Milieu

Civis Mundi Digitaal #109

door Jan de Boer

De werkelijke waarde van water
Chlordecone: een ecologische misdaad zonder weerga
Steenkool is nog lang niet de wereld uit
Veengebieden en klimaatopwarming
Verkiezingen in Groenland: een ecologisch succes

 

De werkelijke waarde van water

 

Water is van levensbelang, onvervangbaar en onschatbaar. De mensen zijn zich daarvan bewust, zij doen er van alles aan om water te vinden, zelfs op de planeet Mars… « Maar ongelukkigerwijs wordt water hier op onze Aarde maar al te vaak beschouwd als een vaststaand verkregen goed » en het risico om het te onderschatten is vaak « veel groter dan men denkt », laten spijtig de auteurs van het rapport van de Verenigde Naties over de waterbronnen (2021) weten. De waarde van water, zelfs als dat moeilijk te becijferen is, is heel reëel, schrijven de auteurs. Vandaar het idee om daaraan het document te wijden dat de Verenigde Naties elk jaar op 22 maart ter gelegenheid van de mondiale dag van het water presenteert, en dat door Unesco wordt gepubliceerd. Over dit rapport mijn artikeltje.

Het doel is duidelijk: « Het toekennen van onvoldoende waarde aan water is een belangrijke oorzaak, een symptoom, van politieke onverschilligheid vis-à-vis het water en het slechte beheer ervan, » lees ik in het rapport. De grote hoeveelheid onderzoeken die het rapport samenvat, van economie tot filosofie, doen ons de toegevoegde waarde, niet alleen monetair maar ook ethisch, kennen die het water ons biedt. « Water lijkt overal aanwezig te zijn, maar het is een levensbron die uitgeput kan raken, » constateert Richard Connor, hoofdredacteur van het rapport. « In tegenstelling tot goud, hout of een ton CO2, bestaan er geen cijfers om de waarde van water weer te geven, want daarvoor moet men een veelvoud van optieken integreren. Het is bijvoorbeeld moeilijk een landbouwminister de verreikendheid van de door water verleende diensten te laten zien ».

Op onze planeet wordt 69% van het beschikbare water – in ontwikkelende landen gaat dat tot 95% – gebruikt in de landbouw, de veeteelt, en in waterculturen. Deze sector illustreert een van de eerste paradoxen: het is niet omdat de watervoorraad onmisbaar voor een activiteit is, dat zij door de producenten duur wordt betaald. Tariefbepaling en waarde correleren niet. En bovendien vertegenwoordigt de landbouw met haar gigantische waterverbruik slechts ongeveer 4% van het mondiale bruto binnenlands product (BBP). Het terugbrengen van de toegevoegde waarde die het water met zich brengt, zou alleen maar zin hebben als wij zonder voedsel zouden kunnen leven…

Er bestaan verschillende, soms indirecte manieren om de waarde van water te bepalen. Men kan proberen te meten hetgeen de natuurlijke ecosystemen ons bieden en hetgeen ons onthouden wordt als we deze systemen verwoesten. Alleen al de vochtige zones, aldus het rapport, bieden ons diensten met een geschatte waarde van 26.000 miljard dollar: zij beschutten zeldzame soorten, dragen bij aan de beheersing van hoogwater, aan het vasthouden van CO2, aan de vermindering van vervuiling en trekken bezoekers aan. Ondanks dat worden ze sneller dan alle andere systemen verwoest. Men kan ook de prijs van vervuiling berekenen. Een voorbeeld: in Australië genereert het teveel aan voedingsstoffen afkomstig van de landbouw een bloei van algen die het land jaarlijks tussen de 115 en 155 miljoen dollar kost. Er kan ook een schatting gemaakt worden van de noodzakelijke investeringen van nu tot 2030 om de grote, snel groeiende steden in het Zuiden te voorzien van waterleidingen c.a. Volgens een onderzoek van de Organisatie voor samenwerking en economische ontwikkeling (OESO) uit 2017 wordt dat geschat op tussen de 900 en 1500 miljard dollar per jaar. Economen analyseren steeds vaker wat gebrek aan water kost, door storingen in de watervoorziening of schade veroorzaakt door overstromingen.

Dat alles becijfert zich in astronomische bedragen, maar omvat lang niet het geheel aan effecten van het water op het milieu, op de aantrekkingskracht van landschappen, op de gezondheid, het welzijn, sociaal-culturele en spirituele voordelen en op het menselijk geluk. Het rapport noemt zelfs een rol voor vrede: de aanwezigheid van een grensoverschrijdend waterbekken kan samenwerking tussen de daar wonende mensen bevorderen. Dat is het geval bij de Organisatie voor de rivier Senegal. Maar water wordt helaas ook steeds meer gebruikt als wapen door het te onthouden aan andere etnische groepen of volkeren, en dat gaat in de toekomst tot steeds erge conflicten leiden.

Hoe het belang van water te meten? In termen van verloren levens, in percentages van het BBP, in verloren tijd? Ongeveer 230 miljoen mensen op onze Aarde moeten meer dan een half uur lopen om water bij een put of bij een waterpunt in een stadswijk halen. Dat zijn voor verreweg het grootste deel vrouwen en meisjes: volgens Unicef kost hen dat 200 miljoen uur per dag, oftewel 22.800 jaar. Statistieken van de Wereldgezondheidsorganisatie onthullen dat jaarlijks 829.000 personen, waaronder 300.000 kinderen onder de vijf jaar, sterven aan diarree door gebrek aan veilig drinkwater. Nu, tijdens de Covid-19 pandemie, beschikken meer dan 3 miljard personen nog altijd niet over de mogelijkheid om met water uit de kraan hun handen te wassen en twee op de vijf zorginstellingen hebben deze voorziening ook niet. De afwezigheid van hygiëne bij bevallingen ligt aan de oorzaak van infecties die meer dan 1 miljoen pasgeboren baby’s doden en verantwoordelijk zijn voor het overlijden van 11% van de kraamvrouwen.

In talrijke landen gaan meisjes als zij ongesteld zijn niet naar school, bij gebrek aan toiletten. Hoe hun verminderde kansen op een geslaagde schoolopleiding te meten? Een onderzoek uit 2016 laat zien dat in de Filippijnen 13,8 miljoen werkdagen verloren gaan als vrouwen om die reden één dag per maand verstek laten gaan, wat een economisch verlies van 13 miljoen dollar tot gevolg heeft. De Wereldgezondheidsorganisatie schat dat in 136 landen met een laag en wisselend inkomen het gebrek aan watervoorzieningen en waterzuiveringsinstallaties jaarlijks tot economische verliezen van in totaal 260 miljard dollar leidt, oftewel 1,5% van hun BBP. Het rapport stelt dat « het subsidiëren van deze diensten gerechtvaardigd is, vanuit zowel economisch als sociaal en moreel opzicht ». Maar deze publieke hulp is maar al te vaak niet goed toebedeeld en een bron van corruptie. Onderzoek in 2019 in tien landen met een laag en wisselend inkomen toonde dat gemiddeld 56% van de subsidies ten goede kwam aan 20% van de rijksten en slechts voor 6% tot 20% van de armsten. Omdat zij geen aansluiting op het waterleidingnet hebben, betalen de inwoners van de « informele » wijken, de sloppenwijken, tien tot twintig keer meer dan de anderen dichtbij de tankwagens.

In Latijns-Amerika, met een bedrieglijke overvloed aan water door de zeer slechte verdeling ervan, wordt deze hulpbron onderling betwist door de landbouw, de mijn-exploitatie en waterkrachtcentrales, zonder dat men zorgdraagt voor deze hulpbron. Want als het recht op het gebruik van water is verkregen, vertegenwoordigen de kosten van het verbruik of het onderhoud heel vaak niet meer dan een « te verwaarlozen bedrag of helemaal niets ». Wat de drinkwaterdiensten en zuiveringsinstallaties betreft wordt slechts een deel van het gebruikte water behandeld: 22% in Argentinië, 39% in Peru, 51% in Mexico… Een kwart van de rivieren zijn zo het slachtoffer van ernstige ziekteverwekkende vervuilingen. Gelukkig strijden daar de inheemse groepen met steeds meer succes tegen deze misstanden, liet ik kortgeleden in een artikel weten.

In het aan Azië grenzende deel van de Grote Oceaan regio stortten een aantal landen hun gebruikt en vervuild water zonder enige behandeling in de natuur. Met name in die regio worden zulke enorme hoeveelheden zoet water gebruikt dat de natuurlijke reservoirs deze onmogelijk aan kunnen vullen.

De beschikbaarheid van zoet water neemt steeds verder af, waarschuwen de organisaties van de Verenigde Naties, door « het intensieve en extensieve oppompen van ondergronds water », de toenemende verdwijning van oppervlaktewater, de capaciteitsvermindering van kunstmatige reservoirs en voorraden… en de klimaatopwarming verergert de situatie.

Het is dus meer dan de hoogste tijd om de waarde van het water op onze planeet te heroverwegen en daarnaar te handelen.

 

Geschreven op 8 april 2021

 

 

Chlordecone: een ecologische misdaad zonder weerga

 

Toen de slavernij afgeschaft werd in de Franse overzeese gebiedsdelen, zoals in Guadeloupe en Martinique, veranderde er wat betreft grondeigendom niets: de vroegere slavenhouders bleven de plantagebezitters die zich met name verrijkten met de bananencultuur, de gewezen slaven arme en vaak uitgebuite arbeiders. En om later de door de snuitkever veroorzaakte schade aan de bananencultuur tegen te gaan, werd er door de blanke plantagebezitters rijkelijk gewerkt met de pesticide Chlordecone, die ondanks haar bekende giftigheid op voorlopige titel drie jaar geautoriseerd werd door de « commissie giftige stoffen » (Com-Tox) van het Franse ministerie van landbouw. De « voorlopige titel » werd na die drie jaar van jaar tot jaar gedurende meer dan twintig jaar verlengd.

Deze pesticide, die in de jaren 1972-1993 massaal gebruikt werd in de bananenplantages, houdt meer dan terecht de Antilliaanse gemoederen bezig. Chlordecone is neurotoxisch en kankerverwekkend, het verstoort het endocriensysteem… en het heeft de grond, de rivieren en de ecosystemen in de kustwateren van Guadeloupe en Martinique gekoloniseerd. Meer dan 90% van de Antillianen hebben deze pesticide in hun lijf. De officiële schattingen geven aan dat deze besmetting wel vier tot zeven eeuwen kan duren. En dat hoewel de Franse regering sinds de jaren 1970 alles van deze pesticide afwist, het weliswaar verbood het op de markt te brengen, maar toch – onbegrijpelijk – het gebruik op « voorlopige » titel in de bananenplantages toestond. Ach ja, Guadeloupe en Martinique… ver weg van Europees Frankrijk.

Het Chlordecone-schandaal is geen ongelukkig toeval, maar een misdaad zonder weerga. Nu het door verscheidene verenigingen van Guadeloupe en Martinique aangespannen proces, na veertien jaar gerechtelijk onderzoek, bij de rechtbank in Parijs zijn beslag krijgt, probeert de procureur van de Franse Republiek in Parijs de brand te blussen. Er heerst namelijk immense woede en verontwaardiging onder de Antillianen, mede door de uitspraken van twee onderzoeksrechters een paar weken geleden, dat de pesticide op een normale wijze is besteld en gebruikt. Ik voorspel dan ook dat deze rechtszaak uitloopt op een buitenvervolgingsstelling. De bevolking heeft al op 27 februari massaal tegen deze waarschijnlijke uitspraak geprotesteerd, en een nieuwe manifestatie is gepland op 10 april.

De procureur: « In dit geval van het formeel toegestane gebruik van Chlordecone begrijp ik heel goed de gevoelens van de burgerlijke partijen en de bewoners van Guadeloupe en Martinique in deze rechtszaak. Maar de juridische autoriteit kan geen oplossingen geven voor alle menselijke, sociale, gezondheids- en ecologische consequenties van de door de partijen aangedragen feiten, zelfs als de rechters die met dit dossier belast zijn, zich ten volle bewust zijn van het veroorzaakte lijden in Martinique en Guadeloupe ».

Het is moeilijk om ten volle de onherstelbare schade voor de Antilliaanse bevolking te begrijpen. Deze schade gaat veel verder dan de goed gedocumenteerde effecten op de gezondheid, in het bijzonder de sterke toename van prostaatkanker, de storingen in de neurologische ontwikkeling van kinderen die « in utero » aan deze pesticide zijn blootgesteld, vruchtbaarheidsproblemen, etc. Chlordecone infiltreert niet alleen het milieu en het menselijk lichaam, maar beschadigt ook het sociaal-economische leven van de Antilliaanse maatschappij. Deze schade is niet te kwantificeren. Onderzoek wijst bijvoorbeeld uit dat de watercultuur kapotgemaakt is door besmette productie; de veefokkerij geeft hoofdbrekens en is vaak onmogelijk. De kustvisserij met haar kleine bootjes is verboden of bij sommige kusten teruggebracht. De lokale economie is ontregeld door de Chlordecone-catastrofe. De in de rivieren gevangen vis, de met wortels in de grond verbouwde groenten, alles wat in informele circuits uitgewisseld wordt en bijdraagt aan sociale verbanden wordt door de besmetting bedreigd. En dat wellicht voor vier tot zeven eeuwen…

Als er voor een ramp van deze enorme omvang geen proces gehouden kan worden, geen verantwoordelijken worden aangewezen, geen passende vergoeding wordt gegeven, blijft er alleen deze vraag nog over: wat zouden jullie dan doen, als jullie Antillianen zouden zijn?

 

Geschreven op 6 april 2021

 

 

Steenkool is nog lang niet de wereld uit

 

Op 31 maart waren er in Frankrijk de laatste rookpluimen uit de twee schoorstenen van de kolencentrale van Le Havre te zien. Buiten het fabrieksterrein protesteerden een paar honderd mensen tegen de sluiting van deze centrale uit 1968. De vakbond CGT kondigde een staking af en de lokale Communistische Partij pleitte tevergeefs voor nieuwe verbeteringen… De laatste twee Franse kolencentrales in de Moezel en « Loire-Atlantique » zullen in 2022 gesloten worden.

Maar steenkool is nog lang niet, nog heel lang niet de wereld uit. In Frankrijk is dat wel een eenvoudige zaak, want deze energie vertegenwoordigt slechts 2% van de elektriciteitsproductie, maar wel 30% van de uitstoot van broeikasgassen in deze productiesector. Elektriciteit wordt hier geïmporteerd of geproduceerd in deels onveilige kerncentrales, waarover ik kort geleden een artikeltje schreef. Maar wat te doen in China en in India, waar kolencentrales twee derde van de elektriciteit produceren? Officieel gaat men daar op dit gebied met heel kleine stapjes vooruit en verschuift men de datum van 0-steenkool zo ver mogelijk naar de toekomst: 2050 voor India, 2060 voor China. Eerlijk gezegd zie ik deze data overigens niet gehaald worden, want verdere ontwikkeling en bestrijding van armoede in beide landen gaat onherroepelijk gepaard met in kolencentrales opgewekte elektriciteit.

Hoe dan ook, op dit moment is er een duidelijke tendens richting meer gebruik van door kolencentrales opgewekte energie. De hervatting van de economische groei geeft de vraag naar elektriciteit, dus ook naar steenkool, vleugels. Volgens Bloomberg neemt zij in India met 10% toe en de Chinezen weten niet meer waar ze de steenkool allemaal vandaan moeten halen. Zelfs in de Verenigde Staten van Biden, die weer de mondiale kampioen in de strijd tegen de klimaatopwarming willen worden, en waarbinnen verscheidene regio’s afhankelijk zijn van de exploitatie van steenkool, neemt het gebruik in 2021 met 16% toe, en volgens het Amerikaanse bureau van informatie over energie met nog eens 3% in 2022. En dat terwijl president Joe Biden het hele land doortrekt om zijn plan van « groen economisch herstel » te verkopen…

In de financiële wereld keert men zich evenwel (deels) tegen « King Coal ». Bangladesh en de Filippijnen hebben besloten geen investeringen meer op dit gebied te doen en Japan denkt erover om de financiering van elk internationaal project op dit gebied stop te zetten. Maar dit alles is verre van voldoende om het gebruik van steenkool uit te bannen. In China is de helft van de steenkoolcentrales minder dan tien jaar oud. Zij blijven dus functioneren tot ver na 2040. En dit is overal in opkomende landen het geval.

En maar al te vaak wordt vergeten dat steenkool niet alleen dient om in elektriciteit te voorzien. Steenkool is ook essentieel bij de vervaardiging van staal en cement, de twee voornaamste componenten voor ontwikkeling. Ook het gigantische plan van Joe Biden voor herstel en uitbreiding van infrastructuur doet de olieproducenten, leveranciers van asfalt, de toekomst zonnig inzien. Het is de dode hoek van de strijd tegen de klimaatopwarming. De zware industrie is bezig de eerste bron van uitstoot van broeikasgassen te worden, nog voor die van elektriciteit en transport. En huidige oplossingen bestaan niet of zijn te duur voor ontwikkelende landen.

We moeten ons inderdaad geen illusies maken: steenkool heeft nog lang niet zijn laatste woord gezegd en is nog lang niet de wereld uit. De klimaatopwarming gaat, ondanks mooie woorden en goede maar vrijblijvende bedoelingen, gewoon door.

 

Geschreven op 20 april 2021

 

 

Veengebieden en klimaatopwarming

 

De bioloog Sébastien Gogo van de universiteit van Orléans bracht mij op de hoogte van het Europese project « Care-Peat » in het Franse departement Cher, waarvan hij de leider is. Ik moest daarbij denken aan de veengebieden in Friesland, in Drenthe… Vandaar dit toch artikeltje, ook voor de beheerders van Nederlandse veengebieden.

Het veengebied van de Guette bij Neuvy-sur-Barangeon in het departement Cher strekt zich uit over 23 hectare, en is 7000 jaar geleden gevormd in een dode aftakking van de rivier Guette. Dit lang vergeten veengebied is nu onderzoeksgebied van wetenschappers in het kader van de klimaatopwarming. Het doel van hun experimenten: het herstel van de capaciteit van veengebieden om CO2 op te slaan. Hun uiterst interessante experimentele werk is in november 2020 begonnen.

In normale tijden vangt een veengebied (in het Frans: tourbière) de CO2 in de atmosfeer via fotosynthese en slaat dat op in de grond. Het vergaan van de planten bevrijdt het langzaam, maar het ecosysteem houdt uiteindelijk meer CO2 vast dan het bevrijdt. Deze balans is daarentegen omgekeerd bij een verslechterd veengebied, zoals dat van de Guette. De oorzaak: de constructie van een departementale weg met een draineersloot in het zuidelijk deel van dit veengebied, die deze vochtige zone uitdroogt. Hoe minder water er is, hoe rijker het milieu wordt aan zuurstof en hoe sneller de planten vergaan. Sebastien Gogo: « Sinds 2014 geven al onze metingen aan dat het veengebied meer CO2 bevrijdt dan het vangt. Het sinds duizenden jaren opgeslagen CO2 ontsnapt dus in de atmosfeer ». Ook de biodiversiteit verarmt.

Het veengebied van de Guette is geen geïsoleerd geval. Op onze planeet dragen de verslechterde veengebieden met 5 tot 10% bij aan de jaarlijkse CO2-uitstoot, en dit fenomeen neemt met de klimaatopwarming fors toe, volgens in december 2020 gepubliceerd onderzoek in « Nature Climate Change ». De inzet is aanzienlijk, want hoewel veengebieden slechts 3% van het landoppervlak omvatten, slaan zij 25 tot 30% van het CO2 in de bodem op. In Frankrijk vertegenwoordigen veengebieden 0,2% van het land, oftewel ongeveer 100.000 hectare, en 5% van het opgeslagen CO2. Dit is overigens een schatting, want de verborgen veengebieden, gedraineerd voor agrarische of bosexploitatie, zijn zelden geïnventariseerd. Vandaar dat het op dit moment onmogelijk is om een betrouwbare CO2-balans van de Franse veengebieden op te maken. Vandaar ook het belang van de experimenteergebieden. Met drie andere veengebieden in Bretagne, in Franche-Comté en in de Pyreneeën maakt het veengebied van de Guette deel uit van de « Service national d’observation (SNO) » van de veengebieden. Zij vertegenwoordigen de diversiteit van de Franse veengebieden en van hun klimatologische contexten.

In het veengebied van de Guette registreren instrumenten twee keer per uur de stroom van broeikasgassen, het waterniveau, en de evolutie van de vegetatie, oftewel de staat van stress van de planten. Het doel van de onderzoekers is het opstellen van een model van de stroom CO2 tussen de atmosfeer en de grond in de veengebieden in een gematigd klimaat om zo een goed begrip te krijgen van de impact van de globale veranderingen. Dit veengebied maakt ook deel uit van het Europese ICOS: Integrated Carbon Observation System, een netwerk van meetstations van CO2-stromen tussen de ecosystemen (vochtige gebieden, bossen, velden…), de atmosfeer en de oceaan.

De onderzoekers roepen op tot actie. Sebastien Gogo: « Niets doen betekent iedere dag CO2 aan de Franse bodem laten ontsnappen ». Het project « Care -Peat » voorziet er in hersteltechnieken te zenden naar de beheerders van de Europese veengebieden. In haar rapport van januari 2019 over vochtige zones stelde de betreffende Franse parlementaire commissie voor om voor het einde van 2019 een nationaal herstelplan van 100.000 hectare veengebied te lanceren « als een nieuwe bijdrage van de door Frankrijk aangegane verplichtingen inzake de strijd tegen de klimaatverandering ». Tot op heden heeft deze aanbeveling – ik zou haast zeggen, zoals gebruikelijk hier – nog niet tot enigerlei actie van de regering geleid, maar volgens de minister van ecologische transitie zal het komende nationale plan ten gunste van vochtige milieus, gepland in de tweede helft van 2021, specifieke maatregelen voor veengebieden bevatten. Wij zullen zien…

 

Geschreven op 21 april 2021

 

 

Verkiezingen in Groenland: een ecologisch succes

 

De verkiezingen in Groenland, een autonoom Deens gebied met 56.000 grotendeels eskimo-inwoners, hebben op 6 april een overtuigende overwinning opgeleverd voor de linkse partij « Inuit Ataqatiglit », geleid door Mariane Paviasen. Dit ging ten koste van de sociaaldemocratische partij « Siumut » van premier Kim Kielsen. Bij de Groenlandse verkiezingen spelen traditioneel sociale kwesties als onderwijs of kindermisbruik een zeer belangrijke rol. Men debatteert ook over de ontwikkeling van de twee vliegvelden om meer toeristen aan te trekken en over de visvangst, die heden ten dage naast het door Denemarken overgemaakte geld de belangrijkste bron van inkomsten is. Maar deze verkiezingen weken daarvan af.

Het onderwerp bij deze verkiezingen was een mijnproject van zeldzame aardmetalen en uranium op een paar kilometer afstand van het stadje Narsaq met hooguit 1000 inwoners in het uiterste zuiden van Groenland. Om dit mijnproject te bereiken moet je naar de bergen gaan die de fjord domineren, door een vallei over te steken waar landbouwers aardappelen telen en koeien houden.

Deze regio, net als trouwens het hele land, zit vol met mineralen die sinds jaren de aandacht trekken van buitenlandse bedrijven, met name uit China. Dat is dus ook het geval met dit mijnproject van Kvanefjeld (in eskimo-taal: Kuannersuit). Tijdens het televisiedebat op 30 maart op de Groenlandse zender KNR was de eerste vraag, waarop beide lijsttrekkers moesten antwoorden, of de jaarlijks te winnen 500 kilo uranium een voldoende acceptabele hoeveelheid zou zijn: de gewenste hoeveelheid door het Australische bedrijf Greenland Minerals, waarvan de belangrijkste aandeelhouder het Chinese Staatsbedrijf Shenghe Resources Holding is.

In 2013, nadat het Groenlandse parlement ingestemd had met de exploitatie van het uranium, stichtte Mariane Paviasen met een kleine groep vrouwen uit Narsaq de vereniging « Unrani Naamik » (nee tegen het uranium). Met manifestaties slaagde zij er begin dit jaar in om leden van de partij van de premier aan haar te binden, wat leidde tot de val van de coalitieregering. « Als wij winnen, zullen we zo snel mogelijk een einde aan het project maken ». Volgens haar was een deel van het probleem dat de belangrijkste aandeelhouder een Chinees staatsbedrijf is: « Als je kijkt naar de manier waarop zij zich in de Derde Wereld gedragen, dan zie je hoe zij daar de wereld vervuilen met de door hen geëxploiteerde mijnen ». Veel Groenlanders zijn tegen dit project, want het betreft mineralen die gevaarlijk zijn voor de gezondheid en het milieu. « En ik denk niet, zoals sommigen beweren, dat deze mijn ons de weg wijst naar onafhankelijkheid, » vervolgde Mariane. « Het maakt ons alleen maar afhankelijk van de mijnbouwbedrijven ». Dit gezichtspunt wordt gedeeld door Mikkel Myrup, de voorzitter van de Vereniging van Milieubescherming « Avataq » in Nuuk: « Men zegt tegen ons dat de wereld behoefte heeft aan zeldzame aardmetalen om groene elektriciteit te produceren, en dat de productie van en de handel in zeldzame aardmetalen volledig in handen is van de Chinezen. Een van de argumenten om ons te overtuigen om het project van Greenland Minerals te accepteren was dus dat wij het monopolie van de Chinezen moesten doorbreken om deze hulpbronnen ergens anders dan in China te vinden, zoals hier in Groenland. Maar dit project is nu – ironisch genoeg – in Chinese handen… ». De vroegere premier van Groenland, Kuupik Kleist, herinnert zich de ontmoetingen met de Europese Commissie, met de Deense en andere Europese regeringen, alsook met China. « Als wij spreken van landen die investeren in Groenlandse projecten zijn het Canadese en Australische bedrijven die investeren en vervolgens de interesse van de Chinezen. Geen enkele Amerikaanse of Europese investering. Ik zeg altijd dat de enige manier om Chinees geld op Groenland te verhinderen is het zelf te investeren. Want tot op heden hebben wij geen enkele Amerikaanse of Europese investering gezien. »

En dat heeft deze verkiezingen zo bijzonder gemaakt. « Zij hebben weinig te maken met de onafhankelijkheid of met buitenlandse politiek, » aldus Ulrik Pram Gad van het Deense Instituut van internationaal onderzoek. « Er wordt gedebatteerd over zeer lokale kwesties, maar dit keer kunnen de verkiezingen een internationale impact krijgen met de kwestie van deze mijn voor zeldzame aardmetalen en uranium. » Mariane Paviasen geniet van haar overwinning: « Deze verkiezingen zijn de belangrijkste die ooit in Groenland gehouden zijn. Greenland Minerals wilde ons doen geloven dat deze zeldzame aardmetalen gewonnen moesten worden om de ecologische transitie te laten slagen en Europa groener te laten worden. Maar het kan toch geen goede methode zijn om een land te verwoesten om een ander land schoner te maken! »

Ik hoop dat de Europese landen deze laatste opmerking van Mariane Paviasen ter harte nemen, maar ik vrees dat de Europese hypocrisie weer eens de boventoon voert en mijn hoop voor de zoveelste keer de bodem in geslagen wordt.

 

Geschreven op 11 april 2021