt voor de galvanische keten. Hier is duidelijk invloed te zien van Ritter, die voor zijn experimenten een zogenaamde spanningsreeks van de te gebruiken metalen ontwikkeld heeft. Hoe verder de twee metalen in deze reeks uit elkaar liggen, des te hogere spanning opgewekt kan worden als een vloeistof als derde bestanddeel van de galvanische keten wordt toegevoegd. Goud en Zink zijn hierin het eerste resp. het laatste metaal van deze spanningsreeks. (5, p 224, noot 63; 7 Daiber, p 8, e.v.; 8, p 18).

3.2.1 Verschijnselen bij Freya als personificatie van magnetisme
Natuurfenomenen spelen niet alleen een rol in de hierboven genoemde situaties en handelingen, maar ook bij verschillende personages, waarbij juist hun activiteiten en gedrag ten opzichte van de gebeurtenissen in het verhaal een belangrijk natuurwetenschappelijk aspect vormen. (6, Wiebel, p 14,15)
Freya is door haar passieve karakter te beschouwen als de personificatie van het magnetisme, van het licht en van de elektriciteit. Immers, alle handelingen die rondom haar plaatsvinden doet zij niet zèlf, maar worden door andere personages in gang gezet.
“Zij [Freya] lag op zijden kussens (…) en enkele meisjes wreven ijverig haar tere ledematen, die uit melk en purper leken samengevloeid. Onder de handen van de meisjes stroomde het verrukkelijke licht naar alle kanten van haar uit, wat het paleis wonderlijk deed glanzen.” (1, RvH p 126,127) Hiermee is zij een voorbeeld van statische elektriciteit.
Verder magnetiseert zij - ook weer op passieve wijze - de oude held aan het begin van het verhaal, waardoor de basis gelegd wordt voor de grote reis van Eros. Op verschillende plaatsen in het verhaal ontstaan er reacties in de vorm van lichtstralen, als Freya aangeraakt wordt. Aan het einde van het verhaal is Freya opnieuw de hoofdpersoon wanneer zij door de elektriciteit van een zgn. ‘galvanische boog’ weer tot leven gewekt wordt, waardoor zij de kus van Eros kan ontvangen en weer tot leven komt. Toch is zij als oorsprong van alle fenomenen binnen het verhaal de allerbelangrijkste figuur, omdat zij binnen alle handelingen een pool voorstelt. Haar tegenpool is Eros. Samen met Eros heeft Freya de allegorische betekenis van resp. de liefde en de vrede. We zien bij haar een versmelting van natuurwaarnemingen, en de overgang daarvan naar een transcendentale, bezielde wereld. (6, Wiebel, p 15,16)

3.2.2 Fabel als katalysator
In tegenstelling tot Freya is Fabel geen eigen pool binnen een krachtensysteem, maar beweegt zij zich als een actieve bemiddelaar daartussen. Scheikundig beschouwd functioneert zij als een katalysator, een chemisch element dat tot acties aanzet, maar verder buiten het chemische proces blijft, zonder direct betrokken te raken en beïnvloed te worden. Zij is het leidende, bemiddelende en verbindende element tussen de onderwereld, de mensenwereld, de wereld van de maan en de wereld van de goden en tussen de bipolairen systemen in het verhaal. Met haar omzwervingen zorgt zij voor het samenkomen van Eros en Freya, nadat hij verleid werd door Ginnistan en van zijn doel afraakte. Verder laat zij de schaar van de spinsters (schikgodinnen) naar het schild van Perseus vliegen, ze verzamelt met behulp van Toermalijn de as van de moeder, zet aan tot de opwekking van Atlas en van de vader.
Fabel kan beschouwd worden als het “bewegende principe tussen alle gebeurtenissen”. In alle situaties waarin Fabel optreedt is zij de actieve, experimenterende, samenvoegende en sturende kracht, die uiteindelijk het evenwicht en de harmonie tussen de werelden en de mensen herstelt. Aan het einde van het sprookje verenigen ze zich door haar, want als de vereniging van de wereld volbracht is, krijgt zij de opdracht de levensdraad van alle mensen te spinnen, die tegelijkertijd ook het wereldorganisme in stand houdt.
Bovendien is Fabel ook bekend met de eigenschappen van alle elementen en de personen. Zij herkent zowel de eigenschappen van de mythische sfinx en Atlas, het alchemistische wonderwater, de geslepenheid van de spinsters (schikgodinnen), de dwaalwegen van Eros en ook de fenomenen en uitwerkingen van het magnetisme, galvanisme en elektriciteit. Hierdoor is zij de personificatie van de ‘ideale natuurwetenschapper’, die de natuur observeert, deze beoordeelt, analyseert en tenslotte in dichtvorm bundelt en samenvoegt. Zij vertegenwoordigt voor Novalis zijn voorstelling van dè ideale geleerde.
Hijzelf zegt hierover in zijn Ars Litteraria: “(…) de echte geleerde is een volledig ontwikkeld mens die alles wat hij aanraakt en doet een wetenschappelijke ideale en synkronistische vorm geeft”. (6, Wiebel, p 17, 18)

3.2.3 De Schrijver in het sprookje als berekenende wetenschapper
Binnen het natuurwetenschappelijke begrip van Novalis heeft de schrijver echter een geheel eigen, specifieke betekenis. Voor wat betreft de natuurkundige fenomenen is de schrijver slechts aan het begin van het sprookje in een scene betrokken, met name als beschreven wordt op welke wijze hij het door de vader gevonden ijzeren staafje bekijkt en interpreteert. Deze scene laat vooral zien in hoeverre hij deze vondst nuttig vindt. 
Het ‘meetinstrument voor de waarheid’ van een wetenschappelijke uitspraak is het water van Sophie. De notities van de Schrijver doorstaan de proef niet.
“De schrijver had al gauw genoeg van het kijken. Hij schreef alles zorgvuldig op en ging zeer uitgebreid in op het nut dat deze vondst zou kunnen hebben. Maar hoe groot was zijn ergernis toen zijn gehele schrijfwerk de proef niet doorstond en het papier wit uit de schaal tevoorschijn kwam.” (1, RvH p 130; 6, Wiebel, p 18,19)
Fabels notities daarentegen doorstaan de proef wèl:
“De kleine Fabel pakte de veer van de schrijver en begon te schrijven.(…) De schrijver joeg de kleine Fabel hevig scheldend van zijn stoel, en had enige tijd nodig om zijn zaken in orde te krijgen. Hij reikte Sophie de door Fabel volgeschreven bladen, om ze schoon terug te krijgen, maar hij ontstak in grote woede toen Sophie het geschrevene glanzend en volkomen ongedeerd uit de schaal haalde en voor hem neerlegde.” (1, RvH p 130; 6, Wiebel, p 19)
Hierdoor is hij als ‘incompetente wetenschapper’ de directe tegenspeler van de ‘perfecte wetenschapster’ Fabel, die alles kan begrijpen en abstraheren. Zij staat in het sprookje symbool voor de kwalitatieve, speculatieve en naar transcendentie strevende wetenschapper. Hoewel Fabel in het verhaal als een kind wordt weergegeven, is zij de Schrijver, die als volwassene toch veel meer overwicht en macht heeft, steeds te slim af. Iedere keer ontglipt ze aan zijn pogingen en aan die van de spinsters (schikgodinnen) om haar in de val te lokken. Na de zonsondergang wordt de Schrijver nog een keer kort genoemd, als hij zich moet buigen voor Fabels overwicht en hij vervolgens uit het sprookje verdwijnt. De Schrijver wordt hier neergezet als het prototype van de kwantitatieve, mathematische en berekenende wetenschapper, die als vijand van de transcendentale wetenschap niets ziet, niets verstaat en niets kan beschrijven. Daardoor is hij ook een vijand van de poëzie. (6, Wiebel, p 19-22)
De Nederlandse Novaliskenner G. van der Leeuw zegt over de wetenschapsvisie van Novalis onder meer het volgende: “Wetenschap kan alleen voortschrijden, wanneer het Ik van de onderzoeker wordt uitgeschakeld, wordt ‘gedood’. Novalis noemt dit ‘romantiseren’, het vervangen van het IK door een beter, romantisch IK. Daardoor alleen kan ook de strijd tussen de lagere en de hogere wetenschap worden opgelost, tussen het bloot mechanische en het ideële, logica en metafysica.” (13) Deze uitspraak kunnen we heel mooi leggen op de tegenstelde rol van Fabel en de schrijver in het sprookje, waarbij Fabel als de hogere wetenschap gezien kan worden en de schrijver als de lagere. Over het belang van een ‘bezielde’ wetenschap heeft Novalis het volgende gezegd: “Het beste aan de wetenschappen is hun wijsgerig ingrediënt, juist als het leven aan het organische lichaam. Ont-filosofeer de wetenschappen maar eens: wat blijft er over? Aarde, lucht en water.”(13, p 53)

3.3. Geologische elementen in het sprookje van Eros en Fabel
Vanuit zijn vakgebied als mijningenieur was Novalis uiteraard goed bekend met geologische gesteenten en mineralen. Hij gebruikte deze dan ook schijnbaar terloops in het sprookje van Eros en Fabel. Ter illustratie daarvan volgen hieronder enkele citaten uit het sprookje, waarin gesteente voorkomt en een min of meer figuratieve rol speelt binnen de sprookjesachtige beschrijvingen van de betreffende situaties en omstandigheden.
Aan het begin van het sprookje wordt het paleis van Arcturus beschreven:
“Het meest indrukwekkend was de tuin op het grote plein voor het paleis. Hij bestond uit bomen van metaal en planten van kristal en was bezaaid met bonte bloemen en vruchten van edelstenen.” (1, RvH p 126)
“Zij [Freya] lag op zijden kussens op een troon die kunstig van een groot zwavelkristal was gemaakt…” (1, RvH p 126)
Aan het einde van het verhaal brengt de held Perseus een mandje naar de zojuist tot koning gekroonde Eros: “Hier,” zei hij, “zijn de resten van uw vijanden.” Er lag een stenen plaat met zwarte en witte velden in, en daarnaast een groot aantal figuren van albast en zwart marmer. “Het is een schaakspel,” zei Sophie. “Elke oorlog is verbannen naar deze plaat en in deze figuren. Het is een gedenkteken van de oude duistere tijd.” (1, RvH p 154)
Het bruidsbed aan het eind van het verhaal:
“Ondertussen was de troon ongemerkt veranderd in een schitterend bruidsbed, met een hemel waar Phoenix met de kleine Fabel boven zweefde. Drie kariatiden van donker porfier droegen de achterkant en de voorkant rustte op een sfinx van basalt.” (1, RvH p 155)
De personificatie van het gesteente Toermalijn, die samen met de personificaties van Goud, Zink en IJzer Fabel helpt resp. de oude held, de vader en Freya weer tot leven te wekken. “Toermalijn verzamelde zorgvuldig de opvliegende as. ” (1, RvH p 149)

3.4 Astronomische en meteorologische verschijnselen in het sprookje
Kort voordat Novalis begon te schrijven aan zijn roman Heinrich von Ofterdingen vond in Europa en in de VS een spectaculaire meteorietenregen, de zgn. Leonidenstorm, plaats op 12 November 1799. Men kan er met zeer grote zekerheid vanuit gaan dat Novalis, die zozeer in natuurfenomenen en –wetenschappen geïnteresseerd was, deze meteorietenregen gezien moet hebben. Deze moet hem zeker ook geïnspireerd hebben bij het schrijven van het sprookje van Eros en Fabel. Hiernaar verwijst met name het fragment waarin hij de meteorietenregen beschrijft als de oude held IJzer op bevel van koning Arcturus zijn zwaard de wereld in werpt. “Als een komeet vloog het door de lucht, en tegen de berggordel leek het met een felle klap te versplinteren, want het viel in louter vonken omlaag.” (1, RvH p 129)
Meteoren, in de volksmond ook wel vallende sterren genoemd, zijn minuscule stukjes steen en gruis die onder hoge snelheden de aardatmosfeer binnenkomen en op ongeveer 80-120 km hoogte verdampen. Een meteorenzwerm is een groep meteoren die rond dezelfde tijd en in hetzelfde gebied aan de hemel zichtbaar zijn.
De Leoniden zijn een van de bekendste meteorenzwermen aan onze sterrenhemel, doordat ze verschillende malen extreem hoge activiteit hebben vertoond. Deze meteoren worden Leoniden genoemd, omdat ze zo rond half november uit het sterrenbeeld Leeuw lijken te komen. De Leoniden zijn afkomstig van de bronkomeet 55P/Temple Tuttle die een omloopbaan om de zon heeft, waarbij hij eenmaal in de 33 jaar in de buurt van de zon en de aarde komt. De komeet bestaat vooral uit stof en ijs, die gaat smelten als hij in de buurt van de zon komt. Daardoor is de meteorietenregen die daarbij vrijkomt dikwijls zeer spectaculair.  Met name de meteorenzwermen van 1799 en 1833 moeten buitengewoon indrukwekkend zijn geweest, waarbij meer dan honderdduizend meteoren per uur werden waargenomen. Van de gebeurtenis uit 1833 zijn enkele houtsneden vervaardigd. (14)
Een belangrijke, rechtstreekse bron over deze meteorietenzwerm op 12 november 1799 zijn berichten in de Annalen der Physik uit 1803 van de natuurkundige Johan Ritter, die, zoals eerder vermeld, bevriend was met Novalis. Ritter geeft waarnemingen weer van derden die aan hem doorgegeven zijn, van verschillende plaatsen in Duitsland en elders in de wereld, waaronder van Alexander van Humboldt op diens ontdekkingsreis in Cumana, en van Karl von Hardenberg uit Weissenfels, de broer van Novalis. Ritter schrijft daarover onder meer dat zij en nog enkele andere personen op 12 november 1799 bijna tegelijkertijd  ‘… [eine] merkwürdige meteorologische Phänomen …’ hebben waargenomen.


Houtsneden van de Leonidestormen uit 1833 die vooral in de VS goed waarneembaar waren, maar erg veel leken op de beschrijvingen van die uit 1799 die ook in Duitsland waargenomen werden

De nauwkeurigste waarnemingen hierover heeft hij gekregen van Pastor Zeissing uit Issterstadt in de buurt van Weimar, die regelmatig meteorologische waarnemingen deed en dit fenomeen het uitvoerigst beschreven heeft. Ritter geeft diens verslag letterlijk weer: “(…)12de [november]. Vollemaan. Tussen 6 en 7 uur `s morgens zijn 4 zeldzame verschijnselen opgemerkt, namelijk witte vallende sterren, dan weer 2 die met lange vurige stralen van 2 tot 3 el lang naar beneden vielen, direct in het Zuiden en Zuidwesten. (…) Vervolgens bij de ochtendschemering tussen 7 en 8 uur een gekartelde witte straal, als een bliksemschicht met overal veraf en dichtbij witte lichtflitsen en bliksemschichten…” (15)

3.4.1 Enkele voorbeelden van meteorologische verschijnselen uit het sprookje
Tot slot volgen hieronder enkele weergaven van meteorologische verschijnselen en indrukwekkende natuurbeschrijvingen uit het sprookje van Eros en Fabel. Deze laten zien dat Novalis een meester was in het gebruik van poëtische taal, waarmee hij op een bijzondere manier wist te spelen door deze te verweven met de realistische beschrijvingen van vaak grimmige natuurverschijnselen. Opvallend hierbij is dat natuurverschijnselen gepersonifieerd worden en als het ware ‘bezield’ zijn.
De onstuimige geest van de vloed volgde de zachte eb. De oude orkanen legden zich aan de kloppende borst van de vurige, hartstochtelijke aardbeving. De tere regenbuien keken uit naar de veelkleurige boog die er, ver van de hem meer aantrekkende zon, bleek bij stond. De ruwe donder schold op de dwaasheden van de bliksem, die tevoorschijn schoot van achter de talloze wolken, die in al hun charme aan de hemel stonden.” (1, RvH p 134)
“…de vreeswekkende bekoringen van de woestijn en van ruwe rotsachtige gebieden. De mooiste kleuren waren er, in de gelukkigste mengsels. De bergtoppen glansden als luchtvuur in hun omhulsels van ijs en sneeuw. De vlakte lachte in het frisse groen.” (1, RvH p 135)

“…de verschrikkelijk prachtige uitbarsting van een vulkaan, de verwoestingen van een aardbeving…”(1, RvH p 135)
“…de aarde beefde, de storm raasde en de nacht werd verlicht door angstaanjagende meteoren…” (1, RvH p 136)
Als de brandstapel van de moeder zo hoog oplaait dat zij de zon verbrandt:
“De zon stond vuurrood aan de hemel, het geweldige vuur zoog haar geroofde licht naar zich toe en hoe ze het ook probeerde vast te houden, ze werd toch steeds bleker en vlekkiger. Het vuur werd witter en machtiger naarmate de zon valer werd…Tenslotte was er van de zon niets meer over dan een zwarte uitgebrande slak, die neerviel in zee…” (1, RvH p 145)
Aan het einde van het sprookje ontdooit het rijk van Arcturus en komt alles weer tot bloei:
“Er lag een machtige lente over de aarde uitgespreid. Alles verhief en verroerde zich…”(1, RvH p 151)
“De bloemen en bomen groeiden en groenden uitbundig. Alles leek bezield. Alles sprak en zong… De planten onthaalden hen op vruchten en geuren en tooiden hen met de fraaiste versiering.” (1,  RvH p 152)

Conclusie
Gezien het bovenstaande kunnen we concluderen dat Novalis erin is geslaagd een heel bijzonder sprookje te schrijven. Hiermee bevestigt hij zijn eerdere uitspraken over sprookjes in zijn Fragmenten, waarin hij zegt:
 “In een echt sprookje moet alles wonderlijk geheimzinnig en onsamenhangend zijn; alles levendig. Elk op een andere manier. De hele natuur moet op een wonderlijke manier met de gehele geesteswereld vermengd zijn;.. De wereld van het sprookje is vooral de tegenovergestelde wereld van de wereld van de Waarheid en juist daarom lijkt zij zoveel op de chaos van de voltooide schepping… Het echte sprookje moet tegelijkertijd een profetische voorstelling, een idealistische voorstelling en een absoluut noodzakelijke voorstelling zijn. De echte sprookjesdichter is een ziener van de Toekomst.” (16)
We kunnen stellen dat dit sprookje een heel mooi voorbeeld is van de enorme bevlogenheid waarmee Novalis alle wetenschappelijke kennis, die hij onder ogen kreeg in zich opnam en op een wonderlijke manier kon verbinden met een bezielde natuurfilosofie en bovendien kon weergeven in prachtige, poëtische taal. (6, Wiebel, p 2) Over wetenschap in relatie tot de poëzie zegt Novalis: “De volmaakte vorm van wetenschappen moet de poëzie zijn”. (17)
Op de mystieke, mythologische en alchemistische aspecten in zijn werk, met name in het hier besproken sprookje Eros en Fabel, zal ik in een vervolgartikel nader ingaan.

Noten
*
Dit artikel maakt deel uit van een serie artikelen over Novalis door Dr. Piet Ransijn en mijzelf, die elk een ander aspect van Novalis nader belichten. Deze zijn verschenen in Civis Mundi 35, 36 en 37. Zie voor meer informatie hierover onderstaande bibliografie
1. Novalis, De Blauwe Bloem Heinrich von Ofterdingen, vertaald door Ria van Hengel met een nawoord van Arnold Heumakers, Athenaeum Polak & Van Gennep Amsterdam 2006 (in de noten vermeld als RvH), p 125-155, 193-223; Zie voor een bespreking hiervan mijn artikelen in CM 36 en in CM 37; Bij mijn weten is er in het Nederlands over de natuurwetenschappelijke invloeden bij Novalis vrij weinig gepubliceerd. Over het sprookje Eros en Fabel zegt schrijver, filosoof en vertaler Piet Meeuse - in zijn boekbespreking over de Blauwe Bloem van Ria van Hengel “Poëzie is een duister sprookje” in NRC boeken van 1 september 2006 - het volgende: “Dit sprookje is nauwelijks samen te vatten, zo wonderbaarlijk, duister en ingewikkeld is het.(…) Op dit verhaal heeft menig interpreet zijn tanden al stukgebeten. En ik moet eerlijk bekennen dat ook ik er de weg in kwijtraak”. Het nawoord van Arnold Heumakers bij bovengenoemde vertaling is zeker wèl heel verhelderend over zowel Novalis’ tijdsbeeld, als de roman Heinrich van Ofterdingen en het sprookje van Eros en Fabel, waarvan hij een heldere en goed gestructureerde samenvatting en beknopte analyse geeft. Als een van de weinige is Heumakers in staat geweest de ingewikkelde verhaaldraden te ontwarren en een helder beeld van het verhaal te schetsen. Behalve antroposofische interpretaties van het sprookje Eros en Fabel, zoals die van Jeanne Meijs en Theissen (zie hiervoor mijn bibliografie van geraadpleegde werken), zijn hierover verder in het Nederlands taalgebied nauwelijks literair wetenschappelijke studies en analyses verschenen. Overigens bestaan er in het Nederlands wèl studies over de natuurfilosofische, wiskundige en mystieke aspecten bij Novalis door o.m. Piet Meeuse. In een vervolgartikel ga ik daarop nader in.
2. Om dezelfde reden laat ik het boek van Theissen onbesproken.
3. Olshausen, W., p 12-15; Schulz, G., p 171-173; Heumakers in RvH, p 194,195
4. Schulz, G., p 79; Whittaker, A., p 95, 96. https://nl.wikipedia.org/wiki/Koolstofdisulfide  

5. Daiber, Experimentalphysik des Geistes, p 88 noot 179,180
6. Wiebel, D., p 4-6; Störig, dl 2, p 74-79 over Schelling. Omdat Novalis al in maart 1801 overleed heeft hij daarom alleen kennis kunnen nemen van Schellings vroegere werken, zoals de Abhandlung zur Erläuterung des Idealismus der Wissenschaftslehre ‘(1796). ‘Ideen zu einer Philosophie der Natur‘(1797), ‘Von der Weltseele‘(1798) en het ‘System des transcendentalen Idealismus’ (1800). De latere werken van Schelling blijven dus buiten de invloedsfeer op Novalis. 7. Daiber, J., Der elektrisierte Physiker, in: Die Zeit, 3. September 1998 http://www.zeit.de/1998/37/199837.t_ritter_.xml/komplettansicht ; Zie ook Holland, J.,  p. 36 – 41; Schulz, G, p 123-125;
8. Daiber, J.  Experimenting with Your Own Body, p 18, e.v
9. Kleinert, A., Volta, the German Controversy, p 33, 34
10. O’Brien, W. A., Signs of Revolution, p 305, e.v.
11. Het motief van de tarantula’s heeft een specifieke betekenis en achtergrond. Dit zal ik nader bespreken in mijn vervolgartikel over de mythologische en mystieke elementen in dit sprookje. Zie voor het mythologische motief van de Hesperiden het nawoord van Heumakers in RvH, p 217
12. Wiebel, D., p 11, 12; Wiebel verwijst naar een opmerking van Novalis in zijn Studien zu Klingsohrs Märchen hierover: “Die Nadel richtet sich nicht mehr nach Norden”
13. Leeuw, van der, G, Uren met Novalis, p. 45 en 53
14. Keeris, R., p 24-25; zie ook: http://hemel.waarnemen.com/meteoorzwermen/Leoniden_2016.html  en http://www.sterrenkunde.nl/index/encyclopedie/meteoren.html
15. Annalen der Physik, Halle 1803, deel 15, p. 109, 110; Claudia Törpel, p 9
16. Novalis Fragmente, kap 24
17. Daiber, J., Die Suche nach der Urformel, p 17

Bibliografie
Albes, C., Jürgen Daiber: Experimentalphysik des Geistes. Novalis und das romantische Experiment,(boekbespreking)
Annalen der Physik,Herausg. Ludwig Wilhelm Gilbert, Halle 1803, deel 15

Bloem, H.M., “Een raadselachtig teken ligt verzonken”, Bespreking van: Novalis, De Blauwe Bloem Heinrich von Ofterdingen, vertaald door Ria van Hengel met een nawoord van Arnold Heumakers, Amsterdam, 2006, in: Civis Mundi nr. 36, april 2016
Bloem, H.M., “Elke zonderlinge bloem is een geheim dat naar buiten dringt”. De Blauwe Bloem in Novalis’ roman Heinrich von Ofterdingen in kunsthistorisch perspectief, in: Civis Mundi 37, mei 2016

Daiber, J., Der elektrisierte Physiker, in: Die Zeit, d.d. sept. 1998, http://www.zeit.de/1998/37/199837.t_ritter_.xml/komplettansicht
Daiber, J., Experimentalphysik des Geistes: Novalis und das romantische Experiment  Göttingen 2001, p 47, 88-91, 224

Daiber, J., Die Suche nach der Urformel: Zur Verbindung von romantischer Naturforschung und Dichtung, in: Aurora 60(2000) p 75-103; zie ook het gelijknamige artikel op zijn website p 1-30
http://www.uni-regensburg.de/Fakultaeten/phil_Fak_IV/Germanistik/daiber

Daiber, J., Experimenting with Your Own Body: On the Specific Form and Practice of a Romantic Self-Experiment, in: Introspective Self-Rapports, Shaping Ethical and Aesthetic Concepts 1850-2006, Katrin Solhdju (ed.), uitg. Max-Planck Instituut 2006, p 15-20, cf: http://www.nealwhite.org/publications/Preprint%20no%200322.pdf
Fritzsche, H.,  Vor 210 Jahren in Jena:  Vorlesungen von JOHANN WILHELM RITTER , in:  Chemiehistorische Notiz 5/2013
Heumakers, A., nawoord bij Novalis, De Blauwe Bloem Heinrich von Ofterdingen, vertaald door Ria van Hengel, Athenaeum Polak & Van Gennep Amsterdam 2006, p 193-223  
Holland, J., Key Texts of Johann Wilhelm Ritter (1776-1810) on the Science and Art of Nature, Brill Leiden/Boston
Keeris, R., Wat gaan de Leoniden dit jaar doen?, in: UniVersum 4(1999)p 24, 25; zie ook http://hemel.waarnemen.com/meteoorzwermen/Leoniden_2016.html ; http://www.sterrenkunde.nl/index/encyclopedie/meteoren.nl

Kleinert, A., Volta, the German Controversy on Physics and Naturphilosophie and his Relations with Johann Wilhelm Ritter, in: Nuova Voltiana: studies on Volta and His Times, vol. 4, ed. By Fabio Bevilacque and Lucio Fregoner, Milaan 2002, p 29-39, cf: http://ppp.unipv.it/Collana/Pages/Libri/Saggi/Nuova%20Voltiana4_PDF/p__029-039.pdf ; zie ook over Volta: https://nl.wikipedia.org/wiki/Alessandro_Volta

Kluge, M., Radler, R. (Herausg.), Hauptwerke der deutschen Literatur, Darstellungen und Interpretationen, p 269-271
Leeuw, G. van der, Uren met Novalis, Baarn 1943
Olshausen, W., Friedrich v. Hardenbergs (Novalis) Beziehungen zur Naturwissenschaft seiner Zeit, diss. Leipzig 1905

Lutters, F., Het sprookje van Eros en Fabel, in: Vrije Opvoedkunst, 70(2007) nr. 3/4, p 3-4 (met hartelijke dank aan Rob Tuk voor het beschikbaar stellen van dit artikel)

Meijs, J., Eros en Fabel; Liefde en Seksualiteit; Seksuele voorlichting, uitgeverij Christofoor, 2012

Meijs, J., Ingezonden brief n.a.v. artikel Frans Lutters over Eros en Fabel, in: Vrije Opvoedkunst, 70(2007)nr. 5 (met hartelijke dank aan Rob Tuk voor het beschikbaar stellen van dit artikel)

Novalis Fragmente, Herausg. Ernst Kamnitzer, 1929, Jess Velag, Kap. 24

Novalis, Het sprookje van Eros en Fabel, naverteld door Jeanne Meijs met illustraties van Maria Moll, uitgeverij Christofoor 2007; zie ook: www.jeannemeijs.nl  ; www.mariamoll.nl

Novalis, Het sprookje van Eros en Fabel, vertaald en toegelicht door H. Joh. Theissen, uitgeverij Vrij Geestesleven Zeist 1980

Novalis, De Blauwe Bloem Heinrich von Ofterdingen, vertaald door Ria van Hengel met een nawoord van Arnold Heumakers, Athenaeum Polak & Van Gennep Amsterdam 2006 (in de noten vermeld als RvH)p 125-155, 193-223

O’Brien, W. A., Signs of Revolution, Novalis, Duke University Press Durham & London 1995, p 14, e.v., p 302-313 over Eros en Fabel.

Ransijn, P., De Duitse dichter Novalis: mythe en werkelijkheid, eenheid in verscheidenheid,  in: Civis Mundi 35, februari 2016.
Ransijn, P., De Duitse dichter Novalis over natuurbeleving, kennis van de natuur en liefde voor de natuur; Bespreking van De Leerlingen te Saïs, Baarle-Nassau, uitg. Occident, 2013, vertaling Mieke Mosmuller, In: Civis Mundi 35, februari 2016
Ransijn, P., ‘Waar geen goden zijn, daar heersen spoken’: waar geen geestelijke waarden zijn, heerst hebzucht. Boekbespreking van: Novalis, De Christenheid of Europa (diverse edities), in: Civis Mundi 36, april 2016

Ransijn, P., De poëtische politieke visie van Novalis. Aanvulling bij de boekbespreking van Helena Bloem, in: Civis Mundi 37, april 2016
Ransijn, P., Troubadourspoëzie bij zijn roman De blauwe bloem: Heinrich von Ofterdingen door Novalis, opnieuw vertaald en ingeleid, in: Civis Mundi, april 2016
Ransijn, P., De kosmische Christus bij Novalis: een selectie uit zijn Geistliche Lieder / Geestelijke liederen opnieuw vertaald, in: Civis Mundi 37, mei 2016

Ritter, J.W.,Das elektrische System des Körpers, ein Versuch, Leipzig 1805
Schulz, G., Novalis, mit Selbstzeugnisse und Bilddokumenten, Reinbek bei Hamburg Rowohlt 1989, p 73-144-149, 171-173
Störig, H.J. Geschiedenis van de Filosofie, 2dln, Het Spectrum 1982

Törpel, C., Über den Schicksalsgedanken im Novalis-Märchen “Eros und Fabel”, in: Der Europäer, Jrg.7(2003) nr. 4 februar, p 8-13

Träger, Cl. (Herausg.) Novalis. Ausgewählte Werke, Reclam Leipzig 1961, m.n
p 205-255

Wiebel, D., Novalis - "Heinrich von Ofterdingen", Untersuchung physikalischer Phänomene in Klingsohrs Märchen. Zie hiervoor: www.wiebel.de  en www.wiebel.de/pdf/novalis.pdf
Whittaker, A., C. Linnaeus, W.H. Auden, J.B. Auden, A.G. Werner and F. Mohs: connections between early scientists and poets, and the classification of minerals, in: Mitteilungen der Österreichischen Mineralogischen Gesellschaft, 154(2009)91-97,; zie ook over Werner: https://nl.wikipedia.org/wiki/Abraham_Gottlob_Werner
Helena Bloem is kunsthistorica, met als specialisatie middeleeuwse verluchte handschriften, m.n. Frankrijk rond 1500, waarbij zij zich vooral bezighield met het ontsluiten van manuscripten en archiefmateriaal betreffende de dood en begrafenis van de Franse koningin Anna van Bretagne (†1514). Zij heeft een Duitse moeder en een Nederlandse vader. Zij woonde en werkte enkele jaren in Duitsland. In die periode is haar belangstelling gewekt voor de Duitse dichtkunst. Samen met haar partner Hans Komen is zij auteur van de boeken Ziel en Geest en Gevangen door het Ego.