Het neoliberalisme als Hobbesiaans ideaal

Civis Mundi Digitaal #112

door Erik Jansen

Bespreking  van Marcel Poorthuis en Joachim Duyndam (red.) Einde van de politiek? Over populisme, democratie en staatsgeweld. Uitgeverij Damon, 2019.

 

In het vorige nummer bespraken we de kwetsbaarheid van de democratie en de opkomst van het populisme. In dit nummer gaan we in op het neoliberalisme dat door velen wordt gezien als hoofdoorzaak voor de ‘ontmanteling’ van de democratische orde. In onderhavig boek Einde van de politiek?  worden de wortels van het neoliberalisme bloot gelegd. In volgende artikelen bouwt Wendy Brown voort op de analyse van Michel Foucault, terwijl Yascha Mounk en Marcel ten Hooven meer ingaan op het verschijnsel Trump en de lessen die we daar uit kunnen leren.

Het eerstgenoemde boek van Poorthuis en Duyndam is een bundel voordrachten bij het afscheid van Theo de Wit als docent Politieke Theologie aan de Universiteit Tilburg. De bijdragen zijn allemaal zeer doorwrocht en wortelen in het werk van Hannah Arendt, Simone Weil, Michel Foucault, Claude Lefort, en vooral van Carl Schmitt, waar Theo de Wit zich in zijn wetenschappelijke werk veel mee bezig heeft gehouden. De bundel telt drie delen, het eerste gaat over vormen van populisme. Het tweede deel verkent het DNA van het liberalisme als kind van de verlichting. In het derde deel wordt de vraag gesteld of religie nog wel een rol kan spelen, al of niet op de politieke voorgrond of meer in de persoonlijke achtergrond.

Het is lastig om een samenvatting van de bundel te geven. Ik zal me hier beperken tot enkele draadjes die door meerdere bijdragen zijn gevlochten.

 

Liberalisme en moderniteit

De titel Einde van de politiek? verwijst naar het verdwijnen van de morele discussie uit de politiek. Met politiek wordt hier niet zozeer de staatsinrichting bedoelt of het politieke systeem zelf, maar de discussie en besluitvorming tussen burgers over de regels, normen en waarden voor de inrichting van de samenleving, ook wel aangeduid als “het politieke”. Met het afkalven van de zuilen en de politieke partijen is die samenspraak tussen burgers afgenomen en is de gelegenheid om tot een gedeelde verbindende visie te komen op basis van levensbeschouwing of godsdienstige overtuiging aan het verdwijnen.

Wat rest is een technocratische staat die louter op efficiency is ingericht en niet meer onderworpen is aan de ‘algemene wil’. De algemene wil, niet als de optelsom van alle individuele wensen, maar juist als de weloverwogen en diepgaande afweging van standpunten en belangen zoals die door de burgers worden ervaren. Die brede afweging is aan het verdwijnen, waarmee de voedingsbodem is gegeven voor de huidige politieke onvrede.

Voor het begin van deze ontwikkeling kunnen we teruggaan tot Thomas Hobbes (1588 – 1679) die een absolute scheiding voorstond tussen godsdienst en politiek. Gedreven door de verlichting en het geloof in de rede moest de staat een machine worden die de samenleving beschermde tegen het vijandige buitenland, maar vooral ook de individuele burgers onderling tegen elkaar moest beschermen. Zonder die staat zou er anarchie heersen. Hobbes ging uit van de mens zoals die uit is op eigen belang, en niet de mens zoals gekleurd door ethische motieven of hogere cultuur.

Wie Leviathan, het hoofdwerk van Thomas Hobbes leest, ziet hoe modern zijn redenering en mensbeeld eigenlijk is, en hoe geestig en treffend de beschrijvingen van de burger en zijn afwegingen zijn. De staat is er om de rechten van de individuele burgers, zijn vrijheid en bezit, te beschermen. Godsdienst leidt tot opgelegde leefregels en vervolging van diegenen die zich niet aan die morele voorschriften houden. Met het verwijderen van de godsdienst uit het politieke speelveld zijn echter ook de morele gronden voor een gedeeld ethisch besef verdwenen. Ieder mens is vrij om zijn eigen overtuiging te volgen, en aan zijn eigen zelfverwerkelijking te werken. De staat moet neutraal blijven en zich niet bemoeien met wat achter de voordeur gebeurt. De scheiding van de uitvoerende, wetgevende en rechtsprekende macht is ook bedoeld om die objectiviteit te bewaren, en de staat te vrijwaren van dweepzucht en emotionele kapingen.

Daarmee is de logica van het liberalisme en vooral van het neoliberalisme gegeven: de markt is het speelveld waar de individuele burger zijn ambitie en verlangens mag uitoefenen in onderlinge concurrentie. De vrijheid stelt de burger in staat tot zelfverwerkelijking op de manier die hij zelf verkiest. Deze zelfontplooiing is instrumenteel bedoeld: het hoeft geen hoger doel of gemeenschapszin te bevatten. Het neoliberale denken benoemt die instrumentaliteit als rendement: wat levert het je op? De moderne mens is een ‘rendemens’.

De staat beschermt het bezit en ziet toe op een goede marktwerking. De staat is een neutrale machine die geen visie heeft op de toekomst en niet ingericht is om te reflecteren op ethische aspecten als de ongelijkheid van burgers, de conflicten tussen landen, of het beschermen van de natuur. De politiek is daarmee versmald tot een strijd om de macht en kent alleen economische groei als maat voor succes. Feitelijk past de democratie niet zo goed bij het liberalisme en neigt het liberalisme meer tot autocratie en technocratie.

De liberale staat is in principe niet gefundeerd in land, taal of een cultuur, maar is een afspraak tussen burgers. Ook de rechtstaat is niet gefundeerd in algemene principes of een goddelijke beschikking. Aan de rechtstaat gaat een politiek besluit vooraf nl. om de rechtstaat in te stellen. De legitimiteit van politiek en rechtstaat is dus blijvend in het geding. Dat zien we bij de mogelijkheid voor de ‘uitzonderingstoestand’ of ‘noodtoestand’ waarmee de regering voor even de rechtstaat buiten spel kan zetten en alle macht naar zich toe kan trekken om zonder democratie de orde te ‘herstellen’, wat dat dan ook mag betekenen. In sommige landen blijft de noodtoestand jarenlang van kracht.

Het liberalisme kan ook niet goed overweg met ‘binnen’ en ‘buiten’. Enerzijds worden de algemene ‘Rechten van de Mens’ erkent, anderzijds gelden die in de eerste plaats voor de eigen burgers en maar in zeer beperkte mate voor immigranten, economische vluchtelingen, etc. Zie ook de moeizame regels voor asiel, werkvergunning en naturalisatie.

Eigenlijk is wat we nu hebben het liberalisme in zuivere vorm, zonder het spinrag van het verleden. Als remedie voor deze ontnuchtering wordt gepleit voor meer resonantie (Hartmut Rosa): een vorm van gevoelige interactie van mens en samenleving en met de natuur, waarin mensen zich ontvankelijk tonen voor hun omgeving en meer empathie daarvoor ontwikkelen.

 

Populisme

De leegte van het liberalisme biedt ruimte voor wantrouwen en onvrede ten opzichte van de ‘elite’ die uit is op haar eigen belang en het ‘eigen volk’ niet hoort, en de immigranten die hun eigen cultuur en godsdienst meenemen en de schaarse woningen innemen. Door de verschraling van het politieke landschap en van de politieke discussie tussen burgers worden de verkiezingen een populariteitspoll. Kiezers binden zich nu meer emotioneel aan een lijsttrekker dan op basis van een gedeelde levensovertuiging of politiek programma.

De persoonlijke binding met leiders als Trump is niet gebaseerd op feiten of politieke overtuigingen, en het is van weinig belang of hij de waarheid spreekt en of hij zich al of niet aan de feiten houdt. Wat hij goed vindt is goed. Als een politicus met wél een specifiek programma, zoals de klimaattransitie, het vliegtuig neemt dan is de beer los, want hij is niet consequent in zijn boodschap en gedrag. Trump is altijd consequent want hij is zelf de maat.

 

Leiderschap

Populisten hebben een voorliefde voor leiderschap die de ‘wil van het volk’ weet te vertolken. Links heeft altijd een wat ambivalente houding gehad ten opzichte van leiderschap. Ten onrechte, want politiek is niet alleen besturen maar ook verbeelden. Het verbeelden omvat het op aansprekende wijze verwoorden van de politieke overtuiging en de richting van het handelen. Voor de politieke ‘volgelingen’ gaat het niet om het ‘blind’ volgen of ‘nabootsen’ van de leider, maar om een navolging. Vertrouwen is ook een belangrijke grond voor navolging. De leider hoeft geen ideaalbeeld te vertolken, maar moet in zijn gedrag wel aan de normen van zijn eigen politieke overtuiging voldoen.

Claude Lefort heeft gesteld dat de zetel van de democratie ‘leeg’ moet zijn. Dat wil zeggen de gekozen premier of president dient na zijn termijn zijn zetel en macht weer op te geven. De populisten zien graag hun leider als vertegenwoordiger van het volk blijvend op die zetel, terwijl in een technocratie, waar ‘visie’ een vies woord is, de zetel feitelijk leeg blijft. Vraag is ook wat de afstand moet zijn tussen ‘volksvertegenwoordiging’ en het volk. Heeft het parlement een eigen verantwoordelijkheid of moeten via referenda de belangrijke besluiten genomen worden?

 

Is er nog ruimte voor liefde in de politiek?

In de laatste bijdragen wordt de vraag gesteld of “politieke theologie” nog mogelijk is, hetzij als onderdeel van het politieke gebeuren, bijv. in de vorm van een confessionele politieke partij, hetzij als individuele of gedeelde levensovertuiging en inspiratiebron, hetzij als object van verering en opoffering. Als we afzien van het ‘transcendente’ als goddelijke heilsgeschiedenis, wat is dan de rol van liefde, rechtvaardigheid, en vaderlandsliefde? Is juist niet liefde en zingeving hetgeen ons als mensen bindt, wat het ook de moeite waard maakt om tijd voor vrij te maken, en in het uiterste geval om je leven voor te geven?

Waar we gewend zijn aan de doden en gewonden in het gewone maatschappelijke leven, zoals het autoverkeer, zijn we steeds huiveriger geworden om in gewapende conflicten soldaten te laten sneuvelen. Politieke conflicten worden nu bij voorkeur uitgevochten met technische middelen, zoals economische sancties, afstandsbombardementen, drones, etc. Fukuyama maakt onderscheid tussen historische samenlevingen waar geweld een integraal onderdeel is van het leven, en posthistorische samenlevingen waar alleen economische strijd en conflicten voorkomen. Waar die beide samenlevingen elkaar ontmoeten – aan de rand van Europa – zullen de Westerse landen toch moeten accepteren dat conflicten met geweld, ook ten opzichte van personen, worden uitgevochten.

De democratie heeft een bredere politieke en culturele gemeenschap nodig. We kunnen niet van soldaten vragen hun leven te geven voor het ‘vaderland’ als dit alleen een supermarkt is waar iedereen individueel ‘shopt’ wat hij nodig heeft. Juist als er geen leven meer is na de dood, is er behoefte aan een zin en gemeenschap die misschien niet religieus maar wel cultureel bepaald is. 

 

Tot besluit

Het is mooi dat er af en toe een bundel artikelen in het Nederlands verschijnt die het niveau van het gemiddelde afscheidscolloquium overstijgt. Deze bundel biedt ingang tot de relevante literatuur in Duitse, Franse en Engelse taal. Helaas is de bundel wat moeilijk toegankelijk door het hermetisch taalgebruik van de meeste auteurs. Ook de redacteurs hebben geen gelukkige hand gehad in het aanbrengen van de driedeling in de bundel en de volgorde van de bijdragen.

Een overzicht van de inhoud met de titels en schrijvers van de verschillende bijdragen is te vinden op de website van de uitgever: https://www.damon.nl/book/einde-van-de-politiek   Zie het (digitale) inzage exemplaar.