Over de alchemistische invloeden bij Novalis, deel 1

Civis Mundi Digitaal #39

door Helena Bloem

Inleiding
Dit artikel is het eerste deel uit een tweedelige serie, gewijd aan de alchemistische invloeden bij Novalis, en toegelicht aan de hand van zijn sprookje Eros en Fabel uit zijn onvoltooide roman Heinrich von Ofterdingen. Dit eerste deel is een inleiding, waarin ik inga op de alchemistische bronnen die van invloed kunnen zijn geweest op de werken van Novalis. Daarna leg ik beknopt iets uit over de alchemie, met als doel het denkkader van Novalis te verduidelijken.
In deel 2 bespreek ik die kenmerkende alchemistische processen, waarvan we met vrij grote zekerheid kunnen veronderstellen dat deze Novalis bij het schrijven geïnspireerd hebben. Per onderwerp zal ik laten zien hoe we deze alchemistische elementen soms bijna letterlijk kunnen leggen op het betreffende onderdeel van het sprookje. Ik ga dan nader in op diverse alchemistische symbolen. Daarbij zal ik zoveel mogelijk verwijzen naar de door Novalis gebruikte bronnen, die hem inspireerden en die ik hierna ga behandelen.
Voor wat betreft de geraadpleegde literatuur heb ik keuzes moeten maken.
Zo heeft de Zwitserse arts en psychiater C.G. Jung (1875-1961) zich intensief met de alchemie beziggehouden. In zijn psychologische analyses, onder meer zijn studie Psychologie und alchemie, legt Jung vooral de nadruk op de dromen en visioenen van zijn patiënten. Daarin komen alchemistische symbolen voor die hij veelal heeft kunnen ontraadselen door ze te vergelijken met archetypische voorstellingen die hij niet alleen waarnam in de dromen van zijn patiënten, maar ook in kunstuitingen van allerlei culturen. Daarbij richtte hij zich op de menselijke psyché en op welke wijze deze reageert op en omgaat met het dagelijks bestaan. Hij hield zich met de alchemie bezig in relatie tot de psychologie van het collectief onbewuste van de mensheid en niet zozeer in relatie tot de raadselen van het leven en van het bestaan binnen het grotere universele geheel. Overigens hield hij de alchemie ook volledig buiten de historische context van zijn bronnen. Dit impliceert dat de studies van Jung niet binnen de doelstellingen van dit artikel vallen, namelijk om te laten zien door welke historische, alchemistische bronnen Novalis zelf geïnspireerd werd voor zijn werken. Om deze redenen laat ik de studies van Jung buiten beschouwing. (1)

In mijn vorige artikel in CM nr.38 over de natuurwetenschappelijke invloeden in het werk van Novalis, met name in het sprookje Eros en Fabel uit zijn roman Heinrich von Ofterdingen, zagen we dat Novalis in de periode van 1795-1800 een natuurwetenschappelijke opleiding heeft gehad o.a. bij apotheker en chemicus Johann Christian Wiegleb te Langensalza en aan de Bergakademie te Freiberg. Daar kreeg hij onder meer lessen van de vermaarde geoloog Abraham Gottlob Werner en de veelzijdige scheikundige wetenschapper Wilhelm Lampadius. Verder had hij veel affiniteit met de werken van de natuurkundige Johann Ritter, die tevens een goede bekende van hem was. We hebben gezien dat de zich in die tijd snel ontwikkelende natuurwetenschappen Novalis geïnspireerd hebben voor de verschijnselen en gebeurtenissen die in dit sprookje plaatsvinden. (2)
Maar voor Novalis bleef het echter niet bij de natuurwetenschappen alleen. Uit eerdere brieven aan zijn broer Erasmus in maart 1796 en aan Schlegel van 8 juli 1796 blijkt dat hij allerlei filosofische werken bestudeerde (Olshausen, p 11; Schulz p 100-104). Ook las hij met groot enthousiasme boeken van de in die tijd invloedrijke theoloog, filosoof en mijnbouwkundige Franz Xaver von Baader (1765-1841) en van onder meer de Nederlandse filosofen Frans Hemsterhuis (1729-1790), en Spinoza (1632-1677) en bestudeerde Fichtes Wissenschaftslehre en Schellings natuurfilosofisch werk Von der Weltseele.

  

Franz Xaver von Baader (1765-1841) (l); de Schotse arts John Brown (1735-1788) (m);Nikolaus von Zinzendorf (1700-1760) (r)

In zijn dissertatie over de natuurwetenschappelijke betrekkingen van Novalis toont germanist Olshausen overtuigend aan, dat Novalis zich in de jaren 1797/1798 echter steeds verder afwendde van de natuurfilosofie van Schelling. Daarbij schijnen overigens ook de invloeden van Friedrich Schlegel op Novalis’ denkwijze vrij groot geweest te zijn. Novalis’ bronnen waren in die periode veel meer de geschriften van Von Baader, Hemsterhuis en de Schotse arts John Brown(1735-1788). Bij het verschijnen van Schellings Weltseele in 1798 was volgens Olshausen, de denkwijze van Novalis toen al een geheel eigen richting ingeslagen. In juni 1798 schrijft Novalis over de Weltseele en Schelling, dat “deze het vermogen mist de dingen zuiver weer te kunnen geven.” (3)
Novalis heeft ook kennis genomen van de geschriften van Nikolaus von Zinzendorf (1700-1760), Duits theoloog en zendeling, en tevens oprichter van de broedergemeente de Hernhutters, waarvan zijn vader lid was.Daardoor was Novalis vanuit zijn vroege jeugd al vertrouwd met een piëtische, mystieke geloofsbeleving. Dit kan deels een verklaring zijn voor zijn uitgesproken hang om zich bezig te houden met niet alleen de natuurfilosofie, maar ook met kabbalistische en magische wetenschappen, zoals de alchemie. In het middelpunt van de religieuze overtuigingen van de Hernhutters staat hetzelfde gedachtegoed als in de Christelijke kabbalistische mystiek], namelijk het idee dat men via emanaties de erfzonde van de eerste mensen, Adam en Eva, ongedaan kan maken. (4)
Bovendien ontstond in het einde van de 18e eeuw in Duitsland naast de ontwikkeling van de natuurwetenschappen ook een sterke neiging tot een mystiek geloof. Er werden veel boeken geschreven om zogenaamde wonderen te verklaren. Net als Ludwig Tieck kon Novalis zich inleven in een mystieke, magische wereld, waarbij hij ook toenmalige religieuze stemmingen en ontwikkelingen volgde. Niet alleen door de religieuze benadering vanuit de Hernhutters waarin Novalis was grootgebracht, maar ook vanuit de geschriften van Hemsterhuis kwam hij in aanraking met de voorstelling van een Gouden Tijdperk uit het verre verleden dat weer terug gaat komen.(Olshausen, p 5-9)
In zijn laatste werk, de dialoog Alexis ou de l’âge d’or uit 1787 roept Hemsterhuis het beeld op van een Gouden Tijdperk in de geschiedenis van de mensheid. Dit Gouden Tijdperk is voorbij, maar is in de Griekse beschaving nog bijna als historische werkelijkheid bewaard gebleven. Om dit Gouden Tijdperk weer te kunnen bereiken moeten volgens Hemsterhuis moderne mensen zich oriënteren naar het ideaal van de antieke mens. Pas als mensen zich bewust worden van hun beperkingen en zij een juist evenwicht kunnen vinden tussen hun verlangens en mogelijkheden kan een nieuw Gouden Tijdperk aanbreken. De door de Verlichting voorgestane zgn. Triomf van de Rede werkt hierop belemmerend. Het Gouden Tijdperk kan alleen verwezenlijkt worden door een veelzijdige en harmonische ontwikkeling van de menselijke persoonlijkheid. Voor Hemsterhuis was de poëzie het enige geschikte middel om uitdrukking te geven aan ‘het Hogere’. Poëzie was volgens hem de ‘taal van de Goden’. (5)
In 1797 kwam Novalis met de werken van Hemsterhuis in aanraking. Dit blijkt uit een brief van Friedrich Schlegel, waarin deze onder meer stelt: “De studie van de filosofie heeft Hardenberg een weldadige lichtvoetigheid gegeven om mooie filosofische gedachten en ideeën uit te beelden, daarbij gaat hij niet terug op De Waarheid, maar op het Mooie...Vol vuur verkondigde hij op een avond zijn mening dat er niets boosaardigs in de wereld is en dat alles weer samenkomt in het Gouden Tijdperk”. (Olshausen, p 5-9)
In onze eerdere besprekingen van de werken van Novalis in CM zagen we deze ideeën over een Gouden Tijdperk in zijn roman Heinrich von Ofterdingen en het door de dichter Klingsohr vertelde sprookje van Eros en Fabel steeds weer terugkeren. Bijna letterlijk loopt dit thema als een gouden draad door het verhaal heen.

 

Frans Hemsterhuis (1721-1790; Alexis ou de l’Age d’Or (1787), Hemsterhuiscollectie Kon. Bibliotheek, Den Haag
1. De alchemistische inspiratiebronnen voor Novalis
Uit zijn dagboeknotities en brieven blijkt dat Novalis oude alchemistische werken gelezen heeft. Bijvoorbeeld op 29 april 1797:
„Nach Tisch alte alchymistische Papiere durchgeblättert“. In zijn brief van 25 dec.1797 schrijft hij aan August Schlegel en op 26 dec.1797 aan Friedrich Schlegel, dat hij “ganz in die Natur versunken sei. Dass wir uns sehen könnten! Meine und Deine Papiere gegeneinander auszuwechseln”. Hij noemt daarin ook mystieke fragmenten. Friedrich zou in de papieren die hij nu onder handen had “veel Theosophie [= mystieke religie] en Alchemie vinden”.(6)
De bewijzen voor zijn alchemistische bronnen blijven fragmentarisch. Wel is bekend dat hij zich intensief heeft beziggehouden met de mystieke natuuropvattingen van onder meer Paracelsus (1493-1541), Johann Baptist van Helmont (1577-1644)en Robert Fludd (1574-1637). (Biedermann, resp. p 384-387, p 219-221, p 185-187)
De werken van Jacob Böhme (1575-1624) heeft Novalis via Ludwig Tieck leren kennen en bestudeerde deze in de winter van 1799. Hij schreef aan Tieck dat Böhme hem zo boeide vanwege ‘de blijmoedigheid’, die hij in diens geschriften de overhand vindt hebben: “Und diese, die heitere Fröhlichkeit ist’s doch allein, in der wir leben, wie der Fisch im Wasser“.(7)

Voor verdere bestudering van de alchemie en magische wetenschappen heeft Novalis ook kennisgenomen van de werken van de uit Mallorca afkomstige Raimundus Llullus (1234-1315), met name diens Ars Magna, geschreven in de jaren 1305-1308. Llullus maakte gebruik van logische methodes waarmee hij de dogma’s van de christelijke theologie wilde bewijzen. Hij ging daarvoor op zoek naar een universeel systeem, een compendium van alle kennis, die hij ‘Ars Magna’ (‘De Grote Kunst’) noemde. Hij combineerde symbolische notaties en tabellen om alle vormen van kennis te combineren en weer te geven. Hiertoe behoorden niet alleen de theologie, filosofie en de natuurwetenschappen, maar grammatica, dialectiek en ontologie [= zijnsleer; ontologie is een tak van de filosofie binnen de metafysica]  (Olshausen, p 51-53; Federmann, p 153-162; Ferguson, p 110,111; Biedermann, p 305-307)


 
Raimundus Llullus (1234-1315) (l) en Roger Bacon (1214-1294) (r)

In zijn leertijd bij apotheker en chemicus Johann Christian Wiegleb in Langensalza heeft Novalis waarschijnlijk ook kennis genomen van de alchemie. Wiegleb heeft zich veel met alchemie beziggehouden en publiceerde hierover in 1777 zijn Historisch-kritische Untersuchung der Alchemie. Raadpleging van de Katalog der Königlich Sächsischen Bergakademie uit 1879  laat zien dat dit werk van Wiegleb zich in de collectie van de Bergakademie bevond toen Novalis daar studeerde. Verder bevonden zich in de collectie van deze bibliotheek onder meer studies van de Duitse alchemist David Beuther (1550-1588), die specifiek handelen over het veranderen van ‘gewone’ metalen in goud en zilver. (8)
Verder stuitte ik tijdens mijn onderzoek onder andere op het Deutsches Theatrum Chemicum.

Dit is een zeer grote en uitgebreide verzameling alchemistische teksten met onder meer in deel 3 de werken van de Engelse geleerde Roger Bacon (1214-1294), in overwegend Duitse vertaling (uit het latijn), uitgegeven in 1728, 1730 en 1732. Dit driedelige werk kende grote populariteit, omdat voor het eerst alchemistische teksten in het Duits verschenen in plaats van het Latijn, waardoor het meer gericht was op een groter, algemeen lezerspubliek en niet meer voorbehouden was aan een select groepje geleerden. Ook van dit werk bevond zich een exemplaar in de bibliotheek van de Bergakademie in Freiberg, evenals een los exemplaar in Duitse vertaling van Roger Bacons Von den geheimen Wirkungen der Kunst und Natur und Richtigkeit der Magie. (9)
Roger Bacon was een universeel geleerde, die les gaf aan de universiteiten van Oxford en Parijs en werd later Franciscaan en hoogleraar in de Theologie. Hij was een van de vroegste voorstanders van de moderne, empirische natuurwetenschappelijke methodes, terwijl hij ook zeer veel waarde hechtte aan occulte en alchemistische tradities. Zijn werken behandelen onder meer de wiskunde, chemie, astronomie en alchemie. Hij hield zich onder meer bezig met alchemistische thema’s zoals de transmutaties van onedele metalen in goud en met de theorie van Aristoteles over het ontstaan van metalen en de aanwending van mercurium voor het zuiveren van metalen. Ook legde hij verbanden tussen astrologie en alchemie. (Federmann, p 135-141; Biedermann, p 82-83)

Dit is slechts een kleine greep uit diverse voorbeelden om te laten zien dat Novalis gedurende zijn periode in Freiberg ook vanuit zijn studie toegang had tot een wetenschappelijke bibliotheek waar tal van alchemistische werken voorhanden en beschikbaar waren voor docenten en studenten. De Bergakademie in Freiberg waar Novalis in 1798/1799 studeerde, maakte in die periode een grote bloei door. Het was de beroemdste school van heel Europa voor Mineralogie. Vanuit alle windstreken kwamen – ook van buiten Europa – studenten naar Freiberg, om met name de colleges van de beroemde geoloog Abraham Werner te volgen. (10) Dit laat tevens zien, dat in de tijd waarin Novalis leefde de scheidslijn tussen alchemie, natuurwetenschappen en mijnbouw nog uiterst dun was. In par. 3 van dit artikel ga ik daar verder op in.


Reconstructie van een alchemistisch laboratorium

 

2. Iets over de alchemie in het algemeen
Kort gezegdis alchemie de kunst van transmutatie, waarbij men ernaar streefde uit lagere metalen via allerlei ingewikkelde  processen goud te kunnen maken. Daarvoor heeft men de zogenaamde Steen der Wijze nodig en allerlei elixers. Het woord alchemie komt vanuit het Arabische al-kimiya [= de kunst van transmutatie]. Ook de Islam kende een alchemistische traditie, m.n. in de 8ste tot 13e eeuw. Grote Arabische alchemisten waren onder meer Jabir ibn Hayyan (ca. 721-815) en Avicenna (980-1037).
Over de alchemie werd enorm veel geschreven, met talloze interpretaties. Voor de een is alchemie een soort voorganger van de huidige scheikunde, voor de ander is het mystiek en voor weer anderen staat alchemie gelijk aan de beoefening van duistere, occulte zaken met veel hocuspocus. De geschiedenis van de alchemie is een mengsel van legende en werkelijkheid en lijkt daardoor vaak met geheimzinnige nevelen omhuld. In de eerste eeuwen na Christus ontstonden de eerste alchemistische teksten in de Hellenistische wereld, die later aangevuld werden door de Arabieren en Byzantijnen. Pas vanaf de 14e eeuw is in het Westen de alchemie tot volledige ontwikkeling gekomen.

Volgens de Belgische kunsthistoricus en specialist op het gebied van de alchemistische iconografie, Jacques van Lennep, is in het begin de alchemie vooral bepaald door de religieuze iconografie, maar werd deze al vrij spoedig vermengd met profane motieven. Aan het einde van de middeleeuwen werd de alchemie als een officiële wetenschap beschouwd. In de 16e eeuw kwam de alchemie tot grote bloei, mede ook dankzij de opkomst van de gravures in de gedrukte boeken, waardoor het gedachtegoed grotere verspreiding vond en beeldend geïllustreerd kon worden.
Vanaf de 17e eeuw werd de status van de alchemie weer bemoeilijkt door de enorme ontwikkelingen van de schei- en natuurkunde. Men geloofde niet meer in het basisuitgangspunt van de alchemie dat men van gewone metalen goud kon maken. Het gevolg was dat in de daaropvolgende eeuwen de alchemie in de occulte, obscure hoek terechtkwam.
Van Lennep zegt over de basiskenmerken van de alchemie: “De meest algemene betekenis van de alchemie is die van kunst van het transmuteren, die erin bestaat gewone metalen om te zetten in zilver en goud. Om zover te geraken moest de beoefenaar de steen der wijzen ontdekken, die in de hoedanigheid van ‘projectiepoeder’ deze omzetting kon bewerkstelligen. Het geheel van bewerkingen om hiertoe te komen werd het ‘grote werk’ genoemd. Daarenboven zocht de alchemist naar een universele remedie, het levenselixir. De alchemie, aldus van haar meest karakteristieke kant gedefinieerd, vertoonde twee aspecten: een bewerkend en een beschouwend. Het eerste behandelt de metaalbewerking en de voorwetenschappelijke scheikunde, het tweede doet zich voor als een mystieke zoektocht. Deze twee aspecten werden niet noodzakelijk aan elkaar gekoppeld. Zij komen in verscheidene mate samen voor… en omvatten zowel ambachtelijke technieken als een primitieve kennis van de materie en gingen… gepaard met religieuze en filosofische beschouwingen.” (J. van Lennep, (1984) p 9,10)
Ook de Nederlandse filosoof, schrijver en vertaler Piet Meeuse heeft een aantal lezenswaardige artikelen over dit onderwerp geschreven. Met name zijn artikel De literaire transformatie van de gnosis uit zijn bundel essays De slang die in zijn staart bijt geeft een helder overzicht.
Volgens hem is de alchemie “te omschrijven als een gnostische natuurfilosofie: de stoffelijke wereld wordt beschouwd als een manifestatie van het goddelijke. Het is de alchemist erom te doen, het zuiver goddelijke beginsel uit de onzuivere materie te destilleren. Ofwel: zich via de stoffelijke wereld te verheffen tot het goddelijk mysterie. Dit zuiveringsproces - een opeenvolging van in wezen religieuze rituelen - voltrok zich in een reeks manipulaties met de materie, die veel weg hadden van chemische experimenten.
Einddoel daarvan was de totstandkoming van het goud, als de zuiverste vorm van materie. Maar daarvan werd gezegd: Aurum nostri non est aurum vulgi. [ons goud is niet het gewone goud, hb]. Dat dit goud in de eerste plaats een symbool was voor de staat van goddelijke verlichting die werd nagestreefd, raakte in later tijden, met een meer positivistische opvatting van materie, steeds meer op de achtergrond en heeft tot veel sensationele verhalen, kwakzalverij en misverstanden over de alchemie geleid. … Dat de alchemistische symboliek zo’n duistere en complexe indruk maakt komt niet in de laatste plaats door haar eclectisch karakter: de symbolen zijn ontleend aan de astrologie en de Griekse mythologie, maar ook aan de evangeliën, aan de middeleeuwse heraldiek en aan de kabbala. (…)(11)

3. De connectie tussen mijnbouw en alchemie ten tijde van Novalis
In de klassieke oudheid ging men ervanuit dat metalen diep in de aarde ontkiemden, om vervolgens via rijping uiteindelijk de perfecte staat van het goud te bereiken. Een door van Lennep aangehaalde alchemistische verhandeling legt dit proces als volgt uit: “zoals een man zijn zaad uitstort in de baarmoeder van de vrouw, waarin verder niets anders woont dan het zaad. Nadat de baarmoeder er het verschuldigde deel van heeft genomen, werpt zij de rest naar buiten. Hetzelfde gebeurt in het midden van de aarde alwaar een magnetische kracht… datgene naar zich toetrekt wat geschikt is om voort te brengen. De rest duwt zij naar buiten om steen te worden…”
Volgens de oude alchemisten maken de ‘geboren’ mineralen uit deze aardse bevruchting dezelfde ontwikkeling door als embryo’s om aan het einde van de zwangerschap goud te worden. De alchemist wil deze ontwikkeling versnellen. Hiertoe onttrekt hij via de mijnbouw aan de buik van moeder Aarde de benodigde metalen, die hij als embryo’s in glazen vazen legt, die dezelfde vorm hebben als menselijke organen. Uiteindelijk moet het alchemistische vuur en allerlei elixers samen met de Steen der Wijze uiteindelijk voor transformatie zorgen. (Van Lennep, 1966, p 23, 24) Het delven van metalen en andere mineralen uit het diepste van de aarde, dus de mijnbouw, werd binnen de alchemie gezien als de basis voor het alchemistische proces.



  
In het midden een gravure van Athanasius Kircher (1601-1680), met links zijn Mundus
Subterraneus, Amsterdam 1664 en rechts zijn De Magneticum Natura Regnum, Amsterdam 1667
Ook in de werken van de Duitse Jezuïet Athanasius Kircher (1601-1680) komt dit aspect naar voren. Nog geheel volgens de alchemistische traditie meende Kircher dat zich de bron van alles dat er is diep onder de aarde bevindt. In zijn beroemde geologische werk Mundus subterraneus uit 1678 probeert hij als een van de eerste de aarde en haar structuur vanuit een natuurkundig standpunt te beschrijven (12).

De afbeelding van de mijnwerkers in het alchemistische traktaat Splendor Solis, door S. Trismosin uit 1582, bevestigt het eerder besproken uitgangspunt, dat de scheidslijn heel dun is tussen de geologie, waarmee Novalis zich als mijnbouwingenieur heeft beziggehouden en deze oorspronkelijke overtuigingen over de ontstaanswijze van de metalen in het binnenste van de aarde.

We kunnen als hypothese aannemen dat hij ook vanuit zijn studie aan de Bergakademie welhaast als vanzelfsprekend met het alchemistische gedachtengoed over het ontstaan van metalen in aanraking is gekomen en dat zijn geologische kennis en belangstelling gevoed en aangevuld kan zijn door deze vroeg-alchemistische opvattingen. Het is immers bekend, dat Novalis onder meer kennis heeft genomen van de werken van Jan Baptista van Helmont. Op het titelblad van diens Opera Omnia uit 1682 zien we onderaan een gravure met dezelfde werkende mijnwerkers als uit de Splendor Solis.


 

Links: Splendor Solis, Miniatuur uit het handschrift British Library Harley Ms3469, fol 13vs, 1582. Te zien zijn mijnen vol zilver en goud met mijnwerkers die erin werken, samen met symbolen van de zon aan de hemel, en de maan in de rivier. Waar de zon staat, links van de berg, is het licht, aan de rechterkant zijn wolken en duisternis. Subtiele aanwijzing voor de dualiteit. Eronder is het Bijbelse verhaal van Esther en koning Ahasverus afgebeeld. Rechts: het titelblad uit het Opera Omnia uit 1682 van Van Helmont, een werk, waarvan zeker is dat Novalis deze in handen heeft gehad. Ook hier zien we onderaan de berg met de werkende mijnwerkers.

4 Alchemie en zelfkennis in relatie tot het Gouden Tijdperk
Het tractaat Splendor Solis [schittering van de zon] van Solomon Trismosin is volgens van Lennep “een van de monumenten van de alchemistische kunst”. Vanwege de prachtige illustraties was dit werk zeer populair en werd het tot in de 18e eeuw gekopieerd. De Splendor Solis is een kostbaar verlucht handschrift, waarvan het oudste exemplaar uit 1532 zich bevindt in Berlijn. Meerdere, latere, kopieën bevinden zich elders in Europa, waaronder de Bibliothèque Nationale in Parijs en de British Library in London. Het is niet aannemelijk dat dit werk een rechtstreekse bron geweest kan zijn voor Novalis, hoewel dit handschrift ook tot in de 18e eeuw in druk is verschenen. Opvallend is, hoezeer de essentie van het geschrift van Trismosin aansluit bij de uitgangspunten van Novalis en op welke wijze bepaalde elementen in deze miniaturen iconografische overeenstemming vertonen met de gebeurtenissen die in het sprookje van Eros en Fabel plaatsvinden, zoals we in deel 2 van dit artikel nog zullen zien. Het traktaat probeert kennis over het mysterie van het Zijn te doorgronden in poëtische taal. Een fraaie illustratie hiervan is het volgende gedicht van Trismosin, uit een ander alchemistische werk van hem, Aureum Vellus, Rohrschach, 1598:

“Weet wie gij bent –

al is dit slechts een deel

van wat gij van de kunst ooit kent,
eerst het deel maakt u tot geheel,

Wat binnen is, is buiten

en einde eeuwig een begin:

Zo valt geen groei te stuiten -
‘Dit is de wet’, sprak Trismosin. (13)

Ook voor Novalis was de uitspraak ‘ken u zelf’, ontleend aan een inscriptie in de oude Apollo Tempel te Delphi, van wezenlijk belang. Met name door de bestudering van alchemistische geschriften in zijn periode in Freiberg kwam hij hiermee in aanraking. Dit ging voor hem steeds meer een leidraad vormen. Net zoals voor de aanhangers van de alchemie het levensdoel was om in een kolf met behulp van allerlei elixers Goud, de koning van alle metalen, te maken, zo was voor Novalis Zelfkennis het belangrijkste elixer om de wereld te veranderen in een ‘Gouden Tijdperk’. Daarbij is de Poëzie het alles verbindende element. “Die Poesie … mischt alles zu ihrem grossen Zweck der Zwecke – der Erhebung des Menschen über sich selbst.“ (Schulz, p 96)
In onderstaand, op de alchemie gebaseerd, gedicht vat hij dit heel mooi samen:

“Glücklich, wer weise geworden und nicht die Welt mehr durchgrübelt,

Wer von sich selber den Stein ewiger Weisheit begehrt.

Nur der vernünftige Mensch ist der echte Adept – er verwandelt

Alles in Leben und Gold – braucht Elixiere nicht mehr.

In ihm dampfet der heilige Kolben – der König ist in ihm –

Delphos auch und er fasst endlich das: Kenne dich selbst.“ (14)

 

„Gelukkig is hij, die wijs geworden niet meer over de wereld piekert,

Die vanuit zichzelf verlangt naar de Steen van Eeuwige Wijsheid.

Alleen de verstandige mens is de echte ingewijde – hij verandert

Alles in Leven en in Goud – en heeft geen elixers meer nodig.

In hem dampt de heilige kolf – de koning is in hem –

Net als ook Delphos en eindelijk begrijpt hij het: Ken je zelf.” (vertaling HB)


Conclusie

Welke alchemistische werken Novalis nog meer geraadpleegd en gelezen zou kunnen hebben weten we niet. Sommige van de door Novalis geraadpleegde alchemistische werken zijn bekend. Naar andere kunnen we slechts gissen of een vermoeden uitspreken. Naarmate ik verder kwam met de bestudering van het sprookje van Eros en Fabel en de beschrijvingen uit dit verhaal naast alchemistische werken kon leggen, kwam ik door bronnenstudie tot de slotsom dat Novalis meer werken in handen gehad moet hebben, dan alleen dat waarover in de secundaire literatuur gesproken wordt. Op welke wijze Novalis alchemistische elementen verwerkt heeft in het sprookje zal ik behandelen in deel 2 van dit artikel.

Noten
de titel is ontleend aan het alchemistische gedicht van Novalis in par. 4.
Dit artikel maakt deel uit van een serie artikelen over Novalis door Dr. Piet Ransijn en mijzelf, die diverse werken en aspecten van Novalis belichten. Zie Civis Mundi 35, 36, 37 en 38 en voor meer informatie hierover onderstaande bibliografie.

1 Van Lennep, Alchimie (1984), p7; Melville, p 50-54, Jung, De mens en zijn symbolen; Jung, Psychologie und alchemie. Jung hield zich met name bezig met de geschriften van Paracelsus (1493-1541), de Belgische alchemist Gerardus Dorneus (1530-1584), de Griekse Alchemist Zosimos van Panapolis (ca. 350-ca. 420) en de Duitse alchemist Michael Maier (1568-1622), de schrijver van o.m. het beroemde alchemistische emblemataboek Atalanta fugiens, verschenen in 1617. Dit laatstgenoemde werk heeft overigens grote invloed gehad op de natuurkundige Isaac Newton (1642-1727), die zich ook met alchemie heeft beziggehouden.
2  H.M. Bloem CM 38 In dit artikel in CM 38 kwamen de natuurwetenschappelijke invloeden al uitvoerig aan de orde. Voor een korte samenvatting van het verhaal van Eros en Fabel verwijs ik eveneens daarnaar.
3  Olshausen, p 12-18; p 13:“ Eine epochemachende Wirkung im Geiste Hardenbergs kommt Schelling jedoch sicher nicht zu“ ; p 17: “So schreibt Hardenberg im Juni 1798: je tiefer er in die Unreife von Schellings Weltseele eindringe, desto interessanter werde ihm sein Kopf, er ahne das Höchste, nur fehle ihm die reine Wiedergebungsgabe.”
4 Deze emanaties ontstaan uit drie toestanden die geacht worden aan de schepping vooraf te zijn gegaan. De eerste, een toestand van volledig niets-zijn; de tweede, onbegrensdheid, wordt beschouwd als een verdichting; de derde toestand, het grenzeloos licht, ontstaat door een ’beweging’; de geweldige gouden schittering hiervan genereert vervolgens de eerste emanatie van de schepping.
5  Sassen, p 267; Schulz, p 75-77; zie verder over Hemsterhuis de informatieve site van Jacob van der Sluis http://hemsterhuis.blogspot.nl/  en de recensie van Arnold Heumakers in het NRC d.d. 17 okt. 2015 over de door Van der Sluis bezorgde editie Oeuvres philosophiques van Hemsterhuis. Zie hiervoor:
http://www.nrc.nl/nieuws/2015/10/17/de-plato-uit-de-polder-1543324-a1269831
6  Olshausen, p 12-15, Hecker, p 27, 28; In deze brief aan F. Schlegel noemt Novalis ook de schotse arts Dr. John Brown (1735-1788), van wiens medische theorieën hij sterk onder de indruk was. Overigens is de hier genoemde Theosofie niet gelijk aan de Theosofische beweging die eind 19e eeuw onder Blavatsky is ontstaan.
7 “en deze blijmoedige vrolijkheid is toch datgene waarin wij leven, zoals een vis in het water”, Olshausen, p 3, 12-15, Olshausen brengt op p 23, 24 naar voren, dat Novalis feitelijk te laat met de werken van Böhme in aanraking is gekomen om van een diepgaande beïnvloeding te kunnen spreken. Invloed van Böhme is volgens hem dus niet van toepassing in zijn vroegere, voor 1799 gedateerde werken, zoals De leerlingen van Saïs; Hecker, p 27, 28; Verder bevond zich in zijn bibliotheek ook een exemplaar van de alchemistische roman Die Chymische Hochzeit van Christian Rosenkreuz, in 1616 geschreven door de Duitse Lutheraan Valentinus Andreae. Dit werk droeg bij tot de opgang van de nieuwe theosofie van de Rozenkruisers, die rechtstreeks geïnspireerd was op de alchemie. Zie hierover J. van Lennep, Alchimie (1984) p 152; verder Melville p 41-45)
8  Historisch-kritische Untersuchung der Alchemie, oder der eingebildeten Goldmacherkunst: von ihrem Ursprung sowohl als Fortgange, und was nun von ihr zu halten sey. Hierin plaatst Wiegleb kritische kanttekeningen bij de alchemie. Zijn boeken hierover waren bedoeld om op natuurwetenschappelijke wijze de wonderlijke magie van de alchemistische processen te verklaren. (Haage, B. D., p 102, 257; Olshausen, p 8).
Katalog der Königlich Sächsischen Bergakademie, Freiberg 1879; Daar bevonden zich meerdere alchemistische verhandelingen, waaronder een tegenreactie op Wieglebs kritische werk, nl. C.A. Kortum, Verteidigt die Alchimie gegen die Einwirfe einiger neure Schriftsteller, besonders Herrn Wiegleb, Duisburg 1789,(sign. IV 1342.8);
Beuther, D., Universal et particularia, worin die Verwandlung geringer Metalle in Gold und Silber klar und deutlich gelehret wird. Herausgegeben von Chr. Sprögel, Hamburg, 1718,( sign. IV 1281.8) en Beuther, D., Zwey rare chymische Tractate, darinn nicht nur alle Geheimnisse der Probirkunst der Erze und Schmelzkunst derselben, sondern auch die Möglichkeit der Verwandlung der geringerer Metalle in bessere, gar deutlich gezeigt werden, Leipzig, 1717,(sign. IV 749.8.).
9  http://www.theatra.de/repertorium/ed000060.pdf ; de volledige titel luidt: Deutsches Theatrum Chemicum, auf welchem der berühmtesten Philosophen und Alchymisten Schrifften, die von dem Stein der Weisen, von Verwandlung der schlechten Metalle in bessere, von Kräutern, von Thieren, von Gesund- und Sauer-Brunnen, von warmen Bädern, von herrlichen Artzneyen und von andern grossen Geheimnüssen der Natur handeln, welche bisshero entweder niemahls gedruckt, oder doch sonsten sehr rar worden sind, vorgestellet werden durch Friederich Roth-Scholtzen (onder sign. IV 1304 8.(1)-3); Het Deutsches Theatrum Chemicum werd eerder voorafgegaan door de Bibliotheca Chemica Curiosa uit 1702, in Geneve uitgegeven door Jean-Jacques Manget bij uitgeverij Chouet. Deze uitgave, die uit twee delen bestond van elk meer dan 900 pagina’s, met meer dan 143 alchemistische teksten is een van de omvangrijkste verzameling alchemistische teksten. Zij is gebaseerd op oudere, eerder gepubliceerde geschriften, zoals het 17e eeuwse in het Latijn uitgegeven Theatrum Chemicum, en het Theatrum chemicum   Brittannicum die alchemistische werken van Engelse auteurs omvatten; Roger Bacon, Von den geheimen Wirkungen der Kunst und Natur und Richtigkeit der Magie, mit John Dee und eines Ungenannten Anmerkungen (sign. Hof 1776 IV. 1336.8) Roger Bacon, niet te verwarren met de Engelse staatsman, jurist, filosoof en wetenschapper Francis Bacon (1561-1626) Zie ook Störig, deel I p. 292-298 (Francis Bacon) en deel I, p 255-257 (Roger Bacon)
10 Zie hiervoor ook mijn vorige artikel in CM 38, en ook Olshausen, p 25, e. v.)
11 Meeuse, P., De slang die in zijn staart bijt, Amsterdam 1987, p 143-163; Dit artikel verscheen eerder onder de titel Literatuur en Gnosis, een inleiding, in: De Revisor, jrg 10(1983)p 16-23)
12  Kirchers boeken komen voor in de catalogus van Freiberg van 1889. De Katalog noemt: Ars Magna lucis e umbrae, Amstelodami 1671, (sign. III 552.Fol) en de Mundus subterranaus, Amsterdam 1664 en de Magneticum Natura Regnum, Amsterdam 1667. Met name zijn werk Mundus subterraneus, (de onderaardse wereld) werd als uitgangspunt genomen voor alchemistische onderzoekingen door onder meer de chemicus Johann Joachim Becher (1635-1682). Zie ook Federmann, p 314, 315. Kircher was een zeer veelzijdig geleerde die met 32 in het Latijn geschreven werken van in totaal 14000 gedrukte bladzijden een verbazingwekkend oeuvre heeft nagelaten. Zijn werken waren in zijn tijd zeer populair en wijd verbreid. Hij hield zich bezig met onder meer geneeskunde, muziektheorie, geologie, fossielen, de Oriënt, egyptologie en sinologie. Kircher was ook een van de eersten die Egyptische hiërogliefen bestudeerde. Zijn bekendste werk is zijn Oedipus Aegyptiacus (1652-1654), over egyptologie en comparatieve religie. Kircher was dé egyptoloog van zijn tijd. Mede door hem werd de egyptologie een wetenschap. Zijn China Monumentis (1667) was een encyclopedie over China, met niet alleen nauwkeurige landkaarten, maar ook met beschrijvingen van allerlei mythische elementen uit de oude Chinese cultuur. Zijn motto was: alles wat er is met elkaar te verbinden. Zie hiervoor verder de zeer informatieve, geheel aan Kircher gewijde, tentoonstellingscatalogus Universale Bildung im Barock, Rastatt, 1981
13Over de Splendor Solis zie Lennep, Art et Alchimie (1966), afb. 28 – 38, p 50-58; Lennep, Alchimie (1984), p 110-128, afb 157-188;  p 128, sinds 1598 verschenen meerdere publicaties van dit tractaat in druk met gravures. Zie ook de Nederlandse bewerking van de Splendor Solis door J.P. Schoone, met een inleiding door W.N. Schors, p I-III. Het citaat staat op p. 81
14  Schulz p 96, 97. Het Oudgriekse aforisme Ken uzelf (Grieks: γνῶθι σεαυτόν, gnothi seauton; Latijn: nosce te ipsum) was volgens een reisverslag van de Griekse schrijver Pausanias een inscriptie in de pronaos (voorhal) van de Tempel van Apollo in Delphi. Het aforisme is ook toegeschreven aan o.m. Heraclitus, Pythagoras, Socrates en Thales van Milete.

Bibliografie van geraadpleegde werken
Hierbij wil ik met name Peter Kerssemakers hartelijk bedanken voor het beschikbaar stellen van
alchemistische studies en naslagwerken uit zijn omvangrijke bibliotheek.

Biedermann, H.,Handlexikon der magischen Künste, von der Spätantike bis zum 19. Jahrhundert, Graz 1973.

Bloem, H.M., “Een raadselachtig teken ligt verzonken”, Bespreking van: Novalis, De Blauwe Bloem Heinrich von Ofterdingen, vertaald door Ria van Hengel met een nawoord van Arnold Heumakers, Amsterdam, 2006, in: Civis Mundi nr. 36, april 2016
Bloem, H.M., “Elke zonderlinge bloem is een geheim dat naar buiten dringt”. De Blauwe Bloem in Novalis’ roman Heinrich von Ofterdingen in kunsthistorisch perspectief, in: Civis Mundi nr. 37, mei 2016
Bloem, H.M., “De volmaakte vorm van wetenschappen moet de poëzie zijn”, over de natuurwetenschappelijke invloeden bij Novalis, toegelicht aan de hand van het sprookje Eros en Fabel uit zijn roman Heinrich von Ofterdingen, in: Civis Mundi nr. 38, juli 2016
Burckhardt, T.,
Alchemie, Sinn und Weltbild, Olten/Freiburg im Breisgau, 1960
Fabricius, J., Alchemy, the medieval alchemists and their royal art,Copenhagen 1976 Federmann, R., Die Königliche Kunst, eine Geschichte der Alchemie, Wien,1964
Haage, B.D., Alchemie im Mittelalter, Ideen und Bilder – von Zosimos bis Paracelsus, Düsseldorf/Zürich 1996, p 9-62, 176-200, m.n.p 101, 102 (over Novalis)
Hecker, J., Das Symbol der blauen Blume im Zusammenhang mit der Blumensymbolik der Romantik, (diss.), Jena 1931, p 6, 11-12, 26-28, 34, 56
Ferguson, J., An illustrated Encyclopaedia of Mysticism and the Mystery Religions, London, 1976
Heumakers, A.,
De Plato uit de Polder, recensie over de door Jacob van der Sluis bezorgde editie Oeuvres philosophiques van Hemsterhuis, in: NRC 17 oktober 2015, http://www.nrc.nl/nieuws/2015/10/17/de-plato-uit-de-polder-1543324-a1269831
Jung, C.G.,
Psychologie und Alchemie, Zürich 1952
Jung C.G., De mens en zijn symbolen, de werkelijkheid van het onbewuste, Amsterdam 1976
Katalog der Bibliothek der Königlich Sächsischen Bergakademie Freiberg, Freiberg 1879
Klossowski de Rola, S., Alchemie, die Geheime Kunst,München/Zürich1974
Kluge, M., Radler, R.
(Herausg.), Hauptwerke der deutschen Literatur, Darstellungen und Interpretationen, p 269-271
Lennep, J. van, Alchimie, contribution à l’histoire de l’árt alchimique, Bruxelles 1984
Lennep, J. van, Art & Alchimie, étude de l’iconographie hermétique et de ses influences, Bruxelles/Paris 1966
Meeuse, P., Literatuur en gnosis, een inleiding, in: De Revisor, jrg 10(1983/6)p15-23
Meeuse, P.,
De slang die in zijn staart bijt, essays,De Bezige Bij, 1987
Meeuse, P.,
De jacht op Proteus, De Bezige Bij, 1992, p 139,140 over Novalis
Meeuse, P., De ziel van engelen en demonen; Het magische boek Asclepius van Hermes Trismegistus vertaald, in: NRC-Handelsblad, 1 maart 1996 (boekbespreking)
Meeuse, P.,
Poëzie is een duister sprookje, in: NRC boeken 1 september 2006
Recensie Novalis: De Blauwe Bloem, vertaald door Ria van Hengel,Amsterdam 2006
Meeuse, P., De literatuur en de goden, in: Raster, nr. 114(2006) (boekbespreking Nederlandse vertaling uit 2001 van Calasso Terugkeer van de Goden)
Melville, F.,
Het boek der Alchemie, de jacht naar wijsheid en de zoektocht naar de steen der wijzen, Kerkdriel, 2007.
Novalis Fragmente
, Herausg. Ernst Kamnitzer, 1929, Jess Velag, Kap. 24
Novalis, De Blauwe Bloem Heinrich von Ofterdingen, vertaald door Ria van Hengel met een nawoord van Arnold Heumakers, Athenaeum Polak & Van Gennep Amsterdam 2006 (in de noten vermeld als Hengel)p 125-155, 193-223
Olshausen, W., Friedrich v. Hardenbergs (Novalis) Beziehungen zur Naturwissenschaft seiner Zeit, diss. Leipzig 1905
Ransijn, P.,
De Duitse dichter Novalis: mythe en werkelijkheid, eenheid in verscheidenheid,  in: Civis Mundi 35, februari 2016.
Ransijn, P., De Duitse dichter Novalis over natuurbeleving, kennis van de natuur en liefde voor de natuur; Bespreking van De Leerlingen te Saïs, Baarle-Nassau, uitg. Occident, 2013, vertaling Mieke Mosmuller, In: Civis Mundi 35, februari 2016
Ransijn, P., ‘Waar geen goden zijn, daar heersen spoken’: waar geen geestelijke waarden zijn, heerst hebzucht. Boekbespreking van: Novalis, De Christenheid of Europa (diverse edities), in: Civis Mundi 36, april 2016
Ransijn, P., De poëtische politieke visie van Novalis. Aanvulling bij de boekbespreking van Helena Bloem, in: Civis Mundi 37, april 2016
Ransijn, P., Troubadourspoëzie bij zijn roman De blauwe bloem: Heinrich von Ofterdingen door Novalis, opnieuw vertaald en ingeleid, in: Civis Mundi, april 2016
Ransijn, P., De kosmische Christus bij Novalis: een selectie uit zijn Geistliche Lieder / Geestelijke liederen opnieuw vertaald, in: Civis Mundi 37, mei 2016
Roob, A., Het Hermetische Museum, Alchemie en Mystiek, Hedel 1997, p 8-33, 80, 200, 254-256, 402-405, 420-426, 436
Sassen, F.,
Geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland tot het einde der negentiende eeuw, Amsterdam/Brussel 1959, m.n. over Frans Hemsterhuis, p 258-268

Splendor Solis, alchemistische verhandelingen van Solomon Trismosin, Ned. Bewerking J.P. Schoone, Amsterdam, 1980
Schulz, G., Novalis, mit Selbstzeugnisse und Bilddokumenten, Reinbek bei Hamburg Rowohlt 1989, p 73-144-149, 171-173 p 73-144, 149, 171-173 p 75-77 (Hemsterhuis)
Störig, H.J.,
Geschiedenis van de Filosofie, 2 dln., Utrecht/Antwerpen 1982
Träger, Cl. (Herausg.) Novalis. Ausgewählte Werke, Reclam Leipzig 1961, 205-255
Universale Bildung im Barock, der Gelehrte Athanasius Kircher, Ausstellungskatalog der Stadt Rastatt, in Zusammenarbeit mit der Badischen Landesbibliothek Karlsruhe, unter Mitarbeit von R. Dieterle, u.a., Rastatt 1981
Völlnagel, J.,
Alchemie, die königliche Kunst, München, 2012

Helena Bloem is kunsthistorica, met als specialisatie middeleeuwse verluchte handschriften, m.n. Frankrijk rond 1500, waarbij zij zich vooral bezighield met het ontsluiten van manuscripten en archiefmateriaal betreffende de dood en begrafenis van de Franse koningin Anna van Bretagne (†1514). Zij heeft een Duitse moeder en een Nederlandse vader. Zij woonde en werkte enkele jaren in Duitsland. In die periode is haar belangstelling gewekt voor de Duitse dichtkunst. Samen met haar partner Hans Komen is zij auteur van de boeken Ziel en Geest en Gevangen door het Ego.