Deel 2: Apocalyptische denkers

Civis Mundi Digitaal #140

  

https://liberaalchristendom.wordpress.com/wordt-het-nog-wat-met-het-koninkrijk/ https://kunstvensters.com/2021/03/14/wie-zijn-de-ruiters-van-de-apocalyps/

De vier ruiters van de Apocalyps die dood en verderf zaaien.

Eerst de veroveraar, de antichrist, dan oorlog, honger en dood

Uiteindelijk overwint het goede na het laatste oordeel aan het eind der tijden

 

Dit artikel van Evi Zacharia, buitenpromovendus Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen aan de Radboud Universiteit, gaat over “de rol van het kwaad in de verhouding tussen mens en god (of het goddelijke)”. De Antichrist en de apocalyptische bronnen daaromtrent lijken een symbool en narratief te bieden, waarmee denkers in roerige kenterende tijden hun uiteenlopende christelijke en anti-christelijke of anti-modernistische visies op het kwaad kunnen verbinden en associëren.

Sinds het christendom “werd het Kwaad geïdentificeerd met de Duivel (Satan) en vervolgens door de christelijke doctrine gepersonifieerd als de Antichrist”. Daarover schreven drie apocalyptische Russische denkers: Konstantin Leontjev (1831-1891), Vladimir Solovjov (1853-1900) en Vasili Rozanov (1856-1919). “Hun laatste werk... ging in alle drie de gevallen over de Antichrist.” (p9)

 

  

 

Konstantin Leontjev over de Antichrist

Konstantin Leontjev was een ultraconservatief politiek filosoof die streed tegen Europeïsering en liberalisme. Zijn werk is uitgesproken controversieel... Hij kwam hij uit bij een “aziatisch” despotisme, terwijl hij in twee romans impliciet homofobie bekritiseerde en daarmee juist een voor die tijd progressief standpunt innam. Op latere leeftijd nam hij een wending naar het monnikendom, toen hij “met heel zijn hart in Christus geloofde”. Hij schreef toen het artikel Bij het graf van Pazoechin in het tijdschrift Burger [Grazjdanin] (1891) over een hervormer. In dit artikel zoekt hij de redding van de mensheid in een niet-Europese natie. Hij laat in het midden of dat Rusland zou zijn. 

Hij verwijst naar de komst van de Antichrist en volgt daarbij eerdere auteurs en bijbelse bronnen. “De Antichrist zal komen wanneer... het keizerlijke gezag ophoudt te bestaan en ongeloof in de wereld zal heersen.“ Hij is een voorstander van een hiërarchische, aristocratische maatschappij en tegen “de anarchistische en goddeloze toestand van gelijkheid, die aan de komst van de Antichrist voorafgaat... Onder het gezag van een monarch zouden de mensen in Rusland in toom gehouden kunnen worden en ‘met minder vrijheid, met minder impulsen in de richting van gelijkheid’ zullen ze werkelijke waardigheid verwerven.” (p10)

Hij voorspelt de komst van de Antichrist onder de volgende omstandigheden: “Zonder strikte en goed verankerde restricties, zonder een nieuwe en stevige stratificatie van de samenleving, zonder alle mogelijke onophoudelijke en volhardende pogingen om onze door elkaar geschudde klassenindeling te herstichten, zal onze Russische samenleving, die in haar gebruiken al meer dan egalitair genoeg is, onbesuisder dan enige andere samenleving de weg van de universele vermenging afleggen [...in een] staat, die eerst klassenloos en daarna kerkeloos of met enkel een zwakke kerk zal zijn.” Zo’n staat en maatschappij zal de Antichrist voortbrengen. (p10)

In deze profetie van Leontjev is Rusland niet de door God gezegende drager van het goddelijke plan maar de vernietiger ervan. Dit strookt niet met de missie van de Russische natie en zou misschien catastrofaal kunnen uitpakken voor de hele wereld. Leontjev geeft wat dit betreft geen expliciet antwoord.

Leontjev is wel expliciet over een zwakte van het christendom: het streven om in de samenleving gelijkheid te bewerkstelligen kan in zijn ogen tot veel vrijheden leiden en daarmee tot onverschilligheid en chaos, de beste voorbereiding voor een heerschappij van ‘het kwaad’. “Wanneer er ongelijkheid is en dus beperkte rechten, dan kan ‘het goede’ richting geven aan de wereld. Uiteindelijk zal volgens Leontjev, de religieuze strijd tussen goed en kwaad... afhangen van de mate van steun van de maatschappelijke klassen voor hun vorst.” (p10)

 

 

Korte vertelling van de Antichrist’ (1900) 

Vladimir Solovjovs (1853-1900) Korte vertelling van de antichrist is een onderdeel van zijn eerder genoemde Drie gesprekken  (1900). Het betreft een gesprek tussen een generaal, een politicus, een prins, een dame en een heer ‘Mr. Z’ over oorlog, vooruitgang en het einde van de geschiedenis. De Generaal staat voor het traditionele tsaristische regime, de Prins lijkt op Tolstoj en vertegenwoordigt het moralisme van zijn tijd, de Politicus vertegenwoordigt moderne culturele standpunten, en Mr. Z poogt als een profeet zijn gesprekspartners de waarheid over het kwaad duidelijk te maken. De Dame, die aandachtig luistert en vragen stelt, is in zeker opzicht het spiegelbeeld van Sophia, de geïncarneerde Goddelijke Wijsheid, maar ook de figuur van Eeuwige Vrouwelijkheid. 

De deelnemers bespreken drie thema’s: 1. de morele grondslag van slechte handelingen; 2. de wijze waarop beschaving en cultuur het kwade overwinnen; en 3. het aanvaarden (of niet) van het bestaan en de kracht van het kwaad in de wereld.  

De Antichrist zal verschijnen: in de vorm van een soort ‘superman’ die alleen van zichzelf houdt. “Deze man ziet het als zijn roeping om ‘de weldoener te zijn van deze ten dele verbeterde, ten dele ook onverbeterlijke mensheid’. Hij zal de Antichrist worden op het moment dat hij de Duivel ontmoet, die hem bovenmenselijke intelligentie en kracht gegeven heeft. Hij zal... de wereld regeren, terwijl hij tegelijkertijd het imago van filantroop, asceet en ‘weldoener van de mensheid’ hoog zal houden... Hij zal grootsheid willen voor zichzelf in plaats van voor God. Hij zal op de troon van de wereld zitten als een vrome weldoener.” Hij is echter een ‘valse profeet’. (zoals in Openbaringen 19:20, p 12)

Wanneer Solovjovs Antichrist zal regeren, is het christendom in verval. In Solovjovs narratief vindt de eenheid van de christelijke kerk niet plaats voor de komst van de Antichrist, maar erna. Het Kwaad, gepersonifieerd als de Antichrist, heeft een functie: eenheid kan volgens Solovjov zonder het Kwaad niet bereikt worden, dat vrede herstelt in de wereld en niet dient om deze te gronde te richten. “Het lijkt erop dat voor hem de eenheid van de christelijke stromingen (katholiek, orthodox, protestants) de voorwaarde is voor het ontmaskeren van de Antichrist... Voor Solovjov is de Antichrist iemand die het goede voor de mensen wil, ook al blijkt dat uiteindelijk nep te zijn.” (p12) Solovjov volgt eerdere christelijke geschriften, die hier te ver voeren, maar geeft daar ook een eigen bovengenoemde wending aan.

 

   

 

Rozanov: apocalyps van onze tijd 

Vasili Rozanov (1865-1919) begint zijn visie op de Apocalyps met een kritiek op boven besproken tekst van Solovjov waarin de ‘Antichrist’ Christus imiteert en het onderscheid niet helder is.  Rozanov presenteerde zelf de Antichrist in 1918 op basis van de ‘ontoereikendheid’ van Jezus Christus. Zijn tekst is verdeeld in tien artikelen met heidense verwijzingen, zoals de zon als kosmologisch principe, horoscopen, het hiernamaals volgens de oude Egyptische cultuur. 

De politieke en spirituele ineenstorting van Rusland is volgens hem de schuld van de Russische autocratie, de Russisch Orthodoxe Kerk, de atheïsten en de Russische literatuur. Vanaf het vierde artikel begint Rozanovs twijfel aan Christus. “Hij spreekt over Apocalyps als een ‘kosmogonisch manifest’’ waarin de ‘goddelijke rechtvaardiging’ tot uitdrukking komt. Deze kosmogonie heeft niet alleen betrekking op het leven op aarde, maar ook op... na de verrijzenis, wanneer de zintuigen weer levend zijn op een lichamelijke, vleselijke manier. Het Evangelie als tekst en de boodschap die erin besloten ligt, zijn voor Rozanov hoogst problematisch.” (p13) Wat betreft het kwaad “kan Christus er alleen inmee gaan en het liefhebben”. Hij aanvaardde “een beschamende executie om de mensheid te redden ten koste van zijn eigen leven, en concludeert dat ‘Christus in feite het menselijk bestaan ondragelijk zwaar gemaakt heeft’. Deze verwarring is uiteindelijk de enige voorwaarde voor de komst van de Antichrist.” 

 

Conclusie 

Leontjev, Solovjov en Rozanov baseren zich op verwijzingen in de bijbel en bij de kerkvaders, maar voegen het hunne toe aan de apocalyptische figuur van de Antichrist. Leontjev ziet de inadequate verhouding tussen de monarch en de sociale klassen als omstandigheden die voorafgaan aan de komst van de Antichrist. In Solovjovs benadering maakt de Antichrist, op paradoxale wijze, de hereniging van het christendom mogelijk door de verdeeldheid ervan te vernietigen. In contrast met Leontjev en Solovjov ziet Rozanov de Antichrist op een atheïstische manier als dat wat Christus juist niet was. 

Hoewel ook in onze tijd apocalyptische visies naar voren komen (zie CM 135 en 137) doet de thematiek van bovengenoemde Russische denkers oerchristelijk en bijna middeleeuws aan. Vooral bij Leontjev, die een middeleeuwse hiërarchische maatschappij als ideaal schetst waarin de klad is gekomen voorafgaand aan de komst van de Antichrist. De Antichrist biedt een religieuze voorstelling waaraan ze kunnen ophangen wat ze onwenselijk of slecht vinden, hetgeen varieert bij de verschillende denkers.

Bij Solovjov lijkt de Antichrist zo slecht nog niet, maar een uitdagende fase op weg naar zijn wensdroom van een verenigde christenheid. Rozanov ziet evenals Nietzsche, maar toch ook anders, de zwakheden van het christendom, het evangelie en ook van Christus, die het kwaad niet hebben weerstaan, maar de komst van de Antichrist en het antichristelijke hebben mogelijk gemaakt.

Het apocalyptische denken roept soms associaties op met het irrationele complotdenken, dat ook een duiding poogt te geven van onwenselijke ontwikkelingen die als kwaad worden gezien in de vorm van gepersonifieerde voorstellingen van niet één Antichrist maar een elitair gezelschap  van kwaadwillende lieden die erop uit zouden zijn op de wereld naar hun hand te zetten. Een simplistische voorstelling om complexe ontwikkelingen meer begrijpelijk voor te stellen en anderen ervoor verantwoordelijk voor te stellen of de schuld te kunnen geven. (zie vorig nummer).