Wet- en regelgeving holt achter de biotechnologische feiten aan. Een bespreking van de Trendanalyse Biotechnologie 2016

Civis Mundi Digitaal #39

door Maartje Schermer

In juni dit jaar brachten de COGEM (Commissie Genetische Modificatie) en de Gezondheidsraad in samenwerking met de WRR de vierde Trendanalyse Biotechnologie uit. De vorige trendanalyse stamde alweer uit 2009 en er is inmiddels een hoop gebeurd op het gebied van de biotechnologie. Zoveel, dat nationale en internationale wet- en regelgeving op veel gebieden achterop zijn geraakt. De titel van de trendanalyse luidt dan ook: Regelgeving ontregeld.

Genen lezen en veranderen

De twee belangrijkste ‘drijvende krachten’ achter veel nieuwe ontwikkelingen binnen de biotechnologie zijn volgens de analyse Next generation sequencing, een techniek waarmee snel en goedkoop het gehele genoom in kaart kan worden gebracht, en CRISPR-Cas9 gene editing, een technologie waarmee gemakkelijk en precies veranderingen in het DNA kunnen worden aangebracht. Deze technologieën maken dat de genetische make-up van mensen, maar ook van b.v. ongeboren kinderen, dieren, ziekteverwekkers of kankercellen, kan worden vastgesteld én veranderd. Voor sommige toepassingen, zoals voor het veranderen van de geslachtcellen of bevruchte eicellen, zodat wijzigingen in het DNA ook worden doorgegeven aan nakomelingen (zogenaamde kiembaanmodificatie) bestaan momenteel nationale en internationale verboden. De komst van deze nieuwe technieken maakt echter dat deze wellicht heroverwogen moeten worden. Zij maken het immers in theorie mogelijk om ernstige erfelijk overdraagbare ziekten te voorkomen. In China hebben onderzoekers gene editing al toegepast op menselijke embryo’s; dat was in 2015 aanleiding tot een internationale top van wetenschapsacademies, waarbij een oproep tot een moratorium werd gedaan. Het laten uitgroeien van gemodificeerde embryo’s tot baby’s gaat vrijwel alle deskundigen nu nog te ver, maar het doen van onderzoek wordt door velen als zinvol gezien. In het Verenigd Koninkrijk en Zweden hebben enkele onderzoekers inmiddels toestemming gekregen om onderzoek te doen met de CRISPR-Cas techniek in menselijke embryo’s.

Techniek bruikbaar voor human enhancement?

In de ethische discussies rond kiembaanmodificatie komt al snel het argument naar voren dat deze techniek ook voor human enhancement gebruikt zou kunnen worden, waarbij er meestal impliciet vanuit wordt gegaan dat dat een verkeerde en gevaarlijke ontwikkeling zou zijn. Een van de redenen die hiervoor genoemd wordt is een angst voor toenemende ongelijkheid – een thema waarover ik al eerder schreef in verband met farmacologische cognitieve enhancement (Schermer 2015). Ook onder de bevolking lijkt weinig enthousiasme te bestaan voor toepassing van genetische modificatie voor enhancement; uit een niet-representatief onderzoek van De kennis van NU, bleek dat slechts 15% positief was over de mogelijkheid om intelligentie te verhogen, terwijl 85% de techniek wel zou willen gebruiken om erfelijke ziekten te voorkomen. Overigens is ook hier de grens tussen ‘genezen’ en ‘verbeteren’ onderwerp van discussie: aanpassen van het DNA ter versterking van de immuniteit wordt door 30% als wenselijk gezien. Ook veel wetenschappers lijken er nog niet over uit of ze het verhogen van immuniteit als genezen of verbeteren zouden moeten classificeren (overigens valt die vraag ook bij vaccinatie al te stellen!).

De Trendanalyse stelt dan ook de vraag “Moet een onderscheid gemaakt worden tussen het verhelpen van erfelijke ziekten en human enhancement en zo ja, waar ligt de grens?” (p.48) Dit is uiteraard een thema dat in de enhancement-discussie al jaren speelt. In mijn oratie heb ik daarover gezegd dat het maken van een strikt onderscheid niet mogelijk is, aangezien er altijd een ‘grijs gebied’ zal bestaan. Maar “hoewel het moeilijk is om een exacte grens te trekken, kan er ook wel degelijk een globaal onderscheid gemaakt worden tussen ziekte genezen en normale capaciteiten verbeteren; dat er zoiets als schemering bestaat wil niet zeggen dat we geen dag van nacht kunnen onderscheiden. Wel zullen de precieze grenzen altijd vaag, beweeglijk en omstreden blijven, en daarmee een interessant en belangrijk onderwerp voor filosofisch onderzoek en maatschappelijke discussie” (Schermer 2012, p. 20) . Wellicht nog belangrijker is dat er geen evident moreel onderscheid is tussen verbeteringen gericht op gezondheid, of verbeteringen van ‘normale’ capaciteiten, wanneer we kijken naar de doelen die er uiteindelijk mee gediend zouden zijn. Zowel genezen als verbeteren zijn er immers op gericht om het functioneren en uiteindelijk het leven van mensen te verbeteren. Ik stelde in mijn oratie daarom al dat een antwoord op de vraag of we enhancement technologieën toe moeten staan of verbieden, niet louter gebaseerd kan zijn op een ontbeargumenteerd afwijzen van enhancement, omdat het eng of onnatuurlijk zou zijn, of ‘een grens zou overschrijden’. Om over de toelaatbaarheid en wenselijkheid van enhancement toepassingen én toepassingen in het grijze gebied tussen therapie en enhancement te beslissen, moet een beroep worden gedaan op onafhankelijke ethische argumenten, bijvoorbeeld met betrekking tot de risk-benefit afweging, of gebaseerd op overwegingen van rechtvaardigheid en sociale gelijkheid. Met de opkomst van de CRISPR-Cas technologie is de relevantie van dit soort vragen en discussies weer een stap concreter geworden.

Aanbevelingen uit het rapport

In de Trendanalyse Biotechnologie wordt naast bovengenoemde technieken ook nog ingegaan op de trends van personalised medicine, gentherapie, genetisch modificeren van insecten om ziekteoverdracht te stoppen (of zelfs de hele populatie uit te roeien), 3D bioprinten van weefsels zoals bot, huid of kraakbeen, en synthetische biologie: het creëren van nieuwe biologische moleculen, celonderdelen en systemen. Bij veel van deze ontwikkelingen loopt de wetgeving achter de feiten aan. Zo sluit de definitie van genetisch gemodificeerd organisme, zoals die in de Europese wetgeving wordt gehanteerd, niet meer aan bij de huidige technieken. Dit veroorzaakt problemen rond toezicht op deze producten, het maken van risico-analyses en risk-benefit afwegingen, en bij internationale handelsverdragen. Een van de aanbevelingen van de Trendanalyse is dan ook dat wet- en regelgeving op veel terreinen herzien moeten worden. Daarnaast lijkt het mij vooral ook nodig om te onderzoeken hoe wet- en regelgeving in zo’n dynamisch veld vorm zouden moeten krijgen om flexibeler en slagvaardiger te zijn.

 

Een andere interessante aanbeveling is dat de politiek aan zet is “voor het bepalen van de kaders waarbinnen waarden en belangen van diverse stakeholders kunnen worden afgewogen en op basis waarvan de publieke consequenties kunnen worden beoordeeld” (p. 91). Bovendien wordt gesteld dat “stakeholderparticipatie bij beleidsvorming en besluitvorming over biotechnologie essentieel is” (p. 92) maar niet noodzakelijkerwijze gericht hoeft te zijn op consensus. Het kan ook van belang zijn om verschillende perspectieven en visies te verzamelen als input voor politiek debat en beleidsvorming.

Als we deze aanbevelingen bezien rond het debat over kiembaanmodificatie en enhancement, lijkt het evident dat volledige consensus tussen ‘stakeholders’ (en dat zijn we hier eigenlijk allemaal) niet bereikt zal worden. Net als in discussies over abortus, prenatale screening en onderzoek met embryo’s staan hier verschillende levensvisies naast of tegenover elkaar. Maar het aanzwengelen van een publiek debat hierover is zeker nodig, om tot kritische publieke meningsvorming te komen. (Schermer 2013)

Wat we ons moeten voorstellen bij “kaders waarbinnen waarden en belangen van diverse stakeholders kunnen worden afgewogen”  is mij niet helemaal helder. Het wegen van belangen van verschillende partijen is weliswaar een reguliere bezigheid voor politiek en beleid, maar het wegen van andermans waarden lijkt mij erg ingewikkeld. Hoe weeg je de waarde die sommigen toekennen aan een achtcellig embryo tegen de waarde die anderen toekennen aan keuzevrijheid of wetenschappelijke vooruitgang? Hoe weeg je de waarde die sommigen toekennen aan ‘natuurlijkheid’ tegen de waarde die anderen zien in verbeterde immuniteit of cognitie? Wat voor soort van ‘afwegingskaders’ kan de politiek daarvoor stellen? Wellicht is het een kwestie van formulering, maar ik begrijp niet goed wat de opstellers van het rapport met deze aanbeveling voor ogen stond.

Publieke consequenties van de technologie

De hierboven genoemde ‘kaders’ zouden overigens tegelijkertijd ook moeten dienen “om de publieke consequenties [van de technologie] te beoordelen”. Dit is  weer een andere taak dan het wegen van waarden en belangen. Hier lijkt het rapport te doelen op het opstellen van een normatief kader waarmee beoordeeld kan worden of de gevolgen van het invoeren of toestaan van een bepaalde technologie al dan niet wenselijk zijn. Denk bijvoorbeeld aan de gevolgen van het toestaan van kiembaanmodificatie: wat voor samenleving zou dat creëren en willen we zo’n samenleving? Het begin van dit soort discussies zien we trouwens al rond de invoering van de nieuwe niet-invasieve prenatale test (NIPT). Daar spitst het debat zich toe op de vraag of we een ‘Down-vrije samenleving’ (moeten) willen of niet. Daarbij zijn de normatieve kaders die door de politiek gesteld zijn vooralsnog: individuele vrijheid ten aanzien van reproductieve keuzes en bescherming van (en solidariteit met) kwetsbare groepen in de samenleving. Die uitgangspunten zullen wellicht onder druk komen te staan door de nieuwe golf aan biotechnologische toepassingen die ons de komende decennia te wachten staat. Zouden we vast moeten houden aan individuele keuzevrijheid als het gaat om enhancement van het nageslacht? Of zijn de publieke belangen die daarmee gemoeid zijn – zoals mogelijk toenemende tweedeling - te groot?  Valt solidariteit vol te houden als door personalized medicine medische behandelingen alsmaar duurder worden?

 

De Trendanalyse Biotechnologie richt het focus vooral op de noodzaak om wet- en regelgeving aan te passen aan de technologische ontwikkelingen. Maar dat door deze technologische ontwikkelingen ook  fundamentele normatieve vragen over de richting en inrichting van onze samenleving op het spel staan, had naar mijn mening nog wel wat scherper naar vormen mogen komen.

 

Referenties

Commissie Genetische Modificatie (COGEM ), Gezondheidsraad, 2016. Trendanalyse biotechnologie 2016. Regelgeving ontregeld. COGEM, Bilthoven.

Schermer, M. Van genezen naar verbeteren? Oratie, Erasmus Universiteit Rotterdam, 2012

Schermer, M. Hoog tijd voor meer publiek debat over mensverbetering. Civis Mundi, 8 maart 2013

Schermer, M. Biomedische wedloop is niet te voorkomen. Trouw 1 aug 2015 (http://www.trouw.nl/tr/nl/4516/Gezondheid/article/detail/4111928/2015/08/01/Biomedische-wedloop-is-niet-te-voorkomen.dhtml)