Kenschets van de Romantiek
Deel 10: Late Romantiek en overgang naar de 20e eeuw

Civis Mundi Digitaal #113

door Piet Ransijn

Karl Brullov, Laatste dag van Pompeï (1830-33). Aan het eind van de Romantiek traden ondergangsmotieven naar voren

 

De late Romantiek en de eeuwwende in de Duitse literatuur

Het overzicht van de Duitse literatuur tijdens de late Romantiek in Deel 2 beperkte zich tot Heinrich Heine, Richard Wagner en Friedrich Nietzsche als enkele hoogtepunten. Het taalgebied van het land van dichters en denkers kent talloze schrijvers, waarvan in dit bestek alleen de meest bekende aan de orde komen. De Duitse literatuur wordt hier aangevuld met andere schrijvers (die ook op de website van het artikel later zijn toegevoegd). Bij deze schrijvers zien we de zwanenzang van de Romantiek in verwarring, pessimisme en protesten steeds luider klinken, vooral rond de eeuwwende en de eerste wereldoorlog. Het geeft een treffend beeld van het einde van de Romantiek en de overgang naar de moderne tijd, die ook aan het eind van de delen 3 en 4 over de Franse en Britse literatuur naar voren komt.

In de Duitse literatuur lijkt het overgangsgevoel en ondergangsgevoel sterker naar voren te komen dan elders. Ook toen de eerste wereldoorlog nog niet verloren was. De Romantiek leefde in Duitsland wellicht meer dan elders en daarmee ook het einde van dit tijdvak, dat bij Duitse schrijvers vaak indringend naar voren kwam. Alsof de naderende ondergang van het kortstondige Duitse keizerrijk zijn schaduw al achteruitwerpt in een tijd die zwanger is van onheil, pessimisme en veelal verholen conflicten, spanningen en verdrongen passies en emoties.

"Reeds voor 1870 worden symptomen van decadentie zichtbaar, en nadien nam zij geweldig toe. Het groeiend kapitalisme kweekt genotzucht... Het praktisch materialisme neemt sedert 1870 voortdurend toe... Dan treedt de zedelijke ‘Niedergang’ in van de bourgeoisie, alles is grof, alles is wellustig, alles zoekt het zinnelijk genot, en men aanbidt het geld als nooit tevoren, bij uitstek in de grote steden... De lagere standen leveren nijvere en zuivere mensen, daarboven is de ‘Lebenswelt’ der rijken, die in zonde hun onverdiende schatten roekeloos verbrassen, en zwelgen in weelde en overdaad. Een jong en geniaal man... gaat ten onder in het moderne Sodom” (Over Sodoms Ende door Hermann Südermann (1901), Van den Bergh van Eijsinga, Deel IV, p 285,287,289).

“De Duitse letterkunde... keert zich naar het realisme, daarna naar het naturalisme, en wordt dan somberder [o.m. bij Hebbel]... Decadentie is er ook... bij Wagner... Schoonheidscultus bij de jongere generatie... De psychologie neemt met het moderne, gecompliceerde aanzijn in de letterkunde toe, het naturalisme verkeert zich tot het symbolisme [Hauptmann]... De moderne wereldbeschouwing breekt zich baan [Schopenhauer, Nietzsche] die pantheïstisch is... en pessimistisch... en wat niet ontbreekt is de revolutionaire toon” (Van den Bergh, p311).

Fritz Martini (Duitse Letterkunde, p368 e.v.) schrijft dat "nationale en sociale stromingen" typerend zijn voor de tweede helft van de 19e eeuw. Met name nationalisme (Bismarck), liberalisme (o.a. J S Mill), socialisme (o.a. Marx) en positivisme (Comte). Bij Schopenhauer zien we anti-idealistisch pessimisme en onder invloed van Darwin en het darwinisme krijgt het naturalisme een deterministisch karakter, waarbij persoonlijke ontwikkeling uit erfelijkheid en (sociaal) milieu wordt verklaard. Deze ontwikkelingen hebben een Europees karakter met vertegenwoordigers in diverse landen. In plaats van idealisme en estheticisme komt sociaal protest tegen bestaande wantoestanden meer op de voorgrond. De gerichtheid op het harde en onvolmaakte heden volgt op de hunkering naar andere tijden en plaatsen, die als een meer wenselijke, ideale wereld werden geromantiseerd. De literatuur en kunst kenmerken zich door realisme, naturalisme en symbolische lyriek, zoals ook blijkt bij de Franse en Britse literatuur.

 

Toenemend pessimisme en protest bij enkele toonaangevende Duitse schrijvers

Onder de vele Duitse dichters "rijst Eduard Mörike in het tijdeloze op... Zijn innerlijke existentie vertoont het uitbalanceren van spanningen tot de in zichzelf afgeronde schone harmonie van zijn werk...’was aber schön ist, scheint es in ihm selbst’... Alles werd voor hem tot natuur, tegelijk ook tot psychische ervaring, die stil, teder en schuw tot rijpheid kwam." Dat klinkt nog volop romantisch. In de kunstenaarsnovelle Mozart auf der Reise nach Prag (1855) tekende Mörike Mozart, achter wiens tedere, vaak schelmse charme hij de melancholische schoonheid van het leven voelde" (p375,376). Dus ondanks de blijmoedigheid toch een begin van de bedruktheid en pessimisme van de latere Romantiek, dat bij Heine meer uitgesproken naar voren komt.

Franz Grillparzer, een veelzijdige Oostenrijkse schrijver, voorvoelt na de oorlogen met Napoleon de naderende ondergang van het Habsburgse keizerrijk. "’Dat betekende voor hem tevens de ondergang van de humane Europese cultuur" (p396). Deze had hij tot zich genomen via o.m. Kant, Lessing, Goethe, Schiller en Heinrich von Kleist. Hun invloed is in zijn werken merkbaar. Maar ook de Romantiek deed zich gelden in zijn kunstwerken als "persoonlijke bekentens,… van heimwee naar het leven, van de eenzaamheid van de kunstenaar en de lyrische magie van de liefde, de mijmerzieke ‘Weltschmerz’ [...in] de stille zielsdiepe vlucht.”

“Tezelfder tijd werd Grillparzer gegrepen door het nieuwe nationale bewustzijn, het gevoel voor gemeenschap en geschiedenis, het nieuwe besef van verstrengeling van de enkeling met staat en volk" (p 394-96). Dit is een conservatief christelijk thema dat we ook zien in de filosofie van Hegel (zie CM 109) en bij katholieke geestverwanten van Grillparzer. Ondanks zijn patriottisme is pessimisme en berusting vaak een grondtoon in zijn werken. Bij hem zien we nog niet de opstandigheid van latere generaties.

"In de werken van zijn ouderdom [o.a. het treurspel Ein Bruderzwist in Habsburg van rond het revolutiejaar 1848] schiep Grillparzer de politieke tragedie als een diep pessimistische waarschuwing tegen de ontbinding van het oude humane Europa,... welke hij in de revolutie van 1848 vol ontsteltenis als opstand tegen iedere ordening beleefd had" (p400). Het typeert de conservatieve tegenkrachten tegen de geest van opstandigheid en maatschappijkritiek, die zich in toenemende mate deden gelden.

Heinrich Heine bewoog zich "tussen betovering van het gevoel, levenswijze ervaring en cynisme. Tussen geestdrift en pessimisme, liefde en haat jegens het leven en de Duiste geaardheid" (p382). Hij studeerde bij August Schlegel en vertrok evenals de gebroeders Schlegel naar Parijs, waar hij anders dan zij de rest van zijn leven is gebleven. Ook hij schreef sprookjesachtige lyrische liefdesliederen in vrije ritmen en rijmloze verzen: “metrische woordmagie” (Buch der Lieder, 1827). Zijn Reisebilder (1826-31) hebben een “persoonlijke impressionistische verteltrant... een stijl die tot vandaag toe... het voorbeeld bleef... Hij schiep taal, stijl en techniek van het moderne krantenartikel... Ongetwijfeld werd bij Heine de polemiek een kunstwerk” (p383, 385). 

Hij staat bekend om zijn gelijktijdige ironie en ernst, geestdrift en pessimisme. "Literaire polemiek wordt verbonden met sprookjesmagie. Als correspondent van een Duitse krant in Parijs verheerlijkte hij “de vrije geest,... de droom der democratie en een verenigd, vrij Europa” (p382-84). Hij probeerde Duitsland en Frankrijk met elkaar te verzoenen, zoals Madame de Staël in haar boek over Duitsland De ’l Allemagne (1810), ruim anderhalve eeuw voor de werkelijke toenadering.

Evenals Wagner had hij revolutionaire sympathieën, die terugkeer naar Duitsland ongewenst maakten. Hij bestookte Duitsland vanuit Parijs met zijn eerdergenoemde vrijzinnige, kosmopolitische en revolutionaire geschriften.

Ontgoocheling lag bij hem steeds op de loer vanwege “de nederlaag van het edele en schone en de triomf van het lage als schampere wereldwet”. Hij uit zijn tegenstrijdige gevoelens in uiteenlopende, bittere, hoopvolle en berustende gedichten en "dreigende maatschappelijke poëzie", die wantoestanden onder arbeiders aan de kaak stelde. Zo zette hij de toon van latere maatschappelijk betrokken schrijvers, bij wie zich niet zelden een socialistische invloed deed gelden. Typerend is de titel van een novelle van Karl Gutzkow uit die tijd: Die Nihilisten (1853). Dit thema speelde niet alleen bij Nietzsche, maar was in die tijd wijd verbreid.

 

  

Heine, Wagner en Nietzsche

 

Richard Wagner was behalve componist ook schrijver, taalkundige, criticus, “een eclectisch epigoon; tegelijkertijd een stoutmoedig vernieuwer... lyrisch dichter, verdroomd extaticus en berekende artiest, revolutionair en conservarief,... psycholoog, en estheet” (p408). Zijn onmiskenbare genialiteit en uitstraling ging volgens Nietzsche ook over in decadentie en een overdadige pompeuze smaak. De ‘oneindige melodie’ had een zinnelijk-mystiek en/of narcotisch effect, zoals ook Thomas Mann beschreef in zijn verhaal Tristan (1902). In Deel 6 over muziek tijdens de hoge Romantiek komen de muziekdrama’s van Wagner aan de orde.

Georg Büchner, een jonggestorven toneelschrijver, toont enige verwantschap met Heine en Nietzsche. Zijn bekendste stuk Dantons Tod (1835) typeert zijn opstandigheid. "In een godloze tijd kwam hij dicht bij het nihilisme; voor hem bestond er geen troost, geen verlossing, en als met ledepoppen speelde in zijn ogen een verre, blinde wetmatigheid der wereld met de mensen en hun lot. De ontheiliging en de opheffing van de zin van het leven die zich in de 19e eeuw voltrok, werd hier zonder genade ingezien en met innerlijke geschoktheid doorleefd... met het heldhaftig pessimisme van de kracht, die standhoudt tegen de machten der chaos en het leven vermag lief te hebben, hoe het ook lopen mag" (p403). Vooral in zijn kunstenaarsnovelle Lenz loopt hij in 1839 reeds vooruit op het nihilisme van Nietzsche en het latere naturalisme van Balzac, Zola en de psychologische romans van Dostojewski, die het eveneens opnamen voor de armen en verdrukten.

Bij Friedrich Hebbel spelen in zijn tragische wereldvisie eveneens de thema’s van radicalisme, nihilisme, eenzaamheid en tragische spanning van de enkeling tegenover de wereld en het onafwendbare "dialectische proces van de wereldgeschiedenis”. “Boven deze wereld van Hebbel zweven geen verlossende goden meer" (p410).

In zijn toneelstukken en autobiografische werken is enige verwantschap merkbaar met Fichte, Hegel, Schopenhauer, Nietzsche en een radicalistische maatschappijkritische visie. Zijn eerste aan de bijbel ontleende drama Judith (1839) "maakt ons de bedenkelijke relatie duidelijk, waarin het uit het de oorspronkelijke bindingen losgeraakte individu tegenover het geheel staat, waarvan het ondanks zijn onbegrijpelijke vrijheid nog steeds een deel gebleven is" (p411). “Ik begrijp de wereld niet meer," luidt de befaamde slotzin van zijn tragedie Maria Magdalena (1843).

Hij keerde zich tegen "de benauwende sfeer van het kleinburgerbestaan [en...] de burgerlijke moraal... Alle figuren leven onder de dwang van dezelfde omstandigheden, in slaafse afhankelijkheid van vooroordelen en scrupules... Alle schijnen gelijk te hebben en worden toch door de schuld van het geheel, waarvan ze zich niet kunnen losmaken, vernietigd. De mens kan het lot van de ’samenleving’ niet ontlopen; daarin lag een nieuw sociaal besef, waarmee Hebbel de weg openstelde voor het naturalisme van Ibsen en Hauptmann" (p412) en van Emile Zola, niet te vergeten.

In zijn werken met vrouwen als hoofdfiguren komen ook vrouwen tevergeefs in opstand. Bijv. in Agnes Bernauer (1851), over een burgermeisje dat op straffe van dodelijk geweld, wordt verboden met een prins te trouwen, een romantisch gegeven dat tragisch afloopt. Het is geschreven na de misluktse revolutie van 1848, waarbij de staat weer orde op zaken stelde. "De ijzeren noodzaak van de gemeenschap vernietigt de eenling die haar wetten schendt - het verdriet, hoe smartelijk ook, wordt ook hier een verheffing van de mensheid in het besef van de noodzakelijkheid... Revolutionair naar zijn aard was Hebbel toch... een tegenstander van de omwenteling, een pleitbezorger van een conservatief staatsdenken" (p413), zoals bij Mörike en Hegel. Maar ook Marx zag de revolutie van 1848 niet als haalbaar en hield zich toen stil.

De sombere heroïsche en tragisch-onvoorwaardelijke stemming in Hebbels latere Nibelungentrilogie over de Duitse held Siegfried (1861), waarin hij christelijke en heidense mythische elementen probeerde te integreren, liep vooruit op het werk van Wagner. Hij gaf daarin uitdrukking aan "barbaars-duistere krachten van wraak en vernietiging die... waren ingedamd door de culturele krachten die de Oudheid en het christendom het Duitse volk geschonken hadden" (p414). Aan het eind van zijn leven scheef hij nog een mystiek Gebet, over een druppel die, gelukkig en gelouterd, weer een wordt met de goddelijke bron, verwant met het onderstaande gedicht van Nietzsche.

Ook bij Theodor Storm, die evenals Keller uit Holstein kwam, zien we "de mens in strijd met de uit zijn besloten, eenzame ziel oprijzende donkere, vaak onontkoombare tragische lotsbeschikking." Bij Hebbel werd de lotsbeschikking verbonden met de sociaal-culturele orde, ondanks zijn kritiek op de kleinburgerlijke cultuur. Het pessimisme van Storm uitte zich meer existentieel in "de vage angst dat in laatste instantie toch niets standhoudt waarop ons hart gebouwd heeft; het voorgevoel dat men uiteindelijk eenzaam verstuift en verloren gaat; de vrees voor de nacht van het vergeten-worden, die niet valt te ontlopen" (p447).

Het doet denken aan zijn bijna-landgenoot Kierkegaard en andere noordelijke schrijvers, zoals Ibsen en Strindberg, en aan latere existentialisten. In lyrische impressionstische en expressionistische liefdes- en natuurgedichten avant le lettre geeft hij uiting aan zijn "zwaarmoedigheid en ingehouden hartstocht”. Maar ook aan een zekere nostalgie en de hoop dat liefde de dood verzacht. “Wie leeft in liefdes armen / die kan in het leven niet verarmen / En moet hij sterven ver, alleen / Dan gaat de zaligheid nog door hem heen / Waarbij hij van haar mond genoot / En zij is hem nabij nog bij zijn dood" (p448).

 

   

Friedrich Hebbel, Theodor Storm, Theodor Fontane en Gerhart Hauptmann

 

Theodor Fontane was oorlogsreporter in de Frans-Duitse oorlog (1870-71) en correspondent in Engeland. Deze buitenlandse invloed is merkbaar in zijn werk, dat zich kenmerkte door realisme  met oog voor de politieke en maatschappelijke realiteit en door aanschouwelijk impressionisme, in onderscheid van de sentimentaliteit en pathetiek van zijn tijd. Ook bij hem een kritisch pessimisme en een soort berusting.

In zijn psychologische liefdesromans stelt hij het conflict van individuele gevoelens en maatschappelijke conventies aan de kaak. Bijv. in Effi Briest (1895) gaat een huwelijk ten gronde dat uit conventie, niet uit liefde, wordt gesloten... Nog bestaan de oude vormen van de samenleving, maar ze zijn zonder waarheid,.. eenzaam zijn deze mensen geworden en hulpeloos eindigen zij in berusting. De interne ontbinding van dit tijdsgewricht wordt... zichtbaar.”

“Hij werd door jongeren op één lijn gesteld met [het naturalisme van] de gevierde Fransen (Zola) en Russen (Toergenjev). Door hem werd in de nu komende decennia de sociale roman mogelijk" (p453-54). Zijn levensbeschouwing verenigde "ironie, kritiek, wijsheid en humaniteit". Zijn werk liep vooruit op dat van Thomas Mann, evenals dat van Gerhart Hauptmann, die model stond voor Peeperkorn in Der Zauberberg.

Bij Gerhart Hauptmann vindt het Duitse naturalisme zijn hoogtepunt en gaat het over in symbolisme. Zijn vroege werk is nog romantisch, bijv. Das Bunte Buch (1888), gedichten, sagen en sprookjes. Maar reeds zijn eerste toneelstuk Vor Sonnenaufgang is naturalistisch, in de zin dat mensen voornamelijk als producten van erfelijkheid en milieu worden benaderd, zij het niet zonder socialistisch idealisme. "Hij omvatte ook de mogelijkheden en gespletenheden van zijn tijd [en...] ging door alle problemen heen en trachtte ze in rusteloze literaire arbeid meester te worden [...en] boven het uitsluitend naturalistische uit te stijgen... Een sociaal gevoelig idealisme komt [daarbij] aan het licht" (p467).

"Milieugetrouwe situatieschildering... verbindt zich met een psychologie die de mens onontkoombaar aan zichzelf en zijn instincten, aan zijn omgeving ketent... Het zijn diagnosen van burgerlijk verval; zonder een laatste antwoord op de vragen die zich opdringen" (p468). Bijv. in zijn stukken Einsame Menschen (1891) en Die Weber (1892), over misstanden en armoede in de textielindustrie bij verhongerende wevers, die zich tevergeefs tegen hun uitbuiters verzetten en moeten bukken voor hun macht.

Moe van misèreschilderingen gaf hij zich ook over aan de "verbeeldingskracht op de extatisch visionaire stemmingen van de zogenaamde neoromantiek. Bijv. in Hanneles Himmelfahrt (1893) en Die versunkene Glocke (1896). Zijn symbolische, religieuze werken, bijv. Der Apostel (1890) en Der Ketzer von Soana (1918) over een priester die trouwt met zijn geliefde, lopen vooruit op de spiritueel bevlogen werken van Hermann Hesse. "God wordt voor hem werkelijk in de oerkrachten van het leven - het vruchtbaar stromende, bedwelmende leven in bos en bloem, dier en mens" (p472). Een typisch pantheïstisch romantisch thema, vermengd met de levensfilosofie uit die tijd bij o.m. Nietzsche en Bergson. 

Hauptman is een overgangsfiguur die pas in 1946 overleed en dus twee wereldoorlogen heeft meegemaakt. In Die Ratten (1911) doet... de grote huurkazerne en zijn verkommerde bewoners aan als een symbool van de nabije politieke catastrofe van het Reich... De eerste wereldoorloog betekende voor de kunstenaar een diep medelijden met de gefolterde mensheid. Uit... deze beproeving verwachtte hij de psychische wedergeboorte die vrijheid en menselijkheid brengen zou." Dit is vooral een thema in zijn latere werken, bijv. in Der weisse Heiland (1920). "Fantasie en utopie worden nu de gebieden, waarin zijn hang naar verlossing zich herschapen wereld droomt [in...] een hunkering die boven deze wereld uitstijgen wil" (p471-73). Latere meer symbolistische werken sluiten aan bij de Griekse mythologie.

De tweede wereldoorlog versterkt "Hauptmanns grondthema dat alle existentie tegenstrijdigheid zonder meer is, onoplosbare verscheurdheid, waaraan ook de goden ten gronde gaan.... De mens in de droom, in de roes, in de extase, in de greep der demonen - dat betekende voor Hauptmann altijd de waarheid van de menselijke existentie" (p473, 475). In zijn werk verbindt hij harde aardse, naturalistische met mythische en religieuze aspecten, waarin de overgang naar het symbolisme zich aankondigt.

Hauptmann is in zijn lange leven en vele werken niet tot "een laatste klaarheid gekomen, bleef rond de pessimistische levensvragen draaien die hem door zijn tijdsgewricht van de neergaande burgerlijkheid werden opgedrongen... in haar verwarring en haar radeloosheid ...Toch heeft hij... zijn diepste essentie zuiver bewaard: en die heette menselijkheid en mededogen" (p475-76). Reeds in 1912 kreeg hij de Nobelprijs voor zijn werken tot dusver.

“Wat Hauptmann oorspronkelijk kenmerkt is een pessimisme dat in niets gelooft... vooruitgang is er niet... In zijn diepste innerlijk is hij religieus, en hij gebruikt het naturalisme om tot mensenliefde en rechtsgevoel te wekken” (Van den Bergh, p292). Dat laatste zien wij ook bij Franse, Britse en vooral Russische schrijvers: Balzac, Zola, Dickens, Tolstoi en Dostojewski en zijn landgenoot Thomas Mann.

Zijn tijd rond de eeuwwende kenmerkte zich door klassenstrijd en isolering van leefmilieus. "Het gevoel van een onontkoombare ontbinding der cultuur verving het geloof aan een zinvol bindende eenheid van het bestaan. In het radicale protest tegen de bestaande toestanden trachtte de jonge generatie een nieuwe ordening van het bestaande te vinden, die anders dan het overgeleverde, door haar miskende realisme van de 19e eeuw, aan deze hoogst problematische werkelijkheid ongeschminkte expressie verleende. Ze wilde de onloochenbaar valse relatie tussen de geestelijke en feitelijke wereld opheffen en de literatuur zonder scrupules openstellen voor de vraagstukken van de tijd... Het ging hier om gemeenschappelijke Europese ervaringen." Dat blijkt uit de buitenlandse literatuur.

Anders dan de gedesillusioneerde Franse psychologische romans verdedigde de Duitse literatuur "nog vanuit de kracht van het gemoed een verinnerlijkt en verzoenend geloof in de aardse werkelijkheid" (p 460-61). Dit laatste wordt uitgedrukt door de zinsnede "Broeders blijf de aarde trouw" uit Also sprach Zarathustra van Nietzsche. Veel thema’s uit diens werk zijn reeds aangesneden. 

Friedrich Nietzsche is vooral bekend als een dichterlijk filosoof, die zijn geruchtmakende werken vooral in klinkende en indringende aforismen schreef. Also sprach Zarathustra (1883-85) is zijn romantisch aandoende lyrische meesterwerk, vol diepzinnige beelden en beschrijvingen. In zijn Unzeitgemässe Betrachtungen (Oneigentijdse beschouwingen, 1873-76), waarvan er één over Wagner als opvoeder gaat, kritiseert hij de benepen cultuur van zijn tijd (zie bijlage bij deel 3). Hij wil een nieuwe levenskrachtige cultuur scheppen, die de aarde trouw blijft en zich niet verliest in metafysische en godsdienstige idealen, maar slaagt daar niet bevredigend in. Wagner biedt bij nader inzien geen alternatief dat hem aanstaat. Ook voor Wagner geldt: Menschliches, Alzumenschliches (Menselijk, al te menselijk, 1878-80).

Hij trekt zich terug in de Zwitserse bergen en zoekt verder (Der Wanderer und sein Schatten, 1880). In Morgenröte: Gedanken über die moralischen Vorurteile (1881), Jenseits von Gut und Böse (1886) en Zur Genealogie der Moral (1887) verdiept hij zijn kritiek op de cultuur en de moraal en verkent hij historische en toekomstige alternatieven in het verlengde van Also sprach Zarathustra. De Fröhliche Wissenschaft (1882) bood geen alternatief. Daarin staat het beroemde aforisme (nr 125) over de dood van God, met aan het einde de vraag: moeten we nu zelf geen goden worden?

De Übermensch doelt veeleer op zelfverwerkelijking en bewustwording, dieper leven en ervaren, dan op de misverstanden die de term heeft opgeroepen, mede door onduidelijkheden bij Nietzsche zelf. “Tegen het vooruitgangsgeloof en het specialisme van de 19e eeuw eiste hij een zingevend, geestelijk middelpunt van de cultuur” (Martini, p487. Nietzsche noemt dit “ein heiligen Ursitz”). Hij zoekt het grenzeloze in grenzen en lijkt dit soms te ervaren in intieme of geëxalteerde momenten van overstelpend gevoel, die hij dichterlijk beschrijft in vrijwel ongeëvenaarde ritmische woordkunst, bijv. in zijn Dionysos-Dithyramben (1888-89).

“Het ‘leven’ werd voor hem een volstrekte waarde-in-zichzelf... in onophoudelijke metamorfose... Het leven in al zijn diepten, bekoringen, verlokkingen,... in zijn roes en schittering... wilde Nietzsche tot het hoogste bewustzijn omtrent zichzelf opvoeren” (p488). Hij predikte daartoe de liefde tot het levenslot (amor fati). Hij leefde echter ascetisch als een kluizenaar in de Zwitserse bergen en werd door dorpsbewoners ‘il santo’ (de heilige) genoemd. Wat hij schrijft is kennelijk niet hedonistisch en zinneprikkelend bedoeld, zoals dat bij veel andere schrijvers en dichters het geval is. Hij wil de “tegenstrijdige eenheid van leven en geest” herstellen.

Zijn visionaire werken geven blijk van zijn vorderingen wat dit betreft, die voorbij gaan aan vrijwel alle bestaande ideële, religieuze en ethische waarden en in de buurt komen van wat Albert Schweitzer ‘eerbied voor het leven’ noemt. Bij Nietzsche krijgt dit levensgevoel soms een geëxalteerd, maar ook vaak een subtiel en intiem karakter. Zijn laatste werken komen overspannen over (Der Fall Wagner, 1888, Götzen-Dämmerung, Antichrist, Ecce Homo, Nietzsche contra Wagner, 1889). Daarna volgt een geestelijke ineenstorting, waar van hij niet meer herstelt, waarschijnlijk als gevolg van syphilis, die ook de hersenen aantast. Zijn grote doorbraak heeft hij niet meer mogen meemaken.

“Hij schonk de kunst met zijn doorbraak uit het realisme een nieuwe innerlijke wijdheid, een metafysische trilling... ruimte voor nieuwe creativiteit [...in] briljante aforismen... hymnische muziek, de fonkelende antithese, de lyrische opvlucht, de scherpe intellectuele precisie, de vurige helderheid en de soevereine intelligentie die de [Duitse] taal te bieden had... Zijn poëzie vertoont een uiterst genuanceerd gevoel voor beweging en afwisseling van licht, kleur, klank, voor alle in zichzelf... steeds veranderen stemmming en emoties” (p489). Kortom een laat en invloedrijk hoogtepunt van de Romantiek.

Zijn soms schreeuwerige filosofie, die cultuurkritiek tot kunst verheven heeft, biedt desondanks een bevestiging van de liefde tot het leven als basis voor een levensbevorderende cultuur en ethiek. In bijv. ecologische wetgeving, milieu-ethiek en het recht op een menswaardig leven, krijgt dit nu gestalte, op een andere manier dan het recht van de sterkste en machtigste, waar Nietzsche mee leek te sympathiseren in sommige uitspraken. Over Nietzsche zijn bibiotheken vol geschreven. Deze typering schiet tekort zoals die van alle andere schrijvers. Het was de (westerse) filosoof die me al jong het meest aansprak. In onderstaand gedicht uit Also sprach Zarathustra (IV Mittags) uit hij zijn typisch romantische verlangen in in het onbegrensde op te gaan dat in wezen religieus is.

 

O Himmel über mir

Wann trinkst du diesen Tropfen Tau

der auf der Erde Dingen niederfiel

Wann, Brunnen der Ewigkeit

wann trinkst du diese wunderliche Seele

wieder in Dich zurück?

 

Vertaling

O Hemel boven mij

Wanneer drink je deze druppel dauw

die op de aardse dingen naar beneden viel

Wanneer, Bron van Eeuwigheid

Wanneer drink je deze wonderlijke ziel

weer terug in jou

 

De Romantiek was vaak religieus georiënteerd, vaak pantheïstisch, zoals in bovenstaand gedicht. Volgens diverse auteurs had Nietzsche trekken van een religie-stichter, die een “religie van vrije zielen” wil stichten. “Hij wil nieuwe goden scheppen en verkondigen”, niet alleen nieuwe waarden (Zie o.m. Herman Wolf, Nietzsche als religieuze persoonlijkheid (p24,34), Karl Jaspers, Nietzsche und das Christentum; F Reddingius-Salomonson, Een weg tot Nietzsche, A Vloemans, Nietzsche). Zarathustra ook lijkt gemodelleerd naar de figuur van Jezus. Andere filosofen tijdens de Romantiek, met name Hegel en Schelling, zijn resp. besproken in CM 108 en 109 in het eerste artikel over de Romantiek.

 

https://alexanderveerman.wordpress.com/2014/05/19/de-toekomst-van-de-eredienst/

 

                                 Een wereld zonder God*              2021 08 19

Als God dood is in de harten van de mensen

kan een samenleving langzaam sterven

Een samenlevig die geen oog heeft voor het wonder

gaat misschien uiteindelijk ten onder

 

De hoogste waarden zullen dan verdwijnen

Een grote leegte vult de straten en de pleinen

Het gevoel voor richting raakt men kwijt

en men doodt de levenstijd in ledigheid

 

Zonder zin en doel op zoek naar authentiek gevoel

want er is geen meer omvattend levensdoel

Niet wetende waarheen want God verdween

en diep van binnen eenzaam en alleen

 

Er is geen leidend licht, geen helder overzicht

geen religieuze plicht waar men zich naar richt

Mensen leiden meestal lege levens

in een zinloos oerwoud van gegevens

 

Mensen zijn geen hoger doel meer

maar een middel in het onderling verkeer

en zij missen goddelijke vonken

die in oude tijden in ons blonken

 

Het leven blijft fysiek intact

hoewel de geest vervlakt

geen diepte en geen hoogte kent

waar men zich naar wendt

 

Een erbarmelijk bestaan

vervuld  van eigenwaan

zonder hoger inzicht

waar men zich op richt

 

We zoeken naar vermogen

nog naar nieuwe goden

in de duistere omgeving

waarin godenschemering

de toon aangeeft in ons bestaan

voor het met ons is gedaan

 

*Met Rreminiscenties aan  Nietzsche

 

https://www.santiago.nl/spirituele-reis/op-zoek-naar/

Overgangsfiguren naar de 20e eeuw

Laatstgenoemde schrijvers leven al deels in de 20e eeuw. De overgang is vloeiend. Rond de eeuwwende gaat het naturalisme over in symbolisme, bijv. bij Hauptmann. Het is een Europese trend, zoals vooral blijkt in de Franse literatuur. Huysmans stelde bijv. tegenover het naturalisme van Zola “een ’vergeestelijkt naturalisme’; hij eiste een ‘visie boven het zintuiglijke uit in verre oneindigheden.” Baudelaire, Verlaine, Rimbaud e.a. “doorleefden met grote sensitiviteit... de psychische kwetsbaarheid en differentiatie van de moderne mens [...en] vermengden een morbide decadentie met de extatische gloed van zinnelijke indrukken en psychische emoties.” (Martini, p492, Zie deel 3 Franse literatuur. Hij noemt ook andere schrijvers, o.a. Maeterlinck).

“Men zocht de schoonheid, de roes, de magie..., men verdiepte zich in subtiele sensaties en gaf zich over aan het mysterie van liefde en dood met smartelijk genot en hunkering... Men joeg op de prikkels van het geheimzinnige, vluchtige ogenblik, de voorbijruisende stemmingen, de tedere nuances... Het zeldzame onverklaarbare dat de zenuwen prikkelt, de zinnen boeit en het levensgevoel tot iets oneindigs verwijdt, werd het ervaringsgebied van een verinnerlijkte... fantasie” (p492). Het doet o.m. denken aan À la recherche du temps perdu / Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust (zie CM 106 en 109). Maar niet alleen aan Proust en genoemde Franse schrijvers.

Het volgende gaat over de belangrijkste Duitstalige schrijvers van rond de eeuwwisseling tot de eerste wereldoorlog en daarna: Hugo von Hofmannsthal, Stefan George, Rainer Maria Rilke, Thomas Mann en Hermann Hesse. Hoewel er natuurlijk veel meer schrijvers waren, komen zij het meest prominent naar voren bij Martini. De invloed van Nietzsche en zijn focus op het leven, op waarden en het streven naar zingeving en is vaak merkbaar. Deze schrijvers zochten evenals hij in bernarde tijden naar levensvolheid.

“Das Leben is die Fülle, nicht die Zeit / Und noch der nächtste Augenblick ist weit,” dichtte de Weense arts en toneelschrijver Arthur Schnitzler (waarsch. in Der einsame Weg, 1903). “Uit Schnitzlers werk sprak het eindbesef van het cultuurleven. “Het wezen van onze tijd is veelvormigheid en onbepaaldheid. De tijd kan slechts rusten op wat wegglijdt en is zich ervan bewust dat het wegglijdt, waar generaties aan het vaststaande geloofden. In onze tijd vibreert een zachte, chronische duizeligheid’ (Hofmannsthal). De decadentie werd als nieuwe romantiek genoten, als een feestelijk-schone ondergang” (p495).

Tevens is er de tendens vanuit het innerlijk het leven nieuwe zin te geven en een nieuwe cultuur te scheppen. De cultuur van die tijd bood weinig houvast meer en veel verval van oude waarden, normen en zekerheden, die niet zeker bleken, maar door de snel veranderende tijd werden achterhaald. Blijvende zingeving werd moeilijker in een tijd waarin mensen het roer van hun leven uit de handen glijdt. Schrijvers en denkers waren genoopt om zelf nieuwe zin en waarden te vinden en te scheppen. Ze putten daarbij vaak uit een rijk verleden, dat steeds sterker contrasteerde met het heden naarmate de moderne tijd gestalte kreeg in onvoorziene maar vaak reeds voorvoelde contouren. Schrijvers schiepen hun eigen symbolische werkelijkheid, niet als vlucht, maar om de wereld te herscheppen en hun leven nieuwe zin te geven, toen oude waarden in verval raakten.

Hugo von Hofmannsthal hield zich al met de dood bezig in zijn jeugdwerken: Gestern (1891), Der Tod des Tizian (1892) en Der Tod und der Tod (1893), “waarin de vermoeide melancholie van zijn tijd, een droomzieke afstand van het leven, een mystieke en exstatische overgave aan de dood aanwezig zijn.” Maar ook een zoeken en scheppen van zin: “Zoals de diepste zin van alle mensen tijd en ruimte en de wereld van de dingen om hem heen tot stand brengt, zo schept hij uit het verleden en heden, uit dier en mens en droom en ding, groot en klein, verhevenheid en juistheid de wereld der onderlinge relaties” (p498). Als Oostenrijks cultuurmens is hij nog sterk gericht op de kennis en cultuur van het verleden.

“Met grote geschoktheid beleefde Hofmannsthal de eerste wereldoorlog niet alleen als het einde van de Donau-monarchie, maar van de levende, gesloten beschaving van Europa.” Hij probeerde als schrijver “in de chaos nieuwe ordeningen te ontdekken en het menselijke te redden [...in] mythische uitbeelding van bovenpersoonlijke, duurzame waarden. Reeds Das Bergwerk zu Falun (1899) leidde tot mystieke grensvervaging van de hunkering naar het Al. [...Later] gericht op de samenleving der mensen... In het Salzburger Grosse Welttheater (1922) gaat het om de vrede in de sociale strijd door de binding aan de goddelijke ordening.”

“Alle werken van na 1917 zijn geschreven vanuit een diepe religieuze verinnerlijking, met de blik op het tijdeloze... ‘Er bestaat een bepaalde, tijdeloze Europese mythologie: namen, begrippen, gestalten, waaraan een hogere betekenis verbonden wordt, verpersoonlijkte krachten van de morele en mythische ordening. Deze mythologische sterrenhemel welft zich over heel het oude Europa,” zowel in het christendom als voor die tijd (p500-01). Alsof hij heimwee had naar het rijke verleden van de Europese beschaving, die in zijn tijd leek te eindigen in oorlog, verwarring en geweld, erger dan in het verleden.

 

  

Stefan George, Hugo von Hofmannsthal en Rainer Maria Rilke

 

Bij Stefan George is er eveneens een oriëntatie op tijdeloze waarden. Hij wees het naturalisme af, dat vaak op de weinig verheffende banale realiteit gericht was. “Net als Nietzsche zocht hij het menselijke oerbeeld van alle grootheid, dat iets goddelijks belichaamt... Hij verschafte de doelloze mens van de civilisatie voorbeelden van levenshouding; hij leerde hem de verering voor de creatieve mens... Tegenover utiliteit en vooruitgang bezwoer hij de droom van schoonheid en waardigheid,... ondanks artistiek-pretentieuze opgeschroefdheden... George stelde de dichter, niet zonder geforceerdheid... vol esoterische gebaren opnieuw als priester, ziener en leermeester in het centrum van de cultuur... In de bundel DasJahr der Seele (1897) vinden natuur en mens elkaar in bovenpersoonlijke, wetmatige eenheid” (p501-02).

George werd behalve door Nietzsche beïnvloed door de Franse symbolisten (Rimbaud, Verlaine, Mallarmé, zie deel 3). “Hij volgde hun voorbeeld met een nieuwe gedisciplineerde taalschoonheid... de lagere ervaring werd uitgeschakeld... Steeds gaf hij het woord de strekking mee tot het heroïsche, het grootse en schone gebaar, het plechtstatige ritme, het mythische: ‘terug naar het land van dromen en legende’” (p502-03). Het krijgt gestalte in mythische titels als Der siebente Ring (1907) en Stern des Bundes (1914), waarin “heidense en christelijke elementen versmelten met elkaar,” zoals bij Hoffmannsthal, met wie hij een soms turbulente vriendschap had.

Rond Stefan George verzamelde zich een kring van vrienden en bewonderaars, in Nederland Albert Verwey, “door welke kring hij een cultuurvernieuwing hoopte te zien ontstaan... George’s poëzie was de gespannen poging om van het dichterlijk element uit nieuwe wetten aan de tijd te geven, ‘waarin het grote weer groot is’. Hij geloofde in de magische herscheppende kracht van de dichtkunst... Niemand beïnvloedde zo indringende als hij het cultureel bewustzijn van zijn tijd” (p504-05).

Bij Rainer Maria Rilke is er een preoccupatie met de dood, zoals bij Hofmannsthal, en een “hunkerend levensheimwee” met religieuze trekken. Het Stundenbuch (1899-1903) werd zijn getuigenis van een vurig godsverlangen, dat God grenzeloos in alle schepselen en metamorfosen najaagt en aanbidt. Vol weelderige rijkdom was de in alle toonaarden klinkende taal van deze hymnische gebedspoëzie.” Het doet denken aan de geestelijke liederen en hymnen van Novalis, waarin eveneens een christelijke en een patheïstische tendens merkbaar is, die kenmerkend is voor de Romantiek.

Rilke wil “een steeds rijkere samenhang tussen God en het schijnbaar onbezielde tot stand brengen, God in het leven doen afdalen en het leven tot God te laten omhoogbloeien,” zo schrijft hij in een brief. Zoals o.m. Nietzsche en veel Romantici neigt hij aldus naar een vergoddelijking van het leven en de natuur. Hij werd ook beïnvloed door Tolstoi. Een reis naar Rusland met zijn geliefde en vriendin Lou Andreas-Salomé inspireerde hem tot Geschichten vom lieben Gott (1904).

In Parijs, zijn tweede thuis, waar hij behalve met kunst werd geconfronteerd met armoede, ziekte en dood, schreef hij zijn autobiografische prozawerk Die Aufzeicheningen des Malte Laurids Brigge (1910), een existentialistisch geschrift van een alleenstaande kunstenaar, die zoekt naar diepte en antwoorden op existentiële vragen wat betreft liefde en dood, vrouwen en God.

 “De Fünf Gesänge (1914)..., de Duineser Eligien (1923) en de Sonette an Orpheus (1923) zijn... in de diepten en visioenen verzonken creaties van deze jaren. Orpheus de mystische zanger, is het symbool van de openheid voor de wereld en het universum die tot het goddelijke en reine element inkeert... Zijn [Rilke’s]  innerlijke roeping heette de zielloos geworden dingen in het innerlijke gevoel te herscheppen tot iets goddelijks” (p507,508). Want in een tijd van verval en vervlakking schonken “de krachten van het hart geen leven meer aan de dingen... ‘De machine bedreigt alle verworvenheden’”.

"Deze gedichten kunnen worden gezien als een nieuwe mythe die de situatie van de ‘moderne’ mens weergeeft... een geëmancipeerd, ‘onterfd’ bewustzijn... Zoals Nietzsche keert Rilke zich tegen het christelijke dualisme van immanentie en transcendentie. In plaats daarvan spreekt hij zich uit voor een empathisch monisme van de ‘kosmische innerlijke ruimte’, die leven en dood, de aarde en de ruimte en alle dimensies van de tijd bijeen brengt in een ongedifferentiëerde, alomvattende eenheid... waarin de mens de taak heeft om alles wat zichtbaar is te transformeren in het onzichtbare... ‘Wij zijn de bijen van het onzichtbare’... De dichter wordt zo ‘omgeturnd’ tot de protagonist van de mensheid... Deze boodschap van de latere Rilke werd door sommigen gevierd als een nieuwe religie van het leven” (Encyclopedia Brittanica 15e ed. 1982).

 “Herschepping der dingen opdat ze een hogere, volledige werkelijkheid worden, in het aardse en het hemelse een ongebroken existentie vormen, een hogere totaliteit van de wereld in zuivere betrokkenheid: dat is voor Rilke de opdracht van de dichter... In een tijd waarin de wereld al meer haar werkelijke zin dreigt te verliezen, ervaart hier de dichter haar dieper zijn, haar vervuld zijn met het goddelijke element, haar geroepenheid tot duurzame existentie... Het geheel van het oneindige zijn in de grenzeloos openstaande en toegewijde ziel, in de binnenkamer van het zuivere gevoel op te nemen – daarin vond Rilke een redmiddel in heilloze tijden. Het Europese crisisbesef, maar ook het vurig verlangen naar het ene standvastige zijn, naar de loutering van de ziel en de geborgenheid aan het geloof dat het aardse en het oneindige omvat, vond in Rilke de zachte en toch bij de latere gevoelde catastrofen steeds sterker vernomen stem... Rilke getuigt van dat innerlijk ‘ja’ ten aanzien van het menselijk bestaan... Er blijft de boven afgronden zwevende zekerheid dat men de moeilijkheden te boven zal komen, dat zij vereffend herschapen zullen worden” (p508-10).

Bij Rilke komen veel romantische aspecten tot een laat hoogtepunt in zijn streven naar de verheffing van het aardse leven en de natuur tot het goddelijke en oneindige tegen de verdrukking in van het verval van een cultuur(periode). Voor hun bladeren sterven in de herfst tonen zich de bomen op hun mooist, om in het voorjaar opnieuw te worden geboren en tot bloei te komen. Zo gaat bij Rilke het besef van verval samen met nieuwe en diepe inspiratie vanuit het tijdeloze.

 

 

Thomas Mann en Hermann Hesse

 

Bij Thomas Mann toont zich in zijn monumentale psychologische romans eveneens een sterk crisisbesef. Martini licht zijn leven en werk toe onder de kop ‘De crisis van de burgerlijkheid’. Buddenbrooks (1901) gaat “over het verval van een familie... en een inkeer tot zichzelf, de eigen voorvaderen.” In bredere zin het verval van een cultuur en de bezinning op haar verworvenheden. “Hij bekeek de wereld vanuit het psychisch-menselijke... werd primair niet geboeid door het politiek-maatschappelijke... Hij is een moralist, die alle beproevingen, afgronden en verdolingen... met koel gedistantieerde, innerlijk toch ontroerde psychologie analyseert [...en] schreed verder op de weg van Fontane naar de Europese roman.”

Diverse werken gaan over de tragiek en thematiek van het kunstenaarsleven, o.m. Tristan, Tonio Kröger (1903), Das Wunderkind (1914), Schwere Stunde (1905 over Schiller), Tot in Venedig (1912, over “de tragische-gevaarlijke eenzaamheid van de kunstenaar”). Zijn ‘politieke’ werken Friedrich und die grosse Koalition (1915), Betrachtungen eines Unpolitischen (1918) en Von deutscher Republik (1922) zijn meer cultuurfilosofisch van aard. “Het gaat voor Mann niet om politiek, maar om een geestelijk-zedelijke humaniteit, om een Europese universaliteit en de autoriteit van de geest vanuit de erfenis van het christendom en de oudheid, en het idealisme van een burgerklasse die zich aan Goethe opgetrokken had” (p531,533)

Der Zauberberg (1924) is een roman met een Europese strekking. In 1929 kreeg hij de Nobelprijs voor literatuur, niet voor Der Zauberberg maar voor Buddenbrooks. De betoverende titel wekt een associatie met de Romantiek, waarvan het een zinnebeeld zou kunnen zijn. “Het ziekenhuis, de zieken zelf, hun talloze discussies zijn symbolen voor het dodelijk zieke Europa vóór de eerste wereldoorlog, rond ziekte en dood van de enkeling alsook om die van de beschaving draaien de gesprekken.” De hoofdpersoon Hans Castorp, die zijn neef in het sanatorium opzoekt, zoals Mann zijn vrouw in het sanatorium opzocht, maakt al die discussies mee. Hij ziet de eenzijdigheid en beperktheid van de verschillende levensbeschouwingen en zoekt naar ware liefde en menselijkheid, die hem uiteindelijk in een idyllische droom van het “verloren paradijs der liefde” worden onthuld. Hij beseft dan dat al het theoretiseren en analyseren en discussiëren en de belangstelling voor alles wat ziek is “de heiligheid van het leven heeft verloochend... Alleen de hoogste liefde kan alle tegenstellingen omvatten” (Herman Wolf, ‘Thomas Mann’s Der Zauberberg in Nietzsche als religieuze persoonlijkheid en andere essays, p161)

“Naast de democratische verlichtingsman en Voltaire-discipel verschijnt als een vijandig element de aan het gezag gelovende, anti-individualistische leerling der jezuïeten Naphta, aanhanger van de dictatuur en de inquisitie. Het gevoelsinstinct van het natuurlijke, zinnelijke leven wordt vertegenwoordigd door Peeperkorn; demonische, verleidelijke, mateloze vrouwelijkheid door madame Chauchat. Er wordt enorm gediscussieerd... Alles is betwijfelbaar, mogelijk en onwerkelijk tegelijk, alles vervloeit in een rusteloze stroom. Het uitbreken van de oorlog maakt een einde aan het spookachtige bedrijf... Geen onaantastbare waarheden verrijzen aan het slot van het boek” (p533-34).

Het boek toont de morele en geestelijke conflicten in het moderne Europa en zoekt een oplossing. “Settembrini en Naphta... begaan de grote fout hùn waarheid voor de enige mogelijke te houden en blijken daarom in hun eenzijdigheid juist onmenselijk... En passant komen ook materialistisch denkende medici langs, “die er hun voordeel in zien de patiënten zo lang mogelijk daarboven vast te houden” (Wolf, p163, 154). Bij Peeperkorn zijn “roes en zwijmel, het extatische gevoel, de hevigste hartstocht de hoogste levenswaarden. Hij is de typische irrationalist, die de intellectualisten... wil verpletteren. Het leven, zo leert Hans Castorp van hem, is een kosmisch mysterie, de enige positieve waarde die boven alle tegenstellingen verheven is... Wat Hans Castorp in zijn droomvisioen vaag had beseft: de zinledigheid van alle zuiver theoretische bespiegelingen en de liefde tot het Leven, dat aanvaard moet worden,... ziet hij nu in de persoonlijkheid van Peeperkorn belichaamd... Alleen het Gevoel heeft volgens hem religieuze betekenis..., alleen de waarachtig voelende mens is het orgaan der Godheid” (p166-67). We zien in deze typen de tegenstelling tussen Romantiek en rationalisme, gevoel en ratio, waar Thomas Mann hier mee worstelt en die hij probeert te verwerken in een synthese van hogere menselijkheid.

Vragen en dilemma’s blijven onbeantwoord, zoals bij Hauptmann en andere schrijvers. Het boek geeft de beschavingscrisis weer in woord en beeld en de opties, keuzen en beslissingen tussen standpunten waar betrokkenen mee worden geconfronteerd in onverzoenlijke disputen. De hoofdpersonen lijken op typen die strijdige visies en levenshoudingen vertegenwoordigen. Naphta sympathiseerde met het socialisme als een seculier soort religie. Het is niet moeilijk in de autoritaire visie van Naphta ook aspecten van het latere nazisme te zien, als een modene variant van het autoritarisme, dat zich door de hele Europese geschiedenis heeft doen gelden tot in het rechtse populisme van onze tijd, en vaak op gespannen voet staat met humanitaire en democratische waarden.

“In 1933 ging Mann voor het nationaal-socialisme in ballingschap." Eerst naar Zwitserland waar ook Der Zauberberg zich afspeelde. Van 1939-1952 woonde hij in de VS. In 1934 en 1936 verscheen het grote op de bijbel geïnspireerde werk Joseph und seine Brüder. ‘’Duidelijk is hier de ommekeer naar... het wetmatig-bovenpersoonlijke... ‘Mijn denkbeeld was de figuren reëel op te vatten... en als de belichaming van mythische voorstellingen en motieven’... Josephs levenslot leidt opwaarts, naar nieuwe menselijke ordeningen” (p534). Dwars door gevaren en beproevingen. Ook hier lijken hoofdpersonen typen, zoals in Die Zauberberg. Veel dingen in zijn latere werken blijven problematisch. De ontgoocheling van een man in ballingschap is merkbaar. Maar hij blijft geloven in humaniteit.

Zijn laatste grote roman Doktor Faustus, das leben des deutschen Tonsetzers Adrian Leverkühn, erzählt von einem Freunde (1947) gaat over een begenadigde en verdoemde kunstenaar en heeft een cultuurfilosofische strekking. In het leven van de Faustische hoofdpersoon “voltrekt zich het verval van de burgerlijke cultuur na de eerste wereldoorlog” (p535). Dit is ook een thema in andere werken. “Hij trekt hierin een parallel met de ontwikkeling van Duitsland: decadentie mondde uit in pure misdadigheid tijdens het Derde Rijk” (Encyclopedia Britannica).

In zijn latere cultuurfilosofische en autobiografische essays en redevoeringen Vom zukunftigen Sieg der Demokratie (1938), Dieser Friede (1938), Adel des Geistes (1945), Meine Zeit (1950), Altes und Neues (1953) en Nachlese (1956, vlak voor zijn dood) doet hij o.m. een beroep op redelijkheid, humaniteit en de kracht van de geest.

Hermann Hesse is meer innerlijk gericht, minder bezig met traditie, hoewel hij diverse historische romans schreef, waarvan Narziss und Goldmund wellicht het meest bekend is (1930). Reeds zijn Romantische Lieder (1899) tonen een “visionaire verzonkenheid”. Hij trok zich al eerder dan Mann terug in Zwitserland. Zijn ontwikkelingsromans gaan vaak over zoekende zwervers en verbondenheid met de natuur. “De [eerste] wereldoorlog bracht hevige schokken mee.” Hij herstelde van een zenuwcrisis met behulp van psychoanalyse en “luisteren in je zelf”.

“In 1913 verscheen het reisboek Aus Indiën; velen keken toendertijd [en ook later] vanuit de crisis in Europa naar het Oosten... In Siddharta (1922) gaf hij in de louteringsweg van een zoekende brahmanenzoon vorm aan zijn eigen zoeken en vinden” (p543). Het lijkt enigszins op een biografie van Boeddha. De ouders van Hesse waren missionaris geweest in India. Zijn werk was na de jaren ’60, toen het Oosten meer in de belangstelling stond, ook in de VS heel populair. “Siddhartha is een synthese van Oost en West... een Europese ontwikkelingsroman, maar in een oosterse omgeving... Het water heeft hij lief want het vertelt hem van de Eenheid van alle leven... Siddharta wil de hele wereld liefhebben, niets in haar verachten en haten en alle wezens met liefde, bewondering en eerbied beschouwen... Aan al deze verrukkelijke verscheidenheid ligt een eenheid ten grondsalg” (Wolf, p174, 176-78, het essay ‘Hermann Hesse’s Siddhartha’).

Zijn vele tientallen boeken: romans, verhalen, gedichten en sprookjes zijn in een 60-tal talen vertaald en er zijn meer dan 100 miljoen exemplaren van gedrukt volgens Wikipedia. In Tussen Oost en West: Wat ik geloof zijn een aantal essays gebundeld. In 1946 ontving hij de Nobelprijs, een bekroning van dit late hoogtepunt van de Romantiek. Of is hier de term neoromantiek meer op zijn plaats?

Het diepzinnige werk vol mystieke symboliek Morgenlandfahrt (Reis naar het Morgenland, 1932) loopt vooruit op zijn laatste grote werk Das Glasperlenspiel (1943), “dat terzelfder tijd profetie en kritiek op de tijd is” (p544). Tevens ontwikkelingsroman en oosters mysterie. Hesse’s boeken eindigen vaak in ondergang en melancholie, maar ook in spiritualiteit. Ook hij worstelt met (het verval van) de Europese beschaving en geeft een innerlijk gericht antwoord. Vandaaruit kunnen duurzame geestelijke waarden vorm krijgen.

“Wij rijden in een wagen over de afgrond, wij allen, wij moeten sterven, wij moeten wedergeboren worden, de grote ommekeer is voor ons op til,” schrijft hij in Klingsors letzter Sommer (1920).Klingsohr, is een hoofdfiguur in de roman Heinrich von Ofterdingen van Novalis (1802) en een magiër in Richard Wagner’s opera Parsifal (1882).

 “De God in wie wij geloven moeten, is in ons innerlijk. Wie ‘nee’ zegt tegen zichzelf, kan nooit ‘ja’ zeggen tegen God,” schrijft hij in Steppenwolf (1927). Naast vele romans schreef hij innige gedichten en “een rijkdom aan zeer persoonlijke dagboeken en reisjournalen... De Briefe (1951) getuigen van... de goedheid en gerijptheid van een hoogst gevoelig, humaan mens” (p545).

 

De ramp met de Titanic in 1912 doet denken aan de ondergang van het Duitse keizerrijk

 

Creatieve krachten tijdens de crisis rond de eeuwwende en de eerste wereldoorlog

Wat betreft de kunst en literatuur typeert Martini de kunststijlen aan het begin van de 20e eeuw als “buitengewone uitzaaiing en variatie van de subjectieve expressiemogelijkheden” (p 550). 19e eeuwse stromingen zoals het naturalisme, symbolisme, impressionisme, expressionisme werkten door in nieuwe oriënteringen, die hier te ver voeren om te noemen, daar zij niet meer op de Romantiek, maar op de 20e eeuw betrekking hebben.

“Uit het elkaar kruisen van overlevering en nieuwe creatie ontstond de rijkdom aan grote talenten... de productieve onrust en innerlijke spanning die boven deze generatie zweeft. Zij moest de crisis van een aflopende cultuurperiode te boven zien te komen; in laatste instantie steeds geconfronteerd met de vraag die naar een open, een onbekend gebied wees.” De problematiek kon niet worden weggenomen door het vervluchtigen van vaste wetten, waarden en zekerheden in een uiteenvallende historische samenhang, een crisis die creatieve krachten losmaakte.

“Nietzsche vormde de aardbeving van dit tijdsgewricht, die ook in de literatuur alles in de rusteloosheid van het bedreigd-zijn, de opstandigheid, de twijfel en nieuwe problemen zette, een onrust die... tegenstrijdige antwoorden moest opwerpen” (p548-49). Vandaar de vele expressievormen, met de grote schrijvers en dichters van rond de eeuwwende als toonaangevende voorboden en vroege hoogtepunten van de literatuur van de 20e eeuw (zie deel 10).

 

Relevantie voor de moderne tijd

Met bovenstaande schrijvers zijn wij van de eeuwwende ver in de 20e eeuw gekomen, waarin het werk van deze laatste grote schrijvers en dichters volop actueel gebleven is. Leven wij ook nu niet in een overgangstijd, waarin veel van wat deze schrijvers toen schreven nog relevant is? De ondergang, het verval en de crisis zijn van een andere aard, maar wel vergelijkbaar, en liggen in het verlengde van eerdere crises. Deze hebben niet tot veranderingen geleid die duurzaam en fundamenteel genoeg zijn geweest voor blijvend betere tijden. Het oude normaal lijkt niet meer haalbaar. Op de huidige voet leidt dit tot onherstelbare milieuschade en klimaatveranderingen, die gepaard kunnen gaan met ongehoorde rampen. Aan het begin van de 20e eeuw dreigde een wereldoorlog, nu zijn er andere dreigingen. Autoritaire en totalitaire tendensen lijken net als toen maar anders meer de kop op te steken dan voorheen, waardoor kritische alertheid met oog op humanitaire en democratische waarden op zijn plaats is.

Genoemde schrijvers geven uiting aan een zekere melancholie en pessimisme, en vaak ook kritiek op (het verval van) de cultuur en samenleving van hun tijd en de wantoestanden van de gevestigde orde. Bestaande normen en waarden contrasteerden vaak sterk met de feitelijke gang van zaken, die meer bepaald leek te worden door passies en emoties dan door waarden en idealen. Ook in de hogere kringen werden lege levens geleid door mensen die elkaar bedrogen en gebruikten naar gelang het hen uitkwam. Ze vonden daarin echter geen blijvende levensvervulling vonden, hooguit een tijdelijke bevrediging.

Genoemde schrijvers stelden daar vaak een symbolische, geestelijke werkelijkheid tegenover om het leven een diepere zin te geven. Zij probeerden zich boven de feitelijke werkelijkheid te verheffen, nieuwe bakens neer te zetten en levensbevestigende cultuurvormen te scheppen en lieten zich daarbij door het verleden inspireren. Meestal bleef men echter steken in de problemen van die tijd, die onoplosbaar leken als onontkoombare existentiële aangelegenheden en noodlottige tegenstrijdigheden van het menselijk leven en samenleven. Feitelijke levens contrasteerden met beleden waarden en idealen, die schipbreuk leden op de klippen van de dagelijkse werkelijkheid. De onafwendbare dood toonde uiteindelijk de afgebroken levens van de vele mensen die schipbreuk leden. Als een gigantisch schip koerstte de toenmalige maatschappij op de gevaren af die in de wereldoorlogen bewaarheid werden.

Schrijvers en denkers verhieven hun stem, die onvoldoende gehoord werd om het noodlottige gebeuren af te kunnen wenden, en verstomde in wapengekletter en kanonnengebulder. Hun geschreven bevindingen zijn gebleven en spreken nog steeds tot de verbeelding als documenten van een voorbije tijd, die voor onze tijd nog altijd relevant zijn.

Caroline Schlegel, de centrale (gast)vrouw van de vroege Duitse Romantiek schrijft in 1801 in een brief aan haar man: “Kritiek gaat ten onder... generaties sterven uit, systemen wisselen, maar als de wereld een keer in vuur opgaat..., zullen de kunstwerken de laatste levende vonken zijn die ons huis binnengaan – pas dan valt de duisternis,” zo besluit Martini zijn geschiedenis van de Duitse literatuur (p659).

 

Romantisch realisme, Jean-Francois Millet, La bérgère gardent ses molutons – De herderin hoedt haar schapen, + 1863

 

                         Romantiek en realisme                 2021 08 03

 

Exploitatie  raakte wijd verbreid

en ook het geloof in onderlinge strijd

De aarde werd toen uitgebuit
Een mens werd ook gezien als buit

 

Hoewel de slaverij werd afgeschaft

werden mensen zwaar beslast

Er waren toen geen arbeidswetten

welke overwerk aan banden legden

 

Betaalde slavernij en kinderarbeid

waren meestal regel in die tijd

Het harde werk in een fabriek

Was gespeend van romantiek

 

Een arm ellendig leven

was een vast gegeven

voor grote delen van het land

als een teken aan de wand

 

Het was een tijd van klassenstrijd

en begin van sociaal beleid

De idealen van de burgerij

ontkwamen niet aan averij

 

Waarden raakten zwaar bekneld

Moesten worden bijgesteld

Wat telde was bezit en geld

Vele waarden van weleer

werkten toen niet meer

 

De glans van het verleden

verdween toen in wetmatigheden

Biologische wetten waren regel

De gouden regel was ontregeld

 

Pessimisme en cultuurverval

heersten toen haast overal

Algemene menselijke waarden

Leken niet te gelden meer op aarde

 

Toch bleef het schone als gegeven

dat in kunst is blijven leven

De rauwe harde werkelijkheid

had  een eigen ruwe schoonheid

 

Bijvoorbeeld boeren op het land

In een groots en aards verband

Of de charme van publieke vrouwen

die geen man zou willen trouwen

 

De kunst werd realistisch

Thema’s leken socialistisch

Het volk stond meer centraal

en vertelde zijn verhaal

 

In woorden en in beelden

die de feiten niet verheelden

Kunst werd  ook doorspekt

met kritiek en met protest


Scherpe maatschappijkritiek

tekende de late Romantiek

Welgemeende medemenselijkheid

kwam naar voren in die tijd

 

Want er was nog veel ongelijkheid

Veel ellende, weinig vrijheid

En men maakte zich ook zorgen

om de opstand van de horden

 

Na tal van bange jaren

begon het leven op te klaren

Een hoopvol levensgevoel

gaf het leven zin en doel

 

Maar er zijn nog vele zaken

en problemen op te klaren

De erfenis van het verleden

belast nog steeds het heden

 

Jean-Francois Millet, De arenleessters, 1857, een schilderij van de allerarmsten. Achter hen rijk beladen wagens met een paar knechten en een opzichter te paard, symbool  van de gevestigde klasse