Deel 3. Russische religieuze filosofie in ballingschap: broedertwist en generatieconflict

Civis Mundi Digitaal #140

  

Sergej Boelgakov, George Florovski en Vladimir Losski

Russische filosofie Deel 3 Russische religieuze filosofie in ballingschap: broedertwist en generatieconflict 

Na de Oktoberrevolutie in 1917 emigreerden vele Russische filosofen, die probeerden in Europa hun vak voort te zetten in steden als Praag, Berlijn en Parijs, dat het nieuwe centrum werd van de Russische religieuze filosofie in ballingschap. Al snel viel het gezelschap uiteen in verschillende stromingen. Onder meer de ‘Sophia-controverse’ over leer van Sophia – de Wijsheid van God, zaaide verdeeldheid in specialistische theologische disputen, die door Josephien van Kessel worden weergegeven. Volgens haar “is Sophiacontroverse eerder het gevolg van een generatieconflict en de noodzaak tot versterking van de eigen orthodoxe identiteit in de diaspora, dan van intrinsiek filosofische of -theologische meningsverschillen”. De ‘sophiologie’ - de leer van de goddelijke wijsheid - sluit namelijk aan bij de theologische traditie. Van Kessel studeerde filosofie en Russische taal en literatuur aan de Universiteit van Amsterdam en promoveerde in de Russische religieuze filosofie van Sergej Boelgakov. 

 

 

 

Boelgakov en de ‘Broederschap van de Heilige Sophia’

Boelgakov richtte samen met anderen de ‘Broederschap van de Heilige Sophia’ op, een divers gezelschap, inclusief leden die niet sympathiseerden met de sophiologie en Boelgakovs project. Boelgakov hoorde tot de eerste generatie van Russische theologen in ballingschap en werd decaan en professor dogmatische theologie van het Orthodox Theologisch Instituut St. Serge in Parijs. Boelgakov beoogde met zijn sophiologie de integratie van sociologische, filosofische en theologische kennis over Sophia, de Wijsheid van God. Sophia heeft te maken met de relatie tussen Vader, Zoon en Heilige Geest, en met de fundering van de relatie tussen de Goddelijke en de gecreëerde wereld. Boelgakov ziet “de verlossing als transfiguratie van de wereld door binnen-wereldse menselijke ascese en door ‘sofianisering’ van de wereld. Zijn sophiologie is niet pantheïstisch maar ‘pan-en-theïstisch’ en onderkent de ‘al-eenheid’ of de ultieme eenheid van de Goddelijke en menselijke wereld en de verbindende kracht van Sophia. Verder benadrukt Boelgakov de centrale rol van de kerk.” (p16)

 

   

 

George Florovski en Vladimir Losski 

Zowel Florovski als Losski behoren tot de tweede generatie van theologen in ballingschap die in Rusland geboren zijn tussen 1890 en 1910. Florovski was ongeveer 27 en Losski 19 jaar toen zij met hun families emigreerden naar het Westen. Losski maakte zijn studie in middeleeuwse filosofie af in Praag en schreef zijn dissertatie over Meister Eckhart aan de Sorbonne in Parijs. In 1925 werd Florovski professor Patristiek aan het St. Serge Orthodox Theologisch Instituut te. In 1949 werd hij decaan van het St. Vladimir’s Orthodox Theologisch Instituut in New York. 

Losski was lid van een andere broederschap (van St. Photius) dan de Broederschap van St. Sophia, dat het Franstalige St. Denis Orthodox Instituut oprichtte met Losski als de eerste decaan en als professor dogmatische theologie en kerkgeschiedenis. De politieke tegenstelling tussen de twee broederschappen is hierbij van belang. De Broederschap van St. Sophia stond zeer kritisch tegenover de Sovjetstaat in tegenstelling tot het andere broederschap van St. Photius. 

 

Sint Photius, aartsbisschop (metropoliet) van Kiev begin 15e eeuw, hoofd van de Russisch orthodoxe Kerk

 

Boelgakov was bovendien meer oecumenisch gericht op intercommunie met andere kerken, terwijl Florovski en Losski tegen waren. “De Broederschap van St. Photius had een meer missionaire dan oecumenische agenda en wilde de westerse christenen redden door hen tot de orthodoxie te bekeren.” (p17) Volgens Florovski was sophiologie een panteïstische variant van het Duitse Idealisme. Hij bepleitte ‘terugkeer tot de Kerkvaders’ om de misvormingen van de orthodoxe theologie te bestrijden. Volgens Florovski had de sophiologie haar platoonse, gnostische en pantheïstische elementen, ontleend aan Solovjovs filosofie, en miste ze een christologische focus. De ideale wereld en de ideale mensheid, oftewel Sophia, bevonden zich op de grens tussen het geschapene en ongeschapene. Daardoor associeerde Boelgakov de ideale wereld te nauw met de Goddelijke essentie, net als het platonisme en het Duits Idealisme. Het onderscheid tussen de schepper en het geschapene vervaagde aldus. Bovendien leek Sophia op een zelfstandige vierde ‘Persoon’ hypostase naast de Drieëenheid.

 

  

Florovski sloot aan bij de patristieke traditie van de kerkvaders

 

Florovski werd echter ook aangespoord door Boelgakov om zich tot de Kerkvaders te wenden en werd ook beïnvloed en het Duitse idealisme. Florovski ontwikkelde zijn gedachten over vrijheid en de persoon in gesprek met zijn Russische en westerse tijdgenoten. De Sophia-controverse zou een “confrontatie met het modernisme” zijn geweest, maar ook een antwoord op het trauma van de Bolsjewistische Revolutie en de daarmee verbonden ervaring van ballingschap. Deze werd door de twee genoemde generaties en hun broederschappen anders beleefd. 

Ook Losski vindt dat bij Boelgakov juist speculatieve filosofie centraal staat, en niet Goddelijke openbaring. Ook hij verwierp het organicisme, determinisme, impersonalisme en rationalisme van de idealistische geschiedfilosofie. Sophiologie zou deterministisch zijn en de Goddelijke en menselijke vrijheid ondermijnen. Ook Losski verwijt Boelgakov het onderscheid tussen het geschapene en het ongeschapene te vervagen. Deskundigen vinden echter dat er ook overeenkomsten zijn tussen de disputerende filosofen en de invloed van de oudere Boelgakov op Florovski en Losski. Zoals vaker in filosofen- en theologenland worden controversen op de spits gedreven in haarkloverijen die voor een geïnteresseerde leek nauwelijks meer te volgen zijn.