De belangrijkste verkiezingen in jaren

Civis Mundi Digitaal #40

door Alexander Dake

Onderhuidse crisis

Dinsdag 8 november vinden de Amerikaanse presidentsverkiezingen plaats, een van de belangrijkste verkiezingen in jaren. Natuurlijk is het niet onbelangrijk wie de kandidaten zijn: enerzijds, de impopulaire maar door het establishment gesteunde Democraat Hillary Clinton en anderszijds, de politieke outsider, bombastische populist en Republikein Donald Trump, die nauwelijks van harte wordt gesteund door zijn eigen Republikeinse partij. Hoewel dit een zeer onverwachte en daardoor boeiende tweestrijd is, besteden de Nederlandse – en buitenlandse - media teveel aandacht aan deze persoonlijkheden en zien daardoor het grotere belang van deze verkiezingen over het hoofd.

 

Het grotere belang betreft de onderhuidse crisis waarin Amerika en haar democratie zich in bevindt. Dit komt onder meer tot uitdrukking in een toenemend gebrek aan vertrouwen onder de Amerikanen: 65 procent van hen vindt dat het land zich in de verkeerde richting beweegt.  Slechts 19 procent van de Amerikanen heeft vertrouwen in de federale overheid, een dieptepunt sinds dit getal in 1958 73 procent bedroeg. Beide presidentskandidaten zijn de meest impopulaire kandidaten in meer dan dertig jaar. Daarnaast heeft  68 procent van de Amerikanen weinig of geen vertrouwen in de massamedia. Tegen deze achtergrond van wantrouwen en ontevredenheid, worstelt de VS al jaren met steeds groter wordende problemen, die, ongeacht de winnaar van deze verkiezingen, niet zonder fundamentele koersverandering zullen worden opgelost. Niettemin worden dit de belangrijkste verkiezingen in tijden, omdat het uur U van een aantal structurele problemen nu nadert en de uitslag in elk geval wel de richting van het land zal bepalen.

 

Economische problemen

Laat ik aangeven op welke problemen ik doel,  om te beginnen op economisch gebied. Op het eerste oog, zijn de macro-economische cijfers onder Obama positief: na het stabiliseren van de economie na de financiële crisis van 2008, is de werkeloosheid gedaald en zijn de aandelenmarkten verdubbeld (ter vergelijking onder President George W. Bush zijn de beursen tussen 2000-2008 met 45 procent gezakt en onder President Bill Clinton tussen 1992-2000 met 150 procent toegenomen).

 

Maar inmiddels is duidelijk dat het grotendeels de rijken zijn die voordeel hebben van de herstelde economie en de gestegen aandelenmarkten. De inkomensongelijkheid is gestaag gegroeid sinds de jaren zeventig, en heeft inmiddels de grootste ongelijkheid sinds 1928 bereikt. In 2012 ontving de top 1% verdieners 22 procent van alle inkomens (in 1928 was het 24 procent), terwijl de onderste 90% verdieners  49 procent van alle inkomens ontving (in 1928 was het 50 procent). In 1965 verdiende de gemiddelde directeur van beursgenoteerde bedrijven 832.000 dollar, 20 keer zoveel als de gemiddelde werknemer met 40.000 dollar. In 2014 is dat respectievelijk 16.316.000 dollar (sic!),  en 53.000 dollar geworden, dat wil zeggen 307 keer zoveel. Daarnaast is ook de armoede toegenomen: bijna 15 procent van de Amerikaanse bevolking (i.e. 45 miljoen Amerikanen) leeft onder de armoedegrens (tegenover 11 procent in 2000).

 

Een ander officieel economische cijfer dat beter lijkt dan de werkelijkheid is het recente werkeloosheidscijfer van  4.9 procent, wat gunstig afsteekt tegen het Amerikaanse gemiddelde van 5.8 procent. Maar volgens andere berekeningen komt het werkelijke cijfer uit op 12 procent, als personen die zich niet meer op de arbeidsmarkt begeven of personen die tijdelijk werken er bij worden opgeteld. Intussen zijn er sinds 1980 meer dan 7 miljoen industriële banen verloren gegaan. Daar tegenover staat de groei van dienstverlenende banen, maar die verdienen over het algemeen minder dan de verloren gegane industriële banen. Verder wordt verwacht dat vergaande automatisering en robotisering vele van deze nieuwe banen de komende jaren zullen vervangen. McDonalds, bijvoorbeeld,  heeft al 25.000 restaurants voorzien van robots die bestellingen aannemen en uitvoeren. Andere restaurantketens hebben vergelijkbare stappen aangekondigd.  

 

Naast de bovenvermelde economische situatie voor individuele burgers, kampt de VS ook met een infrastructurele crisis. Als je reist door Amerika, zoals ik regelmatig doe door het welvarende noordoosten van de VS, dan vallen de matige wegen en oude spoorwegen op: in geen geval te vergelijken met het moderne Nederlandse spoor- en wegennet. In de VS zijn er 59.000 bruggen, 10 procent van het totaal, die dringend achterstallig onderhoud nodig hebben. Volgens berekeningen van de American Society of Civil Engineers zou de VS een bedrag van 3.6 biljoen dollar in de komende vier jaar moeten uitgeven om wegen, bruggen en waterwegen te herstellen en te onderhouden. Dat is 900.000.000.000 dollar per jaar!

 

 

Sociale problemen

Sociale problemen nemen ook hand over hand toe, waarbij oplossingen ver te zoeken lijken. Het rassenprobleem, bijvoorbeeld, is de afgelopen jaren verslechterd. Een CNN onderzoek in 2015 wees uit dat 49 procent van de Amerikanen racisme als een groot probleem ziet, nadat jarenlang de rassenverhoudingen juist leken te verbeteren. Verder vindt 64 procent van de Amerikanen dat raciale spanningen de afgelopen tien jaar zijn toegenomen. De door de politie neergeschoten zwarte burgers, de rassenprotesten en rellen in Ferguson, Milwaukee en recentelijk ook in Charlotte in Noord-Carolina, de daarmee gepaardgaande opkomst van de Black Lives Matter beweging en de moorden op politieagenten in Dallas laten zien dat de spanningen bijna dagelijks hoger oplopen.

 

Ook de macro-economische cijfers zijn negatief voor de zwarte bevolking: het gemiddelde zwarte loon bedraagt 76 procent van het gemiddelde blanke loon. 35 procent van de zwarte bevolking leeft in armoede (tegenover 15 procent van de blanke bevolking).  Werkeloosheid onder de zwarte bevolking is 9 procent (dat naar 19 procent stijgt als zwarte gedetineerden worden meegerekend). Voor de blanke bevolking is dit respectievelijk 5 en 6.4 procent.

 

Dit laatste brengt mij op het gedetineerdenprobleem in de VS.  De VS heeft 5 procent van de wereldbevolking, maar met ruim 2.2 miljoen gedetineerden 25 procent van het wereldwijd aantal gedetineerden. Het aantal Amerikaanse gedetineerden is in de afgelopen 40 jaar vervijfvoudigd en komt uit op 0.67 procent  van een bevolking van 325 miljoen inwoners. Ter vergelijking, het tweede land op deze ranglijst is China met 1.6 miljoen gedetineerden (0.11 porcent van de totale bevolking) en Nederland staat 85e met 11.000 gedetineerden (0.06 procent van de bevolking).  Onder dit hoge aantal gedetineerden in de V.S., valt het buitenproportionele aantal zwarte gedetineerden op, zo’n 1 miljoen ofwel 45 procent, terwijl zwarten slechts 13 procent van de Amerikaanse bevolking uitmaken.

 

Naast het rassen- en gedetineerden probleem, wordt ook het Amerikaanse immigratiesysteem door meer en meer partijen als onhoudbaar beschouwd. Het aantal illegale immigranten in de VS wordt geschat op meer dan 11 miljoen, toegenomen van 3.5 miljoen in 1990. Hoewel het onderwerp herhaaldelijk ter sprake komt in de politieke discussies, was het voor het laatst in 1986 onder President Reagan dat er een algemene maatregel in de vorm van een amnestieregeling voor illegale immigranten werd getroffen. In 2014 heeft President Obama een presidentieel besluit afgekondigd om deportatie voor een groot deel van deze illegale immigranten te voorkomen, maar dat besluit is eerder dit jaar door de Hoge Raad afgewezen. Het probleem van de illegale immigratie is nu, verergerd door de negatieve economische omstandigheden voor de laagstverdienenden en door de toegenomen angst voor misdaad en terrorisme, een heet hangijzer geworden in de komende presidentiele verkiezingen.

 

Politieke problemen

De hierboven beschreven economische en sociale problemen worden verslechterd door een al jaren durende politieke patstelling tussen beide politieke partijen. Vanaf het presidentschap van de Democraat Bill Clinton in de jaren 1990, werd hij op allerlei fronten actief tegengewerkt door zijn Republikeinse tegenstanders. Politieke debatten werden belemmerd en compromissen werden nauwelijks gesloten. Deze politieke obstructie is tijdens het Obama presidentschap alleen maar toegenomen, gevoed door verhalen over het vermeende “radicale” karakter van Obama. Tijdens de Obama ambtstermijn werden vele politieke benoemingen tegengehouden of vertraagd; meerdere malen werd door de Republikeinen gedreigd met het sluiten van het overheidsapparaat; en recentelijk werd geweigerd om zelfs maar hoorzittingen te houden om een kandidaat-rechter voor de Amerikaanse Hoge Raad aan te horen. Talloze andere politiek gevoelige onderwerpen van klimaatsverandering tot de nationale wapendiscussie en de Midden-Oosten politiek komen niet aan de orde in het Amerikaanse Congres. De progressieve politicoloog, Robert Kuttner, vergeleek de huidige patstelling al met een grondwettelijke crisis en ziet als enige oplossing dat presidentskandidaten – maar welke op dit moment? – het voorbeeld volgen van Franklin D. Roosevelt, die in 1932 geconfronteerd met rigide politieke partijen nieuwe kiezers aantrok en de Democratische partij omturnde tot een “linkse” partij en het voorbeeld van Ronald Reagan die hetzelfde deed in 1980 met de Republikeinse partij door allerlei conservatieve Democraten aan zich te binden.

 

Alsof het allemaal al niet moeilijk genoeg is, wordt de status quo versterkt door de toegenomen rol van geld in de politieke campagnes. In 1960 hadden de presidentskandidaten Nixon en Kennedy ieder 10 miljoen dollar tot hun beschikking. Deze bedragen zijn sindsdien toegenomen, maar waren wel aan beperkingen onderhevig totdat de Hoge Raad in 2010 politieke donaties gelijkstelde met vrijheid van meningsuiting. Daarnaast kwam dit nu vrijwel onbeperkte recht van politieke donaties niet alleen aan burgers maar ook aan bedrijven toe, waardoor het hek van de dam is. De grootste geldschieters, vaak miljardairs en bedrijven, bepalen nu welke kandidaten een reële kans maken en hun steun is gebaseerd op hun eigen belang en behoud van de status quo, niet op het algemeen belang of het belang van de kiezers. De presidentsverkiezingen in 2012 waren tot nu toe de duurste, toen Obama 700 miljoen dollar aan fondsen wierf en zijn tegenstander Romney 500 miljoen dollar. Voor de verkiezingen van 2016 wordt het dubbele verwacht.

Ondanks deze toegenomen politieke tegenstellingen en financiele belangen, komt dit niet tot uitdrukking in een hoge kiezersparticipatie. In de VS, met 245 miljoen kiesgerechtigden, stemden in de 2012 presidententsverkiezingen slechts 129 miljoen Amerikanen, een opkomstpercentage van 53 procent. Volgens een recent uitgevoerd onderzoek van het Amerikaanse Pew Research Center, komt de VS daarmee op de 31e plaats van 35 OESO landen. Ter vergelijking, Belgie staat met 87 procent opkomst op de eerste plaats - maar wel in een land met een opkomstplicht; Nederland staat twaalfde met 71 procent en laatste staat, verrassenderwijs, Zwitserland, met 38 procent opkomst.

Sommigen wijten de apathie onder de Amerikaanse kiezers aan de teruglopende opleiding van de Amerikanen. Volgens een onderzoek van Educational Testing Services, een Amerikaanse organisatie die studenten test, zijn de Amerikanen in vergelijking met hun tegenhangers in andere ontwikkelde landen achteropgeraakt in hun vaardigheden op het gebied van taal, rekenen en probleem oplossen. Daarnaast blijkt uit ander onderzoek onder jonge Amerikanen een toenemend gebrek aan kennis van Amerikaanse geschiedenis, politicologie en aardrijkskunde.

 

Kortom, Amerika heeft grote problemen, economisch, sociaal en politiek. Het grootste probleem is echter dat die problemen nauwelijks worden erkend door de politieke elite, en dat zij de afgelopen dertig jaar niet in staat zijn gebleken om tot fundamentele oplossingen te komen. De huidige presidentskandidaten lijken niet diegenen te zijn die zoals Roosevelt of Reagan, Amerika tot een fundamentele koersverandering kunnen brengen. Clinton is gematigd maar status quo gericht, terwijl Trump wel de onlustgevoelens in zijn land aanvoelt maar geen blijkt heeft gegeven van zinnige oplossingen.

 

Ondanks de onaantrekkelijke keus van kandidaten, zijn deze verkiezingen een van de belangrijkste in recente tijden. Allereerst als Hillary Clinton wint, dan zal zij niet alleen de eerste vrouwelijke president zijn, het zal ook de verdere stammenstrijd binnen de Republikeinse partij inhouden. De afgelopen jaren ruzieden de neo-conservatieve, “tea party” en gematigde facties binnen de Republikeinse partij. Nu door de Trump campagne er een populistische factie bij is gekomen, terwijl het Republikeinse establishment deels Clinton zegt te steunen, lijkt bij verlies een ineenstorting van deze partij moeilijk te vermijden. Aan de andere kant, als Trump wint dan is hij de eerste populistische president sinds Andrew Jackson, die president was van 1829-1837. Daarnaast zal dit het einde van het Clinton tijdperk betekenen, waarbij de grote tegenstellingen binnen de Democratische partij tussen establishment (Clinton/Obama) en de populaire progressieven (Sanders/Warren) ook deze partij in zwaar weer zullen brengen.

 

Maar deze verkiezingen zullen ook een van de belangrijkste zijn omdat de volgende president in elk geval één en waarschijnlijk meerdere rechters in de Hoge Raad zal benoemen. De Hoge Raad is een instituut dat het laatste juridische woord heeft over veel belangrijke onderwerpen, maar door de politieke benoemingen van de rechters ook een politieke invloed heeft. Er zijn nu acht rechters, vier van linkse en vier van rechtse signatuur. Er is één vacature, nadat de zeer conservatieve rechter Scalia eerder dit jaar overleed. Zijn door Obama voorgestelde gematigde opvolger is tot nu niet door het Congres gehoord, aangezien de Republikeinen de presidentsverkiezingen willen afwachten. De te benoemen negende rechter zal dus een beslissende stem krijgen in de Hoge Raad. Daarnaast zijn er drie zittende rechters, twee aan de linker kant en één aan de rechter kant, die ouder zijn dan 78 jaar en waarvan het aannemelijk is dat één of meer in de komende presidentstermijn vervangen zullen worden. De nieuwe president kan dan – ongeacht de politieke patstelling – de richting van Amerika voor decennia bepalen. Onderwerpen die de komende jaren aan de orde kunnen komen zijn onder meer het gebruik van presidentiële bevoegdheden, de illegale immigratie en de rol van geld in verkiezingen. Allemaal onderwerpen die in de dagelijkse politiek vast zijn komen te zitten.

 

Wie er ook wint, de kans dat de nieuwe president de komende vier jaar de fundamentele problemen waarvoor Amerika staat dichter tot een oplossing zal brengen, is klein. Wat wel vaststaat is dat deze verkiezingen verreikende gevolgen zullen hebben voor de verliezende partij en voor Amerika.

 

 

* A.M. Dake is de uitgever van Cosimo, een uitgeverij van boeken die informeren en inspireren, gevestigd in New York en Den Haag)