Reflecties over besturen

Civis Mundi Digitaal #102

door Maarten Rutgers

In deze bijzondere tijd, zoals je het jaar 2020 kunt duiden, biedt de crisis kansen en bedreigingen. Voor beide geldt dat je hier alle mogelijke verschillende beelden bij kunt hebben. Genoeg om te overdenken. De bedreigingen leidden in algemene zin tot beperkingen van allerlei aard, die vooral intens zijn in het sociale leven. Een onverwacht effect was het ontstaan van ruimte voor rust. Thuis zijn, tijd hebben voor onthaaste bezigheden. Kansen ook te over. Voor mij was het een uitgelezen moment een geboden kans te benutten. Er was er meer gelegenheid tot lezen dan ooit. Dat gaf mij de ruimte de stapel ongelezen boeken en andere geschriften te verminderen. Een haast weldadige tijd. Helaas leidt dat er weer toe dat er aanleiding is nieuwe boeken te bestellen, waarmee het probleem blijft bestaan. Een mens die graag leest, leest ook steeds weer boeken uit in de dubbele betekenis van het woord. Een mens is een verzamelaar. In het onderhavige essay wil ik u meenemen in enkele uitgelezen en uitgelezen geschriften; samengeraapt en doorgenomen. Altijd goed voor enkele verrassingen.

 

Het belang van goed besturen

Het is verleidelijk het fenomeen leiderschap en bestuur in onzekere en moeilijke omstandigheden te bezien, na te gaan wat leiderschap dan betekent. We zien overal interessante voorbeelden, zowel in eigen land met Mark Rutte of Hugo de Jonge, als bij de buren met Angela Merkel. Opvallend zijn de berichten, de verhalen en de beelden over Trump, Bolsanoro, Poetin en anderen. Ik zei het al, verleidelijk. In mijn artikel in Civis Mundi 98[1] wijdde ik er al een paar woorden aan. Daar ging het om risico-leiderschap. Hoe ziet dat er uit? Wat zien we in Nederland? Maar er is meer, veel meer. De literatuur over leiderschap is een ‘mer à boire’, een niet leeg te drinken zee, een overvloedige papierberg van geheel verschillend kaliber, zowel qua inhoud als qua kwaliteit. Vandaar slechts enkele druppels.

 

De navolgende afdronk van deze druppels gaat over besturen als activiteit en over bestuurders, de personen die het besturen uitoefenen en persoonlijk inkleuren. Het centrale thema hierbij is dat waarden een grote rol spelen, externe waarden, maar bovenal interne waarden. Kort komt aan de orde dat het beeld van de schaapsherder in de diplomatie een fraaie metafoor biedt. Deze wordt ook door Foucault gebruikt om de ontwikkeling van besturen te laten zien. Besturen in de zorg is veel uitvoeriger in beeld met ondermeer gedachten over waarden en het morele kompas van de bestuurder. Parallellen tussen beide voorbeelden zijn er ook, zoals we zullen zien. Aan het slot nog enkele persoonlijke bespiegelingen.

 

 

Twee geschriften

In mijn stapel boeken bevond zich ook het proefschrift van Pieter Wijnsma[2], getiteld Tussen heiligheid en barbarij. Ethiek van het besturen, uit 2019. Hierin wordt ingegaan op het besturen van zorgorganisaties, een bij uitstek in beeld gekomen activiteit in de pandemie met COVID-19 en de grote uitdagingen voor ziekenhuizen. De beelden staan scherp op het netvlies. Containers, tenten voor de deur. Als astronauten beschermde personeelsleden. Zorgelijk kijkende, vermoeid uitziende en uitleg gevende bestuurders. Sommigen altijd rustig en bedaard in hun uitleg, paniek voorkomend, anderen minder adequaat en rustig.

In de tijd dat ik dit proefschrift aan het lezen was, kreeg ik ook een ander geschrift over leiderschap onder ogen. Hier geen leiderschap in de zorg, maar in een internationale organisatie, de NAVO. Een bachelor scriptie uit 2020, een ‘capstone thesis’, in wereldpolitiek van het University College The Hague, onderdeel van de Universiteit van Leiden, van Jan Julius Goeijenbier[3], The shepherd and its sheep: A literature review on practice theory and the NATO Secretary General.

Beide geschriften zijn bijna onvergelijkbaar[4], de samenhang tussen beide is enerzijds het onderwerp, besturen, anderzijds de aard van de organisatie. Bij de een gaat het om het besturen van een internationale organisatie, bij de ander om het besturen van een ziekenhuis, maar beide organisaties zijn naar hun aard politieke arena’s.

De benadering kent een gemeenschappelijke component: de praxis, de praktijk, het Nederlandse equivalent van ‘practice’. Het is een lastig begrip, zoals we zullen zien.

Goeijenbier kiest als uitgangspunt het werk van Pouliot. Wijnsma neemt het gedachtegoed van Alasdair MacIntyre, Schots filosoof en emeritus hoogleraar filosofie in de VS, als basis. Deze laatste schrijft indringend over deugdethiek. Vincent Pouliot, docent politieke wetenschappen aan de McGill-universiteit in Montreal, heeft het over internationale betrekkingen, waarbij ook filosofische overwegingen aan de orde zijn.

 

Praxis, praktijk en praktijken

Het begrip ‘praxis’ als vertaling van ‘practice’ wordt in Nederland nauwelijks gebruikt. Uit de onderstaande definities blijkt dat het woord praktijk niet geheel hetzelfde is als ‘praxis’. Bij gebrek aan beter wordt in wetenschappelijke verhandelingen meestal toch het begrip praktijk benut; soms echter praxis. Het huis-tuin-en-keuken begrip praktijk is anders dan het filosofische, sociologische en polticologische begrip.

In hun publicatie[5] over Internationale Betrekkingen schrijven Emanuel Adler, hoogleraar politieke wetenschappen te Toronto, en Pouliot: “Praxis is bekwaam handelen. Nauwkeuriger geformuleerd zijn ‘praktijken’ (praxis) sociaal betekenisvolle vormen van bezig zijn, die, omdat ze min of meer bekwaam worden uitgevoerd, tegelijkertijd de ten grondslag liggende kennis en het vertoog in en over de materiele wereld omvatten, laten zien en wellicht ook verheerlijken.” Hoewel waarschijnlijk nuttig voor een academisch discours, is het begrip praxis zo voor dagelijks gebruik toch wat minder geschikt. Dat blijkt ook uit de omslachtige omschrijving van MacIntyre[6] die nog meer woorden nodig heeft om te zeggen dat er bepaalde standaards en waarden zijn, waarmee praktische resultaten vergroot kunnen worden: ”Met praxis bedoel ik elke samenhangende en complexe vorm van sociaal gevestigde menselijke samenwerking waardoor gerealiseerd wordt, dat in de loop van het proberen de standaarden te bereiken die ertoe behoren en gedeeltelijk erdoor worden bepaald, de aan deze vorm van bezig zijn inherente waarden gerealiseerd worden, met als resultaat dat het menselijke vermogen om voortreffelijkheid te bereiken, evenals de menselijke voorstelling van de bij behorende doelen en waarden, op systematische wijze wordt vergroot.”

Het wordt er niet eenvoudiger op. De verschillende theoretische benaderingen zijn hier een uiting van. Goeijenbier: “Al met al is de verscheidenheid in de theoretische benaderingen van praxis zeer groot …”

Dit komt ook tot uitdrukking in de kritiek die er is op de door hem geciteerde, kort geformuleerde, wellicht te simpele, of te brede definitie van Pouliot: “Praktijken (praxis) zijn maatschappelijk georganiseerde manieren om dingen te doen”. Elders[7] formuleren Pouliot en Jean-Philippe Thérien, hoogleraar politieke wetenschappen te Montreal: “In lekentaal zijn praktijken gevestigde manieren om dingen te doen”. Zo, dat is tenminste eenvoudig, maar helpt het?

Pouliot gaat samen met Jéremie Cornut, hoogleraar politieke wetenschappen aan de Simon Fraser Universiteit te Burnaby, Canada, in op deze kritiek. Hun publicatie[8] onderzoekt de synergie tussen de internationale theoriën omtrent praxis en studies over diplomatie. Zij geven aan dat er een brede variatie is in de theorie, “een nogal grote familie van theoretische benaderingen”. Ook zien zij “veel debat over de definitie van praxis in het domein van internationale betrekkingen”. Een mooie tautologische uitspraak – zoiets als witte sneeuw - is dan: “Op het meest basale niveau bevat de theorie van de praxis een eenvoudige opdracht: begin met praktijken (praxis).” Zoals zij zelf aangeven is voor vele onderzoekers de theorie van praxis vooral “een analytische structuur waarmee een verklaring en begrip van de sociale wereld wordt gezocht.”

Dit is de grote lijn. Het biedt ruimte om ook kleinere sociale verbanden te bestuderen. Hiermee kun je dus ook alle mogelijke vormen van leiderschap en van besturen onder de loep nemen. In hun conclusie geven ze nog eens aan hoe complex het kan zijn, terwijl het toch ook simpel is, “praxistheorie is een oxymoron.” Het is een uitspraak die twee zaken verbindt die elkaar uitsluiten; als voorbeeld een ‘oorverdovende stilte’.

 

MacIntyre probeert uit te leggen wat hij eigenlijk bedoelt en daarmee geeft hij al aan dat praxis complex is. “Boter, kaas en eieren is geen voorbeeld van een praxis, een bal goed werpen ook niet; maar het voetbalspel is een praxis, evenals schaken. Metselen is geen praxis, architectuur wel. Rapen poten is geen praxis; landbouw wel. Dit geldt ook voor het onderzoek in natuurkunde, chemie en biologie, alsmede het werk van de historicus en schilderen en muziek.” We zouden nog kunnen toevoegen dat geneeskunde een praxis is, zoals alle professies. Blijft de vraag of diplomatie hier ook toe behoort? En besturen? Het blijft lastig. Van belang voor MacIntyre is dat er sprake is van “sociaal gevestigde menselijke samenwerking”, waarbij er een gezamenlijk doel is. Het mag duidelijk zijn dat vrijwel iedere criticus worstelt met het begrip. MacIntyre heeft regelmatig geprobeerd verdere verduidelijkingen aan te brengen, maar er blijven kanttekeningen en onduidelijkheden.

 

Diplomatie en ziekenhuis als politieke arena’s

Diplomatie is een kunst en een wetenschap volgens Kissinger (in: Pouliot en Cornut). Hieruit vloeit voort dat je in de praktijk kunt leren hoe je diplomatie beoefent, maar ook dat theoretische onderbouwing van zeker nut kan zijn. Laat dit nou net volgens Pouliot en Cornut het terrein zijn waar de theorie omtrent praxis kan helpen. Hiermee moet diplomatie als praxis worden beschouwd.

Goeijenbier neemt van Pouliot over dat de praxis van diplomatie in een internationale organisatie een sociale ongelijkheid kent, een hierarchie, een pikorde. Dit is de ‘backbone’, de ruggegraat van de diplomatie. Pouliot komt hier in diverse artikelen[9] op terug. De praxis van diplomatie is dynamisch, leidt tot verschillen, tot ongelijkheid, maar verbindt actoren en levert resultaten. Goeijenbiers kritiek op Pouliot is dat er geen aandacht is voor de persoonlijke kenmerken, “characteristics”, van een diplomaat. De dagelijkse praktijk is naar zijn mening in hoge mate gekoppeld aan de persoon, aan zijn manier van handelen als individu, gegeven de context. Hoezeer in een praxis ook duidelijk wordt dat gehandeld wordt als door de professie – de gemeenschap van gelijken – wordt verwacht, zijn persoonlijke kenmerken van topdiplomaten de ‘verpakking’ waardoor de praxis zichtbaar wordt. De combinatie van professionele en persoonlijke kenmerken bepaalt uiteindelijk het resultaat.

Goeijenbier is geïnteresseerd in de rol en positie van de secretaris-generaal van de NAVO. In zijn inleiding geeft hij aan dat de NAVO vaak gezien werd en wordt als een verlengstuk van de [buitenlandse politiek van] Verenigde Staten en er derhalve sprake is van een onderwaardering van de functie van secretaris-generaal. Ook de NAVO zelf beschrijft[10] de historie van deze functie soortgelijk en laat de verandering in de loop van de tijd zien. Wörner en De Hoop Scheffer worden gezien als degenen die hieraan een stevige bijdrage hebben geleverd. Zij brengen vernieuwing aan en zorgen derhalve voor een andere en betere waardering.

 

https://nl.m.wikipedia.org/wiki/Bestand:Schaapsherder_met_4_schapen.JPG

Locatie: Barneveld

 

Het hoeden van schapen

De vraagstelling van Goeijenbier is dan ook niet geheel verrassend: “Waarom wordt het belang van de rol van de NAVO secretaris-generaal aangetoond door de benadering via praxis en derhalve door de theorie van praxis het best aangetoond?” Vandaar ook zijn uitgangspunt in de studies van Pouliot, die hij in algemene zin en meer in het bijzonder in het licht van deze vraagstelling beziet. Hij gaat kort in op de theorie van praxis en studies omtrent leiderschap en internationale organisaties. Tenslotte werkt hij dit verder uit voor de invulling van de functie van secretaris-generaal van de NAVO door Jaap de Hoop Scheffer. Uitgangspunt voor de besluitvorming in de NAVO is consensus. Dit stelt hoge eisen aan alle betrokken diplomaten, maar zeer zeker aan de topfunctionaris. Allen weten hoe hun positie is in de pikorde. Desalniettemin is het voor de secretaris-generaal van groot belang om deze pikorde te bewaken en bij besluitvorming hiermee rekening te houden. Dit behoort tot de praxis, zoals Pouliot al beschreef.

Goeijenbier laat aan de hand van een beknopte analyse van een drietal openingstoespraken van NAVO-topontmoetingen zien dat voor het bereiken van resultaten niet alleen de inhoud van de toespraak belangrijk is, maar veel meer het weten te bereiken van alle deelnemers door het gebruik van de mogelijkheden die de taal biedt; hier speelt niet in het minst de keuze van de taal waarin gesproken wordt een belangrijke rol. Dit geldt dan verder a fortiori voor de individuele gesprekken die de SG voert. Zo wordt de praxis mede gekenmerkt door de vaardigheid meerdere talen (bijna) perfect te spreken. Dit laat onverlet dat de inhoud van de toespraken van groot belang is om de eenheid in de gelederen te bewaren, verrassingen te voorkomen en de doelen van de bijeenkomst te dienen.

In navolging van Pouliot beschrijft Goeijenbier deze praxis als het hoeden van een kudde schapen, de SG als schaapsherder. Hij moet zowel oog hebben voor de groep, het individu en vooral ook het doel[11]. Een mooie metafoor, die wellicht ook op andere terreinen van praktijken van toepassing kan zijn; bijvoorbeeld in het ziekenhuis, zols we later zullen zien. Wellicht zou zelfs MacIntyre hiermee kunnen instemmen, Kallenbergs[12] uitleg van de betekenis van praxis bij hem volgend.

 

 

Het morele kompas van bestuurders

Wijnsma wijst ook op de persoonlijke kenmerken van de bestuurder, in het bijzonder op zijn/haar morele kompas. In de politiek, in de diplomatie, zien we dagelijks hoe het staat met het morele kompas, met de integriteit van bestuurders. Wijnsma maakt dit expliciet in het geval van ziekenhuisbestuurders. Bestuurders in het algemeen staan in de vuurlinie; hun morele handelen wordt bij voortduring onder de loep genomen.

“De metafoor van het morele kompas suggereert, dat er zoiets bestaat als een goed geordende verzameling van waarden, ……” Even later wordt duidelijk dat het navertellen hoe je eigen morele kompas er uit ziet geen eenvoudige opgave is. Het lijkt er meer op dat er sprake is van allerlei kompassen, “een heel dashboard met kompassen.” De waarden komen overal vandaan, uit alle mogelijke hoeken en gaten, hoe belangrijk ze per geval ook mogen zijn. Samenhang en ordening ontbreken. Wijnsma geeft aan dat dit goed zou kunnen passen bij MacIntyre’s opvatting “over de staat van het morele debat in onze samenleving”.

Het onderzoek is een filosofische benadering van het besturen van een zorgorganisatie. Zoals de titel al aangeeft gaat het om de ethiek van het besturen en meer in het bijzonder of de deugdethiek van MacIntyre daartoe een goede en vruchtbare bodem biedt.

De centrale vraag die Wijnsma probeert te beantwoorden in zijn onderzoek is: ”Hoe moet de aard van zorgbestuur in onze samenleving geduid worden en wat impliceert dat voor de ethiek van dat bestuur?” Tegen het eind van het proefschrift formuleert hij het nog eens: “De hele onderhavige studie is een poging tot duiding van de sociale werkelijkheid van het zorgbestuur.”

 

Terugtredende moraliteit, amorele marktwerking en morele verwarring

Om deze vragen te beantwoorden neemt hij een lange aanloop. Met zijn keuze voor het werk van MacIntyre als basis voor zijn betoog komt hij er niet omheen enerzijds een motivering te leveren, anderzijds dient hij acht te slaan op de kritiek die er is op diens gedachtegoed.

Er zijn hier direct twee vraagstukken die om aandacht vragen. Enerzijds gaat het om MacIntyre’s opvatting over moraliteit in de huidige samenleving, over het morele kompas en anderzijds om zijn opvatting van de huidige (neo)liberale samenleving, waarin vrijwel alles een markt geworden is, bureaucratisch geworden is, waarbij de manager bij uitstek het uithangbord is van alles wat niet klopt.

Als het om het eerste gaat, de moraliteit, beschrijft Wijnsma dat MacIntyre concludeert “dat we leven in een staat van morele verwarring, …”. Een andere uitspraak: “De moderne moraliteit verkeert volgens hem in een ernstige staat van wanorde. De moderne mens is daarmee losgeslagen van zijn morele ankers.”

MacIntyre beziet de ontwikkeling tot de moderne samenleving is als een waarbij in ieder geval de moraliteit zo niet geheel verdwenen is, dan wel zeer veranderd is, gedegenereerd is. Met zijn deugdethiek probeert hij tot herstel te komen.

Dit alles is het gevolg van de ontwikkeling tot ‘de’ moderne samenleving, die volgens hem wordt gekenmerkt door een enorme bureaucratie, door economisering en fragmentering van levenssferen. Hij typeert de “bureaucratische autoriteit als niets anders dan succesvolle macht.” En verder “de kampioen van de bureaucratische autoriteit en daarmee van deze vorm van instrumentele effectiviteit is de Manager.” De hoofdletter bij Manager geeft aan dat het een bijzondere rol is met een morele lading, waarbij “het concept van de effectiviteit van de manager een illusie is, een morele fictie is.”

Wijnsma’s beschrijving is voer voor fijnproevers, voor een kleinere groep ‘connoisseurs’, en te uitvoerig voor minder op diepgaande reflectie ingestelde (zorg)bestuurders en managers. Hier slechts in vogelvlucht een aantal gedachten en uitwerkingen.

 

Bureaucratisering en economisering van de samenleving

Besturen vindt niet plaats in een vacuüm; ook in de zorg niet. De zorg is stevig ingebed in de samenleving. Dit houdt in dat de manier waarop wij de samenleving vormgeven direct invloed heeft op de zorg. Ik heb dat beschreven in Gezondheidszorg als handelswaar. Worden we daar beter van?[13], besproken door Mathieu Wagemans (CM 94[14]). Wijnsma gaat aan de hand van MacIntyre uitvoerig in op de samenleving met het neoliberalisme als boosdoener.

Bureaucratisering en fragmentering zijn bij MacIntyre de twee componenten die de samenleving bepalen. Ze zijn het gevolg van de ontwikkeling van de kapitalistische samenleving; een samenleving die gedomineerd wordt door ondeugden, zoals hebzucht, machtsstreven, ijdelheid, zelfzucht. Het is een onderhandelingsarena vol losse individuen, vol partijen, die allen machtsaanspraken hebben. “Moderne politiek is burgeroorlog voortgezet met andere middelen” citeert Wijnsma hem.

In de kritische uiteenzetting komen talloze filosofen, sociologen en anderen langs. Duidelijk wordt dat de verdeling van de samenleving in markt, staat en de ‘rest’ – niet geheel hetzelfde als ‘civil society’ of het ‘maatschappelijk middenveld’ - een vruchtbare bodem vormt voor bespiegelingen over welke waarden op welke plek een rol spelen en of er eigenlijk wel waarden in het spel zijn.

Het liberalisme legt de nadruk op vrijheid en niets anders. “De vrijheid is het hoogste goed.” Maximale vrijheid moet gegarandeerd worden door de samenleving, zoals die functioneert. Vragen die samen hangen met rechtvaardigheid, met het goede zijn hier niet aan de orde. Deze horen thuis in de persoonlijke sfeer en zijn daarmee geen deel van het debat over de samenleving. Als gevolg zijn waarden iets uit het persoonlijke leven, als het ware niet behorend tot de samenleving.

 

Oplossingen die vragen oproepen

De mogelijke oplossingen die MacIntyre aandraagt voor deze waarden-loze samenleving zijn voor Wijnsma niet voldoende. Hoewel duidelijk is dat staat, markt en de ‘rest’ met elkaar in verbinding moeten zijn en niet als gescheiden, hoogstens als te onderscheiden, delen kunnen worden gezien, is het niet eenvoudig de weg te vinden die hiertoe leidt. Welke waarden binden hen?

Het voert tot substantiële vragen, zoals wat behelst een goede samenleving? Of hoe kan de overheersing door de markt en de staat worden doorbroken? Hoe staat het met de prioriteit van het goede boven de vrijheid? Vragen die in de drie domeinen staat, markt en (burgelijke) samenleving even dringend zijn. Wijnsma wijst erop dat kleine stapjes voldoende zijn om iets te veranderen. Geen grote stappen, geen ‘grand design’, dat veronderstelt dat de wereld maakbaar is. Gelukkig constateert hij dat er overal aanzetten te vinden zijn.

Het gaat erom dat ingezien wordt dat “leidinggevenden in allerlei sectoren,… zichzelf als waardendragers zien en niet als technocraten.” Hij voegt eraan toe dat de wortels van de instituties, organisaties, teruggevonden moeten worden “in de samenleving en de praktijken in die samenleving van waaruit zij zijn ontstaan.” Hier gaat het om alle sectoren, dus markt, staat en de ‘civil society’ bij gebrek aan een beter begrip.

 

Zorg als praxis

Bovenstaand constateerde ik al dat de definitie van praxis bij MacIntyre niet alleen zeer uitgebreid is, maar ook niet eenvoudig. Evangelia Sembou[15], politicologe, noemt het in haar bijdrage aan een conferentie over MacIntyre’s gedachtegoed “erg ingewikkeld. Bovendien is het tamelijk vaag. Want MacInryre zegt eenvoudigweg dat “de verscheidenheid van praktijken groot is: de kunsten, wetenschappen, spelen, politiek in de zin van Aristoteles, het vormen en onderhouden van het gezinsleven, dit alles valt onder het concept”. Russel Ward maakt het eenvoudiger in zijn proefschrift[16] over MacIntyre: “Praxis is de manier waarop intrinsieke waarden worden gezocht.”

Voortbordurend op MacIntyre’s beschrijving is duidelijk dat geneeskunde een praxis is; het past in zijn definitie. Het is een sociaal-gevestigde activiteit van mensen met een gezamenlijk doel; er zijn gemeenschappelijke waarden en de uitvoering kent standaarden.

In Nederland werd in de negentiger jaren het begrip normatieve praktijk model (NPM) voor de gezondheidszorg ontwikkeld. Gerrit Glas, hoogleraar filosofie van de neurowetenschappen aan de VU te Amsterdam, laat zien[17] dat NPM stoelt op vier pijlers, te weten:

1. geneeskunde is een manier van doen gebaseerd op wetenschappelijk inzicht,

2. het professionele handelen is inherent verbonden met ethiek,

3. het goede is inherent aan de praktijk volgens MacIntyre en ten slotte

4. Dooyeweerds[18] opvatting dat praktijken zich ontsluiten.

Het voert te ver alle bespiegelingen en discussies over NPM of NPA (Normative Practice Approach), zoals het in de Engelstalige literatuur heet, weer te geven. In dit kader is van belang dat voor de geneeskunde het praxis-begrip en de deugdethiek van MacIntyre ook vanuit een professionele, medische hoek de praxis een uitgebreide uitwerking kreeg[19]. Dat geldt ook voor verpleging, educatie en meerdere andere terreinen. MacIntyre komt daarbij veel uitgebreider aan de orde dan de paar begrippen die ik hier nu vermeld. Boeiend is ook de verbinding die gemaakt wordt met de reformatorische wijsbegeerte van Dooyeweerd, terwijl MacIntyre toch meer een band had met een rooms-katholieke invalshoek. Overigens is Aristoteles voor beide benaderingen een centrale figuur.

Het wordt duidelijk dat zo beschouwd zorg een praxis is. Een praxis die weer uit deelpraktijken bestaat. Zorg wordt uitgeoefend in organisaties, instituties, zoals MacIntyre ze noemt. Of in instituties[20] het besturen ook een praxis is, blijft nog even een vraag, die Wijnsma probeert te beantwoorden. Dit hangt samen met MacIntyre’s negatieve opvatting over managers. In het vervolg besteed ik geen aandacht aan de opvattingen over instituties of de kritiek op dit begrip, maar neem van Wijnsma over dat het ziekenhuis een institutie is. Wel van belang is MacIntyre’s opvatting dat “instituties dienend moeten zijn aan het goed functioneren van de praktijken.” Dit is zeker niet overal het geval; instituties zijn meer gericht op externe waarden, minder op de interne waarden van de praktijken. Bij instituties is vaak het doel van de organisatie, zoals winst maken, een grote speler zijn, macht bezitten, belangrijker dan de interne waarden. Voor de bestuurder is het dan een middel om persoonlijke doelen die hier mee overeenkomen te bereiken.

 

Waarden

Praxis is een waardengemeenschap; praxis gaat over het verwerkelijken van waarden in een samenwerkingsvorm. Hierboven zagen we al in de verschillende gedachtegangen aanzetten voor deze uitspraak. Wijnsma volgt hier nadrukkelijk MacIntyre. De definitie bij hem - grotendeels gebaseerd op Aristoteles - is weer zo lang dat je je moet afvragen of je daarmee uit de voeten kunt. Van belang echter is dat het in een praxis om waarden gaat.

Twee soorten waarden om precies te zijn, interne en externe. De uiterlijke waarden, zoals geld, macht, roem, behoren aan individuen; innerlijke waarden verrijken de praxis, die “altijd een gemeenschap is van degenen die participeren in de praxis”. Een praxis stelt zelf de normen vast; stelt vast “wat goed is conform de standaarden van excellentie inherent aan de praxis”. Nieuwe toetreders leren dit aldoende, vooral door te zien wat de anderen doen.

De praxis betreft een enerzijds een leeromgeving, anderzijds een werkplaats. Hier wordt vakkennis overgedragen, maar ook ontwikkeld. De waarden moeten geïncorporeerd worden, deugden ontwikkeld. Hierbij hoort expliciete kennis, kennis die vastgelegd kan worden, die geprotocolleerd kan worden; kennis die in hoge mate door studie en oefening verworven kan worden.

Daarnaast is er “tacid knowledge”, citeert Wijnsma Michael Polanyi[21]. Hij wijst op Vosman en Baart[22], die hier van “taciete kennis” spreken; kennis die niet opgeschreven is, maar eenvoudigweg voorhanden is bij eenieder die in de praxis werkzaam is. We zouden kunnen spreken over ‘stilzwijgende’, impliciete kennis. Het verbindt ambachtelijkheid en moraliteit. Handelen geschiedt op basis van beide, expliciete en taciete kennis. Handelen is niet alleen rationeel, maar kent een grote creatieve component. Deze laatste komt bij MacIntyre niet uit de verf.

In de kritiek op MacIntyre komt naar voren dat een praxis bij hem alleen maar goed kan zijn, niet slecht. Er zijn ook slechte praktijken, zo wordt gesteld. MacIntyre gaat hier nauwelijks op in. Wel geeft hij aan dat in een levende traditie, die eigen is aan de praxis, over goed en slecht gestreden wordt. Zoals Wijnsma schrijft: “In een levende traditie vindt er een voortdurende discussie plaats over wat het goede is, waaraan de excellentie, die in de praxis wordt nagestreefd, getoetst moet worden. In deze opvatting verschuift de discussie dus van de vraag of er ook slechte praktijken kunnen bestaan naar de vraag hoe de ‘waarden intern aan de praxis’ moeten worden opgevat …”

Hierbij moet bedacht dat interne waarden specifiek zijn voor een praxis. Dat wil zeggen dat iedere praxis eigen interne waarden heeft. Daarnaast is het zeker zo dat er overlappende waarden zijn, algemene waarden in de samenleving. Hier haakt MacIntyre in met zijn betoog over morele wanorde en de noodzaak de deugdethiek opnieuw in het vizier te nemen.

Russel Ward citeert in zijn proefschrift Lutz[23], hoogleraar filosofie in Indiana, die aangeeft: “Het succes van de praxis hangt af van het morele karakter van de beoefenaars.” En later[24]: “MacIntyre argumenteert dat het goede leven voor de mens, het morele leven, ook een praxis is.” Hier spelen de normen, de waarden, anders gezegd de deugden hun rol. “Deugden schragen door het onderhouden van de betrekkingen tussen de leden van de praxis, de praxis zelf” schrijft Ward even verderop. Uiteindelijk is het dan zo dat een praxis achteruit gaat, zelfs teloor kan gaan, wanneer de participanten de deugden inherent aan de praxis niet langer hooghouden. De praxis verliest zijn steunpunt.

 

Is besturen een praxis?

MacIntyre is duidelijk in zijn kritiek op de manager. Wijnsma maakt een uitstapje via diverse auteurs om de rol en positie van de manager in de bureaucratisering te beschrijven. Uiteindelijk is deze functionaris in zijn ogen “een radertje in een organisatorische machine, die gebouwd is om een door anderen bepaald doel te dienen”. Anderzijds kun je stellen, hierbij haalt Wijnsma anderen aan, dat “de functionaris als drager van de betekenisgeving wordt gezien.” Twee zijden van de medaille.

De eerste rol is er zeker wanneer het om besturen van organisaties gaat.

Wijnsma gebruikt het gegeven van de inherente waarden, de interne waarden, om te bezien of besturen ook praxis kan zijn. Hij laat zien dat besturen, zeker in de zorg, nogal wat verlangt. Als besturen in de zorg een praxis is, moet het gaan om de interne waarden. De externe waarden zijn zeker aanwezig; status, geld en tot op zekere hoogte ook macht. Hier is de andere zijde van de medaille van belang. Betekenis geven als belangrijk onderdeel van besturen kan alleen om waarden gaan. Beide, het zorg dragen voor de institutie als organisatie met een welomschreven doel, waarbinnen praktijken tot bloei kunnen komen, en het waarde bepalen en uitdragen dragen bij aan de praxis. Het blijft echter een andere beleving of de ene zijde, de organisatorische, meer benadrukt wordt dan de waardebepalende, de waarde-dragende. Hier komt ook weer de ethiek om de hoek kijken, vooral de ethiek van het zorgen. Dit laatste kan niet los gezien worden van een onderliggend mensbeeld.

 

Twee visies wat betreft zorg: interventie en presentie

Wat zorg is en hoe er op verschillende wijze naar gekeken kan worden voert tot een boeiend betoog met voor Wijnsma de conclusie dat er op hoofdlijnen twee mogelijke benaderingen zijn, de zakelijke technocratische, ofwel interventionistische benadering en de presentiebenadering, waarin het zorgende en dienende meer naar voren komt. Bij de eerste is het verstand meer dominant, evenals de techniek, bij de tweede spelen hart en gevoel, het er zijn als mens, een belangrijke rol. Beide zijn in de zorg van belang.

In het ziekenhuis lijkt de eerste groter dan de tweede, hoewel dat voor de verschillende professionals niet hetzelfde ligt. Bestuurders bewegen zich veelal aan de technocratische kant, daarin gesteund door de literatuur over management en leiderschap, door de scholing die deze insteek kiest. De techniek van het besturen krijgt het primaat. Lastig voor sommigen is dat de tweede insteek dienend is. Het veronderstelt een ”bepaalde nederigheid, die zich slecht verhoudt tot allerlei heroïsche opvattingen over leiderschap.” Leiderschap gaat over de persoon en niet over waardedrager-zijn voor de organisatie. Hier is een verschil met diplomatie, waar leiderschap, het persoonlijke, nadrukkelijk onderdeel wordt van de praxis. Wat zou MacIntyre hier zeggen?

Medisch specialisten lijken ook meer de eerste benadering te kiezen; daarmee kan ook gezegd worden dat het ziekenhuis in essentie, daar waarvoor werkelijk een ziekenhuis nodig is, een interventiecentrum is. De presentiebenadering past meer bij de verpleging, maar ook voor medisch specialisten daar waar techniek een beperkte rol speelt.

 

Deugden van een goede bestuurder: integriteit, dienstbaarheid, praktische wijsheid

Bij dit alles zijn er bij Wijnsma nog wel een paar behartenswaardige opmerkingen te vinden in een hoofdstuk met de uitdagende titel “De deugende bestuurder”. Verspreid in de tekst komen de deugden aan bod die gewenst zijn. Dit is ook van belang omdat MacIntyre, geciteerd dor Ward, stelt: “De integriteit van een praxis verlangt vanzelfsprekend het beoefenen van deugden door op zijn minst enkele personen die het in hun activiteiten hebben ingelijfd; en omgekeerd is de perversiteit van de instituties op zijn minst het gevolg van ondeugden.” We hebben het hier dan over deugden als dienstbaarheid, nederigheid, zorgzaamheid, matigheid, rechtvaardigheid, praktische wijsheid of verstandigheid en moed. Hier zien we het morele kompas weer naar voren komen. Het is een hele verzameling deugden, waarbij we bijna aan heiligen beginnen te denken. Dat is niet wat Wijnsma bedoelt, maar duidelijk is het wel. Sommige voorbeelden[25] die we kennen – ze haalden ruimschoots het nieuws - misten wel het een en ander in dit verband.

 

 

Tot slot: de bestuurder als herder?

Wijnsma schiet uiteindelijk de kogel door de kerk. Besturen in de zorg is een praxis. Hij komt tot deze conclusie na een interessante route door het werk van MacIntyre, gebruikmakend van de vele de kritieken op dit werk, ook zijn eigen kritiek, maar met grote waardering voor het feit dat MacIntyre de deugdethiek weer op de agenda heeft geplaatst. Het biedt voldoende houvast om een moreel kompas te vinden en te hebben voor de dagelijkse praktijk. Het vraagt wel wat van de bestuurder; het is niet voor iedereen weggelegd.

In de literatuur over internationale betrekkingen en praxis wordt regelmatig korter door de bocht gegaan. MacIntyre staat daar minder centraal, maar uiteindelijk gaat het ook daar om hoe er gehandeld wordt op basis van expliciete en stilzwijgende kennis, op basis van vakkennis, ambachtelijkheid en de persoonlijkheid van de uitvoerder, van de professional, en van hun morele kompas en hun integriteit. Ook hier de waarden intern en extern aan de praxis, maar essentieel de herder die zijn schaapjes op deze basis leidt.

Hier is een boeiende aansluiting te vinden met Foucault. Deze gebruikt ook het beeld van de schaapherder om uit te leggen hoe de ontwikkeling van besturen door de tijd tot stand kwam. Afgeleid van de praktische en feitelijke activiteit van het schapen hoeden ontstond de pastorale vorm. De praxis binnen de institutie kerk.

Marc Schuilenburg, jurist en filosoof, docent aan de Universiteit van Amsterdam en Sjoerd van Tuinen, docent filosofie aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam, laten zien[26] dat voor Foucault “de overgang van de pastorale bestuurskunst naar de verbestuurlijking door de staat niets anders is dan een overgang van een ‘economie van zielen’ naar ‘het besturen van mensen en bevolkingen’”. Het primaat van de individuele verlossing, passend bij het pastoraat, verschuift naar collectieve ‘verlossingen’, “gezondheid, welzijn, veiligheid …” Kortom, de praxis verandert in de tijd, is niet stationair, maar nog steeds hoedt de herder zijn schaapjes. Internationaal, zoals wij zagen, en ook dichtbij huis in de zorg.

 

De voorgehouden spiegel

Al deze overwegingen, al deze opmerkingen over waarden, deugden en een moreel kompas, leidden ertoe dat ik mij de vraag stelde hoe het met het eigen morele kompas is. MacIntyre zegt immers dat het leven zelf, meer in het bijzonder het ‘goede’ leven, een praxis is. Vragen wij onszelf wel af hoe het met onze normen, onze waarden, onze deugden, ons moreel kompas is. Kortom, hoe ziet onze eigen praxis er uit? Bij Wijnsma kwam in de zoektocht ook de verbinding met het geloof voorbij. Het is echter breder te zien, als verbinding met het wereldbeeld, met wereldbeelden. Wat is mijn beeld van de wereld, van de mens in die wereld? Het meest belangrijke is dan wat is op basis van die beelden mijn persoonlijke praxis? Dus nogmaals, hoe ziet onze eigen praxis er uit? En ook, hoe ziet mijn private leiderschap er uit? Wat zijn mijn normen, waarden en deugden? Hoe geef ik vorm aan mijn project, dat leven heet en praxis is.

Een mooie uitdaging na te denken, te overwegen; er valt nog veel te lezen, ook na deze zomer.



Noten

[1]   Rutgers M.J: Corona: feiten, inzichten en kritische noten. Civis Mundi 2020, 98 (https://www.civismundi.nl/index.php?p=artikel&aid=5857)

[2]   Wijnsma P: Tussen heiligheid en barbarij. Ethiek van het besturen. Proefschrift Radboud Universiteit Nijmegen, 2019

[3]      Goeijenbier J-J: The shepherd and its sheep: A literature review on practice theory and the NATO Secretary General. Capstone Thesis, University College The Hague, 2020

[4]      De scriptie is een proeve van jonge bekwaamheid, nog maar een paar jaar van schoolse werkstukken verwijderd, aarzelend zoekend naar stijl, hoeveelheid aan inhoud en argumenten; daarmee ook geregeld zeer kort door de bocht gaand. Het proefschrift is de afsluiting van een veel langer traject, de proeve van bekwaamheid, het examen ter afsluiting van een wetenschappelijk onderzoekstraject, met zeer uitgebreide overwegingen, argumentatie en literatuur.

[5]   Adler E., Pouliot V: International practices. International Theory, 3: 1-36, 2011 (doi:10.1017/S175297191000031X)

[6]   MacIntyre A: After virtue. Notre Dame University Press, Notre Dame (USA), 1981

[7]   Pouliot V., Thérien J-Ph: Global governance in practice. Global Policy 9 (2): 163-172, 2018

(doi: 10.1111/1758-5899.12529)

[8]   Pouliot V., Cornut J: Practice theory and the study of diplomacy: A research agenda. Cooperation and conflict, 50 (3): 297-315, 2015 (doi:10.1177/0010836715574913)

[9]   Pouliot V: Diplomats as permanent representatives. The practical logics of the multilateral pecking order. Int J: Canada’s J Global Policy Analysus 66 (3): 543-561, 2011 (doi:10.1177/002070201106600302)

Pouliot V: Hierarchy in practice: Multilateral diplomacy and the governance of international security. Europ J Intern Security 1 (1): 5-26, 2016 (doi:10.1017/eis.2015.4)

[11]   De uitwerking is aan de korte kant. Hier had meer ingezeten, er is meer literatuur over het onderwerp, de analyse is mager en had diepgaander kunnen zijn, terwijl ook van de mogelijkheid tot een interview van betrokkene gebruik gemaakt had kunnen worden. Dit laatste wordt overigens nog wel aangegeven als een van de mogelijkheden tot verdere studie. Laten we niet vergeten dat we te maken hebben met een bachelorscriptie, geen masterscriptie of een proefschrift.

[12] Kallenberg B.J: The Master argument of MacIntyre’s After Virtue. In: Murphy N.C., Kallenberg B.J., Nation M.Th. (Eds.): Virtues and Practices in the Christian Tradition: Christian Ethics after MacIntyre. Religious Studies Faculty Publications. Paper 65. University of Dayton, 2003

[13] Rutgers M.J: Gezondheidszorg als handelswaar. Worden we daar beter van? Eburon, Delft, 2018

[14] Wagemans M: Gezondheid als product. Civis Mundi 94, 2020 (www.civismundi.nl/?p=artikel&aid=5611)

[15] Sembou E: MacIntyre’s Notions of “Practice” and “Tradition”. ISME, Athene, 2014 (academia.edu/7644165/_MacIntyre_s_Notions_of_Practice_and_Tradition)

[16] Ward R: Virtue in practice. Alasdair MacIntyre’s concept of virtue. Proefschrift Pontificial University Atheneum Regina Apostolorum, Rome, 2017

[17] Glas G: Modellen van ‘integratie’ in de psychologie en psychiatrie (II) – het normatieve praktijk model. Psyche en geloof 20 (3/4): 165-177, 2009

[18] Herman Dooyeweerd (1894-1977) was hoogleraar filosofie aan de VU te Amsterdam. Hij is de grondlegger van de reformatorische wijsbegeerte. In mijn artikel ‘Nieuwe wegen in de gezondheidszorg, deel 2: Het gelaagde lichaam, (CM 99, www.civismundi.nl/index.php?p=artikel&aid=5880) vermeld ik enkele opvattingen van hem over structuren.

[19] Diverse voorbeelden in: Philosophia Reformata 82 (2): Special Issue. Normative Practices, 2017

Glas, G. A normative practice approach to healthcare. In: Vries M.J. de, Jochemsen H. (Eds.). The Normative Nature of Social Practices and Ethics in Professional Environments: 164-184. IGI Global, Hershey (USA), 2019

[20] Wijnsma besteedt de nodige aandacht aan dit begrip bij MacIntyre en de kritiek erop.

[21] Polanyi M: Personal Knowledge. Towards a Post-Critical Philosophy. Routledge, Londen, 1958

[22] Vosman F., Baart A: Aannemelijke zorg. Inaugurale rede Tilburg University, Lemma, Den Haag, 2008

[23] Lutz C.S: Reading Alasdair MacIntyre’s After virtue. Bloombury, New York/London, 2012

[24] Lutz C.S: Tradition in the ethics of Alasdair MacIntyre: Relativism, Thomism, and Philosophy. Lexington Books, Lanham, 2004

[25] Dekker W., Gualthérie van Wezel T: Hoe laten de schandalen in de semipublieke sector zich verklaren? Volkskrant 7 november 2015

Smit J: Het derivatendrama: Hoe woningcorporatie verzeild raakte in een van de grootste speculatieschandalen ter wereld. Uitgeverij Balans, 2014

Wikipedia: https://nl.wikipedia.org/wiki/Vestia-affaire

[26] Schuilenburg M., Tuinen Sj. van: Michel Foucault: Biopolitiek en bestuurlijkheid. Krisis, 2009, Issue 3: 1-5 (www.krisis.eu)