Reveil Oswald Spengler als extreemrechtse inspiratiebron

Civis Mundi Digitaal #52

door Wim Couwenberg

Met veel tamtam is de Nederlandse vertaling van het sinds lang zeer omstreden boek van Oswald Spengler, De ondergang van het Avondland, aangekondigd door de uitgever en in het tijdschrift Filosofie Magazine begroet als klassieker met een visionaire en dwingende kijk op de geschiedenis en onze eigen tijd.

Weinig filosofische werken uit de twintigste eeuw zijn zo omvangrijk (zo’n 1200 pagina’s), zo controversieel en zo invloedrijk: het boek kende direct na verschijning een onwaarschijnlijke populariteit. Nu deze moderne klassieker voor het eerst in het Nederlands vertaald is en bezig is aan een nieuwe opmars, aldus Filosofie Magazine, vinden grote hedendaagse denkers in Spengler een geestverwant. De Duitse denkgigant Peter Sloterdijk stelt de gedachten van Spengler centraal in zijn werk. En voor Denker des Vaderlands René ten Bos zijn diens ideeën ook een belangrijke inspiratiebron. Spenglers grote vraag is: kunnen wij ontkomen aan ons historische lot als westerse beschaving? Als de ondergang onafwendbaar is, waar moeten wij ons dan op richten?

 

Reactionair conservatisme

Uit deze en andere reacties op de Nederlandse vertaling van dit boek komt pijnlijk tot uiting hoezeer onze tijd ook in Nederland leidt tot reactionair conservatisme. Want deze lof en royale aandacht voor dit boek en diens auteur duiden daar onmiskenbaar op. Spengler was namelijk een uitgesproken exponent van de zogenaamde Conservatieve Revolutie, een groep extreemrechtse intellectuelen in het Duitse interbellum, waar ook Carl Schmitt toe gerekend wordt. Als zodanig zag hij de opkosmt van de moderne westerse beschaving zelfs als het begin van de ondergang van die beschaving, die hij rond het jaar 2000 verwachtte. Als initiatior van de moderniteit is de westerse beschaving niettemin uitgegroeid tot een type beschaving dat zich in onze tijd wereldwijd als nieuw algemeen menselijk patroon van beschaving presenteert. We hebben het tegenover dit reactionaire conservatisme in Civis Mundi nadrukkelijk opgenomen voor de moderniteit als nieuw beschavingstype. Gezien de weerklank die Spengler in onze tijd opnieuw geniet, is er alleszins reden daartegenover opnieuw stelling te nemen als protagonist van de moderniteit in liberale zin.

Dat de moderniteit in liberale zin althans in de westerse wereld de ideologische machtsstrijd gewonnen lijkt te hebben, is een opvallende uitkomst in het licht van alle daaraan voorafgaande doemscenario’s over haar toekomst, zoals ik die eerder al signaleerde[1]. Die uitkomst dankt zij in de eerste plaats aan haar principiële openheid voor kritiek en oppositie en het lef zichzelf daarbij ter discussie te durven stellen met in het voetspoor hiervan een bijzondere responscapaciteit. Relevant geachte antiliberale ideologie-, maatschappij- en cultuurkritiek heeft zij zodoende in haar zich ontwikkelende beschavingsconcept kunnen verwerken. De ontwikkeling van de sociale rechts/verzorgingsstaat als antwoord op socialistische maatschappijkritiek is daarvan een bekend voorbeeld evenals de ontwikkeling van nieuwe concepten als maatschappelijk verantwoord ondernemen, duurzame ontwikkeling en dergelijke.

Aan die openheid voor zelfkritiek is ook een reflexieve opvatting van moderniteit ontsproten. Daardoor is er meer oog en begrip gegroeid voor de complexe verwevenheid van positieve en negatieve kanten van moderniseringsprocessen en de onbedoelde en averechtse effecten ervan.

Hoogstens kan men spreken van het ten einde lopen van de westerse dominantie in de wereld. Dat gaat echter gepaard met de wereldwijde verspreiding van de moderniteit. Dat de dominerende Amerikaanse machtspositie steeds meer stuit op nieuwe uitdagers als Aziatische en andere grootmachten, in eerste instantie in economisch, maar op termijn ook in politiek opzicht, is in de optiek van het politieke realisme een normaal gebeuren. Naar het zich laat aanzien, tekent zich dan ook een nieuwe multipolaire machtsconstellatie af, waarin het oude beginsel van internationaal machtsevenwicht weer meer nadruk krijgt als waarborg van vrede en veiligheid in de wereld.[2] Maar dat past zeer wel in het vooruitgangsgeloof van de moderniteit als cyclische progressie, zoals die in Civis Mundi ontwikkeld is[3].

 

Teruggang Europa

Die teruggang in invloed springt nog meer in het oog in het Europese deel van het Westen, zoals nu georganiseerd in de EU. Dat heeft grote moeite zich aaneen te sluiten in een Europese federatie die een adequaat tegenwicht kan bieden tegen actuele economische en politieke machtsverschuivingen in de wereld. Dat noopt wel tot het lef het vertrouwde kader van de natiestaat in zekere mate te overstijgen. Het gaat daarbij niet, zoals hardnekkig beweerd, om een Europese superstaat waarin de natiestaten opgaan, maar om een federatie van nationale lidstaten gebaseerd op gedeelde soevereiniteit en een heldere bevoegdheidsverdeling; met andere woorden, een federaal verband waarin de natiestaat, bevrijd uit zijn te eng geworden nationale beklemming, een nieuw en verruimd ontwikkelingsperspectief geboden wordt. Na eens de bakermat geweest te zijn van de moderniteit met wereldwijde impact is die invloed nu sterk gekrompen. Niet langer, zo lijkt het, is de nodige vitaliteit en wilskracht voorhanden om in samenspel met Amerika leiding te blijven geven aan de globalisering van de moderniteit in liberale zin als meest ontwikkelde beschavingstype.

Heeft dat te maken met een zekere beschavingsmoeheid, samenhangend met groeiende vergrijzing van dit werelddeel en toenemende bevolkingskrimp, waardoor het meer naar binnen gekeerd raakt en niet langer geboeid is door nieuwe mondiale uitdagingen, met als resultante een herlevend staatsnationalisme – dus een hernieuwd accent op het primaat van de staatsnatie en van haar soevereiniteit en belangen – en in lijn hiermee het electorale succes van rechts-extreme anti-Europabewegingen? Dat laatste remt Europese integratie uiteraard zoveel mogelijk af. Financiële, energie-, klimaat- en andere crises van deze tijd nopen evenwel tot meer transnationale, i.c. Europese coördinatie van besluitvorming, dus tot beperking van nationale soevereiniteit.

Het meest valt die beschavingsmoeheid op in een land als Frankrijk, dat in Europa zoals gezegd voorop liep in het politieke moderniseringsproces en zo lang een toonaangevende rol heeft gespeeld. De laatste decennia is het echter in de greep geraakt van een diepe malaise en een verontrustende nationale identiteitscrisis.[4] Sinds de val van de Berlijnse Muur, met daaropvolgende Duitse hereniging en uitbreiding van de EU tot Oost-Europa, is er een einde gekomen aan de droom van een Frans Europa, met Frankrijk dus als leidende politieke macht. Het is een droom die sinds het einde van het presidentschap van Mitterand vervlogen lijkt. Wel is er onder de nieuwe Franse president Macron sprake van een zeker reveil.

 

Moderniteit ondanks afnemende westerse dominantie blijft richtingbepalend in het verdere geschiedverloop

Het einde van de westerse overheersing lijkt nakende zoals een Aziatische intellectueel in 2008 al aankondigde. De 21e eeuw wordt in zijn toekomstvisie de eeuw van Azië. In de loop van die eeuw zullen de drie grootste economieën ter wereld namelijk gelegen zijn in Azië, te weten China, India en Japan. Het wordt dus niet, zoals veel Amerikanen verwachten, een Amerikaanse eeuw.[5] Het bekende onderscheid van het Westen als centrum van de wereld en de niet-westerse wereld als periferie dat dateert uit de koloniale periode en ook nog uitgangspunt was van westerse ontwikkelingshulp als uitvloeisel van dekolonisatieprocessen, boet snel aan betekenis in.

Kan een wereld, waarin westerse dominantie afneemt en machtsverhoudingen steeds diffuser en beweeglijker worden, nog begrepen worden met de gangbare leer van de internationale betrekkingen die praktisch in alle opzichten een westerse achtergrond heeft, en tevens universele pretenties koestert? Het is een vraag die in deze tak van de politieke wetenschappen volop ter discussie staat met een reeks van nieuwe studies tot gevolg, waarin geprobeerd wordt die leer te ontdoen van haar historisch gegroeide westerse vooroordelen, en zodoende te dekoloniseren. In lijn hiermee is men op zoek naar nieuwe universele inzichten in die leer. Maar, zo wordt daarbij aangetekend, in die zoektocht zullen we ook meer oog moeten krijgen voor het specifieke, in het bijzonder het lokale aspect van de internationale politiek, dus voor de internationale betekenis van nationale, historische en culturele verschillen.[6]

Moderniteit en modernisering, zoals in de westerse wereld ontwikkeld, blijven in ieder geval richtingbepalend in het verdere verloop van de wereldgeschiedenis, waarvan de westerse geschiedenis, eens beschouwd als het centrum van de geschiedenis, nu een onderdeel wordt. Het sturen van die moderniteit in liberale richting blijft wel, ondanks afnemende invloed, niettemin als verantwoordelijkheid op de schouders van het Westen rusten.



[1] S.W. Couwenberg, Tijdsein. Civis Mundi Jaarboek 2011, p. 38 e.v.

[2] Zie o.a. J.J. Mearsheimer, The Tragedy of Power Politics, 2002

[3] S.W. Couwenberg, Heeft geschiedenis zin? Civis Mundi Jaarboek 2014, p. 7.

[4] Zie S.W. Couwenberg, Tijdsein. Civis Mundi jaarboek 2011, pp. 163-164.

[5] K. Mahbubani, De eeuw van Azië, 2008. Zie ook R.T. Segers, De onstuitbare opmars van Azië, 2013

[6] Zie P.P. Lizée, A Whole New World. Reinventing International Studies for the Post-Western World, 2011; en A. Gerrits, De wereld verandert en nu de bestudering van de wereld nog, Internationale Spectator, september 2013, waarin dit boek besproken wordt.