Racisme in de geschiedenis

Civis Mundi Digitaal #99

door Jan de Boer

De protestacties tegen racisme en discriminatie laten zien dat, hoe complex ook, dit vraagstuk noch in Amerika, noch in Europa eeuwig onder het vloerkleed geschoven kan worden. Een paar voorbeelden die bij het grote publiek waarschijnlijk niet bekend zijn.

Aan het einde van de burgeroorlog in Amerika (1865) beloofde de republikein Lincoln aan geëmancipeerde slaven dat zij na de overwinning « een muilezel en 40 acres grond » (ongeveer 16 hectare grond) zouden krijgen. Het achterliggende idee was om hen schadelooos te stellen voor tientallen jaren slechte behandeling en onbetaalde arbeid en hen zo in staat te stellen als vrije werkers een toekomst op te bouwen. Als dit uitgevoerd zou zijn, zou dit programma een herverdeling van landbouwgrond van grote omvang hebben betekend ten nadele van met name de grote slavenhoudende grondbezitters. Maar de oorlog was nog maar net afgelopen toen deze belofte « vergeten » werd. Er is nooit een compenserende tekst aangenomen en de 40 acres en de muilezel werden het symbool van bedrog en de hypocrisie van de «noordelijken ». De democraten namen de controle over het zuiden over en verplichten de rassenscheiding en discriminatie gedurende meer dan een eeuw tot in de jaren 1960. Daarna werd ook geen enkele compensatie gegeven.

Vreemd genoeg zijn mensen in andere historische periodes soms wel gecompenseerd. In 1988 nam het Congres een wet aan die 20.000 dollar toekende aan Japanse Amerikanen, die in de tweede wereldoorlog geïnterneerd werden als veronderstelde vijanden. Hiermee was een totaal bedrag van 1,6 miljard dollar gemoeid. Zo’n schadeloosstelling voor Afro-Amerikanen zou een sterke symbolische waarde hebben gehad.

In Engeland en Frankrijk ging de afschaffing van de slavernij gepaard met een schadeloosstelling van de eigenaren van slaven door de schatkist. Voor toonaangevende « liberale » intellectuelen als Tocqueville of Schoelcher was het geen vraag: als men deze eigenaren van hun destijds wettelijk verkregen eigendom (slaven) geen rechtvaardige compensatie zou geven, waar zou deze gevaarlijke escalatie dan in eindigen? En wat betreft de vroegere slaven…? Men moest hen leren met hun vrijheid om te gaan door hard te werken. Hun enige recht was de verplichting te zorgen voor een langdurig arbeidscontract met een eigenaar. Zo niet dan werden ze gearresteerd wegens landloperij. Andere vormen van dwangarbeid werden ook tot 1950 in de Franse koloniën toegepast.

Bij de afschaffing van de slavernij in het Britse koninkrijk in 1883 werd het equivalent van 5 procent van het nationaal inkomen (omgerekend nu ongeveer 120 miljard euro) overgemaakt aan 4000 slavenhoudende grootgrondbezitters met gemiddeld een schadevergoeding van 30 miljoen euro die de basis is van nu nog talrijke duidelijk zichtbare fortuinen

De econoom Thomas Piketty laat weten dat in 1848 de grootgrondbezitters voor hun slaven in La Réunion, Guadaloupe, Martinique en Guyane ook een compensatie kregen. Tijdens de debatten in de Franse volksvertegenwoording in 2001 over de erkenning van de slavernij als misdaad tegen de menselijkheid probeerde het uit Guadaloupe afkomstige parlementslid Christiane Taubira haar collega’s tevergeefs te overtuigen om een commissie in het leven te roepen belast met het nadenken over compensaties voor de afstammelingen van de slaven met name wat betreft toegang tot grond en eigendom die nu nog altijd geconcentreerd zijn bij nazaten van de planters.

Het voorbeeld van de meest extreme onrechtvaardigheid, beschreven door Thomas Piketty, betreft ongetwijfeld San-Domingo dat in de achtttiende eeuw het meest florissante Franse slaven-eiland was voordat daar in 1791 een opstand uitbrak en in 1804 door de voormalige slaven de onafhankelijkheid werd uitgeroepen waarbij het eiland de naam Haïti kreeg. In 1825 legde de Franse Staat het land een enorme schuld op (300 procent van het toentertijd Haïtiaanse BBP) om zo de Franse eigenaren voor het verlies van hun slavernij-plantages te compenseren. Bedreigd door een invasie van Franse troepen had het eiland geen andere keus dan hiermee akkoord te gaan en vervolgens deze schuld af te lossen tot aan 1950. Dat dit de ontwikkeling van het eiland geen goed deed, mag duidelijk zijn.

Haïti vraagt nu aan Frankrijk de terugbetaling van dit zeer onrechtvaardige en afgedwongen bedrag (vandaag de dag omgerekend 30 miljard euro waarbij geen rekening is gehouden met de rente) en het is moeilijk om Haïti geen gelijk te geven. De Franse staat weigert elke discussie over deze schuld die de Haïtiaanse bevolking moest betalen om geen slaven meer te zijn, terwijl de aflossingen van 1825 tot 1950 goed gedocumenteerd zijn en door niemand tegengesproken worden. Zo ontstaat er natuurlijk onvermijdelijk een immens gevoel van onrechtvaardigheid.

Dat gaat natuurlijk ook op voor de kwestie van staatnamen en standbeelden zoals dat van de slavenhandelaar in Bristol dat van zijn voetstuk werd gestoten. Zeker, het is niet altijd even gemakkelijk om de grens te trekken tussen goede, minder goede en slechte standbeelden. Maar nu in een democratisch proces van overdenking en het vaststellen van juiste regels en criteria, is het niet willen aangaan van deze discussie - Macron weigert ostentatief hier over te discussieren – een voortduren van onrechtvaardigheid en ook het ontwijken van hoe samen ongeacht kleur en afkomst verder een rechtvaardige toekomst op te bouwen.

Laten we wel zijn: het veroveren van gebieden, deze tot koloniën te maken voor grondstoffen en /of voor goedkope arbeidskrachten, is nooit een daad van altruïsme geweest. Kolonisatie en slavenhandel zijn altijd met groot en onrechtvaardig geweld gepaard gegaan. Dat geldt ook voor de Nederlandse staat met de koloniën Suriname en Nederlands-Indië, waar - in het licht van nu – de meest barre misdaden tegen de menselijkheid zijn begaan op de plantages in Suriname en in het huidige Indonesië. Wat Indonesië betreft kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de slachtpartijen in de Molukken onder het bewind van Jan Pieterszoon Coen om de winstgevende kruidnagelcultuur te handhaven en de aanleg door de onfrisse Daendels van de postweg op Java die aan meer dan 100.000 Javaanse dwangarbeiders het leven kostte. En wat na de tweede wereldoorlog in de Nederlandse geschiedenisboekjes « politionele acties » genoemd worden, waren gewoon oorlogshandelingen tegen de vrijheidstrijders voor een onafhankelijk Indonesië.

Wat mij betreft - ook als symbool – mag het standbeeld van Coen in Hoorn verwijderd worden en mogen in den lande de naar hem genoemde straten een andere naam krijgen.

 

Geschreven op 22 juni 2020