Niets doen

Civis Mundi Digitaal #109

door Herman Hümmels

Bespreking van Paul Lafargue, Het recht op luiheid, Synopsis,  De Arbeiderspers, 1880/1974.

 

Dit is een deel van een drieluik. Aanbevolen volgorde van lezen: 1. Niet-doen, 2. Niet-zijn, 3. Niets doen. De titel van dit boekje past in dit drieluik. Het bleek een eind 19e eeuw geschreven essay te zijn van de schoonzoon van Karl Marx: een satirisch pamflet. In werkelijkheid geen pleidooi voor parasitisme, maar een opwekking om de officiële arbeidstijd terug te brengen tot drie uur per dag. Een verwachting die John Maynard Keynes jaren later herhaalde (Essays in Persuasion, p 373)

 

Paul Lafargue

Lafarque
Paul Lafargue (1842-1911) was een socialist, geboren in Cuba. Op negenjarige leeftijd emigreerde hij met zijn ouders naar Frankrijk. Hij trouwde met Laura Marx. Zijn politieke opleiding kreeg hij van zijn schoonvader, na eerst onder invloed te hebben gestaan van Pierre-Joseph Proudhon, die hij eerder ontmoette. Na de val van de Parijse Commune in 1871 verbleef het gezin tot aan de amnestie van 1882 als politieke vluchtelingen in Spanje en Engeland. In 1882 richte Lafargue, samen met Jules Guesde de Parti Ouvrier (Arbeiderspartij), de eerste marxistische partij in Frankrijk op. In 1911 pleegden zijn ouders gezamenlijk zelfmoord. 15.000 mensen begeleidden de rouwstoet naar de begraafplaats Père Lachaise, waar Lenin namens de Russische sociaaldemocraten een grafrede hield (Wikipedia).

Communards
De Communards waren leden van de Commune van Parijs (1871-1880), gevormd in de nasleep van de Frans-Pruisische oorlog en de nederlaag van Frankrijk. De Commune was de revolutionaire regering van Parijs en werd in 1880 op barbaarse wijze neergeslagen. De leden werden gevangen gezet of moesten vluchten. Lafargue was zelf geen lid van De Commune maar hij sympathiseerde wel op een dusdanige wijze dat hij de vlucht moest nemen naar Spanje.

De arbeiders
In het Pamflet stelt Lafargue, dat de schuld, van de ellendige omstandigheden waarin de arbeiders leefden, aan henzelf lag; de arbeiders hadden een buitensporige, verdorven en hartstochtelijke behoefte om te arbeiden. Ze brachten hun fabrikanten tot wanhoop omdat die nauwelijks in staat waren om aan de wens van de arbeiders te voldoen. Lafargue zegt in het voorwoord: “De kapitalistische moraal, een deerniswekkende parodie op de christelijke zedenleer, treft met haar banvloek het lijf van de arbeider, zij stelt zich tot doel de voortbrenger [van de producten] te doen berusten in het uiterste minimum aan behoeften, zijn vreugden en hartstochten te doden en hem te veroordelen tot de rol van machine die zonder rust of genade arbeid levert. (p 54)

Het pamflet
“Een zonderlinge waanzin heeft de arbeidersklasse bevangen van de landen waarin de kapitalistische beschaving overheerst. […] Deze waanzin is de liefde voor de arbeid, de woedende hartstocht om te werken, voortgezet tot aan de uitputting van de levenskrachten van de enkeling en zijn nakomelingschap. In plaats van tegen deze geestelijke afwijking in te gaan hebben de priesters, de economen, de moralisten de arbeid allerheiligst verklaard. […] De genezing zal niet volledig zijn zolang onze armen uit de industriecentra er niet in zullen berusten zes dagen te werken voor de dezelfde som gelds die ze nu in vier dagen verdienen.[…]
O ellendige misgeboorte van de revolutionaire beginselen der bourgeoisie! O, sombere geschenken van haar God Vooruitgang! De filantropen roepen degenen uit tot weldoeners van de mensheid die – om zich met niets doen te verrijken – werk geven aan de armen; beter ware het om de pest te verbreiden en de waterbronnen te vergiftigen dan een fabriek op te richten temidden van een plattelandsbevolking. […] Zolang de fabrikant krediet heeft laat hij de vrije teugel aan de arbeidswoede, hij leent en hij leent opnieuw om de grondstoffen aan de arbeiders te verschaffen. Hij laat produceren zonder eraan te denken dat de markt overladen wordt en dat – als zijn goederen niet verkocht worden –zijn wissels toch zullen vervallen. […] Opdat het proletariaat tot bewustzijn kome van zijn macht moet het de vooroordelen van de christelijke, economische of vrijdenkersmoraal met de voeten treden. […] Laat het proletariaat er zichzelf toe dwingen slechts drie uur per dag te werken en de rest van de dag en de nacht niets te doen en te brassen.”

Recht op niets doen.
Het lijkt een interessante gedachte. Is het recht op niets doen, op lui zijn, een waardige tegenhanger van het recht op arbeid? Waaraan zou je dit recht kunnen ontlenen? De mens- en maatschappijvisie van Lafargue bezien we nu als erg simplistisch en eenzijdig, maar aspecten ervan gaan nog steeds op. Het onderwerp waar hij mee bezig was is nog steeds actueel, met name als we dit vertalen naar vraag van de door velen gevoelde en de door politici geproclameerde noodzaak van economische groei. Er zijn al veel economen die er vraagtekens bij zetten. Maar de vraag wie er baat bij hebben is relevant. Dan heb je het niet meer over economie, maar over menselijke wensen en menswaardigheid. Dan heb je het over de vraag wat we als ‘het goede leven’ zien, en met name over hoe we dat denken te bereiken. Dan gaat het om de verhouding tussen individu en samenleving, hoe die met elkaar te maken hebben en hoe ze voortdurend op elkaar inspelen. Het zou moeten beginnen bij de vraag wat we echt nodig hebben om dit spel naar behoren te kunnen spelen.

Laissez faire
De term ‘laissez faire’ kan vertaald worden als ‘laat maar gaan’, niets doen, niet ingrijpen en wordt vaak geassocieerd met vrijhandel, liberalisme en klassieke economie. De overheid moet zo min mogelijk belemmerend werken, met name in verband met het handelsverkeer. Laissez faire is onder andere tegengesteld aan protectionisme (het volledig beschermen van de eigen handel), autarkie (zelfvoorzienend zijn) en het mercantilisme (minder import en een vergroting van de export). De overheid vervult de functie van nachtwakersstaat en zorgt alleen voor orde en veiligheid. Op individueel niveau is niets doen in zijn uiterste vorm een psychiatrische ziekte: apathie. Lafargue heeft het niet over niets doen maar over lui zijn. Er moet wel gewerkt worden (behalve door de ‘filantropen’), maar zo min mogelijk: zo veel mogelijk niets doen.

Niets doen
Niets doen is fundamenteel iets anders dan niet-doen en niet-zijn. Niets doen is het ontbreken van activiteit. ‘Doen’ is een procesterm, dit in tegenstelling tot ‘zijn’ wat ik opvat als een structuurterm. Bij niet-doen ontbreekt de activiteit niet (zie het separate artikel ‘Niet-doen’). Bij niet-zijn wordt de tijd, het procesmatige, buiten beschouwing gelaten (zie het separate artikel ‘Niet-zijn’).
Overigens: het pamflet van Lafargue is op verschillende plekken op het internet te downloaden. Het boek is nog in de tweedehands boekhandel verkrijgbaar. In dit boek staan nog twee andere essays: ‘De godsdienst van het kapitaal’ en ‘Pius IX in de hemel’.