Aarde en milieu

Civis Mundi Digitaal #140

door Jan de Boer

De Neanderthaler en wij: totaal onbegrip
De ontbossing in de wereld gaat gewoon door

De neanderthaler en wij: totaal onbegrip

Vanwege een liefde voor de prehistorie volgde ik met aandacht de laatste vondsten in Marokko, die aantonen dat homo sapiens veel eerder op het Afrikaanse continent is verschenen dan voorheen gedacht werd. Zo ook de laatste studies betreffende « de man van Tautavel ». Tautavel is een plattelandsgemeente in het noordoosten van het departement Pyrenées Orientales, met een grot waar Prof. Henry de Lumley in 1971 onder meer de resten van « de man van Tautavel », die daar 450.000 jaar geleden leefde, ontdekte. Een bezoek aan het zeer educatieve museum in Tautavel is meer dan de moeite waard. De man van Tautavel is een « homo heidelbergensis », een mensachtige die het vuur nog niet beheerste en in ieder geval in Europa, Afrika en misschien ook in Azië leefde. Hij is naar alle waarschijnlijkheid de voorvader van de neanderthalers in Europa en van de daar later uit Afrika verschenen homo sapiens. Ook over de neanderthalers verschijnen steeds meer uitermate interessante studies. Het blijkt onder meer dat wij Europeanen allemaal iets van de neanderthalers in onze genen hebben: het resultaat van een tijdlang samenleven in Europa. De oorzaak of oorzaken van het verdwijnen van de neanderthaler zijn nog steeds het onderwerp van heftige wetenschappelijke discussies.
In de negentiende en het begin van de twintigste eeuw werd gedacht dat de morfologie van menselijke beenderen ons in staat stelde volkeren te onderscheiden, rassen te zien, waarvan sommigen dichtbij apen stonden en anderen meer ontwikkeld waren. Na de Tweede Wereldoorlog met zijn verschrikkingen gebaseerd op deze classificatie van menselijke volkeren realiseerde men zich dat er op deze Aarde slechts één mens was. Door dit fundamentele trauma dacht men onbewust dat wij allemaal gelijk zijn, ook wat betreft vroegere volkeren, zoals de neanderthaler. Alle vormen van verschil werden ontkend en wij zagen ze op alle niveaus gelijk aan ons. Sinds eind jaren 1990 werd er met onderzoek van alles aangedaan om aan te tonen dat deze mensen dachten als wij. Er werd een soort keukenlijst opgesteld om te bepalen of de neanderthaler wel of niet een zogeheten symbolische gedachte kende. De belangrijkste elementen op deze lijst waren zonder twijfel de graven, de versierselen en de kunst, omdat deze onze conceptie van het zijn op deze wereld onthullen.
Alhoewel er flink over de graven en de begrafenissen van de neanderthalers gediscussieerd wordt, zijn er veel sterke argumenten op basis van de gevonden resten dat begraven neanderthalers beschermd werden. Dat betreft ook hun zorgen voor de zieken, voor tandeloze ouderen die gevoed werden met gekookt voedsel, die men hielp in leven te blijven als ze zelf niet meer konden jagen of anderszins niet meer in hun behoeften konden voorzien. Men zegt dus dat de zorg voor individuen door de neanderthaler puur menselijk is en hij dus heel dicht bij ons staat. Maar is dat werkelijk waar? Er is een onderzoek uit 2010 dat de gefilmde laatste momenten van het leven van de vrouwelijke chimpansee Pansy toont. Toen de leden van haar groep en haar dochter voelden dat zij ging sterven, aaiden ze haar: gedrag dat ze daarvoor nooit met haar hadden laten zien. Toen zij stierf, bleef haar dochter dicht bij haar: een ware doodswake. Als chimpansees zich bewust zijn van het verdriet van de dood en de wil hebben het dode lichaam te beschermen, betekent dat dat dit bewustzijn al bestond bij onze gemeenschappelijke voorouders, zeer vroegere mens-achtigen. Hoewel wij dit gedrag als fundamenteel menselijk beschouwen, onderscheidt het ons dus niet van hen. Het geval van graven en begrafenissen leert ons dus niets over iets wat eigen aan onszelf is en wat wij op de neanderthaler kunnen projecteren.
Hetzelfde speelt met betrekking tot versierselen. Het begon met veren na een ontdekking in de Italiaanse grot van Fumane. Men was duidelijk van oordeel dat de neanderthaler vogels gebruikte voor het verzamelen van slagpennen die tot versierselen gemaakt werden. Omdat men geen enkel ander gebruik van deze veren zag, zei men dat de neanderthalers deze gebruikten om hun lichaam te versieren en dat ze zo wat dat betreft heel wat dichter bij ons staan dan gedacht werd. Vervolgens vond men veel oudere veren, tot een kleine 420.000 jaar… De neanderthalers zouden dus zo’n kleine half miljoen jaren deze veren gezocht hebben om zich te versieren? Nee dus! Bij de eskimo’s werden en worden deze slagpennen gezocht omdat zij buitengewoon rijk zijn aan proteïnen. De veren « vallen » gemakkelijk, net als de klauwen van grote roofvogels, die prima werktuigen zijn voor het bewerken van leer. Met andere woorden: de prehistorici hebben zichzelf op een dwaalspoor gebracht door de neanderthaler af te schilderen als dicht bij de homo sapiens staand.
En dan is er ook nog een onderzoek uit 2018 over de grotschilderingen in Spanje, dat verklaart dat deze schilderingen ouder zijn dan 50.000 jaar, hetgeen zou betekenen dat alleen de neanderthalers hiervan de makers kunnen zijn. Een wetenschapper en specialist op het gebied van neanderthalers, Ludovic Slimak, verbonden aan het « Centre national de la recherche scientifique » van de universiteit van Toulouse, heeft samen met andere wetenschappers naar aanleiding van dit onderzoek in « Science » (2022) een studie gepubliceerd met als uitkomst dat alle dateringen van grotschilderingen geen hout snijden – de zouden ouder zijn. Natuurlijk moet ook de neanderthaler tradities en overdracht van kennis hebben gekend, maar als we de gigantische collectie stenen objecten die hij ons nagelaten heeft bestuderen, hebben we – en dat ben ik volledig met Slimak eens – de impressie dat de neanderthaler in dialectiek is met de materie, met de silex die hij bewerkt, dat hij speelt met zijn structuur, zijn kleur en zo zijn objecten vormt. Bij de « homo sapiens » ligt dat anders: ook hij produceert, maar dan genormeerd op de manier waarop hij de wereld tegemoet treedt. Bij de « homo sapiens », die volgens onderzoek van Slimak in de Mandrin-grot (departement Drôme) eerder dan gedacht in Frankrijk verschenen is – zo rond 55.000 jaar voor onze jaartelling, hij co-existeerde dus met de neanderthaler – zijn de gemeenschappen zodanig genormeerd en verstard dat er haast noodgedwongen iets uit moet losbreken. Dat ziet Slimak gebeuren in de explosie van kunst, van grotschilderingen, in de differentiatie. Dat zien we niet bij de neanderthaler: deze creativiteit manifesteert zich bij hem in zijn dagelijks leven en in zijn activiteiten. Hij heeft deze explosie van het ego niet nodig.
Om de neanderthaler te begrijpen moeten we ons losmaken van onszelf, alle morele waarden vergeten en afstand nemen van alles wat samenhangt met onze kijk op de wereld. Anders is het onmogelijk om andere samenlevingen te begrijpen, zeker als deze ver in het verleden liggen. Wanneer wij zeggen dat de neanderthaler eigenlijk net als ons was, geven we hem als het ware een compliment dat hem op ons niveau tilt. In werkelijkheid echter begrenzen wij hem dan tot wat of wie wij zijn. Het is nu echt tijd om de individuele fantastische ambachtskunst van de neanderthalers erbij te halen om eindelijk een begin te maken met het begrijpen wie zij waren, hoe zij zich aan hun wereld aanpasten, en wat hun uitsterven betekent. Het is zacht gezegd verwarrend om te zien dat deze volkeren, die in feite de grootste creativiteit en de grootste vrijheid hadden, verdwenen zijn, terwijl de volkeren die het meest genormeerd en het meest gestandaardiseerd waren, en dus ongetwijfeld ook het meest efficiënt – de « homo sapiens » – zich mede ten koste van hen hebben doen gelden.

 

Geschreven in november 2023 

 

De ontbossing in de wereld gaat gewoon door

Ondanks plechtige internationale beloften is in 2022 bijna 6,6 miljoen hectare bos verdwenen.
Sinds de 26ste mondiale conferentie over het klimaat (COP26) in 2021, in Glasgow, waar 145 landen beloofden een einde te maken aan de ontbossing, publiceert een uitgebreide coalitie van organisaties uit de burgerlijke samenleving ieder jaar een « Evaluatie van de verklaring voor de bossen ». Waar in 2022 dit document nog sprak van « bescheiden vooruitgang », bevestigt de evaluatie van 2023 deze bescheiden vooruitgang beslist niet. Integendeel, het trekt aan de alarmbel: de mondiale ontbossing is in 2022 met 4% toegenomen in verhouding tot 2021.
Bijna 6,6 miljoen hectare bos is verdwenen, waarvan 4,1 miljoen hectare tropische bossen: buitengewoon kostbaar voor het klimaat, de biodiversiteit en de regulering van verschillende cycli, zoals die van het water. De tropische regio van Latijns-Amerika en de Caraïben is in het bijzonder getroffen. In absolute zin zijn Brazilië, Indonesië, Bolivia en de Democratische Republiek Congo de landen waar de ontboste oppervlakte het grootst is. De voornaamste oorzaak in deze landen zijn landbouw en veeteelt: de veefokkerij, de productie van soja, die van palmolie…
« Het objectief voor 2030 is niet alleen een doel dat prettig is om te halen: een einde maken aan de ontbossing is essentieel om aanvaardbare levensvoorwaarden voor de mensheid in stand te houden, » aldus Erin Matson, coördinator van de evaluatie en consultant van « Climate Focus ». Zij vervolgde met: « Vandaag de dag zijn onze investeringen in schadelijke activiteiten in de bossen heel wat groter dan onze investeringen in sectoren die voor de bossen gunstig zijn. » Het bedrag van deze rampzalige uitgaven wordt geschat op rond de 500 miljard dollar per jaar, tegen 2,2 miljard dollar voor « groene » publieke uitgaven.
De impact van ontbossing op het klimaat is heel groot. In 2022 bereikten de aan dit fenomeen gelieerde uitstoten het equivalent van 4 miljard ton CO2, een cijfer dat 2% hoger is dan in de periode 2018-2020. Anders gezegd: als deze ontbossing een land zou zijn, zou dat na China en de Verenigde Staten de derde grootste uitstoter van CO2 zijn.
Ontbossing is bovendien schadelijk voor de capaciteit van bossen om CO2 op te slaan. (Ik laat hier buiten beschouwing dat de bomen in tropische wouden door de klimaatopwarming op het punt staan hun fotosynthese te verliezen.) Dankzij een nieuwe analysemethode van satellietbeelden heeft een internationale groep wetenschappers een kaart gerealiseerd die het laat zien waar ter wereld de bronnen en opvangputten van koolstof zich bevinden. Hun in « Nature Geoscience » gepubliceerde rapport laat zien dat de mondiale bossen in de loop van de laatste tien jaar gemiddeld 500 miljoen ton koolstof per jaar opvingen. Het rapport toont ook aan dat de noordelijke en in de gematigde klimaatzone gelegen bossen de belangrijkste bijdragers zijn geworden wat betreft deze koolstofputten, terwijl de uitgestrekte tropische bossen vrijwel geen CO2 meer opnemen.
« Deze resultaten zijn buitengewoon verontrustend, » aldus Jean-Pierre Wigneron, onderzoeker van het Nationale onderzoeksinstituut voor landbouw, voedselvoorziening en milieu, en één van de auteurs van dit rapport. « Er is potentieel een enorme opvang in de tropische zones, maar die werkt niet meer door ontbossing en de verslechtering van bossen. En de noordelijke bossen en die in de gematigde klimaatzone zijn een zeer beperkte koolstofput, die bovendien in gevaar verkeert. »
De herhaalde droogteperiodes in de loop van de laatste jaren, alsook de immense branden en andere effecten van de klimaatontregeling, brengen de capaciteit van deze ecosystemen om koolstof op te nemen fors omlaag.
Een andere wetenschappelijke studie, op 3 juli gepubliceerd in « Communications Earth and Environment », laat zien dat de koolstofputten van de Oost-Europese bossen een neergang vertonen door het gecombineerde effect van houtkap en klimaatontregeling.
De nieuwe evaluatie analyseert ook de consequenties van deze verslechtering van de bossen. « Ontbossing is een woord dat in de mode is, maar de verslechtering, waarover vrijwel nooit gesproken wordt, is ook buitengemeen belangrijk, » legt Erin Matson uit. « Verslechtering impliceert een verlies van koolstof, een verlies van de integriteit van ecosystemen en een verlies van bosbiodiversiteit in heel veel regio’s op deze planeet. » De laatste gegevens laten inderdaad zien dat het aantal soorten vogels, zoogdieren, reptielen en amfibieën in de boswoongebieden tussen 1970 en 2018 met 79% is afgenomen.
Lula mag dan onlangs trots verkondigd hebben dat de ontbossing van het Amazone-gebied een duidelijke kentering vertoont, maar de verslechtering van de bossen neemt mede door droogte (veroorzaakt door de klimaatopwarming) steeds grotere vormen aan. Bovendien verzwijgt hij dat nu – met zijn instemming – het zeer grote savannelandschap tussen het Amazone-oerwoud en de kust prooi is geworden van perfide landbouw- en veeteeltpraktijken.

 

Geschreven in november 2023