De dans van de Ene

Civis Mundi Digitaal #114

door Piet Ransijn

Bespreking van Synesios van Kyrene, Dans die het heelal omkranst: Negen hymnen aan de Ene. Eindhoven, Damon, 2016

https://nl.wikipedia.org/wiki/Synesius_van_Cyrene 

Inleiding: wie was Synesios?

De hymnen worden voorafgegaan door een inleiding van de vertaler: Piet Gerbrandy, classicus, docent aan de UvA, dichter en essayist. Hij is gespecialiseerd in Latijnse poëzie van de late oudheid.  Verder schrijft hij o.a. in De Groene Amsterdammer over poëzie en maakt hij deel uit van de redactie van De Gids.

De Ene of het Ene is de term voor God in de neoplatoonse filosofie van Plotinos c.s. Synesios (+ 370-413) was een gekerstende neoplatonist die tot bisschop was gewijd. Het Ene of de Ene is een klein, maar significant verschil. Met de Ene wordt het goddelijke als persoon voorgesteld. Het representeert de ontwikkeling van het neoplatonisme naar het christendom. (Gebrandy schrijft de ene in de citaten met een kleine letter, terwijl een hoofletter m.i. meer gebruikelijk is, omdat het een soort synoniem is van God.)

Synesios woonde in Kyrene, een oude Griekse stad in aan de vruchtbare kust van Lybië, waar hij een landgoed bezat, dat geplunderd werd door Berberstammen. Zowel het Oost- als Westromeinse Rijk verkeerde in verval. Synesios was genoopt de verdediging van zijn bezittingen en die van anderen zelf te organiseren. Hij probeerde daarvoor de steun van de keizer te krijgen en reisde naar Constantinopel, waar hij drie jaar verbleef.

In 393 ging hij in Alexandrië filosofie en natuurwetenschappen studeren bij de jonge lerares Hypathia, die hoog in aanzien stond. “De school van Hypathia was een toonbeeld van openheid en tolerantie” (p8). Mede vanwege zijn bestuurlijke en maatschappelijke verantwoordelijkheden kon hij zich niet aan intellectuele bezigheden blijven wijden en ging hij naar Constantionopel om de belangen van zijn landstreek daar te behartigen.

Niet lang na zijn terugkeer in 402 trouwde hij met een welgestelde christelijke vrouw, een indicatie dat hij zelf wellicht ook christen was of is geworden. Christendom en neoplatonisme gingen toen vaak samen. Bijv. bij Augustinus en Dionysios de Areopagiet is dit aanwijsbaar, zie CM 60 en 91. Hun werken zijn meer christelijk dan die van Synesios. Diens hymnen zijn doordesemd van zijn neoplatoonse visie, vermengd met christelijke elementen. Hij was dus eigenlijk een neoplatoons christen of christelijke neoplatonist, die bisschop werd uit maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef. 

 

Hypathia van Alexandrië 

Hoewel Synesios vaak als krijgsheer optrad “werd in 408 zijn landgoed met de grond gelijk gemaakt. Niettemin slaagde hij erin, tussen de bedrijven door, een indrukwekkende reeks literaire werken voort te brengen. En, heel belangrijk voor hem, hij kreeg drie kinderen” (p10). Verder schreef hij brieven aan zijn lerares Hypathia en internationale vrienden.

Rond 411 kreeg Synesios het verzoek om bisschop van de havenstad Ptolemaïs te worden, mede vanwege zijn bestuurlijke en militaire kwaliteiten en belangrijke contacten. Hij aarzelde. Het lokte hem niet gescheiden van zijn vrouw en kinderen te gaan leven, aan wie hij zeer gehecht was. Samenleven werd echter geaccepteerd. Bovendien strookte de christelijke dogmatiek niet met zijn neoplatoonse visie. Desondanks werd hij in 412 tot bisschop gewijd.

De jaren als bisschop waren de zwaarste van zijn leven. De dood  van zijn drie kinderen bracht hem aan de rand van zelfdoding. Daarnaast waren er conflicten met kerkelijke en wereldlijke tegenstrevers. “In de loop van 413 overleed Synesios, geveld door totale uitputting. Twee jaar later zou zijn geliefde docente Hypathia gelyncht worden, mogelijk door een bende fanatieke christenen” (p11). Hij liet een veelzijdig literair oeuvre na en meer dan 150 brieven. Zijn werken zijn doorspekt met neoplatonisme. 

De dood van Hypathia 

Het neoplatonisme

Het neoplatonisme wordt als volgt samengevat: “Uit het Ene stroomt de Geest of het Denken voort (nous), dat de drager is van wat Plato de ‘vormen’ of ‘ideeën’ genoemd had, de eeuwige abstracties, die de dingen maken tot wat ze in essentie zijn... Uit de Geest komt op haar beurt de Ziel (psyche) voort, de wereldziel die de verbinding tot stand brengt tussen de materie (hyle) en de Geest: zij koppelt vorm aan stof. Daarmee doet zij tijd en ruimte ontstaan” (p12-13). Geest (nous) wordt ook wel gekenschetst als bewustzijn, conform de Indiase filosofie.

De menselijke ziel is een afsplitsing of onderdeel van de wereldziel, een onderdeel dat ook deel heeft aan de Geest, die hem tot denken en bewustzijn in staat stelt. “Al het zijnde streeft ernaar de materie achter zich te laten en op te stijgen naar de Geest, in de hoop weer één te worden met het Ene... Een mystiek proces: tijdens het leven zou het al mogelijk zijn een ogenblik los te komen van de stof en  contact te maken met God” (p13).

 

Hypatia Teaching in Alexandria, Robert Trewick Bone, 1790-1840, via the Yale Center for British Art; with A Portrait of Hypatia, by Jules Maurice Gaspard, 1908, Via Project Gutenberg

https://www.thecollector.com/hypatia-of-alexandria-female-philosopher/ 

Drie beginselen

De drie spirituele beginselen: het Ene, de Geest en de Ziel worden in verband gebracht met de Drieëeenheid van Vader, Zoon en Heilige Geest en met eerdere Chaldeeuwse orakels over de dynamiek van de Vader en de vrouwelijke kracht (dynamis), “tevens Rhea geheten, die een zoon verwekte, die niet alleen Zeus heette maar ook als Logos werd aangeduid” (p14). Christus werd in de Proloog van het evangelie van Johannes als Logos aangeduid

De hymnen van Synesios sluiten enerzijds aan bij Plotinos, anderzijds bij drieëne Chaldeeuwse en christelijke visies. Velen hebben geprobeerd het neoplatoonse en christelijke denken te verzoenen, met wisselend succes. Bij Synesios “vertegenwoordigt Christus een goddelijke aanwezigheid binnen het stoffelijk domein en belichaamt zo de belofte aan hereniging met het Ene” (p16). Christus is dus niet alleen een specifieke, eenmalige incarnatie, maar hij bestiert ook de kosmos als een soort kosmische geest.

Beelden en symbolen

De hymnen vormen een gevarieerd geheel waarin “de Ene wordt benaderd met behulp van een arsenaal van beelden van diverse achtergrond”. Symmachus, een oudere tijdgenoot van Synesios, schrijft in een brief uit 384 aan keizer Valentinianus, dat “één route niet volstaat om naar een zo groot mysterie te reiken... waarmee hij wil zeggen dat naast de christelijke orthodoxie ook niet-christelijke visies recht van spreken hebben. Die open kijk op religie en metafysica kenmerkt ook Synesios” (p17-18).

De vertaler licht in zijn titel het beeld van de kosmische dans uit de hymnen toe. Dit is wellicht ontleend aan Plotinos: “Daar de rondwenteling van het heelal niet in het wilde weg plaatsvindt, maar rondgaat volgens de rede... die de verschillende delen... goed met elkaar laat samenwerken... brengen ze [de sterren] in een bonte reidans toch als het ware één (harmonieuze) dansuitvoering” (p18, Enneaden IV.4.33; over Plotinos, zie ook CM 97). In India wordt de kosmische dans voorgesteld als de dansende god Shiva (zie CM 110, Capra Deel 1, de omslag van The Tao of Physics).

“Synesios roept geregeld het beeld op van dansende sterren, planeten en engelen... Laat de bezielde kosmos in lofzangen losbarsten... Door deze liederen te schrijven... voegt de dichter zich in het grote geheel, dat... waargenomen kan worden als een ‘’harmonie der sferen’” (p19). Zijn hymnen zijn geen theologische of filosofische verhandelingen, maar ritmische, beeldende lyrische verzen, die nog altijd de moeite waard zijn om te lezen en kennis van te nemen. Ze geven een verheffend beeld van de kosmische dans waar wij aan deelnemen.

 

In De school van Athene van Rafael is Hypathia de in het wit geklede vrouw in het midden

Synesios staat meer in de traditie van Griekse filosofen dan die van christelijke theologen 

 

De eerste hymne: ‘het ene in alles, het ene vóór alles’

De volgorde van de hymnen is van later datum en niet van Synesios. De eerste hymne is veruit de langste en misschien ook wel de mooiste en meest veelzeggende. Zijn taal en ook de vertaling is beeldend en ritmisch. Hij bezingt de Ene “die het heelal verwekt” op zee, op eilanden, het vasteland, bergen en vlakten (p25). Deze formulering wijst op pantheïsme. Hij richt zich echter tot het Ene als persoon, de Ene als God, als vader, die boven alles is verheven en tevens in alles aanwezig is, een neoplatoonse zienswijze.

De volgende strofe geeft een prachtig beeld van een neoplatoonse visie, waarbij de geest zich verheft boven de stof en zich op vleugels bevrijdt:

“Op naar jouw schoot / verhef ik mijn vleugels / om, lichter geworden, / afstand te nemen / van stof zonder diepte / om blijmoedig bij jou / in de buurt te komen.” Daar voegt hij o.m. aan toe: “gezuiverd van driften, verlost van verlangens” en “houd stilte in acht... adem van grillige winden, val stil” (p26,27).

Er wordt een zekere eenheid met de Ene benaderd, dat ook hier onbereikbaar is, zoals bij andere mystieke dichters en schrijvers:

“En valt van jouw uitkijk / de geest naar beneden, / dan poogt hij... / hier en nu wat zich niet laat / benaderen te naderen / de gloed aan te kijken / die schittert vanuit / zijn onstuitbare diepte” (p29).

Tegelijk is het Ene overal aanwezig als “zaad van de zijnden / van alles het middelpunt, / eerste geest zonder wezen, / wortel van alle / oerheelallen, / licht om het licht heen,...  Al wat god is voorbij, / al wat geest is voorbij.”

“Het ene en alles, / het ene in alles / en het ene vóór alles, / van alles het zaad, / wortel, vertakking... Jij bent wat verschijnt / en wat weer verborgen wordt, / licht door zijn eigen / schijnsels verborgen” (p30,31).

Het ene blijft ongespleten in wat in delen uiteenvalt. De stof verbergt het licht van het ene, waaruit het voortkomt. Dit ene gaat niet verloren in de eeuwige kringloop. Het ene verenigt “de reidans der dingen... en al die levens / met verschillende stemmen / vormt zij tot één / gave samenklank” (p36).

Typisch neoplatoons is het ontkomen aan het lichaam in de volgende strofe, zij het dat deze op christelijke wijze op de persoonlijke God wordt gericht:

“Ontsteek voor mij, heer, / je licht dat omhoog voert, / sta, vader, mijn ziel toe / aan het lichaam te ontkomen, / zich niet meer te verliezen / in aardse verblinding” (p37).

Synesios verwijst naar zijn driejarige verblijf aan het hof van de keizer, “waar ik veel heb gesloofd, / waar ik tranen geplengd heb / van bitter verdriet... Toen lachte het leven / mij zeker niet toe, / want het land van mijn vaderen / lag steeds onder vuur, / maar jij hebt het, heer, / eigenhandig gered / uit die ramp, eeuwig jonge / meester van het heelal” (p39,41).

Dat gebeurde doordat Synesios de energie, de rust en de inspiratie daartoe kreeg. Hij verwijst naar “flitsen van wijsheid / diep in mijn hart” (p42). 

Het contrast tussen geest en stof

Hij schrijft ook conform het neoplatonisme over het contrast van geest en stof: “de duistere vlek van de stof, in het aardse / gevang vastgeketend / van al mijn begeerten.” Hij wil zich daarvan bevrijden en reinigen. “Want ik ben ook de drager /van het zaad dat een vonk / van jouw edele geest is, / al zonk het diep weg / in de afgrond van stof.” (p43).

“Weg nu met die troebele / blik van godlozen, / politiek machtsvertoon; / weg nu met al die / mierzoete verblinding, / onplezierig plezier, / waarmee de aarde de ziel / stroop om de mond smeert, / als een slaaf aan zich bindt” (p46). De geringschatting van het aardse doet gnostisch aan, maar is ook vaak kenmerkend voor het neoplatonisme, dat de geest hoger acht en de geest wil verheffen.

“Ontsteek nu voor mij, heer, / je licht dat omhoog voert, / maak mijn vleugels weer licht... / Laat mij de verblinding / van het lichaam ontvluchten / en de snelle sprong wagen / omhoog naar jouw zalen, / omhoog naar jouw schoot / van waaruit de bron / van de ziel vloeit. Als een stroom uit de hemel / ben ik neergegoten: / geef me terug aan de bron / die mij uit heeft gegoten / als een dolende zwerver. / Sta mij toe op te gaan / in het licht dat mij voortbracht... / en sta mij toe, vader, / opgegaan in dat licht, / mij niet meer te verliezen / in aardse verblinding”(p48,49). 

 

Met een afbeelding van Hypathia, de neoplatoonse lerares van Synesios 

 

De tweede en derde hymne: de zoon verschijnt naast de vader

Een beeld dat ook in latere hymnen steeds naar voren komt is “de wortel van alles,” en ook “het zaad van alles” en “het middelpunt van alles”, (p51,55,70,71). Dergelijke termen komen resp. ook voor bij bijv. Rumi en bij Cusanus (zie CM 113 en elders in dit nummer). ‘Verblinding’ is ook een term die steeds terugkomt, vaak in combinatie met het zich daaruit verheffen. Als het ware op de vleugels van het licht van de ene (God): “de wortel van alles / die niemand kan zien, / en dan zal geen verblinding / me weg kunnen voeren / uit het zicht van god” (p51).

Er wordt telkens weer beeldend uitgelegd hoe de Ene de oorsprong en schepper van alles is, maar tevens verborgen of transcendent blijft. De Ene wordt steeds aangesproken als de vader, uit wie de zoon voortkomt. Het onderscheid tussen beide is aanvanklijk niet erg duidelijk. De zoon is meeromvattend dan alleen Jezus Christus, die in het begin nauwelijks genoemd wordt en ook ‘woord’ wordt genoemd. Ook de “geest van de vader” wordt genoemd. Een toespeling op de Heilige Geest en de drie-eenheid van Vader, Zoon en Heilige Geest?

God, behalve de transcendente “wortel van alles” ook degene of het beginsel dat het heelal bestuurt en orde schept in de schepping. Dit is het Griekse beginsel van de Logos, de wereldwet of wereldrede, die zorgt voor de samenhang in de schepping. Sommige passages wijzen erop dat dit de zoon is: “tweederangs licht / dat voor ogen te zien is, / beheerder van stof / die steeds wordt geboren / en steeds weer vergaat, van de denkzon de zoon” (p58). De vader blijft verborgen, transcendent, onkenbaar en onzegbaar.

Ook hier het contrast tussen geest en stof. De “demon van stof... / dwarsboomt wat in mij / op zoek is naar god” (p59). Dat gebeurt door “de kracht van passies”. Daaruit kan de ziel zich verheffen door de hand te vatten die God ons reikt: “Reik jij mij dan hand nu, / gelukzalige, roep mij, / verhef boven de stof / deze ziel die jou dient” (p61). Zo eindigt de tweede hymne met een christelijk aandoende bede.

In de korte derde hymne komt “de zoon van de bruid” meer prominent naar voren en wordt Christus genoemd als “licht recht vanuit de bron.” Hij “verlicht... heilige zielen” (p63). Er volgt wederom een neoplatoons beeld van ‘reinigen van stof’ en verlossing uit de “stoffelijke kerker” door opgaan in de zielsbron en “zielsgeboorte” (p63,64). De vader-zoon relatie wordt niet erg inzichtelijk. Duidelijk is dat de vader de bron is van de zoon, die zijn kracht en schoonheid ontleend aan de vader.

Vierde hymne: het ‘denkend middelpunt’

In de nog kortere vierde hymne verschijnt de zoon als “oogst uit vaders moederschoot.” Dit contrasterende beeld van vader en moeder tegelijk wordt o.m. “het denkend middelpunt” genoemd (p67). Dat wijst op het bewustzijn, ‘nous’ in de Griekse filosofie vanaf Anaxagoras. ‘Nous’ omvat meer dan denken. “Wat is uitgestroomd blijft steeds in de bron.” Zo blijft het bewustzijn in contact met de oorsprong en wordt erdoor gevoed.

In verbondenheid met de bron, danst het heelal onder gods leiding. “Jouw eigen dans omringt het groeien dat vergaat... en wat de bron schonk hecht jij daar steeds weer aan vast” (p68). Daardoor blijft alles met de bron verbonden.

In een bede wordt weer gevraagd om rust te brengen in “de drift van passies... opdat mijn geest windstil de bloem van rust kan plukken, / opdat verdriet om al het aardse mij niet lamlegt / maar ik, gevoed door jouw verheffende kanalen, in weeën van wijsheid mijn gest optil naar jou.” Zo eindigt de vierde hymne. 

 

https://thumbs.dreamstime.com/z/kosmische-dans-83207480.jpg 

De vijfde hymne: de dans van het heelal

Aan het begin van de vijfde hymne verschijnt het beeld van “de dans die het heelal omkranst”, de titel van deze vertaling. Het is een beeld van de sterrenhemel. Daar voorbij “danst een sterrenloze stroming... om het grote denken heen, dat het dak van het heelal / heeft bedekt met witte vleugels. / Daar voorbij omhult een zalig / zwijgen het ondeelbaar delen van wat denkt en ondenkbaar is... Eén de bron en één de wortel  is drievuldig licht gaan schijnen. / Waar de diepte van de vader / daar de zoon in al zijn glorie... en daar schijnt ook een heilig licht / van een adem die verenigt” (p69,70). Ziehier een dichterlijke mengeling van christelijke en neoplatoonse termen en beelden.

Ook engelen komen geregeld voor in de hymnen. Zij helpen sturing te geven aan het heelal, dat afhangt van gods beleid.  Synesios vraagt weer de “’weldadige genade van een windstil leven” in “het licht van wijsheid”. Zijn geringschatting van het stoffelijke gaat niet zover dat hij zich afkerig toont van rijkdom en roem:

“vrij van ziekten, / van de chaos van passies, / houd mijn leven vrij van zorgen / die een last zijn voor het brein, / dat geen zware aardse bindheid / de opvlucht van mijn denken fnuikt. / Dan verhef ik vrij mijn vleugels / en dank ik van jouw kiem het diepst / en onuitsprekelijk mysterie” (p72). Met deze bede eindigt de vijfde hymne. 

 

https://www.sterrenwachtdenhelder.nl/tag/de-ster-van-bethlehem/

De ster van Bethlehem wijst op begeleidende kosmische verschijnselen ten tijde van Jezus’ geboorte 

 

De zesde, zevende en achtste hymne: de geboorte van de zoon, zijn missie en positie

In deze hymne wordt (de geboorte van) Jezus bezongen, “hem die niet sterft, de god, grote zoon van een god, van een vader die eeuwigheid baart / de zoon die heelallen verwekt, / natuur die met alles versmelt, / wijsheid verstoken van grenzen” (p73). Een verwijzing naar de Logos, de wereldgeest, die in alles aanwezig is. Maar ook wordt de geboorte van Jezus genoemd.

“Toen jij uitstroomde over de aarde / vanuit een sterfelijke schoot / stond de wetenschap van een wijze / na het opkomen van de ster / verstomd en wist zich geen raad: / welke god verborg zich in hem?”

Er wordt verwezen naar de gaven van mirre, wierook en goud, geschenken voor god en voor een koning. Synesios biedt zijn hymnen als gaven en eindigt zo deze hymne:  “Neem deze muziek in ontvangst / van gezegende melodieën” (p73,74).

De zevende hymne bevat een bede die daarbij aansluit, waarin Synesios vraagt “het licht uit jouw denkende bron” te richten op zijn brein, opdat kracht, fitheid, gezondheid en “jaren in glans” zijn deel moge zijn.

Opmerkeijk is dat hij ook bidt voor zijn broer en zusters, zijn kinderen en zijn vrouw: “’En houdt ook haar, heer, zij die met mij / het juk van het liefdesbed deelt, / mijn vrouw, vrij van ziekte en pijn; / houd haar trouw en één van gezindheid... Bewaar mijn bed in fatsoen, / onaangetast en geheiligd, / onbegaanbaar voor lust die niet deugt” (p76).

Maar uiteindelijk gaat het om de ziel: “maak haar los / uit de boei van het leven op aarde, bevrijd haar van leed en verblinding... geef haar in heilige koren een plaats, / dat zij danst en gezangen aanheft.”

De achtste hymne begint eveneens met een toespeling naar Jezus: “Innig geliefde, roemvolle / gelukzalige telg van een maagd... jou bezing ik.” Hij schrijft dat dit “kind van een maagd... afdaalde naar de aarde... en in een sterfelijke gestalte / daalde je af in de hel” (p77). Daar verloste hij scharen van zielen. Miljoenen demonen die onder ons leven sidderden. Hij werd verwelkomd door de gesternten, de Morgenster en de maan als “telg van een god” (p78).

“Maar jij spreidde je vleugels... en nam, plaats aan het hoofd van de zuiver denkende kosmos, / waar goedheid de bron is, / de hemel waarover men zwijgt.”

Het is het eeuwig stille transcendente, dat alles voedt. Daar vindt men “geen schaamteloos leed / door onstuimige stof veroorzaakt, / daar is slechts de altijd jonge / eeuwigheid uit de oertijd, / die steeds even nieuw als oud is: / zij voert voor de goden het bewind / over eeuwig stromend verblijven (p79).

Zo eindigt de achtste hymne, waarin de zoon aan het hoofd van de kosmos wordt geplaatst in een eeuwig stromende stilte. 

 

https://rulof.nl/Onze-kosmische-ziel.html 

 

De negende en laatste hymne: de geest die opwaarts gaat en wat aards is aan de aarde laat

Deze hymne relativeert de aardse liefde en verworvenheden, die echter elders en ook hier wenselijk worden geacht, zonder ernaar te streven. Want het is allemaal betrekkelijk. Het gaat uiteindelijk om god, de ene.

“Wat stelt kracht voor, en wat schoonheid, / wat stelt goud voor, wat bekendheid, / wat de eer van koningen, / voor wie naar zijn god verlangt?... / Maar laat mij onopgemerkt / een geruisloos leven leiden, / althans onopgemerkt door anderen / maar met de blik gericht op god / Laat wijsheid mijn gezelschap zijn... Probleemloos zal zij met een lach / gebrek verdragen, onbegaanbaar / voor wat een leven bitter maakt” (p82).

Synesios wenst vrij te zijn van zorgen, armoede en afhankelijkheid en bezingt “van al wat één is de heilige eenheid” en het “nageslacht dat aan het middelpunt ontspringt / en om dat middelpunt blijft stromen” (p83).

En passant wordt opgemerkt dat “het heelal na de geest ter wereld kwam.” Dat stemt overeen met de neoplatoonse visie, die boven is toegelicht en in CM 97.

“Hij daalde af in stof, de geest / die niet kan sterven, / voortgebracht door hoge goden... Hij is heel en één in alles / en heel in het geheel gedoken / wentelt hij de hemelholte. / Doordat hij het geheel bewaakt, / is hij, in vormen opgedeeld / die hij bestuurt, compleet aanwezig” (p84).

Ziehier wederom een verwijzing naar wat ‘de kosmische Christus’ genoemd kan worden. Of is te interpreteren als ‘het Christus-bewustzijn’, dat in alles en allen aanwezig is als “licht dat ieder mens verlicht” (Johannes i:9). Dit licht van de Logos, het vleesgeworden Woord, schijnt volgens het evangelie van Johannes in de duisternis. Uit de duisternis kan de geest zich verheffen naar het licht, schrijft ook Synesios.

“Hoe diep we ook gevallen zijn, / er is een kracht die opwaarts voert: / soms, aan de branding van het leven / ontkomen, reist men vrij van zorg / langs paden die geheiligd zijn / naar het vaderlijk paleis.”

“Gelukzalig wie na wat hem toeviel, / na veel gesloof, na bitter leed / veroorzaakt door het aards genot, de wegen van de geest betreedt, / de diepte van gods licht ontwaart.”

“Moeilijk is het heel het hart / tot volle vleugelslag te brengen / in liefde die weer opwaarts voert.../ met energie die denken voedt, / en je verwekker zal daar staan, / zijn handen naar je uitgestrekt; / een lichtstraal snelt je tegemoet / en zal steeds schijnen op je route / en openbaart je dan... / schoonheids diepste grond.”

Genade komt ons tegemoet, maar vraagt wel overgave. De ene reikt ons als het ware de hand. Het is aan ons om die te vatten, ons over te geven en mee te bewegen.

En dan het slot: “Kom nu, mijn ziel, en drenk je / in de bron die stroomt van goedheid, / onderwerp je aan de vader, / ga omhoog en aarzel niet, / laat wat aards is aan de aarde: / gauw ga je in je vader op / en zul je dansen, god in god” (p85). Wat valt nog toe te voegen aan deze verheffende tekst, waarin de tijdloze wijsheid van eeuwen is samengevat?

                    

                              

                                      De sterrenhemel en het Ene                  20 21 09 19

 

Met de grootse sterrenhemel

voelen wij een diep verbond

Omdat onze mooie aarde

ooit uit sterrenstof ontstond

 

Onze ziel ooit bij sterren woonde

dichtbij waar de goden troonden

die nu uit zicht verdwenen zijn

Velen leven nu in uiterlijke schijn

 

Ook het Ene is voor ons verdwenen

dat ooit eeuwen heeft geschenen

en voor velen nu verduisterd is

in een diepe poel van droefenis

 

Toch gaat het Ene nooit verloren

Het wordt telkens weer herboren

uit een zee van zuiver licht

dat iedere mensenziel verlicht* 

*Zie Johannes I:9

 

Rembrandt, De steniging van Stephanus (1625), de eerste martelaar.

Later zouden christenen hetzelfde hebben gedaan met Hypathia, zie boven

 

                                      Opkomst van het christendom              2021 09 19,20

 

Het eind van de Romeinse tijd

was bepaald geen fijne tijd

Grote brute roversbenden

die geen genade kenden

stroopten stad en land af

onder zwak Romeins gezag

 

Ze teisterden het hele land

Niemand had ze in de hand

Wat nog restte aan gezag

brokkelde steeds verder af

 

Waar brute kracht verscheen

verdween het rechtssysteem

Velen leefden van de roof

en ze hadden geen geloof

 

Het leven had maar weinig waarde

toen het in geweld ontaardde

 Het waren rauwe harde tijden

Lijden kon men niet vermijden

 

Christenen

 

Menig christen vond de marteldood

Waar een massa mensen van genoot

Toen christendom de staatsreligie werd

werden overal de bakens omgezet

 

In een wereld van beloken goden

richtte men zich weer naar boven

naar de transcendente waarden

als een kader voor de aarde

 

Heidendom werd onaanvaardbaar

Werd bestempeld als onwaar

Vele ketterijen bloeiden welig

Godsdiensttwisten woedden hevig

 

De christelijke dogmatiek

had op alles haar repliek

Heidendom werd opgenomen

Tal van volkse onderstromen

vonden er een onderkomen

 

Filosofen

 

Filosofen kritiseerden vaak elkaar

Maar alleen de eigen leer was waar

Mysticisme en het neoplatonisme

hielden niet van redetwisten

 

De beperking van de rede

was er kenmerk van ons weten

En de liefde tot de wijsheid

gaat voorbij beperktheid

 

Dan openen zich vergezichten*

die het Al voor ons verlichten

De geest ontwaart dan overal

een diepe eenheid van het Al

als hij zich kan toevertrouwen

aan gelukzalig schouwen 

*Zie bijv. het slot van Plato’s dialoog Symposion