Totalitarisme

Civis Mundi Digitaal #119

door Mathieu Wagemans

Bespreking van: Mattias Desmet, De psychologie van Totalitarisme, Pelckmans Uitgevers, Kalmpthout, 2022

ver de problemen die we zelf hebben veroorzaakt door ons neo-liberale en positivistische denkmodel is al veel nagedacht en geschreven. Denk aan vragen rond de eindigheid van de groei en problemen op het vlak van duurzaamheid. Denk aan de jachtigheid en de concurrentie die voortkomen uit economisch en dus rationeel handelen.

Mechanistisch materialisme

De omslag waar we voor staan is qua ingrijpendheid vergelijkbaar met de omslag als gevolg van de Verlichting, waardoor traditionele denkpatronen hun vanzelfsprekendheid verloren. In de filosofisch georiënteerde literatuur zijn daar tal van analyses over. Desmet benadert deze vraagstukken vanuit de psychologie. Hoe de Verlichting subjectiviteit terzijde schoof en koos voor objectieve zekerheid. Desmet en anderen noemen het een “mechanistisch materialisme”. De mens was in staat de werkelijkheid objectief te onderzoeken en zo tot zekere kennis te komen. We veronderstellen dat onze meetmethoden in staat stellen de werkelijkheid helder in beeld te brengen. Juist dat uitgangspunt wordt geproblematiseerd door het perspectief van de menselijke psyche als invalshoek te kiezen.

Hoe objectief zijn bijvoorbeeld onze meetmethoden? In gelijke zin komt de vraag aan de orde of we wel in staat zijn tot objectieve communicatie. Dat leidt tot een kritische beschouwing van bijvoorbeeld de digitalisering die alles buitensluit wat niet objectiveerbaar is. Ook de rol van de wetenschap komt uitgebreid aan de orde. Wetenschappelijke kennis maakte grote vooruitgang mogelijk op tal van terreinen maar had tegelijkertijd een prijs. De wereld moest worden aangepast aan de eisen die de nieuwe technologie stelde. De technologie nam de regie over.

Zo bouwden we een maatschappij op die is gebaseerd op gebrekkige aannames. We reduceren de werkelijkheid, opdat en zodat we die kunnen beheersen en manipuleren. Aan de hand van inzichten uit de psychologie en psychiatrie wordt geïllustreerd hoe onze wens tot systematisering, standaardisatie en beïnvloeding tot een gebrekkig en armoedig mensbeeld heeft geleid, niet zozeer als doel maar des te meer als feitelijke uitkomst.

Juist dergelijke processen staan in het boek centraal. Hoe we in de greep kunnen komen van processen die ingrijpende invloed hebben, waar we ons niet goed van bewust zijn. Dat maakt het boek betekenisvol, omdat de onderliggende processen van betekenisgeving aandacht krijgen en in het bijzonder de kaders die leidend zijn bij die betekenisgeving. We hebben ons denkmodel geïnstitutionaliseerd. We hebben structuren opgebouwd die verandering in de weg staan. De krachten van zelfbevestiging zijn sterk. Met als gevolg dat de systemen niet meer zelfcorrigerend zijn en geen correctie van buiten toelaten.

De Verlichting heeft ons blind gemaakt en zijn verlichtende werking verloren. We hebben onze successen kunnen behalen binnen een gereduceerd beeld van de  werkelijkheid. Maar we hebben onszelf zo afhankelijk gemaakt van dat gereduceerd beeld dat we geen oog hebben voor wat we hebben buitengesloten. Dat zijn processen die impliciet hun werking hebben en waar we ons dus niet of nauwelijks van bewust zijn.  Er zijn krachten werkzaam die ons verplichten het beeld overeind te houden. We blijven het schilderij alsmaar boetseren en denken daardoor het mooier te maken. Echter, het kost alsmaar meer verf en het beeld vertekent steeds meer.

Oplappen van dominante denkmodellenQua diepgang vergelijkbare vraagstukken vormen de basis voor dit boek over totalitarisme. Maar de benadering is betrekkelijk nieuw en hoogst relevant. Het boek volstaat niet met het wijzen op de gebrekkigheid van ons denken maar op de context waarin dat denkmodel kon ontstaan en specifiek op de krachten die deze modellen in stand houden. Vanuit het perspectief van de psychologie wordt ingegaan op de processen die aan ons handelen ten grondslag liggen. De nadruk ligt daarbij op het collectieve: hoe kunnen denkmodellen dominant worden en blijven? Waarom laten ze zich zo lastig corrigeren? De uitwerking van dergelijke gedachten is breed. Er wordt ingegaan op de consequenties ervan met betrekking tot politieke en beleidssystemen, maar evenzeer met betrekking tot het wetenschappelijk systeem. 

We proberen weliswaar ons wereldbeeld bij te stellen, maar dat lukt niet. We bestrijden symptomen van een wereldbeeld dat intrinsiek gebrekkig is. Die gebreken worden niet opgelost, maar we proberen in de praktijk van alledag door knip- en plakwerk de naden en barsten dicht te strijken en aan het oog te onttrekken. We blijven volharden in een benadering en een perspectief waardoor we het wereldbeeld alsmaar verder preciseren en vastzetten. We verengen het, terwijl juist aan de orde is dat we het verbreden.


Immeyerink.nl

 

Door verbreding en verdieping krijgen we oog voor wat thans niet in ons beeld van de werkelijkheid past. Dat is het meest manifest binnen het overheidsbeleid. We streven naar een ideale maatschappij. We gaan er daarbij van uit dat we tot perfectie in staat zijn, dat de wereld kenbaar en manipuleerbaar is. De voorbeelden liggen voor het grijpen. We zijn verzeild geraakt in een juridische context. Neem het belastingsysteem als voorbeeld. Steeds weer worden nieuwe vluchtroutes gevonden en nieuwe constructies bedacht om belastingheffing te ontwijken. En steeds weer spant de overheid zich in om vluchtwegen te blokkeren door nieuwe regels of door regels en definities aan te scherpen. 

Dwingende regelgeving

We zijn als het ware de gevangene geworden van ons eigen oplossend denken. De processen van rationalisatie en standaardisatie  zijn met ons op de loop gegaan. Het verraderlijke daarvan is dat we ons er niet van bewust zijn. We blijven volhardend voortgaan op een pad dat uiteindelijk geen perspectief biedt. En daarmee komen we bij het totalitarisme en de onderliggende processen.

Het regelsysteem dwingt zelf tot meer regels. Het stelt zichzelf niet ter discussie en kan dat ook niet doen omdat het dan in strijd handelt met de eigen regels. Het hoeft dat ook niet te doen omdat de dominantie ervan is voorondersteld. Ik moest bij lezing denken aan een ervaring in de militaire diensttijd, waar een bekend gezegde was dat de krijgstucht was gebaseerd op twee artikelen. Volgens artikel 1 had de sergeant altijd gelijk en volgens artikel 2 trad automatisch artikel 1 in werking als de sergeant geen gelijk had.

We moeten ons wereldbeeld dat rationeel en instrumenteel is kritisch onderzoeken. Het boek helpt daarbij, onder meer door een prettige leesstijl en vooral door de vele verwijzingen naar praktijken en ervaringen die herkenbaar worden neergezet. Juist die herkenbaarheid maakt het lastig om de ernst en de noodzaak van veranderingen te relativeren of zelfs te ontkennen.

Gezamenlijkheid

Om tot verandering te komen hebben we inzicht nodig in processen van massavorming. Die processen vormen een centraal thema in het boek. Desmet noemt vier condities voor massavorming. 1. De eerste conditie is de behoefte aan sociale relaties. Massavorming om daarmee eenzaamheid te doorbeken.

2. De tweede conditie heeft te maken met de wens een zinvol leven te leiden. We krijgen betekenis in relatie met de ander.

3. De derde conditie is gerelateerd aan angst. De behoefte angst te delen.

4. De vierde conditie heeft te maken met de onbestemdheid van de angst. Het gaat dan om een algemeen gevoel van onbehagen dat zich niet goed laat omschrijven. Er is behoefte aan een object waardoor de onbestemde angst concreet, zichtbaar en tastbaar wordt. Het object maakt het mogelijk zich tegen de voorheen onbestemde angst te verzetten. Zo kan een algemeen gevoeld gebrek aan vertrouwen in de overheid tot een gebundelde actie leiden tegen een door de overheid veroorzaakt probleem. Dat probleem vormt dan een kristallisatiepunt voor het ongenoegen dat veel breder is dan kritiek op een onjuist overheidsbesluit.   

De vierde conditie hangt daarmee samen. Die heeft ermee te maken dat de angst zich hecht aan objecten. Het onbestemde onbehagen heeft objecten nodig en zoekt een bestemming. Dan wordt de angst tastbaar en kan de energie van het onbehagen zich richten en concrete vorm aannemen. De angst krijgt een drager. De vrij vlottende angst krijgt een gezicht en wordt benoembaar. Er ontstaat gezamenlijkheid, ook als is het vooral een gezamenlijkheid op het vlak van onvrede en onbestemdheid. En dat leidt vervolgens tot onzekerheid bij de overheid. Er ontstaat angst omdat men wellicht de grip op de samenleving gaat verliezen. Ook al kan de onvrede niet worden opgelost, men kan wel proberen die te ordenen en aansluitend proberen die te beheersen. Maar dat helpt niet. Integendeel, het risico bestaat dat men de onvrede nog versterkt.

Coronacrisis

De aandacht richten op processen van massavorming is hoogst actueel. Ervaringen rond de coronacrisis geven volop stof tot nadenken en thematiseren. Die ervaringen kunnen gemakkelijk van etiketten worden voorzien die diepgang missen. Desmet graaft dieper en benoemt niet enkel processen, maar betrekt in zijn analyses ook de krachten die daarbij een rol spelen. Hoe processen van massavorming hun gang gaan, zonder dat we ons er zelf van bewust zijn. Dat is het verraderlijke van totalitarisme. Dan is sprake van processen die ongezien werking hebben. De dynamiek hiervan is benoemd door Hannah Arendt naar wie Desmet uitvoerig verwijst. Hoe het banale en schandelijke zich aan ons oog onttrekt, omdat de processen van planning en sturing legitimatie bieden. We voeren slechts opdrachten uit. Dus hoe kan ons iets worden verweten? Het geweten moet wijken voor het rationeel uitvoeren van taken.

Het is een krachtig perspectief wanneer we ons verdiepen in het functioneren van overheden. Hoe we al decennia bezig zijn met bestuurlijke en politieke vernieuwing, tal van experimenten uitvoeren, maar weinig voortgang boeken. Dat lijkt voor een belangrijk deel te kunnen worden verklaard door het feit dat de uitgangspunten en  veronderstellingen die de basis vormen voor onze plannings- en beleidsmodellen, niet ter discussie worden gesteld. We stellen ons daardoor tevreden met oppervlakkige veranderingen die de onderliggende problemen laten voortbestaan. Het is geen onwil,  maar het ontbreekt ons aan een voldoende scherpe blik. We komen daardoor niet toe aan een kritisch doordenken van ons op ratio gebouwd systeem. De keuze tussen ratio en het irrationele komt niet aan de orde omdat het rationele vanzelfsprekend is en het irrationele overklast.

Complottheorieën

De coronacrisis blijkt ook een vruchtbare bodem voor het ontstaan van complottheorieën. Het boek bevat een interessante verhandeling hierover. Desmet noemt drie kenmerken van een complottheorie, namelijk:

1.      Er is een bewust intentioneel en planmatig streven,

2.      Dat streven moet een verborgen, geheim streven zijn en

3.      Het streven moet gericht zijn op het toebrengen van schade.

Kijken we vanuit dit perspectief naar de coronacrisis, dan is echter terughoudendheid nodig om afwijkende visies al te makkelijk van het predicaat “complottheorie” te voorzien. Dat geldt zowel met betrekking tot het gevoerde beleid als met betrekking tot de kritiek op dit beleid. Zijn beleidsmakers bewust bezig de maatschappij te ontwrichten? Ligt er een geheime overtuiging aan hun handelen ten grondslag? Is er sprake van bewuste en weloverwogen samenspanning om de maatschappij aan zich te onderwerpen? Dat lijkt erg onwaarschijnlijk. Het is eerder zo dat men in volle overtuiging handelt om de crisis te beheersen en ongedaan te maken. Bij de aanvang van de coronacrisis was het premier Rutte die als probleem aangaf, dat er beslissingen moesten worden genomen zonder dat een valide kennisbasis aanwezig was. Maar ook met betrekking tot tegenstanders van het gevoerde beleid is terughoudendheid nodig om ze als complotdenkers te definiëren. Er kan sprake zijn van een diep doorleefde overtuiging dat de getroffen maatregelen niet nodig zijn en op zijn minst disproportioneel. Dan is het niet correct opvattingen als elementen van een complot te duiden. Er is dan immers geen sprake van een geheime gerichtheid op het toebrengen van schade.

Waarheidsbegrip

Die opvatting van een complottheorie kan vanuit een waarheidsperspectief aanleiding geven tot bijstelling. Complottheorieën roepen vaak een beeld op van redeneringen die onwaar zijn. Ze zijn verzonnen en doen geen recht aan de werkelijkheid. Maar wat verstaan we onder waarheid? Kan een complottheorie ook niet door aanhangers worden beschouwd als “waar”? Kunnen we het ook zo zien, dat een theorie, hoe onwaarschijnlijk ook, door aanhangers kan worden beladen met zoveel waarheid dat ze als “waar” wordt beschouwd? Moeten we het waarheidsbegrip niet koppelen aan betekenisgeving?

Een redenering of een beeld is dan meer waar dan een andere redenering of beeld naarmate ze door meer mensen met meer waarheid wordt betekend. En, nog een stap verder, kunnen we politieke debatten niet opvatten als een strijd om betekenis geving? Hoe kunnen we een eigen standpunt met waarheid betekenis geven en tegelijkertijd andere waarheden onderuit proberen te halen? Het duiden van een theorie als een complottheorie zou dan ook  slechts een kwestie van betekenis geving zijn. Het betekenis geven van een opvatting als een complottheorie ontslaat je van de noodzaak kritiek te onderbouwen. De term zelf houdt reeds de veroordeling in. Het zijn dergelijke gezichtspunten die zich heel goed laten begrijpen door de ingang van de psychologie te kiezen.  Dat geeft diepgang aan (sub)disciplines als bestuurskunde en politicologie.

Manipulatie

Vanuit een dergelijk perspectief ontstaat ook een ander beeld van de politieke praktijk. Een veelkleurige werkelijkheid moet in een strak kader worden geperst. Er moet stem worden gegeven aan belevingen en ervaringen van burgers binnen een gereduceerd en dus reducerend betekeniskader. Lastig is ook dat er sprake is van sterke tegenstellingen. Als gevolg daarvan conflicteren ook de probleemopvattingen en noodzakelijke en gewenste maatregelen. Die verschillen vragen diepgaande analyses, waartoe het politieke discours en de politieke praktijken nauwelijks ruimte bieden. De verschillen zijn ideologisch van aard maar worden in een context van praktisch handelen benaderd. Dat leidt tot oppervlakkigheid. Ideologie is “uit”.

Consequentie is dat het politieke handelen vooral symbolisch is geworden. Dat stelt politici in een lastige positie. Het vraagt een permanent laveren tussen een enerzijds formeel geldend betekeniskader en anderzijds ervaringen en opvattingen van burgers die niet of slechts gebrekkig een betekenis kan worden gegeven  binnen het formele discours. Die spanning wordt “opgelost” doordat we ons vaardig tonen in het manipuleren de werkelijkheid. We geven die een zodanige betekenis dat er een logisch verband ontstaat tussen problemen en oplossingen. Maar die logica dient niet meer. Voor verandering is nodig dat we onderkennen en erkennen dat ons redeneren niet tot oplossingen leidt die stand houden.  

Onvrede

Desmet signaleert dat er sprake kan zijn van een dieper gelegen algemene onvrede over de overheid, een fundamenteel gebrek aan vertrouwen. Dan kan een crisis zoals de coronacrisis een voertuig worden om een veel breder en dieper levende onvrede tot uitdrukking te brengen. De coronacrisis wordt dan een object, waar een algemeen levende onvrede zich aan kan hechten. Die onvrede zoekt een uitweg, heeft behoefte aan uiting.

Op dit punt is een verwijzing naar Michel Serres interessant. Die stelt dat datgene wat mensen betekenisvol vinden, maar waar een systeem, in dit geval het overheidssysteem, niet ontvankelijk voor is, andere wegen zoekt. Het buitengeslotene toont zich niet passief, maar heeft werking. Het laat zich niet weg definiëren. Dat brengt de uitdaging met zich mee uitingen van onvrede op hun wezen te onderzoeken. Waar is die onvrede op terug te voeren? Is een protestdemonstratie een ware uitdrukking van de door de deelnemers beleefde onvrede of is er sprake van een diepere laag? Met daaraan gekoppeld de noodzaak alert te zijn bij pogingen de angel uit het protest te halen. Interventies kunnen, ook wanneer ze voortkomen uit waarachtige pogingen tegemoet te komen aan geuite bezwaren, het doel missen en mogelijk zelfs de onvrede vergroten.

Maar dat buitengeslotene lat zich niet opzij drukken. Het heeft werking en toont telkens weer en op allerlei manieren dat het bestaat. Het eist zijn bestaansrecht op.

Ik moest denken aan het beeld van Deleuze die de samenleving ziet als een gas. We kunnen de gaten in onze instituties proberen te dichten en het beleidssysteem sluitend maken, maar dat lukt niet. Het buitengeslotene zoekt en vindt telkens openingen. Onze instituties blijven lek. We kunnen de protesten tegen het coronabeleid opvatten als meer dan een kritiek op het gevoerde beleid. De onvrede verbergt een breder en dieper ongenoegen. Vergelijk de protestbeweging van de gele hesjes in Frankrijk. Het zijn uitingen van een gebrek aan vertrouwen in het overheidsbeleid en in de overheid zelf.

Afrondend

Het is een boek dat gedachten genereert. Het is ook een onthutsend boek. Dat onthutsende zit erin, dat we onder ogen zien wat we altijd wel wisten, maar wat niet tot ons doordrong.

De noodzakelijke verandering houdt in wezen in dat we ons bewust worden van de automatismen in ons denken. Het boek is een uitnodiging onze vanzelfsprekendheden te onderzoeken en dat we onze veronderstelde zekerheden ontmaskeren als schijnzekerheden. De consequenties ervan zijn ingrijpend, vergelijkbaar zoals eerde gesteld, met de Verlichting.

Desmet presenteert een perspectief dat op wezenlijke punten verdiepend is en ons aan het denken zet. Die verdieping levert nog niet de oplossing maar demonstreert overtuigend dat we te eenvoudig denken en ons vastklampen aan vanzelfsprekendheden, die we liever in stand houden dan kritisch bevragen. De pilaren van de bouwwerken die we hebben geconstrueerd blijken soms rietstengels te zijn, zij het dat ze star zijn en niet kunnen meebewegen met wat maatschappelijk aan de orde is.

Het boek presenteert geen oplossingen. Dat zou ook niet passen binnen de aard van de analyse. De noodzakelijke verandering kan niet worden gerealiseerd door simpelweg een mix van instrumenten te kiezen om een vooraf bepaald einddoel te realiseren. Juist dat instrumentele denken en handelen wordt in het boek neergesabeld. De veranderingsopgaven zijn ingewikkelder. Anders gezegd, onze denkmodellen zijn te eenvoudig. Maar we kunnen wel vragen formuleren die ons op weg kunnen helpen naar de toekomst. Bijvoorbeeld de vraag wat de contouren zijn van het nieuwe tijdperk. Wat moeten we ons voorstellen bij nieuwe en zelfcorrigerende instituties van gemeenschappelijkheid? We hebben daar de begrippen niet eens voor. Er is een noodzaak voor een nieuwe logica en een nieuw bewustzijn.