Meer dan de mens alleen

Civis Mundi Digitaal #113

door Mathieu Wagemans

Bespreking van André Nusselder, Meer dan de mens alleen, Filosofie van het verlangen, Boom, Amsterdam, 2021

 

Het boek biedt verdiepende beschouwingen over verlangen als begrip en maakt de ondertitel (Filosofie van het verlangen) waar. Het is geschreven vanuit een constructivistisch perspectief:  “Het verlangen bepaalt het licht waarin de wereld verschijnt en de betekenis die ze voor ons heeft.” Dat gevoegd bij het vertrekpunt dat betekenisgeving het wezen vormt van ons mens-zijn leidt tot beschouwingen die de existentie van de mens betreffen.

Het verlangen drijft ons voort en ligt aan de basis van dynamiek en verandering in ons bestaan.

 

Nusselder onderbouwt zijn analyse met tal van verrijkende verwijzingen naar wat door filosofen over het verlangen ooit is gezegd en geschreven. Die verwijzingen variëren van onder meer Plato, Augustinus en Thomas a Kempis tot Nietzsche, Campbell en Derrida met bijzondere aandacht voor Freud, Lacan en Badiou.

 

De beschouwingen over en analyses van het verlangen worden geïllustreerd aan de hand van de zoektocht die het leven van Vincent van Gogh kenmerkte. Dat maakt het boek ‘uit het leven gegrepen’, wat de leesbaarheid aanzienlijk bevordert. Het nodigt daardoor uit tot het bevragen van jezelf: wat zijn je eigen strevingen, welke voorstellingen, vragen en worstelingen zijn daaruit voortgekomen en tot welke krachten kunnen die worden herleid?

 

Belangrijk daarbij is het onderscheid dat in het boek aan de orde komt, tussen het verlangen en het object van het verlangen. We kunnen ons een concrete voorstelling maken van ons verlangen maar dat object kan uitdrukking zijn van een dieper gelegen verlangen. Je zou kunnen verwijzen naar ons economisch systeem waarvan kenmerk is dat het verlangen geen eindpunt kent. Zonder groei geen continuïteit. Alsmaar meer is nooit genoeg. Het verlangen kan nooit worden gestild. Maar wat is de drijvende kracht onder dat alsmaar meer? Waarom is voldoende steeds weer te weinig? Waar zijn we naar op zoek? Hoe we in de moderniteit de werkelijkheid als kenbaar en kneedbaar beschouwen maar telkens weer moeten ervaren dat we slechts beperkt in staat zijn tot de werkelijkheid door te dringen. Er is altijd een werkelijkheid achter de werkelijkheid. Een werkelijkheid die als een horizon telkens terugwijkt hoezeer we ons ook inspannen tot volledige kennis te komen, zowel naar omvang als naar diepte. 

 

Dat nodigt logisch uit te rade te gaan bij Freud en Lacan en hun opvattingen over het onbewuste en hoe dit onbewuste ons denken en handelen beïnvloedt. Hoe er sprake kan zijn van een gemis en hoe dat gemis doorwerkt. Hoe het afwezige werking kan hebben, vaak zonder dat we ons dat realiseren. Vergelijk Michels Serres die stelt dat het buitengeslotene zich niet laat buitensluiten en dus werking heeft. En hoe dat gemis nooit volledig kan worden doordacht en omvat. Hoe de spanning tussen wat is en wat er zou moeten zijn als existentieel moet worden beschouwd in ons leven. Hoe de verbeelding ons helpt om te gaan met gemis en onvermogen en daardoor het leven leefbaar kan maken. De verbeelding helpt ons om “het gat in de realiteit” op te vullen. Hoe wij schijnvoorstellingen construeren die onze verlangens moeten verbeelden.

Veel aandacht wordt in het boek besteed aan mythes. We weten dat ze niet overeenstemmen en niet kunnen overeenstemmen met de werkelijkheid, maar ze zijn niettemin betekenisvol. Sterker nog, mythes, zo zou je kunnen zeggen, vormen de sluitstenen van onze systemen. We vormen droombeelden die we voor waar houden. Het zijn idealistische constructies. Ze zijn tegelijkertijd irrealistisch, maar wij houden ze niettemin in stand. We hebben de mythes nodig om ons onvermogen niet onder ogen te hoeven zien.

 

Ik had bij lezing van het boek associaties met onze systemen in politiek en beleid. Hoe wij zo hoge eisen stellen aan overheidsbeleid dat die niet realiseerbaar zijn. Ze zijn te mooi om werkelijkheid te worden. Neem bijvoorbeeld vragen rond verantwoordelijkheid. Wanneer we ervaren dat de werkelijkheid zich niet in onze ideale voorstellingen laat vangen, dan wensen we niet ons onvermogen als verklaring te zien maar gaan we op zoek naar de oorzaken en de schuldigen.

Een ramp geeft aanleiding tot aanpassing van procedures. We vinden het lastig om onvoorspelbaarheid te accepteren. We houden de minister verantwoordelijk voor alle besluiten die er op een dag op zijn ministerie worden genomen. We weten dat dit niet praktisch mogelijk is maar de mythe is nodig, omdat we anders niemand verantwoordelijk kunnen houden. Of, een ander voorbeeld, we leggen in de wet vast dat iedere burger de wet dient te kennen. Logisch omdat iemand zich anders bij overtreding van regels op onwetendheid zou kunnen beroepen. Het zijn illusies die we voor waar houden omdat anders ons bouwwerk zou instorten.

 

Treffend vond ik de bespiegelingen rond het begrip loochening. Loochening maakt het mogelijk ons anders te gedragen dan we pretenderen. Loochening stelt in staat ons eigen gedrag aanvaardbaar te maken, hoe tegenstrijdig het ook kan zijn. We sluiten simpelweg de ogen voor onszelf zodat en opdat we de interne tegenstrijdigheden aan ons gezichtsveld kunnen onttrekken. 

 

Aan het eind gaat Nusselder in op de ‘verborgen schat’ in onszelf. Hoe we moeten afdalen in onszelf om zicht te krijgen op wat ons ten diepste drijft, op het wezen van ons verlangen. Dat veronderstelt de bereidheid en het vermogen ook het irreële in onszelf onder ogen te zien. Dat is lastig omdat we onszelf graag zien als rationele wezens die doordacht en weloverwogen handelen.