Religies sterven nooit echt uit

Civis Mundi Digitaal #114

door Jan de Boer

« Egypte, van je religieuze praktijken zijn alleen nog verhalen over en zij hebben voor je nazaten geen enkele geloofwaardigheid » is een profetie in het Latijnse Asclepius – een manuscript geredigeerd rond de vierde eeuw, toen Egypte door Rome werd gedomineerd – die met grote luciditeit de tragische toekomst van de meeste religies aankondigt. Hoewel zij zich presenteren als hoeders van de eeuwigheid van de werelden, zijn zij zelf evenwel niet eeuwig.

De Franse schrijver, dichter en filosoof Paul Valéry (1871-1945) schreef aan het einde van de Eerste Wereldoorlog: « Wij weten nu dat wij sterfelijk zijn, Wij ervaren dat een beschaving dezelfde fragiliteit heeft als een leven ». Dat is de les van de geschiedenis: zelfs de machtigste imperia – zoals die van de Perzen en de Romeinen – hebben aanvallen of slijtage in de loop der tijd niet weerstaan. En deze constatering kan ook heel goed toegepast worden op religies. In dat opzicht klinkt de herinnering aan verdwenen religies in het vergeetboek van de mensheid als een uitnodiging om vragen te stellen over onze eigen zekerheden. Wie in vroeger tijden zou hebben kunnen voorspellen dat het schitterende Babylon, het juweel van de god Marduk, de « grote hoer » van de Apocalyps van Johannes zou worden? En wie zou in vroeger tijden, toen het paganisme de officiële religie van een triomferend Romeins imperium was, hebben durven gokken dat deze vervolgens verboden zou worden ten gunste van het Christendom? « Iedere gelovige denkt dat zijn religie nooit sterft, voor altijd blijft, en dat het de religies van de anderen zijn die van het toneel verdwijnen, » zegt historica Anne Morelli, die meewerkte aan het boek « Quand une religion se termine… Facteurs politiques et sociaux de la disparition des religions » (EME Editions). Inderdaad, de religie is een levend fenomeen. In dat opzicht kent zij een geboorte, een bloeifase en een einde. Wanneer de neergang zich manifesteert, werken daaraan vaak gemeenschappelijke mechanismen mee.

Daarin speelt de politiek een dominerende rol. Het is meer dan duidelijk dat keizer Constantijn, toen hij in 312 besloot zich tot het Christendom te bekeren, de loop van de geschiedenis drastisch veranderde. Een van de stelregels die de verdwijning van een religie kan verklaren, een ingewikkeld proces met veel kanten, ligt in de installatie van een nieuwe beweging die redelijk snel het religieuze model wordt. De mensen bekeren zich, de gebouwen ook. Zo werd het Pantheon van Rome, vroeger gewijd aan alle heidense goden, een christelijk gebouw. Hoe gewelddadig ook, dit proces vindt niet van de ene op de andere dag plaats. De ondergrondse weerstand kan krachtig zijn en lang duren. Zo bleven in Mesopotamië de religieuze activiteiten in de tempel van Bêl-Marduk tot ver in de tweede eeuw van onze jaartelling in stand. Aan de andere kant van de wereld, in Amerika, vervolgden de priesters van de Azteken tot in de zeventiende eeuw heimelijk hun erediensten, ondanks de pogingen van de conquistadores om de inheemse religies uit te roeien. Ondanks het verval van de tempels en de slechte behandeling van priesters bij de komst van een nieuwe religie, handhaafden volksgeloven en -praktijken zich toch gemakkelijk in alle discretie, of verschenen zij in veranderende vorm in uiterlijkheden van de overwinnende religie. Een dode religie laat altijd, hoe bescheiden ook, een spoor achter.

Het gebeurt ook dat heel de tijd en het gebrek aan vitaliteit eenvoudigweg hun werk doen. Talrijke geloofsgemeenschappen zijn gestorven zonder dat iemand hen bedreigde. Van dichtbij bekeken is dat misschien omdat deze stromingen zich niet hebben weten te ontwikkelen, of omdat ze verstard bleven in rituelen of tradities die in de hen omringende wereld geen weerklank meer vonden, met als gevolg dat ze uiteindelijk spoorloos verdwenen. Dat was bijvoorbeeld het geval met de zeer streng in de leer zijnde Elkasaïten in het Midden-Oosten; deze judeo-christenen uit de eerste eeuwen van onze jaartelling waren zo geobsedeerd door reinheid, door zuiverheid, dat zij alles tot en met de groenten doopten alvorens ze te consumeren.

Alles wat niet evolueert, gaat ten onder, zoals de les van het Darwinisme leert. Toch moeten we niet te gauw de conclusie trekken dat religies, willen ze blijven leven, noodzakelijkerwijs hun tradities aan maatschappelijke ontwikkelingen moeten aanpassen. Integendeel, bewegingen die tegen de draad van de tijd in lijken te gaan, zoals het islamitisch en christelijk fundamentalisme, kennen momenteel een duidelijke opleving. Op een bepaalde manier zijn religies ook een modeverschijnsel. Zo heeft Europa in de negentiende eeuw de mode van het spiritisme gekend, en in het begin van de twintigste eeuw een sterke aantrekkingskracht voor de esoterische leer. Vandaag de dag is er voor het boeddhisme, dat graag in het Westen als een niet-religieuze filosofie wordt gezien, veel enthousiasme. Het is mijns inziens onmogelijk de evolutie van het boeddhisme in het Westen op middellange termijn te voorspellen.

Er bestaan een paar zeldzame voorbeelden van religies die rotsvast of bijna rotsvast bleven en blijven tegenover de sociaal-politieke contexten die zij doorkruisten en doorkruisen. Het joodse geloof, het judaïsme, is daarvan een bijzonder sprekend voorbeeld. Hoewel de joden nooit meer dan een uiterst kleine minderheid van de mondiale bevolking zijn geweest, en hoewel hun oorspronkelijke woongebied vele keren gebukt is gegaan onder het juk van machtige bezetters – waaronder het Romeinse imperium – heeft hun geloof de eeuwen doorstaan en heeft het heel wat religies, die veel steviger in het zadel zaten, zien verdwijnen. Titus verwoestte in het jaar 70 de Tempel van Jeruzalem: de heilige teksten van de joden werden hun heiligdom. Hadrianus verbande het volk van Judea na de opstand van Bar Kokhba in 135: het volk vernieuwde zich in de diaspora. Een zodanig weerstandsvermogen stelt vragen. « Alles droeg eraan bij om de joden als volk binnen de naties als volk te laten verdwijnen », schrijven de Rabbijn Moshe Sebbag en de schrijver Armand Lafferère in een boek waarin zij de redenen van dit opmerkelijk lange bestaan proberen te verklaren (« L’Eternité des juifs », Odile Jacob). Zij wijzen naar drie karakteristieken die bijgedragen zouden hebben aan het overleven van het joodse volk, ondanks het duizendjarige vijandschap dat het ontmoette, met als hoogtepunt de holocaust in de twintigste eeuw. De eerste karakteristiek betreft de groepsidentiteit, die « veel op een familie lijkt. Dit familie-volk heeft altijd een essentieel belang aan de overdracht van zijn tradities toegekend, » laten de auteurs weten. De tweede betreft de politieke en sociale idealen: « Sinds het begin van het bestaan van hun volk hebben de kinderen van Israël hetzelfde doel nagestreefd: terugkeren naar hun grond en daar een maatschappij opbouwen, in harmonie met de geboden en de waarden die de Eeuwige hen onderwees op de berg Sinaï ». En Moshe Sebbag en Armand Lafferère eindigen met hetgeen de joden in staat heeft gesteld om te ontsnappen aan hun ondergang: hun verhouding tot het heilige. « De religieuze teksten van Israël (…) hebben een relatie met het Eeuwige gegrond die het mogelijk maakt met hem een debat zonder einde aan te gaan, ervaring op te doen met het heilige, zelfs midden in de profane wereld, en de universele vrees voor de dood te overwinnen dankzij de aan het overleven van de groep gewijde inspanningen ».

En hoewel er geen universeel recept bestaat dat een religie in staat stelt zich te handhaven, de vitaliteit van hun geestelijkheid is een teken dat niet liegt. Overal waar de predikers dun gezaaid worden, gaat de boodschap verloren en worden de kerken of tempels leger, en daarmee komt een vicieuze cirkel op gang. Dat gaat ook op voor het katholicisme in het geseculariseerde Europa. « Gaat het christendom sterven? » vraagt de historicus Jean Delumeau zich af. Het is moeilijk om daarop een antwoord te geven, alhoewel de ononderbroken toename van personen die in Frankrijk verklaren « zonder religie » te zijn het katholicisme geen stralende toekomst belooft. In 2018 liet 58% van de Fransen weten geen godsdienst te hebben, tegen 27% in 1981 (enquêtes EVS). Maar toch ben ik ervan overtuigd, dat evoluties verrassend kunnen zijn en dat een opleving nooit uitgesloten kan worden. Jean Delumeau is even voorzichtig als ik: « Om eerlijk te zijn », zei hij in 2016: « ben ik beslist geen profeet. Wat de toekomst van de mensheid is, weet ik echt niet. Maar toch ben ik ervan overtuigd dat wij niet naar een maatschappij zonder God gaan, zelfs als je die indruk in het Westen zou kunnen krijgen of hebben. Ik geloof niet in de dood van het christendom en ook niet in de dood van religie in het algemeen ». De socioloog Peter L. Berger constateert dat het goed gaat met religie in zijn essay « Le Réenchantement du monde » (Bayard, 2001): « Het idee dat we in een geseculariseerde wereld leven, is onjuist. De wereld van vandaag is net zo hartstochtelijk religieus als hij altijd geweest is ». Hoewel religies niet eeuwig zijn, lijkt de religie (enkelvoud) op een feniks die uit zijn as herrijst, zij het met andere kenmerken. Volgens de bekende filosoof/socioloog/historicus Raymond Aron (1905-1983) schuilt de reden van deze permanentie in het feit dat « de mens religie nodig heeft, omdat hij het nodig heeft om van iets te houden wat hem te boven gaat. Maatschappijen hebben religie nodig, omdat zij een spirituele macht nodig hebben die de tijdelijke macht heiligt en matigt en de mensen eraan herinnert dat de hiërarchie van mogelijkheden niets voorstelt vergeleken bij de hiërarchie van verdiensten » (Les Etappes de la pensée sociologique, Gallimard 1967).

En waar tal van denkers, met name in de twintigste eeuw, de dood van religie voorspelden, schijnt God nog heel wat mooie dagen voor de boeg te hebben, zoals een bekende stedelijke legende illustreert. Zij verhaalt dat in mei 1968 in Parijs een anonymus op een muur schreef: « God is dood. Getekend: Nietzsche », en dat aan deze opzienbarende verklaring van de Duitse filosoof een komische geest deze corrigerende zin toevoegde: « Nietzsche is dood. Getekend: God.

 

Geschreven in september 2021