De machtselite
Deel 4B, Thorstein Veblen: de geldcultuur van de Leisure Class

Civis Mundi Digitaal #105

door Piet Ransijn

 

Een cynisch boek

De introductie en samenvatting is een vervolg op de inleidende artkelen in Civis Mundi 104. The Theory of the Leisure Class is behalve een sociologische bestseller ook een literair monument in een geleerdentaal met diverse nieuwe begrippen die gemeengoed zijn geworden. Het is ook een sardonisch icoon van cynisme, waarin spot en ernst wedijveren om de gunst van de lezer, die voortdurend op het verkeerde been worden gezet, omdat de dingen die Veblen beschrijft niet zijn zoals ze lijken. Meent hij echt wat hij schrijft, of is het een karikatuur waarin hij schromelijk overdrijft? Op een haast plechtstatige manier maakt hij de heersende klasse belachelijk met een nietsontziende hoon, wetenschappelijk onderbouwd vanuit diverse wetenschappen.

Soms lijkt het of hij een apenrots beschrijft met deftig aangeklede primaten, waarin hogere en lagere apen zich een vrij strikte rangorde exhibitionistisch gedragen om indruk op elkaar te maken met opzichtig vertoon van hun bezit en macht. Dit alles in de vorm van een serieuze theorie die aan diverse disciplines is ontleend. Vanuit de geschiedenis, etnologie, economie, sociale psychologie en sociologie vormt Veblen een origineel kader van begrippen en argumenten, die een gewichtige indruk maken, maar eigenlijk slechts ten dele houdbaar blijken in het licht van de hedendaagse sociale wetenschappen. Toch zijn de inzichten van zijn 120 jaar oude bestseller nog steeds verrassend en vaak niet of nauwelijks achterhaald, maar wel wat overtrokken en passend in de context van een andere tijd. Het geheel is gelardeerd met een subtiele spot die het hele boek doortrekt. Het lijkt op een sociologische analyse in de vorm van een satire, die consequent wordt volgehouden.

in zijn theorie van de nietsdoende klasse verworden rijke en machtige heren der aarde tot zelfgenoegzame parasieten, die tegenover elkaar wedijveren in spilzucht, waarmee ze hun belangrijkheid proberen te etaleren. Het is bekeken en beschreven door een in de stad verdwaalde boerenjongen, die zijn ogen uitkeek in de burgermaatschappij en werd getroffen door de wedijver in status en belangrijkheid. Tegelijk met de verdorvenheid beseft hij de onbetekendheid van de nutteloze verspilling, die een onproductief aanzien etaleert van voze glitter en verder weinig om het lijf heeft en weinig bijdraagt aan de maatschappij waarin hij tevergeefs zijn weg zoekt.

Veblens kritiek op de hogere klassen is interdisciplinair. Hij benadert hen van diverse kanten als een draak met vele koppen. Als een van zijn koppen het aflegt, steekt er een andere de kop op. Als een bewering economisch aanvechtbaar is, blijven er nog etnologische, psychologische en sociologische argumenten en historische evidentie en omgekeerd. De belangrijkheid van de welgestelden maakt hij van alle kanten belachelijk. Ook al zou er weinig meer van kloppen, dan blijft zijn overtrokken karikatuur indruk maken door zijn onnavolgbare stijl en scherpzinnige verwoorde observaties en analyses. Hij overdrijft, projecteert, generaliseert en draaft vaak door. Toch zijn ook in onze tijd zijn typeringen nog verhelderend, beschamend en vermakelijk en slechts ten dele achterhaald.

Veblen in de context van zijn tijd en achtergrond

Het is van belang Veblen te begrijpen in de context van zijn tijd: het eind van de 19e eeuw, bij zijn latere boeken het begin van de 20e eeuw. Het was het einde van de ‘Gilded Age’, het vergulde tijdperk, waarin de rijken fortuin maakten en de industrialisatie zich doorzette. Vrouwen ontdeden zich letterlijk en figuurlijk van hun korset. Secularisering, atheïsme en socialisme deden hun intrede. Sociale ongelijkheid werd een punt van zorg een aandacht, om enkele ontwikkelingen noemen. Ook dienen we zijn boek te zien in termen van de wetenschap van zijn tijd, waarvan in deel 3A al enkele typerende kenmerken zijn vermeld. Ook zijn boerenachtergrond is van belang: een groot gezin van twaalf kinderen, waarin puriteinse soberheid, productief werk en gemeenschapszin in aanzien waren. Dat gold ook voor studie en een goede opleiding. Een stuitend contrast met de leefstijl van de ‘nouveaux riches’.

Zijn uit Noorwegen geëmigreerde vader raakte zijn eerste boerderij in Wisconsin kwijt door problemen met geldschieters en begon opnieuw in Minnesota. Veblen was toen acht jaar. Dit heeft wellicht mede zijn beeld gevormd van rijke speculanten uit de stad, die geen productief werk verrichtten en van de niet-werkende nietsdoende klasse, die het onderwerp is van zijn eerste boek.

De theorie en de basisbegrippen van Veblen

Veblen noemt zijn boek een theorie, dat wil zeggen een geheel van samenhangende begrippen. Basisbegrippen zijn de vreedzame primitieve versus de lagere en hogere stadia van de roofzuchtige barbaarse cultuurfasen, die overgaan in de industriële maatschappij, welke volgens Veblen weer een vreedzaam karakter zou krijgen in een soort dialectische ontwikkeling. Helaas is dit laatste niet juist gebleken. De industriële wereldoorlogen zijn de meeste moorddadige geweest met veel meer slachtoffers dan alle voorgaande oorlogen bij elkaar.

De roofzuchtige cultuur kenmerkt zich door wedijver, egoïsme, geweld en bedrog. De vreedzame door voorbewuste gemeenschapszin en eenvoud. Deze cultuurtypen relateert Veblen aan het begrippenpaar van productieve arbeid versus financIële zaken, ‘business’. Dit laatste kenmerkt de latere fase van de roofzuchtige cultuur. Productieve arbeid kenmerkt de industriële maatschappij en de samenleving waarin Veblen is opgegroeid.

Wedijver kenmerkt zich door het belang van opzichtige status- en prestigevergelijkingen en het etaleren daarvan in demonstratieve consumptie en nietsdoen, tijd- en geldverspilling. Dit doortrekt de hele laat-barbaarse cultuur. Veblen gaat met name in op het consumeren, de geldbesteding, de (goede) smaak, kleding, huisdieren, de rol van de vrouw, klasse- en statusverschillen, arbeidsopvattingen, conservatisme en sociale verandering, mannelijkheid en het vrouwelijk schoonheidsideaal, religie, liefdadigheid, welzijnswerk en wetenschap.

In onderstaande samenvatting wordt verwezen naar de Nederlandse editie, De theorie van de nietsdoende klasse (1974, Arbeiderspers, Amsterdam). Het erudiete Engels van Veblen is niet gemakkelijk. Zijn jargon en zinsconstructies wekken de schijn van objectiviteit, maar tonen zo de rijken in hun onbeduidendheid als een sociaal verschijnsel tussen schijn en werkelijkheid. Hun vele nutteloze bezigheden houden slechts de schijn van rijkdom op. De penetrante observaties van Veblen maken de geestelijke leegte en morele armoede onuitgesproken, maar meedogenloos ironisch en vermakelijk zichtbaar. 

Het ontstaan van de roofzuchtige maatschappij

The Theory of the Leisure Class: An Economic Study in the Evolution of Institutions is voortgekomen uit drie artikelen die Veblen schreef voor het  American Journal of Sociology: 1.“The Beginning of Ownership” 2. “The Barbarian Status of Women”, en 3. “The Instinct of Workmanship and the Irksomeness of Labour” (1898–99). In verschillende hoofdstukken zijn succesievelijk de sporen van deze artikelen aan te treffen. Ook in latere werken heeft hij de vooruitziende ideeën in deze artikelen uitgewerkt.

 “De best ontwikkelde vorm van de nietsdoende klasse als institutie vinden we in de hogere stadia van de barbaarse cultuur,” luidt de openingszin. Kenmerkend is dat deze klasse niet productief is. Haar bezigheden “kunnen we ruwweg indelen in besturen, oorlogvoeren, godsdienstuitoefening en sportbeoefening” (p 27). Het boek begint met een historische en etnologische beschrijving van deze klasse in diverse hogere en lagere barbaarse beschavingen. Er is een onderscheid in productieve en niet-productieve activiteiten, dat overeenkomt met mannen en vrouwenwerk. “Eigenlijk is de hele sector van productieve werkzaamheden een uitvloeisel van het werk van de vrouw in de primitieve barbaarse gemeenschap” (p 30). De man ziet zichzelf niet als werker. “Zijn inspanningen mogen niet op een lijn gesteld worden met het gezwoeg van de vrouwen, met arbeid en nijverheid... Het uitmuntende karakter van zijn werk... wordt ernstig afbreuk gedaan door vergelijkingen met de oninteressante vlijt van vrouwen” (p 30).

“Nog een trap lager op de culturele ladder bij groepen wilden (‘savages’) is de werkdifferentiatie nog minder tot ontplooiing gekomen... Het zijn kleine groepen met een eenvoudige, archaïsche structuur. Ze zijn gewoonlijk vreedzaam en aan één plaats gebonden. Ze zijn arm. En individueel eigendom is geen dominant aspect van hun economisch systeem... De meest treffende eigenschap... is een bepaald beminnelijk onvermogen om zich teweer te stellen tegen geweld of bedrog” (p 31, 32). Jagers en verzamelaars zijn echter vaak niet sedentair maar nomadisch en hebben geen vaste woonplaats, maar trekken rond. Veblen onderscheidt drie hoofdfasen in de (economische en algehele) ontwikkeling van een beschaving: ‘savage’, ‘barabarian’ en ‘civilized’. Het komt overeen met de fasen van jagers-verzamelaars, de agrarische samenleving en de industriële maatschappij. In deze fasen onderscheidt hij vroege en late fasen (zie Douglas Dowd, Thorstein Veblen, p 8).

Veblen plaatst de oorspronkelijke natuurtoestand tegenover het latere stadium van de barbaarse samenleving, waarin de vreedzame manier van leven overgaat in de oorlogszuchtige manier van leven van een roofzuchtige maatschappij. Deze evolutionaire visie is aanvechtbaar. Volgens o.m. Peter Turchin waren sommige vroegere ‘primitieve samenlevingen’ vaak zeer gewelddadig, zo blijkt uit archeologisch onderzoek (Ultrasociety: How 10.000 years of war made humans into the greatest coöperators on earth). Stammen bestreden elkaar op leven en dood. Uit antropologisch onderzoek blijkt dat dit nogal kan variëren. Er zijn bijv. onder de Noord-Amerikaanse indianen gewelddadige en vredelievende stammen, zoals resp. de Kwakiutl en de Hopi-indianen. Turchin verwacht evenals Veblen een meer coöperatieve, vreedzame toekomstige fase. De arcadische utopie van Veblen is mogelijk mede ingegeven door zijn jeugdherinneringen aan het boerenleven. Hij oppert zelf ook de mogelijkheid “dat de hier veronderstelde oorspronkelijke fase van vredig samenleven nooit bestaan heeft” (p 41).

In de roofzuchtige maatschappij ontwikkelt zich “de gewoonte om door geweld of list letsel toe te brengen” (p 32). Ook ontwikkelt zich het onderscheid in dagelijkse productieve activiteiten en heldhaftige activiteiten, tussen gezwoeg en heldendaden.Deze zijn resp. aan vrouwen en aan mannen toebedeeld. Productieve arbeid is gericht op verbetering van het menselijk leven door nuttig gebruik van niet-menselijk materiaal. Het uitbuiten van andere mensen met behulp van dwang ziet Veblen niet als productieve arbeid. Jagen en vechten, met roofzucht als kenmerk, is voorbehouden aan de mannen. Uit zeer recent onderzoek blijkt echter dat ook vrouwen zich vaak met jacht hebben beziggehouden (zie NRC 13 nov. ‘Mevrouw de jager is overal – Vergeet de universele rolverdeling’, met een reactie op 20 nov).

“In de sociale economie... die zich definitief de roofzuchtige levensstijl eigen heeft gemaakt, is het de erkende taak van de gezonde en krachtige man, concurrenten in de strijd om het bestaan, die hem proberen te weerstaan of te misleiden, te doden en te vernietigen; om alle vreemde krachten.., die verzet bieden, te overwinnen en tot onderwerping te brengen... Agressie wordt de algemene manier van handelen en buit dient als prima-facie bewijs van een succesvolle strijd... Daarom gaat het voor onwaardig door als een man in de kracht van zijn leven op een andere wijze dan door roof goederen verwerft... Arbeid wordt als een last gevoeld” (p 37, 39). Verheerlijking van kracht en geweld wordt kenmerkend voor de barbaarse cultuur. “De geijkte barbaarse opvatting over waardigheid en eer maakt vernietiging van het leven – het doden van al dan niet menselijke geduchte tegenstanders – bijzonder eervol” (p 40).

Veblen vat zijn inleidende hoofdstuk aldus samen: “Onze stelling is dus dat de roofzuchtige cultuurfase geleidelijk tot stand komt door een cumulatieve groei van roofzuchtige neigingen, gewoonten en tradities... die een roofzuchtige in plaats van een vreedzame leefwijze bevorderen” (p 42). 

De jacht als atavistisch overblijfsel van de roof met een demonstratief tonen van de buit

‘De wedloop om geld’

Genoemde cultuurfase kenmerkt zich behalve door de opkomst van de niet werkende klasse en het onderscheid in mannen- en vrouwenwerk ook door het ontstaan van individueel eigendom. “Vrouwen zijn als eerste vorm van bezit het eigendom van de krachtige mannen... [Het] begint waarschijnlijk... met de overmeestering en gevangenname van vrouwen... Hierop volgde een uitbreiding van de slavernij tot andere gevangenen en ondergeschikten... Van het bezit van vrouwen breidt het eigendomsdenken zich uit tot de producten van hun nijverheid” (p 43, 44).

“De historische juistheid van zo’n visie [de oorspronkelijke slaverij van vrouwen] kan waarschijnlijk niet worden bevestigd, maar het is vokomen plausibel dat slavernij... een vroege vorm van rijkdom vormde” Dowd, p 9). Door het ontstaan van particulier eigendom “draagt het economisch proces het karakter van een strijd tussen mensen om het bezit van goederen... De economische theorie noemt de voortgezette strijd om rijkdom op de nieuwe industriële basis vaak een strijd voor een aangenamer leven... door de consumptie van goederen” (p 44-45).

Door het ontstaan van particulier eigendom “draagt het economisch proces het karakter van een strijd tussen mensen om het bezit van goederen... De economische theorie noemt de voortgezette strijd om rijkdom op de nieuwe industriële basis vaak een strijd voor een aangenamer leven... door de consumptie van goederen” (p 44-45).

“De historische juistheid van zo’n visie [de oorspronkelijke slaverij van vrouwen] kan waarschijnlijk niet worden bevestigd, maar het is volkomen plausibel dat slavernij... een vroeg vorm van rijkdom vormde” Dowd, p 9). Door het ontstaan van particulier eigendom “draagt het economisch proces het karakter van een strijd tussen mensen om het bezit van goederen... De economische theorie noemt de voortgezette strijd om rijkdom op de nieuwe industriële basis vaak een strijd voor een aangenamer leven... door de consumptie van goederen” (p 44-45). Het historische perspectief van Veblen is aanvechtbaar. Waar het om gaat is een typering van de samenleving van zijn tijd als hoger stadium van de roofmaatschappij. De kenmerkende trekken daarvan worden op overdreven wijze geschetst en doorgetrokken naar de tijd van Veblen, zoals we zullen zien.

“Het motief dat aan de wortel van het eigendom ligt, is wedijver.” Het is een vorm van distinctiezucht, van “afgunstig bekeken aanzien dat met rijkdom verbonden is” (p 46). Door de groei van nijverheid “vervangt verzameld bezit in stijgende mate de trofeeën van roofzuchtige waagstukken als belichaming van superioriteit en succes... Bezit van rijkdom wordt tot de belangrijkste en doelmatigste basis voor aanzien en roem... Directe manifestaties van superieure kracht nemen in omvang en aantal af. Tegelijk doen zich meer en grotere mogelijkheden voor tot economische agressie en accumulatie van bezit met quasi-vreedzame methoden... Het bezit van goederen, op agressieve wijze verkregen... dan wel geërfd, wordt de normale basis voor achting” (p 48). Roofzuchtige prestaties worden vervangen door bezitsvorming en accumulatie van goederen als wegen naar aanzien.

“Waar particulier eigendom bestaat... moet iemand die zijn gemoedsrust wenst te bewaren wel minstens evenveel bezitten als degenen die hij als zijn gelijken beschouwt; en het geeft een uitzonderlijke voldoening, wat meer te bezitten dan anderen... Dit leidt weer tot een nieuw norm van tevredenheid en een nieuwe plaatsbepaling en vergelijking met de buren in kapitaalkrachtig opzicht... De gemiddelde mens zal zich chronisch ontevreden met zijn lot blijven voelen, zolang de vergelijking met anderen ten ongunste van hemzelf uitvalt... Deze voortdurende ontevredenheid zal plaatsmaken voor een rusteloos streven om zover mogelijk uit te stijgen boven het normale niveau... Het individuele verlangen naar rijkdom is in de aard van de zaak vrijwel onverzadigbaar... omdat iedereen ernaar streeft de anderen in de strijd om meer bezit te overvleugelen... Relatief succes, vastgesteld met behulp van aanstootgevende vergelijking met andere mensen, wordt het normale doel van het handelen... Bovendien vormt ook de macht die bezit verleent een motief tot accumulatie” (p 49-51). Een en ander resulteert in “een zo eervol mogelijke demonstratie van geaccumuleerd bezit” om aanzien te verwerven en in een “wedloop om geld”. 

Een dame die ostentatief aan het nietsdoen is

 ‘Demonstratief nietsdoen’

Bij agrarische en andere werkende klassen zijn productieve prestaties en zuinigheid de enige mogelijkheden tot bezitsvorming en competitie. Bij arbeid als aanvaarde levenswijze geldt ook een reputatie van bekwaamheid als mogelijkheid tot wedijver. Bij de bezittende klasse “is bezit van rijkdom en macht niet voldoende om achting te verwerven en te behouden. Rijkdom en macht moeten gedemonstreerd worden... [als] middel om anderen duidelijk te maken hoe belangrijk men is..., maar het is ook nuttig om zelfvoldaanheid aan te kweken.”

Leden van de betere klasse “zijn vervuld van een instinctieve weerzin tegen de meer vulgaire vormen van arbeid... vooral functies die onderdanigheid en dienstbaarheid vragen... Een leven van nietsdoen is het meest overtuigende bewijs van geldelijk vermogen en dus van superieure kracht” (p 54, 55). Daarnaast “maakt  het financiële gewin besturen en oorlog voeren aantrekkelijk, maar het gaat hier om gewin, verkregen met de achtenswaardige methoden van geweld en onderwerping. Deze activiteiten zijn roofzuchtig van aard, niet productief.” (p 57). Handel, die om winst bedreven wordt, ziet Veblen evenals de jacht niet als arbeid, maar als een verder stadium van roofzuchtige activiteiten, Daarom past het bij de nietsdoende klasse.

Het demonstratieve nietsdoen drukt zich uit in “bijvoorbeeld in quasi-geleerde of quasi-artistieke werken en ook in kennis van verschijnselen en processen die niet direct tot verbetering van het menselijk leven bijdragen. Voorbeelden zijn... huiselijke kunst, de laatste mode,... het fokken van honden en renpaarden” (p 61-62). Goede manieren en omgangsvormen en “een pantomime tussen heer en knecht” horen daar ook bij. In een eerdere fase “vertegenwoordigen vrouwen en andere slaven grote waarde als teken van rijkdom, maar ook als middelen om rijkdom te verwerven. Samen met vee (bij een herdersvolk) zijn zij de objecten waarin met winstoogmerken geïnvesteerd wordt” (p 67). Dat geldt ook voor het hebben van bedienden als statussymbool waarmee de heer zijn rijkdom kan etaleren. De vrouw vormde een soort van “levend eigendom” (p 68). Zij dient zich bezig te houden met plaatsvervangend, demonstratief nietsdoen ter bevordering van het welzijn van de heer. Dat geldt ook voor sommige bedienden. Hoe rijker de heer, hoe meer hij zijn rijkdom kan demonstreren in opzichtig nietsdoen van zoveel mogelijk bedienden om hem heen.

Bij de nietsdoende klasse “gebieden fatsoensregels dat gezinsleden hun tijd en energie volledig besteden aan het demonstratieve nietsdoen in de vorm van visites, rijtoeren, clubs, naaikransjes, sport, liefdadigheidsorganisaties en soortgelijke sociale functies... Demonstatieve consumptie... stelt eisen die het leven gecompliceerd en omslachtig maken” (p 75, 76). Daarvoor wordt personeel aangesteld. Bedienden accentueren de statusverschillen en de belangrijkheid en rijkdom van de welgestelde klasse. 

Bezigheden van de ‘leisure class’ 

‘Demonstratieve consumptie’

Naast demonstratief nietsdoen is opzichtige consumptie een middel om prestige te verwerven. Bijv. van dranken en narcotica, dure feesten, aanschaf van dure dingen, enz. Ook de vrouw is heel belangrijk om plaatsvervangend rijkdom te demonstreren met nietsdoen en consumeren. “Zij blijft theoretisch het levend bezit van de man,” zoals in vroegere tijden (p. 89). Dit is uiteraard niet de visie van Veblen, die een voorloper van het feminisme was en vrouwen als gelijke behandelde. (Zie Jan Seijbel, Veblens visie, 1.2.1 De rol van de vrouw, p 52 e.v).

Veblen heeft het over vrouwen in de hogere kringen van de ‘’leisure class’, niet over vrouwen in het algemeen, die behalve in de huishouding vaak werkzaam waren in uiteenlopende beroepen. “Vanaf de 19de eeuw gold het ideaal dat de man de wereld introk en de vrouw thuisbleef. Maar dat is nooit de praktijk geweest” (NRC Wetenschap 7 dec. “Zat de vrouw altijd thuis? Verre van’ over het proefschrift van Myriam Everhard, Ziel en zinnen. Over liefde en lust tussen vrouwen in de tweede helft van de achttiende eeuw. Leiden, 1994). Veel vrouwen werkten ook vroeger buitenshuis. Wel gold het als een statussymbool als vrouwen niet hoefden te werken.

De levenswijze van de welgestelden en hun criteria voor waardigheid “gelden als norm in de hele samenleving... Leden van elke sociale laag maken de levensstijl die de vlak boven hen staande groep heeft aangenomen, tot hun fatsoensideaal en spannen zich in om volgens dit ideaal te leven... Geen enkele klasse, ook niet de allerarmste, ontzegt zich alle demonstratieve consumptie.” (p 89, 90). Bij de lagere klassen bestaat dit bijv. uit borrelen en ‘rondjes geven’. In meer recente tijden mag men zich verheugen over “de groeiende effectiviteit van consumptie als bewijs van rijkdom” (p 96). Dit is echter zozeer gemeengoed geworden dat eenvoudig leven meer in aanzien is gekomen bij een progressieve, milieubewuste voorhoede. Ook in Veblens tijd “heeft het duidelijke zinloze nietsdoen een slechte naam gekregen... Er worden veel organisaties opgericht met nobele wereldverbeterende doelstellingen,... en er wordt veel gepraat zodat men niet hoeft te denken over de werkelijke economische waarde van al deze bedrijvigheid” (p 98).

“Het uitgangspunt blijft dat alleen overbodige uitgaven werkelijk het aanzien van de consument kunnen verbeteren. Slechts verspilling brengt prestige. Er valt geen eer te behalen aan de consumptie van strikt noodzakelijke levensmiddelen” (p 98). Daarnaast kan men zich onderscheiden met morele, fysieke, intellectuele en esthetische prestaties, die samenhangen met financiële gronden. Het begrip ‘verspilling’ kreeg een afkeurende ondertoon. Dit heeft te maken met het relatieve nut van een activiteit. Dat kan echter ook op een ander vlak liggen, zoals vertoon van status. Deze afkeuring komt voort uit het werkinstinct, dat gericht is op nuttige arbeid ter verhoging van het algemeen welzijn. Bovendien kan een onderdeel van de levensstandaard dat aanvankelijk als verspilling gold, tot de noodzakelijke benodigdheden gaan behoren. “Voorbeelden zijn tapijten en wandbekleding,... hoeden,.. juwelen en allerlei kledingstukken,” die door gewoontevorming als onmisbaar worden beschouwd (p 100).

“Dit [werk]instinct is ook de laatste beroepsinstantie in alle vraagstukken van economische waarheid of juistheid... of een bepaalde uitgave... een netto-winst aan levensmogelijkheden en levensgeluk oplevert... Het element van verspilling overheerst meestal bij consumptieartikelen, terwijl bij productiemiddelen het omgekeerde het geval is. [Maar] zelfs in artikelen die op het eerste gezicht geheel en al op uiterlijk vertoon berekend blijken, valt altijd nog wel een tenminste schijnbaar nuttig aspect te ontdekken” (p 101). Nut is dus een relatief begrip. Verspillende consumptie kan nuttig zijn om status te verhogen. 

Verspillende consumptie 

‘De geldelijke levensstandaard’

Mensen geven meer geld uit dan nodig is voor hun welzijn, omdat ze zich voegen naar fatsoensnormen en niet zozeer om op te vallen door opzichtige consumptie. Deze normen ontlenen ze aan de sociale laag of klasse vlak boven hen, die zij volgens Veblen benijden en achterna jagen. Ze vergelijken zich met de lagere lagen (p 102-03). Fatsoenscriteria dienen bruikbaar te zijn bij de in het oog springende vergelijking van geldelijk succes. Bestedingsnormen “zijn erop gericht om elke daling beneden het gebruikelijke demonstratieve uitgavenniveau te voorkomen... Mensen beperken hun uitgaven op geen enkel gebied met vreugde... Hoe langer het proces van gewenning duurt, des te onverwoerstbaarder de gewoonte... De neiging tot wedijver – de behoefte aan aanstootgevende vergelijking – is van zeer oude oorsprong en als menselijke karaktertrek wijdverbreid... Afgezien van het instinct tot zelfbehoud is de aandrang tot wedijver waarschijnlijk het sterkste, roerigste en hardnekkigste economische motief” (p 105-08).

De drang tot demonstratieve verspilling vloeit voort uit de neiging tot wedijver “en staat dan ook klaar om elke toename in de goederenproductie te absorberen... Productieuitbreiding wordt gebruikt om aan de onverzadigbare behoefte te voldoen... J.S. Mill kon zeggen dat ‘het totnogtoe te betwijfelen valt of alle reeds gedane technische uitvindingen de dagelijkse werktaak van ook maar enig mens verlicht hebben’” (p 108-09) Met uitzondering dan van de nietsdoende klasse. Bestedingsnormen bepalen het “financieel fatsoen” en de financiële normen wat betreft uitgaven. Een voorbeeld is opvoeding en onderwijs die aan het gewenste prestige beantwoord. De kosten daarvan kunnen zo hoog oplopen dat het afschrikwekkend werkt. “Dit is waarschijnlijk de meest doeltreffende mathusiaanse voorzorgsmaatregel” inzake geboortebeperking” (p 110). 

 

Parties en diners zijn gelegenheden bij uitstek voor vertoon van luxe en goede smaak 

‘Het geld en de goede smaak’

Er zijn ook “duurtevoorschriften” voor goede smaak. “De consument... dient zich te binden aan een bepaald uitgaven- en verspillingsniveau. De groei van verplicht gebruik heeft een direct effect op het economisch leven,... Maar ook ondervinden andere aspecten van het gedrag er de gevolgen van. Het principe van de demonstratieve verspilling dient als leidraad voor de voorstellingen... over een rechtschapen levenswandel en eerbaar consumptief gedrag” (p 111-12). Deze kunnen o.m. het plichtsgevoel, het esthetisch oordeel en het gevoel voor nut beïnvloeden. “In moderne samenlevingen, waar particulier eigendom de belangrijkste economische en juridische institutie vormt, is de heiligheid van het eigendom het meest markante onderdeel van de goede zeden... De meeste vergrijpen tegen het eigendom... getuigen hiervan... De heilig geachte rijkdom wordt zo hoog geschat vanwege de goede naam die men met demonstratieve consumptie kan verwerven” (p 112, 113).

Omdat het vergaren van rijkdom in hoog aanzien staat “heeft de dief of zwendelaar die met zijn misdrijf grote rijkdom weet te verwerven een betere kans om aan de strengheid van de wet te ontsnappen dan de kruimeldief. De eersten bouwen zelfs een reputatie op met hun nieuwe rijkdom en de manier waarop zij hun onrechtmatig verkregen bezit verteren. Een beschaafde besteding van hun buit... werkt sterk kalmerend op de morele ontsteltenis die het delict opwekt” (p 112-13). Dit geldt bijv. ook tegenwoordig voor belastingontduiking en milieumisdrijven. Het doet vragen rijzen bij de morele voorschriften wat betreft de verwerving, vergroting en verdeling van eigendom. 

(Anon., Festival of the Supreme Being, Date 1794; Source: Wiki Commons, PD-Old-100). https://www.patheos.com/blogs/cosmostheinlost/2017/03/17/the-myth-of-the-secularization/

Het beeld van God is ontleend aan een heerser op een troon 

Vrome consumptie

Vervolgens gaat Veblen in op religie en wat hij ‘vrome consumptie’ noemt. Ook daar geldt demonstratieve verspilling, bijv. bij heilige gebouwen, objecten en gewaden. “Waarneming en introspectie leert ons al snel dat de dure pracht van het bedehuis de gelovige in hoger sferen brengt en zijn ziel ontroert... Tegelijkertijd biedt het heiligdom weinig of geen gerief aan de leden... Het principe  van soberheid is zo ver doorgevoerd, dat de inrichting van het gebouw zich voortreffelijk leent tot een kastijding des vlezes.” Het valt vaak op dat “de godheid... grote gelijkenis toont met aardse patriarchale potentaten... De erin voorhanden voorzieningen zien eruit als goederen die bestemd zijn voor de demonstratieve consumptie van een sterfelijke eigenaar” ( p 114, 115). Verder valt op “dat er nauwe verwantschap bestaat tussen het priesterambt en dat van de lakei,” met wat betreft het dienstbetoon aan de heer. “De term godsdienst is in dit verband veelzeggend” (p 117, 116).

De smaak, neigingen en gewoonten wat betreft (financieel) prestige worden door gelovigen aan hun godheid toegeschreven.  “Alle volken,... hoe verlicht ze ook mogen zijn, stellen zich met een verbazend geringe hoeveelheid authentieke informatie over... hun godheid tevreden..., waarbij zij de godheid gewoonlijk al de eigenschappen toekennen, die in hun ogen een mens volmaakt doen zijn... In onze ogen leidt de godheid een zeer sereen en door nietsdoen gekenmerkt leven.” Het zich onthouden van productieve arbeid kenmerkt ook de priesters. “Op feestdagen ter ere van de godheid mag niemand nuttige arbeid doen. Zelfs de leken... behoren op een van de zeven dagen het plaatsvervangend nietsdoen in acht te nemen.” Dit alles ter ere van de godheid (p  118, 119). Vrome consumptie komt dus sterk overeen met profane consumptie en prestigetoekenning. 

Wat duur is vinden we mooier

Financiële overwegingen beïnvloeden meestal onbewust ook de esthetiek en het gevoel voor schoonheid, gezien “onze voorliefde voor het dure, dat onder het mom van het mooie optreedt” (p 120). Een goedkope imitatie die niet van echt is te onderscheiden, benadert maar een fractie van de waarde van een origineel product. De huidige hang naar merkartikelen stemt hiermee overeen. Bij mooie en kostbare juwelen en andere voorwerpen gaat het vaak minder om de schoonheid dan om de kostbaarheid en “het gevoel van financiële superioriteit” dat erdoor bevredigd wordt.

“De duurtenorm beïnvloedt onze smaak zodanig dat wij niet meer in staat zijn om kenmerken van duurte  en esthetische kwaliteiten uit elkaar te houden (p 122). Deze verwarring van kostbaarheid en esthetiek zien we vooral ook bij kleding en meubilair. We vinden mooi wat in de mode is. “Een mooi artikel dat niet duur is, gaat men eerder lelijk vinden” (p 123). “Bepaalde soorten mooie bloemen gaan door voor lastig onkruid. Andere soorten, in wezen helemaal niet mooier, worden tegen hoge kosten gekweekt en kunnen rekenen op het enthousiasme van bloemenliefhebbers wier smaak gerijpt is in een zeer verfijnd milieu” (p 123). Er zijn dus financiële schoonheidscriteria, ook bij uiteenlopende gebruiksartikelen en zelfs bij huisdieren. 

 

Het schoothondje en de doorgefokte jachthond als statussymbolen 

Huisdieren: de kat, de hand en het paard

De kat geniet minder aanzien dan de hond, het paard en exotische vogels. “Ze is minder verspillend, soms zelfs nuttig. Bovendien maakt haar karakter haar ongeschikt voor eervolle doeleinden. Ze... weet niet van rang en stand,... eer en prestige; en laat zich maar moeilijk gebruiken voor een aanstootgevend vergelijking tussen haar eigenaar en zijn buren. Een uitzondering vormen... exotische exemplaren als de angorakat.”

“De hond verkeert door zijn nutteloosheid en zijn bijzondere karakter in een voordelige positie. Men roemt hem vaak als vriend van de mens... Daarmee wordt bedoeld dat de hond de dienaar van de mens is en dat hij de gave van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid bezit en als een slaaf zo vlug de stemming van zijn meester kan aanvoelen... Eigenschappen die hem tot een ideale ondergeschikte maken... Naast deze eigenschappen... is hij van alle huisdieren het vuilst en houdt er zeer nare gewoonten op na. Dit wordt goedgemaakt door een slaafse, kruiperige houding tegenover zijn meester... De hond heeft onze sympathie omdat wij op hem onze heerszucht kunnen uitleven.” Vervolgens moet het fokken van wanstaltige hondenrassen het ontgelden, “waarvan de esthetische waarde... correspondeert met de mate van absurditeit en excentriciteit van de misvormingen die de wisselende mode voorschrijft” (p 130).

“Het snelle paard en de hond hebben veel gemeen. Ze zijn in het algemeen duur, verspillend en nutteloos... Snelle paarden... vormen een doeltreffend bezit om met anderen te wedijveren. De agressieve driften en de heerszucht van de eigenaar worden bevredigd wanneer zijn paard dat van de buurman verslaat” (p 130). Bovendien kan de eigenaar pronken met zijn paarden. Het paard voldoet meer dan de hond aan financiële prestigenormen. 

 Het vrouwelijke schoonheidsideaal

Ook het schoonheidsideaal van de vrouw wordt beïnvloed door overwegingen van demonstratief nietsdoen en consumeren. In de riddertijd werden dames van hoge rang voortdurend beschermd en begeleid en van arbeid vrijgesteld. Men dweepte vooral met fijne gelaatstrekken en een slanke taille, “zo dun dat ze het elk moment lijkt te kunnen begeven” (p 133). Later raken smachtende en romantische sentimenten in trek, die men nog overvloedig aantreft bij gegoede klassen. In industriële landen “keert men terug naar het ideaal van de broze, doorschijnend tere en gevaarlijk slanke vrouw... De wedijver verlangde nu eens zinnelijke slavinnen, dan weer een opvallend vertoon van demonstratief nietsdoen en dus van zichtbare arbeidsongeschiktheid, [die...] een slanke leest voorschrijft... De zo gebouwde persoon is onbekwaam voor het verrichten van nuttige inspanningen, en moet dus, terwijl zij haar tijd in ledigheid doorbrengt, door de eigenaar onderhouden worden. Zij is nutteloos en duur en daarom als bewijs van financieel vermogen waardevol” (p 134).

Een ingesnoerde taille en andere misvormingen zoals verminkte voeten bij Chinese vrouwen accentueren de arbeidsongeschiktheid. “Onder invloed van financiële fatsoensregels vinden mannen deze... abnormale lichaamsvormen aantrekkelijk... Mensen met een primitieve smaak vinden deze misvormingen weerzinwekkend.” Zo behoren de eisen van financieel prestige tot een “eervol element en onderdeel van het vrouwelijk schoonheidsideaal” (p 134-35). Prestigenormen vermengen zich hierbij met schooheidsidealen.

Volgens Veblen echter “hebben criteria van prestige en het onbedorven schoonheidsgevoel weinig gemeen.” Financiële normen leiden “tot een min of meer grondige uitroeiing van al die schoonheidselementen die er niet aan beantwoorden.” Hij probeert aan de hand van psychologische inzichten aan te tonen dat “eenvoudige en onopgesmukte gebruiksvoorwerpen het mooist zijn” in plaats  van “vindingen die de verspiling goed doen uitkomen” en “door een vernuftige vormgeving... de kijker voor raadsels stellen... [of] in verwarring brengen.” Hij doelt op “totaal overbodige producten van een misbrukte inventiviteit en arbeid, [waarin] alle elementen die nog voor mooi en bruikbaar kunnen doorgaan zoveel mogelijk worden onderdrukt” (p 136-37). De kunstnijverheid biedt voorbeelden te over, om maar niet uit te weiden over “de grote architectonische ellende” waarvan Veblen gewag maakt. Het laat zien “hoe men duur en onaangenaam kan wonen”. Ook “buitenissige bijzonderheden” kunnen als smaakvol en prestigieus worden beschouwd, met name als ze aan het kostbaarheidsprincipe beantwoorden.

Wat betreft consumptiegoederen geldt de consumptie van dure goederen als meer verdienstelijk. “Een duidelijk groter kostenelement dan voor hun praktisch doel noodzakelijk is, geldt als eervol. Door overbodige duurte worden goederen dus waardevol” (p 139). De deugdelijkheid voor wedijver geeft goederen een indirect, aanstootgevend nut boven hun praktische bruikbaarheid. Beide aspecten worden met elkaar vermengd bij de productie van goederen, die dus niet alleen praktisch bruikbaar dienen te zijn, maar ook prestigebevorderend, modieus, gedistingeerd enz. Handwerk staat bijv. hoger in aanzien als een dure en “sterk verspillende productiemethode”. Onvolkomenheden en onregelmatigheden geven handwerk een “eervolle onbeholpenheid”, superieure waarde en charme (p 142). Dat geldt ook voor archaïsche en antieke producten. Dit alles houdt verband met “demonstratieve verspillingsnormen” en “consumptieven fatsoensregels,” die het prestige, de smaak en de schoonheid benadrukken boven de bruikbaarheid. De meer opvallende verspillingsnormen hebben volgens Veblen een grotere selectieve werking en lenen zich beter voor wedijver dan ‘gewone producten’. 

De (adellijke) vrouw als pronkjuweel, haar kleding is volkomen ongeschikt voor welke arbeid dan ook

 ‘Kleding als uiting van de geldcultuur’

Eerdergenoemde principes gelden bij uitstek voor kleding. “Hoe prijziger iets is, des te mooier en deugdelijker komt het ons voor... Een wijs politicus heeft de situatie goed samengevat in de uitspraak: ‘Een goedkope jas maakt een goedkope man’” (p 149, 140). Ook hier vaak een voorkeur voor handgemaakt, bijv. maatpakken. Van belang is ook dat een persoon zo wordt uitgedost dat hij “onmogelijk iets met activiteiten van doen kan hebben die enig nut voor de mensheid bezitten. Elegante kleren zijn niet alleen elegant omdat ze duur zijn, maar ook omdat ze het nietsdoen symboliseren. Ze bewijzen dat de dragen tot hoogwaardige bestedingen in staat is en consumeert zonder te produceren. Vrouwenkleding gaat in dit opzicht het verst” (p 150). Zij maken een vrouw vaak volkomen ongeschikt voor nuttige arbeid. Men denke aan dameshoeden, hoge hakken, de vroegere korsetten en lange rokken: ze verhinderen alle de nuttige inspanning. “In vrouwenkleding ligt de nadruk duidelijk sterker op... de vrijstelling van vulgaire arbeid of de onbekwaamheid tot elke productieve activiteit.” De vrouw dient “het ‘grootste pronkstuk’ van de huishouding te zijn... [en] dwingt zich onvermoeibaar bezig tezijn met het te kijk stellen van dure kleding en andere vrouwelijke opschik” (p 156, 157).

Mode hangt ook samen met verspillingsnormen. “Als het verboden is om kleren uit het vorige seizoen nog langer te dragen, zullen de uitgaven voor demonstratieve verspilling toenemen... Prestigenormen verlangen dat kleding van verspilling blijk geeft” (p 152, 154). Dat geldt zoals gezegd vooral voor vrouwenkleding. In hogere klassen “is de enige economische functie van de vrouw... de zorg voor demonstratieve verspilling... Hoe duurder en onproductiever de vrouwen zijn... des te meer prestige verschaft hun leefwijze” (p 157). De “verachting van alle comfort” van de hoed, de hoge hak, de rok en het korset dienen “theoretisch geredeneerd, als bewijzen, dat vrouwen nog steeds, al is het misschien een wat karikaturaal beeld, de onderhorigen van de man zijn... Zij zijn dieneressen... om de geldelijke capaciteiten van hun heer ten toon te spreiden” (p 158). Op weinig subtiele wijze beschrijft Veblen hier de achterstelling van de vrouw. Kleding van welgestelde mannen zou in mindere mate uitgesproken ongerief en onderhorigheid aan anderen met zich meebrengen. Mannen hebben zich bevrijd van kledingstukken die “al te hinderlijk werden,” zoals gepoederde pruiken (p 157-58, 161-62). 

Bij priesters hebben hun kleding en gewaden een vergelijkbare functie als bij vrouwen en bedienden, zoals huisknechten in een ongemakkelijk en protserig livrei. “De priester oefent de functie uit van een lijfknecht, toevertrouwd aan de godheid” (p 159). Het gaat bij al deze kleding om het etaleren van demonstratieve consumptie, de rode draad in het boek.

In deel 4C volgt een samenvatting van de tweede helft van het boek, dat meer ingaat op de maatschappelijke en sociaaleconomische achtergronden van de ‘leisure class’ en de werkende klassen. Ook de positie van de vrouw, de sport, de religie, het welzijnswerk en het hoger onderwijs komen aan de orde in de interdisciplinaire kritische visie die typerend is voor Veblen. 

De kleding van met name de dames is beslist ongeschikt voor productieve arbeid