De machtselite
Deel 4C, Thorstein Veblen: continuïteit en verandering in de geldcultuur

Civis Mundi Digitaal #105

door Piet Ransijn

https://warwick.ac.uk/fac/soc/pais/research/researchcentres/ipe/underthegazeofgiants/thorstein_veblen_4.pdf

De machtselite deel 4C Thornstein Veblen: continuïteit en verandering in de geldcultuur 

Dit gedeelte bevat een vervolg van de samenvatting van The Theory of the Leisure Class van Veblen. Het gaat over de maatschappelijke en sociaaleconomische achtergronden van de ‘leisure class’ en de werkende klassen. Ook de positie van de vrouw, de sport, de religie en het welzijnswerk en het hoger onderwijs komen aan de orde in de interdisciplinaire kritische visie die typerend is voor Veblen.

‘Vrijstelling van arbeid en conservatisme’

Sociale instituties, leefwijzen en denkpatronen passen zich voortdurend aan in veranderende omstandigheden in een evolutionair proces van adaptatie in de strijd om het bestaan. Tegelijk hebben mensen de neiging aan traditionele denkwijzen en leefpatronen vast te houden, “tenzij de omstandigheden een verandering afdwingen”. Dit brengt een tendens tot conservatisme met zich mee. Bij sociale veranderingen dienen ook de denkpatronen te veranderen. “Sociale ontwikkeling is [ook] een geestelijk aanpassingsproces... onder de druk der omstandigheden... Wanneer een sociale groepering of klasse op essentiële punten beschut blijkt tegen de inwerking van de omgeving, dan zal deze... slechts in traag tempo haar opvattingen en leefwijze wijzigen. Zij vertraagt daarmee het proces van maatschappelijke omvorming. De rijke nietsdoende klasse bevindt zich in zo’n beschutte positie ten opzichte van de economische krachten die op verandering en aanpassing aansturen” (p 166-68).

“De nietsdoende klasse is conservatief... Aan de nietsdoende klasse komt de taak toe om de vooruitgang te vertragen, en te bewaren wat reeds achterhaald is... Zij zal zich op grond van haar geprivilegeerde positie van alle klassen het minst ontvankelijke tonen voor verdere ontwikkeling van de instituties” (p 171). Welgestelden hebben meestal weinig of geen baat bij maatschappelijke veranderingen, omdat zij al in een bevoorrechte positie verkeren in tegenstelling tot de armere groeperingen die wel baat kunnen hebben bij verandering.

 

Conservatieve invloed van de welgestelde klasse

De normen van de welgestelden zijn toonaangevend voor de rest van de samenleving. Dit geeft een grotere reikwijdte aan hun conservatieve invloed, die een vertragende werking heeft op sociale veranderingen. Veblen noemt bijv. het vrouwenkiesrecht, het verbod op roesverwekkende dranken, inperking van het erfrecht enz. (p 174). Bij de armere klassen ontbreekt de energie om hun levensbeschouwing te herzien. Zij kunnen zich de inspanning die sociale verandering vergt, niet veroorloven en hebben eveneens conservatieve tendensen, die een obstakel vormen voor vernieuwing.

De nietsdoende klasse remt de maatschappelijk ontwikkeling 1.door haar weerstand tegen verandering, 2. haar voorbeeld van conservatisme en demonstratieve verspilling, 3. de ongelijke verdeling van rijkdom en bezit. 4. het (klasse)belang om haar geprivilegeerde positie in de bestaande orde zo te laten. Zij wil de bestaande onaangepastheid van instituties bestendigen op basis van klassebelangen (p 117-18). Het is echter ook mogelijk dat welgestelden wel bijdragen tot de sociale vooruitgang, bijv. door industrialisering, wetenschap en technologie en andere vernieuwende ontwikkelingen, zoals filantropisch werk, zoals nog aan de orde komt. Veblen ziet dat als vorm van regressie naar het vreedzame, voor-roofzuchtige karakter. 

‘The instinct of workmanship’ in actie 

Kapitaal versus productieve arbeid

Tegenover de instituties van bezit, geld en kapitaal staan die van de productie en arbeid; dus het zakenleven tegenover de productieve arbeidssector. De activiteiten van de niet werkende klasse hebben te maken met financiële transacties, handel en winststreven en uitbuiting, niet met nuttige productie. “Zij spelen een parasitaire rol. Zij hebben er belang bij... op zoveel mogelijk middelen beslag te leggen... De conventies van de zakenwereld zijn onder invloed van het roofzuchtige of parasitaire principe ontstaan...  De financiële klassen zijn er in geïnteresseerd om de financiële instituties zo aan te passen, dat zij zo groot mogelijke particuliere winsten afwerpen” (p 179, 180). Daartoe dienen beleggingen en koersen, trusts en syndicaten, financiële regelingen e.d. ter bevordering van “vreedzame en ordelijke uitbuiting”. Veblen hoopt op het overbodig worden van deze financiële klasse en de geleidelijk vervanging van de grote ondernemer. Hij geeft niet aan hoe.

Het zakenleven en financiële dienstverlening kunnen wel onderscheiden worden van het productieproces, maar niet gescheiden. Voor productie is geld nodig om in een bedrijf te investeren, voor investeringen in productiemethoden en fabrieken. Dat weet iedere boer. Een bedrijf is ook geld waard, dat zich laat opdelen in aandelen die de aandeelhouderswaarde weergeven. Er is dus geen simpele tweedeling, wel een onderscheid in financiële en productieve activiteiten, waarbij geldzaken en winst maken meer bepalend zijn geworden voor de bedrijfsvoering dan productie die direct ons welzijn bevordert. “De financiële activiteiten zijn ook meer met prestige omkleed dan de productieve.” Dat geldt bijv. voor bankiers en advocaten “die zich bezighouden met de fijne knepen van het roofzuchtig bedrog” (p 195-96).

 

 ‘Het voortleven van archaïsche eigenschappen’

De welgestelde klasse drukt zijn stempel op maatschappelijke instituties door bepaalde menselijke eigenschappen en gewoonten te bestendigen. “Daardoor bepalen ze de geest die er in een samenleving heerst.” Ze streeft naar “karaktervorming die op het verleden gebaseerd is” (p 182). Uit het selectieproces van etnische typen zijn volgens Veblen twee hoofdvarianten voortgekomen: de vreedzame en de roofzuchtige variant. Bij de laatste hoort het statussysteem, financiële wedijver en de geldcultuur. Het oorspronkelijke vreedzame type kenmerkt zich door vreedzaam groepsleven en “nog nauwelijks bewust gevoel van groepssolidariteit... De overgang naar de roofzuchtige cultuur... ging gepaard met toename van tegenstellingen tussen de groepsleden.” De vreedzame cultuurfase kenmerkte zich ook door “geweten... en gevoel voor rechtvaardigheid; en door het werkinstinct in zijn oorspronkelijke niet door statusmotieven verminkte vorm” (p 187, 188).

Veblen meent dat genoemde typen een erfelijke basis hebben, hetgeen moeilijk is te onderbouwen. Het zijn veeleer ideaaltypen of denkconstructies, die niet vrij zijn van impiciete waardeoordelen. Het vreedzame type lijkt op een meer gewenste ideaaltoestand, die kan dienen als maatstaf en als achterhaald alternatief voor de huidige toestand. Dit ideaal zou overeenkomen met de oorspronkelijke toestand van de menselijke natuur, waarvan de mensen vervreemd zijn geraakt. Het heeft te maken met het vervreemingsbegrip van Marx en vele anderen, waarover talloze publicaties zijn verschenen. Interessant om uit te diepen, maar dit artikel beperkt zich tot Veblens boek.

“Het roofzuchtige karakter leent zich niet voor alle doeleinden van het moderne leven, zeker niet voor het moderne arbeidssysteem” (p 186). Het is volgens Veblen ‘archaïsch’ en past niet goed meer bij de moderne tijd en de rationele industriële productiewijze. “In industrieel volwassen landen... valt het belang van de gemeenschap niet langer samen met de belangen van het wedijverende individu... De omstandigheden dwingen deze landen niet meer tot onderlinge vijandigheid, uitzonderingen daargelaten... Het succes van het ene land bevordert de bloei van het andere... Het collectieve belang vaart wel bij eerlijkheid, ijver, vredelievendheid, goede wil en afwezigheid van egoïsme” (p 192-93).  Naast deze “productieve deugden” kenmerkt de productieve oriëntatie zich door “het causale denken,.., technische efficiency of nut” en “een werklustige instelling” (p 201, 203).

Door financiële activiteiten... worden roofzuchtige kwaliteiten gecultiveerd... Door geldpolitieke operaties wordt gestreefd naar rendementsverhoging... [Dit] versterkt een roofzuchtig karakter en denkpatroon... De financiële beroepen vormen een goede leerschool voor praktijken... van oplichterij, en niet zozeer voor de meer archaïsche methode van gewelddadige bezitsverovering... Onverhulde agressie en bruut geweld maakten grotendeels plaats voor sluwe kunstgrepen en chicanes als meest beproefde middelen voor de accumulatie van bezit... De ideale geldmens gebruikt net als de ideale delinquent zonder gewetenswroeging goederen en mensen voor zijn particuliere doeleinden” (p 194, 199, 200).

“Dergelijke [roofzuchtige] eigenschappen laten zich niet gemakkelijk elimineren, zelfs niet als het selectieproces zo streng en langgerekt is als tijdens de roofzuchtige en quasi-vreedzame fase” (p 189). Dat zou komen omdat de selectie van deze eigenschappen de vreedzame eigenschappen en personen heeft onderdrukt en weggeselecteerd. Bij het concurrentiesysteem past geen goedmoedigheid, rechtvaardigheid en sympathie. Het gebrek daaraan garandeert succes in de roofzuchtige geldcultuur, die zich kenmerkt door wedijver, gewelddadigheid, kliekgeest, onbetrouwbaarheid, bedrog en geweld. Naast “vrijelijk gebruik van bedrog” vormen “berekening en vermogen tot intrigeren” en andere “financiële deugden” aspecten van deze cultuur (p 189-91, 199). De geldcultuur bevordert de selectie van dergelijke eigenschappen van de ‘homo economicus’ die zich door berekening en eigenbelang laat leiden (p 203). De welgestelde klasse vormt het gezaghebbende voorbeeld voor lagere klassen, die de gesublimeerde archaïsche eigenschappen van deze klasse en de geldcultuur overnemen. Hun productieve instelling wordt ook steeds meer een strijd om geld, dat in toenemende mate gebruikt wordt voor demonstratieve verspilling naar het voorbeeld van de welgestelden. We zien ook tegenwoordig nog de uitwassen daarvan.

Manhafigheid in moderne vorm’

Volgens Veblen is regeren vanouds een roofzuchtige bezigheid, vaak onder het mom van krijgshaftigheid en patriottisme. Oorlog werd gezien als eervol. Hij meent dat de agressieve oorlogsgeest op zijn retour is bij een hoog niveau van industriële ontwikkeling, dat gebaat zou zijn bij vredelievende nijverheid. Industriële oorlogvoering lag nog niet in zijn verschiet, dat kwam pas later.  “Zolang ze niet wordt opgehitst, toont zich de massa in een industriële maatschappij... afkerig van alle gewapende strijd, met uitzondering van een defensieve oorlog” (p 207).

Vechten brengt Veblen ook in verband jongensachtige neigingen. “In een groep jongens loopt degene die een keer eens niet wil of kan vechten,.. haast altijd het gevaar zijn prestige te verliezen... Het komt nogal eens voor dat de overgang van het jongensachtige naar het volwassen karakter niet plaatsvindt... De trekken die de snoeverige delinqent en de overdreven vormelijke, nietsdoende heer onderscheiden van het gewone volk, wijzen op een gestokte geestelijke ontwikkeling” (p 209, 210). Uitingen van vechtlust en heldendaden vinden we behalve in (pseudo-)militaire organisaties en de jacht vooral in de sport. Sport past goed in de cultuur van demonstratieve, nutteloze wedijver en sluit aan bij het vroeg-barbaarse karakter.

“In brede kringen van de bevolking kan mannelijkheid zoals de sport die aankweekt, op grote bewondering rekenen... De eigenschappen van de roofzuchtige mens zijn in moderne landen ook onder het gewone volk nog lang niet uitgestorven... Manhaftigheid manifesteert zich... als geweld en bedrog. In wisselende mate treffen we deze twee uitingsvormen... in de financiële beroepen en de sport aan... Woestheid en sluwheid zijn twee barbaarse eigenschappen waarop de roofzuchtige mentaliteit berust. Het zijn uitingen van een egoïstisch denkpatroon. Beide zijn ze uiterst nuttig voor wie in het leven naar aanstootgevend succes streeft... Maar al evenzeer zijn ze beide nutteloos voor de collectieve doeleinden van de samenleving“ (p 219, 226). 

Het antropomorfe godsbeeld van god als vaderlijke heerser. Savaoph, God the Father, Viktor Vasnetsov (1848-1926) http://www.ddn777.nl/#!god_de_vader/ 

‘Vrome gebruiken’

Het geloof in een bovennatuurlijk macht ziet Veblen als uiting van het animistische geloof, dat de wereld bezield is. Het speelt een rol bij het geloof in geluk bij kansspelen, amuletten en een ‘onzichtbare hand’. “Het animistische denken vertroebelt voortdurend het inzicht in de causale samenhang der dingen... De idee van een geïntegreerde en verpersoonlijkte bovennatuurlijke macht is geen geschikt middel om greep te krijgen op... het leven... Zij vormt vooral een toevlucht en een bron van troost... Betrekkelijk zelden zoekt men troost in de minder antropomorfe geloofsrichtingen, zoals de unitarische of de universalistische” (p 235-36, 238, dat zijn bijv. de meer vrijzinnige Quakers).

“Antropomorfe godsdiensten houden vormen van denken in stand... die gunstig zijn voor een statussysteem... In hun bloeiperiode behoren het roofzuchtige karakter, het statusgevoel en de antropomorfe godsdienst gezamenlijk tot de roofzuchtige cultuur... De antropomorfe godsdienst is... een institutie die zich vooral onderscheidt door de statusverhouding tussen het menselijk subject als onderdanige dienaar en de verpersoonlijkte bovennatuurlijke macht als superieur... Dit geloof in een bovennatuurlijk instantie gaat gepaard met... een min of meer devote onderwerping aan de ondoorgrondelijke raadsbesluiten van de godheid” (p 239-40, 243).

“Het archaïsche, roofzuchtige menselijke karakter stelt zich niet tevreden met diepzinnige ideeën over een zich ontbindende persoonlijkheid die nadert tot het concept van de kwantitatief causale opeenvolging, zoals de door de speculatieve, esoterische richtingen in het christendom veronderstelde Eerste Oorzaak, de Universele Intelligentie, de Wereldziel, of het aspect van het Spirituele” (p 244). Het roofzuchtige karakter heeft een voorkeur voor een antropomorfe godsdienst.

“De antropomorfe godheid neemt het in kwesties van eerbetoon zeer nauw en toont zich geneigd haar heerschappij tot gelding te laten komen en haar macht willekeurig uit te oefenen – geweld spreekt vaak het laatste woord... In latere formuleringen van het antropomorfe credo wordt de heerszucht van deze ontzagwekkende, almachtige en ondoorgrondelijke godheid verzacht tot ‘vaderlijke god’... De geesteshouding en neigingen zijn nog steeds in overeenstemming met het statussysteem, maar zij krijgen nu de patriarchale tinten die voor het quasi-vreedzame cultuurstadium kenmerkend zijn” (p 247)

“Boven de priesterklasse staat meestal een volgens hiërarchisch principe ingedeelde bovenmenselijke, plaatvervangend nietsdoende klasse van heiligen, engelen, enzovoort – of van hun equivalenten in heidense godsdiensten. Zij stijgen in rang volgens een verfijnd statussysteem. Het statusprincipe beheerste het hele hiërachische systeem” (p 259). Zo boven, zo beneden. De maatschappelijk orde hangt samen met de religieuze concepties. Bijvoorbeeld “de houding van trouw... moet beschouwd worden als een variant van de persoonlijke onderdanigheid die in het roofzuchtige en quasi-vreedzame leefpatroon zo’n vooraanstaande plaats inneemt” (p 248).

 

https://nl.wikipedia.org/wiki/Materialisme_(levenshouding)

 De moderne zienswijze

Echter, “de denkwijze die voor... een vreedzame, industriële samenleving het best voldoet, is de nuchtere instelling die materiële zaken beoordeelt naar de betekenis... en technische processen...Om de hoogst mogelijke economische efficiëntie te bewerken, moet de wereld als geheel van kwantitative, causale en zakelijke krachten en processen geïnterpreteerd worden... De houding die het moderne leven aankweekt is ongunstig voor de ontplooiing van het geloof... Zij werken ‘materialisme’ in de hand en laten van kinderlijke piëteit weinig over... Het gebrek aan kinderlijke vroomheid is een verschijnsel dat zich vooral in de stedelijke bevolkingsgroepen voordoet die technische arbeid verrichten. Tegenwoordig moet een onberispelijke, kinderlijke vroomheid niet in de eerste plaats gezocht worden bij degenen die als ingenieur of technicus werkzaam zijn” (p 250, 267)

“Karakteristiek vrome eigenschappen staan de collectieve doeleinden van de eigentijdse samenleving in de weg, vooral met betrekking tot een efficiënt verloop van het arbeidsproces. Daarom zou men verwachten dat deze karaktereigenschappen langzamerhand uitsterven... Men zou verwachten dat de vroomheid in de arbeidende klassen afneemt... Het moderne arbeidsproces noopt mensen ertoe, verschijnselen in kwantitatieve en causale zin uit te leggen... Kerken verliezen hun greep op de handwerkersklasse,...[die] zich het antropomorfe geloof en alle vrome gebruiken steeds minder gelegen laat liggen.,. Er wordt van hen voortdurend verlangd dat zij zakelijk en nuchter beoordelen welke causale samenhangen er tussen de verschijnselen bestaan... Wat het geloofsleven van de arbeider betreft, leidt dit tot onvroom scepticisme (p 259-62, 268).

Veblen voorzag het secularisatieproces al 120 jaar geleden. “Het archaïsche, persoonlijk gerichte statusgevoel - van patriarchale verhoudingen van heerschappij en onderdanigheid - past in het economische patroon van de roofzuchtige en quasi-vreedzame cultuur; maar niet in het moderne economische patroon. 

http://www.mentortijd.nl/tag/materialisme/ 

‘De doorwerking van het niet wedijverende belang’

“De antropomorfe godsdienst met zijn stelsel van vrome gebruiken raakt in onbruik... De vrome houding vermengt zich met andere motieven en impulsen... die men niet tot de gewoonte der persoonlijke onderdanigheid kan herleiden... We willen de barmhartigheid en de gemeenschapszin noemen.., de diverse uitingen van menselijke solidariteit en sympathie... Deze [vrome] impuls leidt tot matiging, zo niet de ondergang van het egoïstisch vooroordeel door een opheffing van de tegenstelling tussen ik en niet-ik...  Dit niet-aanstootgevende overblijfsel van het religieuze leven - het gevoel van verbondenheid met de omgeving en het leven zelf - evenal de gevoelens van barmhartigheid en de neiging aansluiting bij anderen te zoeken, geven richting aan het menselijk denken... maar het is moeilijk de resultaten precies aan te geven... Dit soort motieven gaat in een richting die tegengesteld is aan de principes waarop de nietsdoende klasse gebouwd is,... de gewoonte om aanstootgevende vergelijkingen tussen mensen te maken” (p 270-72).

Ook bij de welgestelde klasse “blijkt een groot aantal mannen die het financieel beheer over ondernemingen voeren, zich erover te verheugen wanneer er goed en nuttig werk wordt afgeleverd,... afgezien van winst die dit oplevert. De pogingen van commerciële clubs en organisaties... om los van aanstootgevende motieven de efficiëntie te verhogen, zijn bekend. De neiging om zich aan andere dan aanstootgevende doeleinden te wijden, heeft geleid tot het ontstaan van talrijke organisaties die zich op liefdadigheid richten of sociale hervormingen bepleiten. Deze organisaties hebben vaak een pseudo-religieus karakter... Men denke aan bewegingen... voor bestrijding van onzedelijkheid en het voorkomen van oorlog,... buurtverenigingen,.. en naaikransjes, gezelligheidsverenigingen, artistieke clubs... en ook stichtingen voor liefdadigheid... In de meeste gevallen zijn onzelfzuchtige motieven aanwezig... In het moderne leven manifesteert zich een duidelijke scepsis ten aanzien van de legitimiteit van een op wedijver gebaseerd leefpatroon... Anderzijds... spelen egoïstische motieven een rol... ter verhoging van prestige” (p 275-76).

“Het valt op dat vrouwen... met meer inzet en volharding deelnemen dan mannen” (p 276). Dat heeft te maken met het gegeven dat zij niet deelnemen aan het productieproces. Het ‘werkinstinct’, “de impuls tot doelgericht handelen,... de werkdrift die zich niet laat beteugelen, doet zich gelden op andere terreinen dan het zakenleven,... zoekt een uitweg in niet-winstgevende bezigheden [en...] zal ook in religieuze ijver en vrome werken uitmonden... Doordat het vrome belang meespreekt, neemt de economische waarde van deze niet-aanstootgevende activiteiten af... Zelfs in zo grote mate dat deze groep van activiteiten nog nauwelijks enig nut lijkt op te leveren – wanneer men dit nut ten minste afmeet aan de verbetering van bestaansmogelijkheden van individueen en klassen voor wier heil de activiteiten bedoeld zijn... Het gaat hun vaak evenzeer ter harte om de armen de nette manieren en de fatsoensopvattingen van de hogere klasse in te praten. Economisch gezien blijken deze goede manieren meestal neer te komen op een demonstratieve verspilling van tijd en goederen” (p 277-78).

Prestigeoverwegingen spelen een rol van betekenis. “’Oorsponkelijke principes... moeten [vaak] wijken voor het streven naar prestige... Het geldt als verdienstelijk... belangstelling voor het welzijn van de armen te tonen... Nog verdienstelijker is het misschien om... zich begaan te tonen met het culturele welzijn van de  armen, door zich in te zetten voor de veredeling van hun smaak en hun de gelegenheid te geven zich geestelijk te verheffen. Maar niets mag grondige kennis van de materiële levensomstandigheden en de denkwereld van het lagere volk verraden, omdat daardoor de inspanningen van deze organisaties al te zeer op materieel nuttige doeleinden gericht zouden kunnen worden... Al te grote bekendheid met de leefwijze van de arme bevolkingsgroepen is ongepast... Onkunde van het gewone leven... is sterk ontwikkeld bij mensen die zich geroepen voelen om iets tot nut van ’t algemeen te doen” (p 280-81).

“Begunstigd door de beschermde positie waarin de nietsdoende klasse zich bevindt, schijnt zich dus zoiets als een herleving van de niet-aanstootgevende impulsen voor te doen, die horen bij de voor-roofzuchtige, primitieven cultuurfase. De herleving betreft zowel het werkinstinct als de neiging tot luiheid en gezelligheid. Maar in het moderne leefpatroon staan de door het financieel prestige bepaalde gedragsnormen een vrij uitleven van deze impulsen in de weg... Zulke inspanningen... worden ondergeschikt gemaakt aan de aanstootgevende belangen die het fundament zijn van de geldcultuur... Toch... blijven deze impulsen steeds naar uitingsmogelijkheden zoeken” (p 283-84). 

De vrouwenbeweging

De vrouw onttrekt zich in toenemende mate aan de voogdij van mannen, die in de patriarchale cultuur heerste. Maar “wanneer de vrouw iets onderneemt dat buiten haar traditionele plichten valt... wordt dat onvrouwelijk geacht” (p 286). Dat geldt voor een zelfstandig leven, politieke en economische activiteiten, die een bedreiging vormen voor de sociale orde van de geldcultuur. “Ondanks deze ingeburgerde opvattingen over de juiste en natuurlijke plaats van de vrouw, breekt toch het besef door dat dit hele systyeem van voogdij en plaatsvervangend nietsdoen... op een of andere manier op een vergissing berust... Evident is dat dit systeem niet meer aan de normale doeleinden in een moderne samenleving beantwoordt... Een ongepast verlangen naar persoonlijke ontplooiing en nuttige bezigheden herleeft” (p 287).

“Vrouwen voelen zich tezeer gekrenkt om zich bij de situatie neer te kunnen leggen... In de ‘Nieuwe-vrouw’ beweging... springen twee elementen met een economische betekenis naar voren:... ‘Emancipatie’ en ‘Arbeid’... Vrouwen uit de gegoede klassen... voelen het sterkst de behoefte aan veranderingen... Zij verlangen... de gelijkstelling in rang van man en vrouw, de ontvoogding en bevrijding van de vrouw... Ook de vrouw heeft haar deel van het werkinstinct meegekregen. Haar is de weerzin tegen een zinloos bestaan en zinloze bestedingen niet vreemd... Hooggestemde vrouwen geven toe aan hun gevoelsmatig verlangen naar zelfstandigheid en een ‘sfeer van nuttigheid’” (p 288-89).

“In zeker zin betekent de nieuwe-vrouw beweging dan ook een terugkeer naar een algemeen menselijk karaktertype... Verschijnselen die in deze richting wijzen zijn... de verzwakking van het statusdenken,... de hernieuwde afkeer van zinloosheid en activiteiten die alleen het individueel gewin dienen ten koste van de collectiviteit of van bepaalde groepen. Het toebrengen van pijn en leed en alle vormen van plundering worden in toenemende mate veroordeeld... Men kan zelfs zeggen dat de nuchter oordelende mensen in moderne industriële samenlevingen vreedzaamheid, goede wil en economische efficiëntie als de meest wenselijke karaktereigenschappen beschouwen. Egoïsme, bedrog, geweld en heerszucht staan in een kwade reuk” (p290-91). Bij de heersende klasse is dit echter het minst het geval. 

 ‘Het hoger onderwijs als uitingsvorm van de geldcultuur’

Tot slot gaat Veblen in op het onderwijs. Dat doet hij meer uitvoerig in The Higher Learning in America: A Memorandum on the Conduct of Universities by Business Men. Ook in zijn andere boeken worden elementen van zijn eerste boek verder uitgewerkt.

“Kennis en wetenschap waren aanvankelijk een bijproduct van... de priesterklasse... een nevenfunctie van de geestelijkheid” (p 296). Daaruit vloeit het onderscheid voort tussen ‘lagere’ exoterische kennis en ‘hogere’ esoterische kennis’, die resp. wel en geen economische betekenis hebben of natuurlijke verschijnselen betreffen, die de mens voor zijn stoffelijk voordeel aanwendt. Volgens Veblen waren er nog veel rituele trekken in het hoger onderwijs van zijn tijd, vooral in de ‘humaniora’, die op klassieke leest geschoeid zijn.

“De laatste tijd valt een tendens te bespeuren om een ondernemer in de plaats te stellen van de geestelijke als hoofd van instellingen voor hoger onderwijs... Bestuurlijke vaardigheid en het vermogen om voor een zaak reclame te maken, gelden tegenwoordig meer dan vroeger als belangrijke eigenschappen bij hoogleraren... Geleerden hebben gereageerd op de moderne economische of industriële, zakelijke zienswijze” (p 301-02). Ook vrouwen en sport vinden hun ingang in het hoger onderwijs, ondanks de vooroordelen over soorten kennis “die de grenzen van vrouwelijkheid overschrijdt” en andere de conservatieve tendensen in het hoger onderwijs (p 303).

De conservatieve tendens heeft te maken met het gegeven dat het hoger onderwijs in vergaande mate de belangen van de bezittende klasse dient. Bovendien is een significant deel van de wetenschappers afkomstig uit deze klasse en wordt hun denkwijze hierdoor beïnvloed, waarbij machtsverhoudingen, eer en prestige een rol van betekenis spelen. “Het hoger onderwijs dankt de opmars van de wetenschappen voor een deel aan de afgedwaalde zonen van de nietsdoende klasse” (p 310). Namelijk degenen die hun inzichten hebben losgemaakt van winstgevende motieven en een meer objectieve, onpersoonlijk visie nastreven. Ook leden van lagere klassen leveren in toenemende mate hun bijdragen.

“Wetenschap in de zin van een helder begrip van de causale samenhang van verschijnselen... werd pas een kenmerk van de westerse cultuur sinds het productoeproces zich ontwikkelde tot een op technische middelen steunend industrieel arbeidssysteem, waarin de taak van de mens bestaat uit het onderscheiden en beoordelen van materiële krachten. De wetenschap bloeide op naarmate het economisch leven meer aan dit patroon ging beantwoorden en het industriële belang aan betekenis won” (p 310). Industrie en wetenschap drongen tesamen door tot verschillende sectoren van het bestaan. Mensen ging steeds meer denken in termen van oorzaak en gevolg. Kennis werd ook meer gericht op bruikbaarheid door het manipuleren van causale samenhangen. “Takken van kennis die de efficiëntie verhogen, hebben langzamerhand terrein veroverd” (p 313).

Het competitieprincipe is echter in het onderwijs blijven bestaan, behalve op de kleuterschool. Status speelt nog een belangrijke rol, evenals “substantieel nutteloze informatie” (p 317). Toch mag de waarde van klassieke kennis niet worden onderschat, zoals Veblen geneigd lijkt te doen, hoewel hij zich zelf ook verdiept heeft in de Oudnoorse taal en cultuur en er een boek aan heeft gewijd. 

 

Actualiteit van Veblen

Wat betreft de actualiteit van Veblen refereerde de jonge Ierse romanschrijver Naoise Dolan in de NRC van 20 nov. in een interview over haar boek Opwindende tijden aan hem (‘Met een dure iPhone koop je je identiteit’). Het gaat “over klassenongelijkheid en koopzuchtige, ontevreden millennials. ‘Ik ben het beste in het vermakelijk omschrijven van de types waar ik een afkeer van heb’.” Dat gold ook voor Veblen. “Scherp en humoristisch beschrijft ze hoe het is... in een laatkapitalistische wereld en de daaruit voortvloeiende ongelijkheid... Met haar cynische, ironische en zelfhatende blik observeert ze een door status geobsedeerd milieu,” schrijft ze van de hoofdpersoon. Evenals Veblen heeft zij het gemunt op bankiers. “Het kapitalisme creëert problemen die opgelost kunnen worden door te kopen... Er is altijd dat knagende gevoel dat je niet voldoet aan een bepaald beeld... Status wordt nu nog meer uitgedragen door consumptiegedrag... Neem de iPhone: dat is een typische voorbeeld van een ‘Veblen-goed’..., omdat de vraag ernaar toeneemt met de prijs... Ik zie luxegoederen als een verlengstuk hiervan. Hun symbolische waarde is puur ontleend aan het feit dat de mensen die ze kopen weten dat ze onbetaalbaar zijn voor anderen... Maar of ze op zoek zijn naar betekenis?... Ik denk dat hun gevoel voor zingeving afhangt van de mensen met wie ze zich omringen. Ik heb al langere tijd de veronrustende gedachte dat je als mens geen kern hebt. Het gaat erom met wie je je omringt en wat die mensen in je naar boven halen.” Het lijkt of ze kennis heeft genomen van Veblen. Ze eindigt aldus: “Ik zie het kapitalisme als een systeem waarin je alleen maar achteruit kunt gaan.” [1]

Het moderne karaktertype dat zijn identiteit ontleent aan anderen komt overeen met het ‘other-directed’ type van de socioloog en Veblen-kenner David Riesman in zijn sociologische bestseller The Lonely Crowd: A Study of the Changing American Character. Ook de roman The Portabe Veblen van Elizabeth McKenzie verwijst evident naar Veblen, evenals de film The Leisure Class. Zo zijn er talloze boeken en artikelen, teveel om op te noemen, maar de volgende is wel heel actueel. Het is niet moeilijk verbanden te leggen tussen Veblen en de huidige kritiek op het neoliberalisme. Maar daarvoor is eerst een grondigere studie van het werk van Veblen nodig, niet alleen zijn eerste en meest bekende boek over de ‘leisure class’. Over de releventie en de actualiteit van Veblen is genoeg te zeggen voor een volgend artikel. 

https://www.salon.com/2019/04/19/the-man-who-saw-trump-coming-a-century-ago_partner/

Besluit en vervolg

Veel van wat Veblen schreef blijft overeind in het licht van de moderne sociale wetenschappen. Dat geldt bijv. voor zijn theorie van instincten en instituties, die 19e eeuws is, maar overeenkomen met meer recente bevindingen wat betreft de dynamische interactie tussen nature en nurture, genen, opvoeding en  omgeving (Jan Seijbel, Veblens visie: Het belang van Thorstein Veblens ideeën voor zijn en onze tijd,, p 93).

Zijn economische theorieën zijn ook deels ingehaald door de tijd en door andere economen, zoals Schumpeter en Keynes, maar blijven relevant. Zijn werk kan de moderne kritiek op het neoliberalisme ondersteunen en mogelijk bijdragen tot een alternatief. Op het gebied van de sociologie zijn zijn verdiensten wellicht groter. Als een van de eersten begreep hij de werking van relatieve deprivatie, vooral met betrekking tot de bovenliggende referentiegroep, van distinctiedrang, demonstratieve consumptie, reclame, secularisatie en ontkerkelijking, feminisme, efficiëntie, enz. in een interdiscipinair en coherent sociaal wetenschappelijk kader. Zijn prikkelende observaties spreken nog steeds tot de verbeelding en stimuleren een kritisch sociaal inzicht.

In The Theory of the Leisure Class bevat als eerste boek van Veblen de basisideeën van zijn latere werken. “Veblen heeft niet in één standaardwerk een grote theorie ontvouwd zoals bijv. Karl Marx in Das Kapital... In de boeken... van Veblen valt echter wel een samnehangende theorie te ontdekken. In zijn eerste werk zijn eigelijk alle elementen van die theorie in de kiem aanwezig. ook is daar de maatschappijkritiek al te vinden die zo kenmerkend is voor Veblens hele werk. In zijn volgende boeken diept hij deze elementen uit rekening houdend met nieuwe ontwikkelingen in de samenleving van de VS in zijn tijd” (Seijbel, p 79). Het is daarom de bedoeling nader in te gaan op zijn latere werken, die kort zijn samengevat in het eerste artikle over Veblen in Civis Mundi 104. Daarbij volgt ook een kritische aanvulling op zijn eerste boek in de context van de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in zijn tijd. Ook de relevantie en actualiteit van Veblen zal dat aan de orde komen. De huidige ‘roaring twenties’ vragen een meer grondig en kritisch, historisch, sociologisch en economisch inzicht in de VS in deze spannende tijd, dat door het werk van Veblen wordt geboden.

Na een uitgebreide biografische inleiding licht Seijbel de relevantie van het werk van Veblen toe aan de hand van vijf thema’s:

  1. Instincten, instituties en gedragspatronen, die resp. biologisch verankerd en sociaal gevormd zijn en op elkaar inwerken. Zijn interdisciplinaire benadering gaat niet uit van het rationele, berekenende gedrag van de homo economicus, die een fictie is en zich vaak niet rationeel gedraagt. De heersende klasse houdt verouderde instituties in stand, omdat deze hun gevestigde belangen dienen. Geldt dit nog steeds?
  2. Produceren versus profiteren, de maakindustrie versus het zakenleven (business) dat gericht is op winstbejag door o.m. prijsopdrijving, monopolievorming, “force and fraud” en belangensverstrengeling tussen overheid en zakenleven. In welke vorm is dat nu nog steeds het geval?
  3. Confronterende consumptie (conspicuous consumption), een centraal begrip in zijn eerste boek zoals wij zagen, waarbij het zelfrespect afhangt van statuswedijver en de erkenning van anderen. In hoeverre is een dergelijk wijze van consumeren nu gemeengoed geworden?
  4. Democratie en dictatuur. Veblen vestigde enige hoop op de rationele invloed van ingenieurs in de zich ontwikkelende industriële maatschappij en een technocratische benadering. Wat zien we hiervan in de huidige invloedrijke rol van deskundigen in bredere zin? Met name bij de coronacrisis. Bedenkelijke tendensen die hij signaleerde, hangen samen met het ontstaan van het Militair Industriële Complex, waar President Eisenhouwer voor waarschuwde, en de beslissende invloed van de ‘captains of industry’ in de politiek en de maatschappij.
  5. Wetenschap en winst. Ook in het onderwijs zien we de invloed van het bedrijfsleven. Onderwijs en wetenschap dienen vaak zakelijke belangen, ook in onze tijd.

In een volgend artikel zal blijken dat de visie van Veblen in veel opzichten niet achterhaald is, maar wint aan actualiteit in deze tijd waarin men uitgekeken raakt op het neoliberalisme, maar het socialisme evenmin als Veblen ziet als een reëel alternatief. Er is een nieuwe benadering nodig, waarvoor de kritische interdisciplinaire visie van Veblen een inspiratiebron kan zijn, die nader zal worden uitgediept. 

Noot

1.  zie ook https://warwick.ac.uk/fac/soc/pais/research/researchcentres/ipe/underthegazeofgiants/thorstein_veblen_4.pdf. "In Veblen’s terms, to be without the latest versions of ‘must-have’ consumer goods today publicly demonstrates individuals’ lack of relative social power" Thorstein Veblen and Modern Society’s Pecuniary Culture Professor Matthew Watson, Dr Simon Glaze and Dr Chris Clarke, Department of Politics and International Studies Sept. 2015