Kenschets van de Romantiek
Deel 2: Duitse literatuur

Civis Mundi Digitaal #111

door Piet Ransijn

Caspar David Friedrich, Twee mannen kijken naar de maan (1825-30)

 

Dit deel gaat over de Duitse, Franse en Britse literatuur tijdens de Romantiek. In Duitsland de gebroeders Schegel, Caroline Schlegel-Schelling en Novalis als vroeg hoogtepunt, de Hoogromantiek bij Tieck, Brentano, Eichendorff en Hoffmann en de late Romantiek met Heine, Nietzsche en Wagner. In Frankrijk Rousseau, Chateaubriant, Madame de Staël, Stendhal, Flaubert, Victor Hugo, Leconte de Lisle, Balzac, Baudelaire, de ‘poètes maudits’ Verlaine, Rimbaud en Mallarmé en de Belgische symbolist Maeterlinck.

In Groot Brittanië (deel 3) Walter Scott, William Blake, Jane Austen, enkele zgn. revolutionaire schrijvers, vervolgens de Hoogromantiek met Shelley, Keats en Lord Byron, de Victoriaanse tijd met de zusters Brontë, Dickens, Thackerey, George Elliot en bij de overgang naar de 20e eeuw: Oscar Wilde, George Bernard Shaw, Joseph Conrad en E M Forster en een aantal Amerikaanse schrijvers. Een uitgebreide, maar incomplete selectie.

 

Caroline, August Wilhelm en Friedrich von Schlegel

 

Caroline en Gebroeders Von Schlegel als centrale figuren van vroege Duitse Romantiek

Goethe, Schiller en Herder waren inspiratiebronnen voor de Romantici. De gebroeders Schlegel hadden contact met Goethe en Schiller en begonnen als adepten van de klassiek oudheid. Novalis volgde colleges bij Schiller. De Romantici gingen echter hun eigen weg. Kenmerkend was hun universaliteit. Zij begaven zich op het gebied van de literatuur, filosofie en wetenschap. “De romantische poëzie is een vooruitstrevende universele poëzie,” schreef Friedrich Schlegel. “De poëzie wordt op die manier... tot het middel verheven om de wereld in haar diepste samenhang te begrijpen” (p325). Dit begrip is subjectief en wordt als het ware geschouwd in het diepst van de ziel, zoals bij Schelling (zie CM 110).Caroline Michaelis (1763-1809), de vrouw van August Schlegel  na haar scheiding van de filosoof Schelling, was de centrale vrouw, “de dame d’honneur van de Duitse Romantiek, die er de stuwkracht van was en gebleven is, zolang de bloei ervan geduurd heeft” (p320). Deze onafhankelijke, vrijgevochten vrouw was de gastvrouw bij de bijeenkomsten van de vroege Romantici te Jena en de vrouw en ex-vrouw van twee centrale figuren, zie het eerdere artikel over wetenschap tijdens de Romantiek, waarin een aantal markante personen de revue passeren.

In de (mislukte en onafgemaakte, ‘wellustige’ en opschudding veroorzakende) roman Lucinde (1799) typeert Friedrich Schlegel de nieuwe stroming als “een schone chaos van verheven harmonieën en interessante genietingen” (H W Ph van den Bergh van Eijsinga, De ziel der mensheid: een boek van geestelijke waarden, deel III, p231). In “een ikheids-cultus... boven maatschappelijke conventie, moraal en orde.” Bij Schlegel komen twee kanten van de Romantiek naar voren: de verheven geestelijke kant die bij Novalis zijn meest zuivere uitdrukking vindt, en het meer hedonistische ‘zwelgen in gevoelens en intense ervaringen’, dat bij veel Romantici naar voren komt. In de geest van Novalis, met wie hij bevriend was, schrijft hij: “De liefde is niet alleen het stille verlangen naar het Oneindige, zij is ook het heilig genieten van een schone tegenwoordigheid. Zij is niet alleen een menging, een overgang van het sterfelijke tot het onsterfelijke, want zij is een volkomen eenheid van beide. Er is zuiver liefde, een ondeelbaar enkelvoudig gevoel zonder de minste storing van onrustig streven. Elk geeft hetzelfde als hij neemt, de een zo goed als de ander... als de eeuwige kus van goddelijke kinderen” (idem, p232 in het hoofdstuk ‘Metamorphosen’).

Friedrich Schlegel was als theoreticus, literair filosoof en literatuurcriticus de centrale figuur van de vroege Romantiek, samen met zijn broer August, de filoloog, taalkundige en vertaler van o.m. Shakespeare. Sprache und Weisheit der Inder wordt als zijn meest baanbrekende werk beschouwd. Het had grote invloed op de (vergelijkende) taalwetenschap. Aan het einde van zijn leven leidde hij het conservatief katholieke tijdschrift Concordia (1820–1823) en botste met zijn broer, die protestant bleef. Hij gaf ook een aanzet tot de levensfilosofie in Vorlesungen über die Philosophie des Lebens (1827), waarin hij zich afzette tegen de systeemfilosofie van Kant en Hegel. 

August Schlegel was vooral taalkundige, kunstcriticus, indoloog en een briljant vertaler van o.m. Shakespeare, Dante en Petrarca. Evenals Friedrich ging hij naar Frankrijk waar hij met Madame de Staël samenwerkte (zie aldaar). Hij was ook hoogleraar in de esthetica te Jena in 1798, op verzoek van Schiller en in de kunst- en literatuurgeschiedenis te Bonn in 1818, na de dood van Madame de Staël. 

 

Novalis als hoogtepunt van de vroege Duitse Romantiek

“De belangrijkste scheppende kunstenaar onder de vroege Romantici was Novalis (Friedrich Freiherr von Hardenberg, 1772-1801). Leidende Romantici als Friedrich Schlegel en Ludwig Tieck zagen Novalis als een vroeg hoogtepunt van de Romantiek (zie CM 35-37). Van den Bergh van Eijsinga noemt hem “de grootste dichter onder de Romantici,... Dit is de puurheid van een kind, dit is inniger dan Shelley... met die onvergetelijke maten en wonderbare rijmen” (p235,238). Na de vroege dood van Novalis werd hij geïdealiseerd en geromantiseerd en ontstond er tijdelijk een soort cultus, waar Tieck en Schlegel ook de hand in hebben gehad. Zijn werken spreken echter voor zich en hoeven niet te worden geïdealiseerd en worden beschouwd als Romantiek in zijn meest zuivere vorm, die overgaat in lyrische mystiek.

Na de dood van zijn geliefde schreef hij zijn Hymnen an die Nacht, waarin dood en leven in elkaar overgaan in een alomvattende mystiek aandoende zin (zie CM 35). “De ware werkelijkheid is zuiver spiritueel... Het bovenpersoonlijke Ik... en wereld zijn in de grond één en hetzelfde: geest,” zoals in de idealistische filosofie van Fichte en Schelling, met wie hij bevriend was (p327). Dit Ik komt overeen met wat in de Indiase filosofie ‘Zelf’ of ‘Atman’ wordt genoemd. “Het Ik van hogere aanleg, dat zich ontwikkelt, verhoudt zich tot de mens, zoals de mens tot de natuur, of de wijze tot het kind. Straks verruimt zich het Ik tot het Al; de dingen daarbuiten worden verinnerlijkt” (Van den Bergh van Eijsinga, p236). Anders gezegd: de dingen spelen zich af in het (omvattende) bewustzijn, waarin zij gestalte krijgen. Zonder bewustzijn blijven we verstoken van de wereld der dingen.

“Wat de mens zoekt... is het Zelf, en hij vergist zich... dat hij het tijdelijk, vluchtig zelf [of ik] aanziet voor z’n wezenlijk en eeuwig [Zelf]. De dichter [Novalis althans] doet dit niet. Heinrich von Ofterdingen toont ons de man, die, anders dan Wilhelm Meister [bij Goethe], niet de poëzie offert, ... niet toegeeft aan de vulgaire realiteit, maar die geen andere wet kent dan die van het schone en daarmee de wereld, …, zal overwinnen... Er is geen romantisch dichter zo zuiver en zo onverouderd als deze artiest” (p239,240).

Een bij uitstek romantische roman is zijn onvoltooide Heinrich von Ofterdingen (zie CM 36), Nederlandse vertaling De blauwe bloem. Deze bloem is het symbool van de vroege Romantiek en “het zinnebeeld van het oneindige heimwee naar de geheimrijke allesverenigende en doorstralende oergrond” (Fritz Martini, Duitse letterkunde II, p 348). Het heeft ook te maken met de onbereikbare overleden geliefde van Novalis.

Het doet zich voor als een typerende trek van de Romantiek om ervaringen, in het bijzonder de liefde, intens te beleven en als het ware het hemelse en het aardse, het sterfelijke en het onsterfelijke, het eindige en het oneindige met elkaar te verzoenen, maar weinigen slagen daarin (zoals Novalis). Van den Bergh heeft het over “het onvermogen van de menselijke natuur om in een eindig wezen voortdurend het Volstrekte en het Oneindige weer te zien, dat de kunstenaar moet bewegen... tot een zichtbaar schoonheidsideaal” (p173). Dit vraagt “geestelijke groei, de wijderwording van de persoonlijkheid”, in moderne termen: bewustzijnsverruiming. Dit was een kenmerkend streven bij Romantici als Tieck en Novalis en eerder bij Herder, Goethe en Schiller. Veel schrijvers en dichters streven meer naar intensivering, overprikkeling en verzinnelijking dan naar verheffing, verdieping en vergeestelijking van ervaringen. De gerichtheid is vaak meer zinnelijk en sensueel dan ideëel en geestelijk (meer ‘sensate’ dan ‘ideational’ of ‘idealistic’ in termen van de cultuursociologie van Sorokin). Novalis neigt naar ideële culturen zoals de christenheid in de middeleeuwen of het oude India.

In Die Christenheit oder Europa (zie CM 36) grijpt Novalis terug naar de Middeleeuwen en in Die Lehrlinge zu Saïs (CM 35) naar Egypte. Ook India en andere verre landen en culturen stonden in de belangstelling, zoals typerend zou zijn voor de Romantiek. In zijn Geistliche Lieder (CM 37) komt een pantheïstische spirituele visie van het Christendom naar voren. Vloemans heeft het over “vluchten uit de werkelijkheid” (p327,329). Het is echter veeleer een willen doordringen tot de essentie van de werkelijkheid. Novalis werkte met overgave als opzichter van zoutmijnen, een zeer aards beroep en was ook trouw aan de aarde, om met Nietzsche te spreken: “Broeders blijf de aarde trouw” (Also sprach Zarathustra, Vorrede).

“Het schrijverschap is een bijzaak... hoofdzaak is [het] praktische leven” (Gerhard Schulz, Novalis,  p174,117). “Hij was in zijn beroep uiterst plichtsgetrouw en heeft het bij de romantici zo zeldzame evenwicht tussen de eisen van het dagelijks leven en zijn roeping als dichter volkomen bereikt” (J H Schouten, Duitse literatuur als levensspiegel, p46).

Veel van wat hij schreef is fragment(arisch) gebleven door zijn vroege dood op 29-jarige leeftijd, hetgeen ook typerend is voor scheppingen van andere Romantici. Volgens diverse bronnen vindt de vroege Romantiek bij Novalis “zijn zuiverste en diepste expressie... Hij was ook als verteller een lyrisch dichter, die de beschikking had over een diep doorvoelde, ritmische prachtig bezielde taal,... zeer persoonlijk verbonden met mystieke diepzinnigheid, geniale intuïtie en een dichterlijk-visionaire kracht die alles tot magische ervaring herschept” (Fritz Martini, p346-47, zie ook H A M Snelders in het artikel over zijn boek Wetenschap en intuïtie in CM 110).

“Veel heeft de Romantiek ondernomen, veel heeft zij ontdekt en toch is zij in haar pogingen blijven steken... Alles is fragment gebleven... en toch heeft zij zaden gestrooid, zo vele en zo belangrijke, dat de mensheid van de twintigste eeuw nog voor een goed deel de geestelijke wereld bewoont, die de Romantiek zo niet heeft geschapen, dan toch heeft ontdekt” (p331).

 

  

Tieck, Brentano en Eichendorff 

 

De Duitse hoog-romantici: Tieck, Brentano en Von Eichendorff

Verwant en bevriend met Novalis en de gebroeders Schlegel waren o.m. Ludwig Tieck, Clemens von Brentano en Achim von Arnim.

Ludwig Tieck schreef o.m. Phantasien über die Kunst, Von Einem Kunstliebenden Klosterbrüder (1799), herdichtte ook Minnelieder aus dem schwäbischen Zeitalter (1803) en schreef sprookjes, evenals Goethe, Novalis en Brentano. Bekend werd zijn toneelbewerking van het sprookje Der gestiefelte Kater (De gelaarsde kat). Aan het eind van zijn leven gaat hij over tot pretentieloze, burgerlijke Biedermeier-romantiek. Opmerkelijk zijn de fantastische en griezelige romans, die hij schreef, met spoken, heksen met oog voor het lugubere en wonderbaarlijke, bijv. Ritter Blaubart (1797), Die Elfen (1811) en Hexensabbat (1831). Franz Sternbalds Wanderungen, eine altdeutsche Geschichte (1798) een historische vagebondenroman. Het is meer verwant met Wilhelm Meisters Lehrjahre van Goethe dan met Heinrich von Ofterdingen, de onvoltooide roman van Novalis. Het gaat over en jonge schilder “vol lyrische stemmingen en verrukkingen van het reizen en trekken; vervuld met kunst en muziek, middeleeuwen, bosmagie en zonsondergangen” (p344). De Hollandse schilderkunst wordt erin herontdekt als de schilder door de Nederlanden trekt. “Sternbald zoekt zijn geliefde en deze vindt hij niet, want zij is van heimwee omgekomen Sternbald zoekt ook zijn vader, en tenslotte zoekt hij het genot... Slechts een kunstenaar kan de werelden haar vreugde op de waarachtigste en edelste manier genieten... ‘Ihm sind die Küsse / Der goldne Wien / Noch mal so süsse / Im Sonnenschein” (Van den Bergh van Eijsinga, p242-43). Tieck heeft verder met August Schlegel meegewerkt aan vertalingen van Shakespeare en vertaalde Don Quichotte van Cervantes in het Duits.

Clemens von Brentano en zijn vriend Achim von Arnim, tijdgenoten van Novalis, gingen door met het verzamelen en bewerken van volksverhalen en publiceerden ze als Des Knaben Wunderhorn (1806-1808), opgedragen aan Goethe. Op grond daarvan luidde vooral Brentano “een nieuw tijdperk van lyriek in,... in zwevende , stromende, door gloed en melancholie bewogen betovering... Wonderlijk lagen in Brentano mystiek en humor, zinnelijkheid en godsdienstigheid bij elkaar, vernuft en fantasie, ironie en kinderlijkheid werden verenigd.. met eenzelfde volkseigen en christelijke hartelijkheid” als in de volksliederen (Martini, p352). Brentano schreef evenals Goethe en Tieck ook talrijke sprookjes, die minder zinnebeeldig en wijsgerig waren dan die van Novalis, maar meer speels en fantasierijk. “Rond 1817 keerde hij terug tot het katholieke geloof” (p354). Tieck was hem daarin voorgegaan.

Joseph Freiherr von Eichendorff was als katholiek en evenals Novalis van adel en bevriend met Brentano. Hij mocht zich evenals E T A Hoffman over een bredere lezerskring verheugen. Dit gaf echter ook een zekere “verdunning”, vervluchtiging en vervlakking in de richting van het sentimentele en het conventionele in de richting van het realisme. Eichendorff “zocht het in de droom van het onbesmet verleden, in zijn hunkering naar christelijke bovenzinnelijkheid... Nooit verliet hem het heimwee naar het verloren paradijs van zijn kinderjaren... De beleving [daarvan...] werd voor hem het symbool van het dichterlijk-mythische, oorspronkelijke vaderland van de mens.”

“Eichendorff creëerde het typisch romantische stemmings- en zielelandschap met bos en bergen, juichende lente, geheimzinnig maanlicht, oude burchten, eenzame kapelletjes, en verre geruchten; een landschap vol wijdheid en voorgevoelens en grenzeloos reikhalzen. Want steeds is hier de ziel aan het zwerven, hetgeen voor gelovige katholieken [zoals hij] een pelgrimsreis betekende naar Gods eeuwig vrede. Al zijn liederen zijn zuiver en vol van taal en gevoel, eenvoudig en innig, zonder hartstocht... De schemerachtige verten, de zwevende klanken, de tedere kleuren, de stille dingen keren steeds weer terug; het landschap wordt in een inwendige, van geluk doordrenkte of melancholieke betovering herschapen. Over alles uitgebreid ligt de innerlijke vrede van het christelijk gemoed, door het eeuwige in het ijdelijke stilbegroet, zich geborgen wetende in het goddelijk element.” De blauwe bloem, die bij Novalis het zinnebeeld was van het (verlangen naar het) onbegrensde, werd vervangen door een aards en weelderig landschap. De fantasie is echter even levendig gebleven.

 “Eichendorff kent niet de verscheurdheid van een Brentano, ofschoon hij ook weet had van de innerlijke gespletenheid van het romantische bestaan tussen rusteloosheid en heimwee naar rust, zinnelijk en geest, willekeur van het subjectieve en binding aan bovenpersoonlijke ordeningen, ? en eenvoud. Hij filosofeert niet, maar hij dicht vanuit de innige, dromerig stemming van zijn ziel... Liefde, natuur, zwerflust, geboortestreek en heimwee zijn de overwegende thema’s” (Martini, p362-63). Hij bewerkte en schreef verder (volks)liederen, ‘Wanderlieder’, gedichten, romans, novellen en vertellingen, toneelstukken, kritieken en beschouwingen. “Door heilige liederen beroerd, duikt zijn leven in de muziek der sterren, een eewig trekken in wonderbare verten” (Van den Bergh, p254).

Als toegift een typerend gedicht met natuurschilderingen en zachte, nostalgische sentimenten:

“Schweigt der Menschen laute Lust                  Luide menselijke vreugde zwijg

Rauscht die Erde wie in Traümen                     laat ruisen op aarde zoals in dromen

Wunderbar mit allen Baümen                          wonderbaar met alle bomen

Was dem Herzen kaum bewusst                      wat het hart zich nauwelijks bewust is

Alte Zeiten, linde Trauer                                 oude tijden, zachte droefheid

Und des schweifen leise Schauer                     en laat tedere sidderingen zweven

Wetterleuchtend durch die Brust                      als een weerlicht door de boezem” (Van den Bergh, p253)

E Th A Hoffmann overtrof Eichendorff mogelijk als verteller. Jacues Offenbach maakte een opera van Hoffmanns Erzählungen (1880). Hoffmann componeerde zelf ook opera’s en was kapelmeester. Hij bewonderde Mozart en Beethoven, verdiepte zich in de mystieke verlossingsleer van Novalis en G H von Schubert en maakte een onderscheid tussen dichterlijke, bevlogen, zichzelf doorvoelden mensen en benepen burgers die in de alledaagsheid blijven steken. “’In zijn geloof aan de heerschappij van ongrijpbare machten... stonden zijn novelle dicht bij de romantische noodlotstragedie...Hij was een artiest van de ongure sfeer, die zijn droombeelden... vol ironie weergaf... Het magische en demonische brak ontstellend en beheksend door de grenzen van het dagelijkse bestaan” (p365). Hij had een voorkeur voor het groteske en fantastische en schreef griezelromans, allegorische sprookjes en fabels en vertelllingen, waarin het menselijke en al te menselijke op fantastische wijze ontmaskerd wordt en waarin “zich de sfeer van een knus-burgerlijke verteltrant reeds aankondigt” (p367).

 

Sprookjes en volksliederen, recht, geschiedenis en religie

De gebroeders Grimm zijn beroemd door hun verzamelde sprookjes (1812). Dat geldt ook voor het Franse equivalent Les Contes de ma mère l’Oye (De sprookjes van Moeder de Gans), verzameld door Charles Perrault (1697). Minder bekend zijn het rechtskundige verzamelwerk van Jakob Grimm, Deutsche Rechtsaltertümer (1828), over het Duitse gewoonterecht en het werk van de historicus Ranke, Geschichte der romanischen und germanischen Völker von 1494-1535 (1824). Reeds vermeld is dat Herder, Tieck, Brentano en Von Arnim volksliederen verzamelden.

 

  

Heine, Wagner en Nietzsche

 

Hoogtepunten van de latere Duitse Romantiek: Heine, Nietzsche en Wagner

Daarna volgt het realisme van de late Romantiek met als hoogtepunten Heinrich Heine en Richard Wagner. Het taalgebied van het land van dichters en denkers kende talloze schrijvers, waarvan in dit bestel alleen de meest bekende aan de orde komen.

Heinrich Heine studeerde bij August Schlegel. Ook hij schreef sprookjesachtige lyrische liefdesliederen in vrije ritmen en rijmloze verzen: “metrische woordmagie” (Buch der Lieder, 1827). Zijn Reisebilder (1826-31) hebben een “persoonlijke impressionistische verteltrant... een stijl die tot vandaag toe... het voorbeeld bleef... Hij schiep taal, stijl en techniek van het moderne krantenartikel... Ongetwijfeld werd bij Heine de polemiek een kunstwerk” (p383, 385).

Hij staat bekend om zijn ironie en ernst tegelijk, geestdrift en pessimisme, betovering en cynisme. Als journalist in Parijs verheerlijkte hij “de vrije geest,... de droom der democratie en een verenigd, vrij Europa” (p382-83). En probeerde Duitsland en Frankrijk met elkaar te verzoenen, een eeuw voor de werkelijk toenadering. Evenals Wagner had hij revolutionaire sympathieën. Maar bij hem lag de ontgoocheling steeds op de loer vanwege “de nederlaag van het edele en schone en de triomf van het lage als schampere wereldwet”. Hij uit zijn tegenstrijdige gevoelens in uiteenlopende, bittere, hoopvolle en berustende gedichten.

Wagner was behalve componist ook schrijver, taalkundige, criticus, “een eclectisch epigoon; tegelijkertijd een stoutmoedig vernieuwer... lyrisch dichter, verdroomd extaticus en berekende artiest, revolutionair en conservarief,... psycholoog, en estheet” (p408). Zijn onmiskenbare genialiteit en uitstraling ging volgens Nietzsche ook over in decadentie en een overdadige pompeuze smaak. De ‘oneindige melodie’ had een zinnelijk-mystiek en/of narcotisch effect, zoals ook Thomas Mann beschreef in zijn verhaal Tristan (1902). In het gedeelte over muziek komen de muziekdrama’s van Wagner nader aan de orde.

Nietzsche is vooral bekend als een dichterlijk filosoof, die zijn geruchtmakende werken vooral in klinkende en indringende aforismen schreef. Also sprach Zarathustra (1883-85) is zijn romantisch aandoende lyrische meesterwerk, vol diepzinnige beelden en beschrijvingen. In zijn Unzeitgemässe Betrachtungen (Oneigentijdse beschouwingen, 1873-76), waarvan er één over Wagner als opvoeder gaat, kritiseert hij de benepen cultuur van zijn tijd (zie bijlage bij deel 3). Hij wil een nieuwe levenskrachtige cultuur scheppen, die de aarde trouw blijft en zich niet verliest in metafysische en godsdienstige idealen, maar slaagt daar niet bevredigend in. Wagner biedt bij nader inzien geen alternatief dat hem aanstaat. Ook voor Wagner geldt: Menschliches, Alzumenschliches (Menselijk, al te menselijk, 1878-80).

Hij trekt zich terug in de Zwitserse bergen en zoekt verder (Der Wanderer und sein Schatten, 1880). In Morgenröte: Gedanken über die moralischen Vorurteile (1881), Jenseits von Gut und Böse (1886) en Zur Genealogie der Moral (1887) verdiept hij zijn kritiek op de cultuur en de moraal en verkent hij historische en toekomstige alternatieven in het verlengde van Also sprach Zarathustra. De Fröhliche Wissenschaft (1882) bood geen alternatief. Daarin staat het beroemde aforisme (nr 125) over de dood van God, met aan het einde de vraag: moeten we nu zelf geen goden worden?

De Übermensch doelt veeleer op zelfverwerkelijking en bewustwording, dieper leven en ervaren, dan op de misverstanden die de term heeft opgeroepen, mede door onduidelijkheden bij Nietzsche zelf. “Tegen het vooruitgangsgeloof en het specialisme van de 19e eeuw eiste hij een zingevend, geestelijk middelpunt van de cultuur” (Martini, p487. Nietzsche noemt dit “ein heiligen Ursatz”). Hij zoekt het grenzeloze in grenzen en lijkt dit soms te ervaren in intieme of geëxalteerde momenten van overstelpend gevoel, die hij dichterlijk beschrijft in vrijwel ongeëvenaarde ritmische woordkunst, bijv. in zijn Dionysos-Dithyramben (1888-89).

“Het ‘leven’ werd voor hem een volstrekte waarde-in-zichzelf... in onophoudelijke metamorfose... Het leven in  al zijn diepten, bekoringen,  verlokkingen,... in zijn roes en schittering... wilde Nietzsche tot het hoogste bewustzijn omtrent zichzelf opvoeren” (p488). Hij predikte daartoe de liefde tot het levenslot (amor fati). Hij leefde echter ascetisch als een kluizenaar in de Zwitserse bergen en werd door dorpsbewoners ‘il santo’ (de heilige) genoemd. Wat hij schrijft is kennelijk niet hedonistisch en zinneprikkelend bedoeld, zoals dat bij veel andere schrijvers en dichters het geval is. Hij wil de “tegenstrijdige eenheid van leven en geest” herstellen. Zijn visionaire werken geven blijk van zijn vorderingen wat dit betreft, die voorbij gaan aan vrijwel alle bestaande ideële, religieuze en ethische waarden en in de buurt komen van wat Albert Schweitzer ‘eerbied voor het leven’ noemt. Bij Nietzsche krijgt dit levensgevoel soms een geëxalteerd, maar ook vaak een subtiel en intiem karakter. Zijn laatste werken komen overspannen over (Der Fall Wagner, 1888, Götzen-Dämmerung, Antichrist, Ecce Homo, Nietzsche contra Wagner, 1889). Daarna volgt een geestelijke ineenstorting, waar van hij niet meer herstelt, waarschijnlijk als gevolg van syphilis, die ook de hersenen aantast. Zijn grote doorbraak heeft hij niet meer mogen meemaken.

“Hij schonk de kunst met zijn doorbraak uit het realisme een nieuwe innerlijke wijdheid, een metafysische trilling... ruimte voor nieuwe creativiteit [...in] briljante aforismen... hymnische muziek, de fonkelende antithese, de lyrische opvlucht, de scherpe intellectuele precisie, de vurige helderheid en de soevereine intelligentie die de [Duitse] taal te bieden had... Zijn poëzie vertoont een uiterst genuanceerd gevoel voor beweging en afwisseling van licht, kleur, klank, voor alle in zichzelf... steeds veranderen stemmming en emoties” (p489). Kortom een laat en invloedrijk hoogtepunt van de Romantiek.

Zijn soms schreeuwerige filosofie, die cultuurkritiek tot kunst verheven heeft, biedt desondanks een bevestiging van de liefde tot het leven als basis voor een levensbevorderende cultuur en ethiek. In bijv. ecologische wetgeving, milieu-ethiek en het recht op een menswaardig leven, krijgt dit nu gestalte, op een andere manier dan het recht van de sterkste en machtigste, waar Nietzsche mee leek te sympathiseren in sommige uitspraken. Over Nietzsche zijn bibiotheken vol geschreven. Deze typering schiet tekort zoals die van alle andere schrijvers. Het was de (westerse) filosoof die me al jong het meest aansprak. In onderstaand gedicht uit Also sprach Zarathustra (IV Mittags) uit hij zijn typisch romantische verlangen in in het onbegrensde op te gaan dat in wezen religieus is.

O Himmel über mir                                         O Hemel boven mij

Wann trinkst du diesen Tropfen Tau                  Wanneer drink je deze druppel dauw

der auf der Erde Dingen niederfiel                    die op de aardse dingen naar beneden viel

Wann, Brunnen der Ewigkeit                            Wanneer, Bron van Eeuwigheid

wann trinkst du diese wunderliche Seele           Wanneer drink je deze wonderlijke ziel

wieder in Dich zurück?                                    weer terug in jou?

Theologie tijdens de Romantiek: Strauss en Schleiermacher

De Romantiek was vaak religieus georiënteerd, vaak pantheïstisch, zoals in bovenstaand gedicht. Volgens diverse auteurs had Nietzsche trekken van een religie-stichter, die een “religie van vrije zielen” wil stichten. “Hij wil nieuwe goden scheppen en verkondigen”, niet alleen nieuwe waarden (Zie o.m. Herman Wolf, Nietzsche als religieuze persoonlijkheid (p24,34), Karl Jaspers, Nietzsche und das Christentum; F Redingius-Salomonson, Een weg tot Nietzsche, Antoon Vloemans, Nietzsche). Zarathustra ook lijkt gemodelleerd naar de figuur van Jezus.Andere filosofen tijdens de Romantiek, met name Hegel en Schelling, zijn resp. besproken in CM 108 en 109 in het eerste artikel over de Romantiek. De theologie sluit hierbij aan.

Theoloog David Friedrich Strauss en zijn schokkende boek Das Leben Jesu kritisch bearbeitet (1835/36), die de wonderen van Jezus als mythen beschouwde had grote invloed op Nietzsche, die hem later bekritiseerde. Strauss werd op zijn beurt werd beïnvloed door Schelling, Hegel en Schleiermacher. Het boek stelde de vraag naar de historische Jezus, die ook door anderen geïnterpreteerd wordt in termen van de ‘geest van de tijd’, zoals Albert Schweitzer later aantoonde in The Quest of the Historical Jesus (1906, 1910), een voorlopige conclusie van de ‘Jezus-Forschung’. Dit nam niet weg dat schrijver Dan Brown in The DaVinci Code met een populaire eigentijdse Jezus-interpretatie kwam. Nietzsche bekritiseerde de rationalistische en latere materialistische visie van Strauss in zijn Unzeitgemässe Betrachtungen Deel 1, David Strauss: der Bekenner und der Schriftsteller (1873) als decadent, vulgair, stijlloos en typerend voor de oppervlakkige materistische tijdgeest, die aan het eind van de Romantiek de kop op stak, mede onder invloed van de wetenschap. De cultuurkritiek van Nietzsche en Schweitzer komt het laatste deel van de artikelenserie aan de orde.

Friedrich Schleiermacher was de invloedrijkste theoloog van de Romantiek, grondlegger van de ervaringstheologie met veel persoonlijke vrijheid en ruimte voor eigen intuïtie en beleving. Hij definieert godsdienst in zijn ophef makende Reden über die Relgion (1799) los van dogmatiek in onpersoonlijke termen. Namelijk als “zin en smaak voor het Oneindige” en het “aanschouwen van het gevoel van het universum” of als “het beleven van het eeuwige in het tijdelijke... Als de mens niet in de onmiddelijke eenheid van aanschouwing en gevoel één wordt met het Eeuwige, blijft hij in het afgeleide [van het] bewustzijn eeuwig ervan gescheiden” (Van den Bergh Deel III, p233).

Dit laatste komt in de buurt van de belevingen van Nietzsche, die als predikantenzoon zeer godsdienstig was opgevoed. Bij Schleiermacher is het Oneindige de christelijke God en is het christelijk geloof de hoogste vorm van religie, hoewel het gevoel voor het Oneindige in alle religies te vinden is. Zijn taalgebruik sloot aan bij romantisch-pantheïstische tijdgenoten. Hij ziet God meer als totaliteit dan als persoon, “schrijft God alleen een persoonlijkheid toe in symbolische zin” (Father F Copleston s.j., History of Philosophy, Vol 7 Part I Fichte tot Hegel, p190).

Schleiermacher was bevriend met Friedrich Schlegel, evenal Nietzsche een zoon van een Luthers predikant. Hij bekeerde zich in 1808 tot het katholicisme. Eerder wilde Schlegel een nieuwe religie verbreiden die ‘magisch’ en ‘mystiek’ zou zijn, enigszins verwant met de visie van Novalis. Nietzsche toont zich in Also Sprach Zarathustra ook als een soort profeet of religiestichter in ruime zin van de aardse religie van de liefde tot het leven.

 

 

Een meer omvattend weten

2021 04 25 Bij schrijven over de Romantiek

 

Het mensbeeld van de romantiek

komt mij voor als sympathiek

Een romantisch streven

inspireerde ook mijn leven

dat bij alle streven bovenal

naar de eenheid met het Al

was toegewend en toegenegen

als de drijfveer van mijn streven

 

De wetenschap van ieder onderdeel

dient te passen in een groot geheel

Want halve kennis is riskant

Haalt de dingen uit verband

die alleen maar te bevatten zijn

met een ruim en diep bewustzijn

 

Bewustzijn is een onontdekt terrein

De focus van ons weten

mag nu dit gebied betreden

waar de eenheid van het leven

zich aan ons kan openbaren

als de sluier op zal klaren

die ons weten nog omhult

dat zich nu in stilte hult

 

Een verlicht bewustzijn

boort zich door de schijn

van een onvolledig weten

en het ware komt tot leven

Want waarachtig zijn

omvat altijd het bewustzijn

Zonder ons bewustzijn

kan er niet eens weten zijn

 

Bij het onderzoek van de materie

blijft bewustzijn een mysterie

dat pas opgelost kan worden

door het nemen van de horde

die ons weten scheidt

van bewustzijn dat ons leidt

als een integraal bestanddeel

van het alomvattende geheel