Afrika

Civis Mundi Digitaal #109

door Jan de Boer

De Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd: het taboe van de massale verkrachtingen
Frankrijk-Rwanda: een stap dichter naar de waarheid
Mozambique en de jihad-dreiging
Vaccinatie in arme en onstabiele landen

 

De Franse koloniale geschiedenis is er een van onbeschrijfelijke onderdrukking en wreedheid. De rol van het Franse leger in de onafhankelijkheidsstrijd in Algerije is daar geen uitzondering op. In Frankrijk wordt nu gedebatteerd over deze periode: een deel van de Franse archieven over deze periode is toegankelijk gemaakt, en Macron heeft erkend dat een Algerijnse leider door het leger gemarteld werd totdat de dood erop volgde. Maar toch blijft de kwestie van systematische seksuele misdrijven en martelingen door Franse soldaten een « dode hoek » in het historische onderzoek in beide landen.

Het is de geschiedenis van een taboe. Van alle door het Franse leger bedreven misdaden blijft verkrachting het meest verborgen misdrijf, zowel door de verkrachters als hun slachtoffers. Daarbij hadden Franse historici geen financiële middelen voor terreinonderzoek en moesten zij het doen met archieven en getuigenissen van veteranen, zonder enig contact met de slachtoffers.

Op de dag na de officiële onafhankelijkheid van Algerije was het woord « stilte », zwijgen, het absolute gebod in Algerijnse families. Iedereen die martelingen en met name seksuele misdaden had ondergaan, moest zich stilhouden. Ook vandaag nog is in Algerije staat verkrachting gelijk aan schaamte. Gelukkig evolueren de mentaliteiten langzaam maar zeker. En de getuigenissen van twee moedige slachtoffers destijds, Louise Ighilahriz en de zwarte Baya Laribi, bijgenaamd « Baya la noire », maken de tongen los. Haar geschiedenis brengt ons terug naar de jaren 1950, de tijd waarin dit grote en mooie meisje leerling-verpleegster was. In 1956 sloot zij zich aan bij het verzet, maar ze werd het jaar daarop in het oosten van het land gevangen genomen, tezelfdertijd als drie andere verpleegsters en een groep van veertien verzetsstrijders. Ontwapend moesten de mannen zich naast elkaar op de grond uitstrekken, waarna een pantservoertuig over de levende lichamen heenreed… Baya Laribi werd naar een gevangenis in Algiers vervoerd, en vervolgens naar een verhoor- en martelcentrum. In het paleis Klein in de wijk rond de Kashba van Algiers werd ze collectief verkracht. Een van haar folteraars was de bij iedereen bekende zoon van een steenrijke Franse koloniaal. Terwijl hij haar verkrachtte schreeuwde hij naar zijn kameraden: « Ik heb haar goed te pakken, deze zwarte. Ik zal haar naar haar mallemoer neuken! » In het hoofdkantoor van de 10e divisie parachutisten werd ze verkracht door kapitein Graziani, die ook Louise Ighiahriz en andere vrouwen verkrachtte. Minstens een van hen leeft nog, maar houdt uit schaamte haar mond potdicht. Vlak voor haar dood in november 2017 zei Ighiahriz: « Alle komende generaties moeten weten wat er gebeurd is. Lichamelijke marteling is niets in vergelijking met psychische marteling. De dood is het einde, maar psychische marteling is een vreselijk lijden dat nooit eindigt, nooit! Mannen voeren oorlog, maar vrouwen betalen er altijd de prijs voor! »

De historica Claire Mauss-Copeaux: « Nee, de in Algerije bedreven seksuele martelingen zijn geen simpele stommigheden, maar het product van de politieke wil van elkaar opvolgende regeringen om de vijand te vernietigen en te vernederen. » Deze historica is een van de zeldzame onderzoeksters die ter plaatse heeft geënquêteerd. Haar laatste indrukwekkende boek « Hadjira, La ferme Améziane et au -delà… » (éditions Les Chemins du présent, 2017) verhaalt de verschrikkelijke ervaring van een 21-jarige vrijheidsstrijdster in een van de ergste foltercentra van de Algerijnse oorlog.

Verkrachtingen door de Franse ordetroepen maakten ver voor de opstand in 1954 al deel uit van het systeem van onderdrukking en intimidatie in de drie Franse departementen van Algerije. Sinds het begin van de kolonisatie in 1830 martelde men routinematig in de commissariaten en de centra van de gendarmerie. In december 1951 onthulde Claude Bourdet, een journalist van de Observateur, een « Gestapo » en noemde de gebruikelijke martelmethoden: elektriciteit, waterbakken, ophanging en ook een nieuwe methode: de fles. Na het slachtoffer ontkleed te hebben liet men hem of haar zitten op de hals van een fles en de ondervragers, de folteraars, drukten dan met al hun krachten op hun schouders… Sinds het begin van de onafhankelijkheidsstrijd veralgemeniseerde ook de verkrachting van mannen met allerlei objecten.

In talrijke geschriften van vroegere verzetsstrijders is verkrachting altijd aanwezig, zoals in « Tombeau pour cinq cent mille soldats » (Gallimard, 1976) van Pierre Guyotat. Er is sprake van seks met dieren, van pedofilie, van kinderprostitutie in alle vormen. Ik werd onpasselijk bij het lezen van dit boek. De historicus Tramor Quemeneur, die het werk van Pierre Guyotat en zijn archieven uitvoerig heeft bestudeerd: « Het is geen fantasie en ook geen roman, het is helaas de realiteit die hij heeft moeten ondergaan of heeft gezien. » Ook het verhaal van Mohand Sebkhi (in 2019 overleden) is even verschrikkelijk om te lezen: « Souvenirs d’un rescapé de la Wilaya 3 » (Barzakh, Algiers 2014), en is door anderen bevestigd. In het kamp van Ksar Ettir, niet ver van Sétif, werden honden gedresseerd om gevangenen te verkrachten. De bekendste was Moumousse, een grote zwarte hond die de soldaten in het kamp « de sergeant » noemden.

Volgens getuigenissen van Franse soldaten, slachtoffers en getuigen waren er twee soorten verkrachtingen. Enerzijds verkrachtingen die plaatsvonden in de vele centra voor ondervraging in het land: in Algiers met name de villa Sésini, de school Sarrouy, het Café-Bains maures, in Tlemcen het Bastion 18… Anderzijds verkrachtingen in de « mechtas », huizen van leem en stro, tijdens expedities van Franse troepen in dorpen en geïsoleerde gehuchten op het platteland, beschreven in zijn dagboek door de luitenant Denis, parachutist van het 18e regiment van parachutistenjagers. De vrouwen bedekten hun gezicht met zweet, vuil en soms zelfs stront om hun agressors te ontmoedigen. Negen op de tien vrouwen op het platteland werden verkracht, en een zelfde aantal in de centra voor ondervraging. Tussen 1954 en 1962 hadden de verkrachtingen een massaal karakter, meer op het platteland dan in de steden, met een « crescendo » naarmate de oorlog vorderde. Omdat de parachutisten van generaal Massu in begin 1957 absolute volmacht kregen, heeft dit zeker bijgedragen tot het alledaags maken van verkrachtingen en martelingen. Maar volgens getuigenissen werden tijdens de operaties van het Plan Challe (1959-1960), bestemd om voor eens en altijd de verspreide eenheden van het Nationale Bevrijdingsleger « uit te roeien », verkrachtingen en martelingen de gewoonste zaak van de wereld.

De advocate Gisèle Halimi (1927-2020) was een van de eersten die de omvang van verkrachtingen tijdens de onafhankelijkheidsoorlog aan de kaak stelde: « In handen vallen van de Franse troepen was voor vrouwelijke onafhankelijkheidsstrijders een tragedie: zij cumuleerden het vrouw-zijn met het « terrorist »-zijn ». De vrouwen die zij verdedigde, wilden niet dat zij hun verkrachtingen voor de rechtbank openbaar maakte: « Spreek daar niet over, want wie zal mij daarna nog accepteren? Ik ben dan goed voor de vuilnisbak. »

In werkelijkheid hing alles af van de commandant. Als de officier duidelijk zijn morele standpunten uit de doeken deed voor zijn manschappen, waren er geen verkrachtingen, geen martelingen, geen wilde executies. Maar veel officieren hadden geen scrupules. De toegang tot militaire archieven in de nabije toekomst zal geen enkele helderheid over de omvang van verkrachtingen en seksuele martelingen geven, want in werkelijkheid zijn er nooit expliciete bevelen voor verkrachting gegeven, en nog minder schriftelijke bevelen. En de weinige affaires die soms naar boven kwamen, zijn onmiddellijk uitgewist om geen sporen na te laten, onderstreept de historica Claire Mauss-Copeaux.

Wat te doen met de kinderen die uit deze verkrachtingen werden geboren? De onderzoekster Danièle Djamila Amrane-Minne verhaalt in haar boek « Des femmes dans la guerre d’Algérie » (Karthala, 1994) de confidenties van twee verzetsstrijdsters: « Farida en ik hebben dit probleem voorgelegd. De onzen wilden er in het begin niets van weten. Wat te doen met al deze zwangerschappen? Onze commandant, Si Lakhdar, misschien omdat hij jong was, zei: « We gaan deze baby’s doden ». Wij zeiden: « Nee, dat kan niet, we mogen geen onschuldigen doden ». Ze hebben al deze kinderen gehouden. Hun echtgenoten wilden dat niet, maar uiteindelijk hebben ze deze kinderen toch gehouden. Er waren moeilijkheden, maar iedereen begreep het… » In werkelijkheid heeft lang niet iedereen dit « begrepen ». Veel kinderen hebben er onder geleden of lijden er nog onder, getuige het boek « Lettre à ce père qui pourrait être vous « (JC Lattes, 2005) van Mohamed, geboren na de collectieve verkrachting in augustus 1959 van de 15-jarige Kheïra Garne in het gevangenenkamp van het Franse leger in Theniet El-Had, op 170 km van Algiers.

Psychiaters maken zich zorgen over het grote zwijgen van generatie op generatie, aan beide kanten van de Middellandse Zee. Psychiater Alice Cherki: « Alleen door erover te praten kan de ontkenning opgeheven worden en kan alles ontward worden ». Zij citeert verscheidene gevallen in Frankrijk en in Algerije van jongeren die ernstige psychische moeilijkheden hadden, die opgelost werden na de onthulling van dit soort familiedrama’s. « Er moet over gesproken worden. De kwestie van de verkrachtingen moet genoemd worden als iets wat in de geschiedenis gebeurd is. Niet uit wraak, maar om de stilte in de archieven te bestrijden. Een ieder kan zo werken aan zijn of haar eigen geschiedenis en zich hervinden. Daarvoor is het nog niet te laat… »

Om haar trauma te overleven, strijdt Louise Ighilahriz. Iedere week daalt ze op haar krukken af naar het centrum van Algiers om steun te betuigen aan de volksbeweging Hirak tegen de dictatuur van het leger, aan de democratie, aan mensenrechten. Haar strijdvaardigheid is voor haar een persoonlijke therapie: « ik huil de hele tijd, maar ik probeer de moraal te bewaren. Al strijdend vergeet ik mijn naaktheid en wat mij in 1957 is overkomen: die dierlijke verkrachting. Met een « normale » verkrachting en foltering zou ik mij minder gewond voelen… »

 

Het is nog niet heel lang dat verkrachting in oorlogstijd als een oorlogsmisdaad aangemerkt wordt. Desondanks worden nog altijd massale verkrachtingen in oorlogstijd gepleegd, zoals in Afrika, om volkeren te vernederen en te onderwerpen. Het is zoals Louise zei: Oorlog wordt door mannen gevoerd, de vrouwen zijn in alle opzichten daarvan het slachtoffer. En daar kan ik mij mateloos kwaad over maken.

 

Geschreven op 31 maart 2021

 

 

Frankrijk-Rwanda: een stap dichter naar de waarheid

 

« Zware en met bewijzen overstelpende verantwoordelijkheden ». Zevenentwintig jaar was ervoor nodig voordat deze woorden over de rol van Frankrijk bij de genocide van de Tutsi in Rwanda in 1994 werden geschreven in een door president Macron aangevraagd onderzoeksrapport. Twee jaar nadat de historicus Vincent Duclert de opdracht kreeg de Franse betrokkenheid bij een van de laatste genocides in de twintigste eeuw helder te maken, heeft Macron een document in handen dat opgesteld is door onafhankelijke wetenschappers/onderzoekers en gebaseerd is op eindelijk opengestelde archieven. Na jaren van ontkenning en vervolgens van verbloeming en « goedpraterij » is dit onderzoeksrapport een stap op de weg naar de waarheid.

Even een stukje geschiedenis. De genocide van de Tutsi vond plaats van 7 april tot 17 juli 1994. Het is in feite het einde van een latent genocideproject van enige tientallen jaren, met verschillende fases waarin massamoorden plaatsvonden. Het is het resultaat van de weigering van de harde kern van de Rwandese staat om de in ballingschap levende Tutsi terug te laten keren, wat leidde tot de Rwandese burgeroorlog van 1990-1993. In deze oorlog stond de Rwandese regering van de Hutu tegenover het Front Patriotique Rwandais (FPR), dat door de autoriteiten ervan beschuldigd werd de macht te willen grijpen om zo de terugkeer van de in ballingschap levende Tutsi te realiseren. Het akkoord van Arusha in augustus 1993, dat een einde aan deze oorlog moest maken en dat in de terugkeer van de Tutsi voorzag, werd maar ten dele uitgevoerd door de weerstand van de harde kern van het Hutu-regime van Habyarimana. De moord op deze Rwandese president op 6 april 1994 ontketende de genocide van de Tutsi door de Hutu-extremisten, die aan 800.000 Tutsi het leven heeft gekost.

Het onderzoeksrapport, dat 1200 pagina’s telt, bevestigt en preciseert wat talrijke boeken en journalistieke onderzoeken al hebben onthuld: het Frankrijk van president Mitterand heeft blindelings het dictatoriale regime van Juvénal Habyarimana gesteund, die de genocide aanmoedigde en uitvoerde. Tragische ironie: Rwanda werd door Parijs beschouwd als het laboratorium van de nieuwe Afrikaanse politiek van Frankrijk, die vanaf 1990 bestemd was om hulp te bieden bij de democratisering van de Afrikaanse landen. Maar de vraag blijft of dit onderzoeksrapport wel volledige openheid van zaken geeft. De sombere kant van Frankrijk bij deze genocide blijft voor een belangrijk deel verborgen door indertijd bewust uitgewiste en vernietigde documenten, waardoor de geraadpleegde archieven niet volledig zijn. Vragen als welke rol de door Frankrijk aangetrokken huursoldaten hebben gespeeld en welke wapenleveranties het Hutu-regime tot op het laatste moment (of nog later?) heeft ontvangen, etc. hebben in het rapport geen antwoord gekregen of zijn zelfs niet genoemd. De enige conclusie die ik hieruit kan trekken, is dat de rol van Frankrijk bij deze genocide waarschijnlijk flink wat groter is dan uit het rapport blijkt.

Het rapport-Duclert beschrijft het mechanisme van deze « voortdurende blindheid in de steun aan een racistisch, corrupt en gewelddadig regime ». Het verklaart deze blindheid door de persoonlijke relatie tussen François Mittterrand en de Rwandese Hutu-president, die al zijn vragen naar wapens vervuld zag. Bovendien was er de Franse piramidale praktijk van de macht die de persoonlijke chef-staf van de president de mogelijkheid gaf het overheidsapparaat, inclusief het militaire apparaat, te omzeilen en zijn lezing op te leggen, waarbij mensen die waarschuwden voor hetgeen er aan de gang was, aan de kant werden gezet. De vroegere Franse minister van buitenlandse zaken Kouchner zei bij de presentatie van het rapport dat men – lees: Mitterrand en zijn entourage – willens en wetens niets had willen zien. De visie van Mitterrand rechtvaardigde de dominantie van de Hutu meerderheid, in naam van de democratie en met dezelfde etnische kijk als de Belgische kolonisator, die er een burgeroorlog in zag in plaats van een zich voltrekkende genocide. Daar kwam bovendien de obsessie voor de koloniale « Angelsaksische dreiging » bij…

Geïsoleerd, in opspraak gebracht door steun aan het regime en niet in staat te begrijpen welke tragedie er aankwam, kon Frankrijk zich niet meer onpartijdig voordoen toen de genocide op 6 april 1994 begon. Zij werd geacht de bloedbaden, de massamoorden te stoppen, maar deze operatie « Turquoise » was de dubbelslachtigheid ten top: de Franse soldaten verzekerden de bescherming van een zone waar de genocideplegers hun toevlucht zochten, maar zij weigerden deze moordenaars te arresteren. Was er sprake van medeplichtigheid? De onderzoekers denken van niet, maar mede gezien de bewust vernietigde documenten over deze aspecten van de genocide, die toch in de archieven te vinden zouden moeten zijn, denk ik van wel.

In 2010 zei de toenmalige Franse president Sarkozy, sprekend over de Franse rol bij deze genocide, dat er « simpele politieke vergissingen » gemaakt waren. Zijn opvolger Hollande beloofde tevergeefs de archieven te openen. President Macron moet nu een politieke vertaling geven van de verschrikkelijke constateringen in het rapport. En het is aan de rechters om er eventueel conclusies uit te trekken voor de lopende procedures.

Frankrijk klopt zich elke keer weer op de borst dat zij over de donkere perioden in haar geschiedenis – en die zijn er legio – helderheid verschaft. Nu, bij de 27e verjaardag van de genocide, wordt allerwegen een Frans verhaal over de waarheid over Rwanda verwacht. Macron hoopt binnen niet al te lange tijd naar Rwanda te gaan om de relaties tussen Kigali en Parijs te herstellen en zo een signaal naar heel Afrika te zenden. De overlevenden van de genocide, de families van de slachtoffers, hebben daar recht op. De Fransen ook, want noch de vrede, noch de goede naam van een land gedijen op (blijvende) leugens.

 

Geschreven op 12 april 2021

 

 

Mozambique en de jihad-dreiging

 

Na de Hoorn van Afrika en de Sahel is nu Mozambique aan de beurt: het land en de regio worden gedestabiliseerd door een islamitisch oproer. De internationale pers heeft daar tot dusverre nog niet veel aandacht aan besteed. De zeer gewelddadige aanval op de stad Palma in het noordoosten van dit uitgestrekte land, die vanaf 24 maart een paar dagen duurde, betekent een onrustbarende fase in de ontwikkeling van de jihad in een regio die tot dusverre daarvan gespaard bleef. Met een aanval op het vlakbij Palma gelegen schiereiland Afungi, veranderd in zwaar verdedigd kamp, waar een consortium geleid door het Franse Total installaties voor de exploitatie van gas wil aanleggen, hebben de strijders van de groep « Ahlu Sunna Wal Jamaa », daar « Al-Chabab » (de jongeren) genoemd, met succes een buitengewone actie gerealiseerd. Hun goed uitgewerkt aanvalsplan bestond eruit om de bevolking uit de dorpen in de omgeving te verjagen middels terreur, vervolgens de strijdkrachten in de stad te infiltreren, en daarna op verschillende plaatsen een gelijktijdige aanval te lanceren. Noch het leger, noch de mannen van privé- veiligheidsmaatschappijen die rijkelijk in de regio aanwezig zijn, zijn erin geslaagd het bloedbad van tientallen personen tegen te houden. Total, dat aankondigde de bouwwerkzaamheden te hervatten, heeft dit moeten opschorten.

De groep « Al-Chabab » wordt in het noorden van Mozambique sinds zijn creatie in 2017 steeds sterker, wegens de daar heersende economische ontevredenheid en lokale religieuze conflicten. De jihad-strijders, vooral Mozambikanen en Tanzanianen maar ook Congolezen en Somaliërs, leggen daar hun wil op door terreur te zaaien, met name door onthoofdingen, om er de geesten van te doordringen dat hun wil wet is. Deze opstandelingen, die geen duidelijk te identificeren leider hebben maar sinds 2019 aangesloten zijn bij de Islamitische Staat (Daech) hebben een steeds vastere greep op dit toekomstige eldorado, waar talrijke hulpbronnen zijn die ten onrechte niet aan de bevolking ten goede komen. De provincie Cabo Delgado met haar mijnen – robijnen, goud en grafiet – tot en met illegale handel in hout en heroïne is het doelwit van alle soorten hebzucht. De daar heersende chaos heeft 670.000 mensen ertoe gedwongen hun land te verlaten, en de humanitaire crisis heeft er ondraaglijke vormen aangenomen.

Voor Mozambique, een vroegere Portugese kolonie gemarkeerd door een lange onafhankelijkheidsstrijd (1964-1975) met direct daarna een eindeloze burgeroorlog (1976-1992) met bijna een miljoen doden, is dit een harde tegenslag, hoewel haar hoofdstad, Maputo, op meer dan 2700 km afstand ligt van deze islamitische aanvalsplaatsen. Gezien de mondiale context van de strijd tegen het jihadisme en de lokale situatie van Afungi – de zetel van een strategisch industrieel project voor de ontwikkeling van het land – zou het ergste wat Mozambique nu zou kunnen overkomen een al dan niet directe interventie van de grote wereldmachten zijn. Alle vormen van militaire escalatie – zie het rampzalige voorbeeld van Somalië – versterken de arrogantie van de jihadisten, wier internationale connecties toch zwakker schijnen te worden.

In tegenstelling tot de Sahel is Cabo Delgado een potentieel rijke regio met havens aan de Indische Oceaan, die het land naar de wereld openen. De Mozambikaanse regering moet nu de juiste politieke maatregelen treffen om een passend antwoord te geven op de lokale ontevredenheid, de veiligheid van de bevolking te verzekeren en haar beloften van voorspoed te houden die de toekomstige exploitatie van gas met zich meebrengt. En daarbij is het aan de internationale gemeenschap om de ontwikkeling van Mozambique te ondersteunen om zo het oppoken van de « islamitische gloeiende kooltjes » in dit deel van Afrika te vermijden.

Wil deze grote Afrikaanse regio niet dezelfde rampzalige weg van de Sahel en Somalië volgen, dan is dit mijns inziens de enige oplossing voor de bestrijding van het jihadisme in Mozambique.

 

Geschreven op 7 april 2021

 

 

Vaccinatie in arme en onstabiele landen

 

Het mag bekend zijn dat, willen we het huidige coronavirus en zijn varianten de baas worden, de hele mensheid ingeënt moet worden. Dat moet ook snel gebeuren, om het risico van heel gevaarlijke varianten te vermijden. Door een vrijwel totaal gebrek aan internationale solidariteit gaat dat echter niet gebeuren, en dat zal het rijke westen dan ook aan den lijve gaan ondervinden. Bovendien is vaccinatie in arme en onstabiele landen niet eenvoudig.

Om het coronavirus bijvoorbeeld in een arm land als Afghanistan terug te dringen, is heel wat meer nodig dan voldoende vaccins. Na in februari de eerste honderdduizend vaccins te hebben ontvangen, moest de regering in Kaboel haar 40 miljoen inwoners gaan inenten. Een geweldige uitdaging, want de helft van het land wordt gecontroleerd door de opstandige taliban, twee derde van de Afghanen leeft onder de armoededrempel, en het budget voor volksgezondheid is minder dan 4 euro per inwoner per jaar.

« Wij verwachten geen wonder, maar we doen ons best om deze vaccinatiecampagne op een goede manier te organiseren, », zei de Afghaanse minister van volksgezondheid, Waheed Majroh, bij de start van de campagne op 23 februari. Twee militairen in gevechtskleding lieten zich in het presidentieel paleis voor de tv-camera’s en een voltallige regering inenten. In Afghanistan, net als in talrijke arme landen, is het moeilijk de oudere mensen als eerste in te enten bij gebrek aan een betrouwbare bevolkingsregistratie. Militairen, journalisten en medisch personeel worden hier daarom als eersten gevaccineerd.

De arme en in conflicten gedompelde landen hebben niet alleen een schreeuwend gebrek aan vaccins, maar ook aan middelen om hun bevolkingen in te enten. In een op 18 maart gepubliceerd rapport over 128 landen met een laag of gemiddeld inkomen constateert de Wereldbank dat 85% van hen plannen voor vaccinatie heeft uitgewerkt, dat 68% waarschuwingssystemen voor mogelijke ongewenste effecten heeft ontwikkeld, maar dat « slechts 30% een opleiding van vaccinatiepersoneel op grote schaal heeft gepland en slechts 27% strategieën voor sociale mobilisatie en het informeren van de bevolking, om hen aan te sporen zich te laten inenten. »

De vaccinatie tegen Covid-19 in arme landen lijkt op geen enkele andere vaccinatiecampagne, te beginnen bij haar omvang. In een paar maanden tijd miljoenen inwoners inenten vraagt enorme logistieke inspanningen. In afgelegen regio’s moet men de vaccins dichtbij de mensen brengen, omdat zij zich moeilijk kunnen verplaatsen. De vaccins bewaren op temperaturen beneden 8 graden Celsius in afgelegen gebieden zonder elektriciteit en vaak zonder goede transportmogelijkheden is een uiterst moeilijke opgave. In onstabiele landen moet er ook nog eens onderhandeld worden met opstandige groepen, zoals in Afghanistan de taliban, waarvan sommige tegen vaccinatiecampagnes zijn, terwijl anderen ermee akkoord gaan in ruil voor « tolgeld » bij het vervoeren van vaccins.

Om te voorkomen dat de vaccins op de zwarte markt terechtkomen en daar weer verkocht worden, of dat er namaak-vaccins aan ziekenhuizen geleverd worden, is tracering erg belangrijk. Nog een andere moeilijkheid: arme landen hebben niet de gewoonte om volwassenen in te enten. In tegenstelling tot kinderen moeten volwassenen overtuigd worden, moeten hun vragen beantwoord worden, hetgeen aardig wat tijd kost. Vandaar het belang van informatiecampagnes, die vaccinatiecampagnes kunnen doen mislukken als zij niet goed uitgevoerd worden. Een voorbeeld: waar in India het in januari maar drie dagen kostte om 110 miljoen kinderen tegen polio in te enten, slaagde het land er gedurende twee maanden slechts in om 44 miljoen mensen tegen Covid-19 te vaccineren, nauwelijks 3% van de bevolking. Volgens experts is deze magere prestatie deels te wijten aan rondzingende verkeerde informatie, « fake- news », over de vaccins.

De vaccinatiecampagnes vereisen aanvullende middelen in landen waar het volksgezondheidssysteem al ondergefinancierd is. Het programma Covax, het initiatief van de Wereldgezondheidsorganisatie om 92 arme landen te helpen in de strijd tegen de pandemie, heeft de kosten van distributie van vaccins aan 20% van hun bevolking becijferd op 2 miljard dollar. Laura Boonstoppel, gezondheidszorgeconoom van de NGO Thinkwell: « Donateurs financieren gemakkelijker de aankoop van vaccins dan een vaccinatiecampagne ». Overigens zij opgemerkt dat Afrika in het kader van het Covax-programma op 22 maart nog slechts 15,2 miljoen van de beloofde 600 miljoen doses vaccin had ontvangen! Bij de afwezigheid van voldoende financiën geven de arme landen meer geld aan volksgezondheid uit ten koste van andere programma’s. De organisatie STOP TB Partnership heeft zo onlangs een onrustbarende daling van gediagnosticeerde en behandelde gevallen van tuberculose geconstateerd, waardoor 12 jaar van vooruitgang in de strijd tegen deze ziekte verloren is gegaan.

Laura Boonstoppel: « De hele wereld is gefixeerd op de strijd tegen Covid-19, met het reële gevaar dat andere gezondheidssectoren veronachtzaamd worden. » Daarmee – vul ik aan – spannen wij het paard achter de wagen!

 

Geschreven op woensdag 31 maart 2021