Een econoom over pandemieën

Civis Mundi Digitaal #116

door Maarten Rutgers

Bespreking van Peter van Bergeijk, De volgende pandemie. Een deltaplan voor overleving. Walburg Pers, Zutphen, 2021.

 

Peter van Bergeijk, hoogleraar economie aan de Erasmus Universiteit en lithograaf, heeft een boeiend en kritisch boek geschreven met fraaie analyses en standpunten. Wel met een economische bril op, zoals verwacht. Het bevat controversiële gezichtspunten, een ambitieus vergezicht en een nauwkeurig stappenplan. Niet alleen daarom meer dan voldoende stof tot nadenken en discussie. Hij probeert “het kaf van het koren te scheiden: de fictie te bestrijden en de feiten te laten spreken.” Dat betekent wel de discussie starten en weerwoord krijgen. Eerder dit jaar verscheen van zijn hand al Pandemic Economics bij Edgar Elgar Publ. in Cheltenham, Verenigd Koninkrijk. 

Het valt mee

De auteur begint met zijn verwondering over de gang van zaken tijdens de pandemie te benoemen. Een verwondering die hem ertoe brengt, nader te bezien wat er in een pandemie gebeurt. En zoals het een econoom past, zoekt hij cijfermateriaal bij elkaar om de feiten te achterhalen. Hij heeft dan al vastgesteld, “in een oorlog is de waarheid het eerste slachtoffer; ik ben verbaasd dat dat ook zo is bij een pandemie.”

Enkele van zijn constateringen klinken als het intrappen van een open deur, maar bij nader inzien blijkt er meer te vinden dan eerst gedacht werd. Een voorbeeld, een ‘lockdown’ wordt in het begin van de pandemie iets gevonden wat alleen in China kan. In Nederland doen we het anders; wij hebben een ‘intelligente’ lockdown. Wij doen het niet in een keer, maar stapsgewijs. Van Bergeijks constatering: “heel veel kleine, lichte en ‘intelligente’ lockdowndagen, met of zonder avondklok, maken uiteindelijk bij elkaar immers een hele grote.”

Kritisch denken is een ander punt. Om welke reden dan ook zetten we deze faciliteit bij het grof vuil zodra het om een pandemie gaat. “De coronacrisis moet en zal blijkbaar het ergste zijn dat ons is overkomen.” En even verder in het boek: “Ik was verbaasd dat iedereen elkaar napraatte, dat de coronacrisis het ergste was, dat onze generatie was overkomen.” Hierbij wordt volgens hem volledig voorbijgegaan aan de impact van HIV/AIDS, dat veel meer slachtoffers heeft geëist, en over een langere periode. Wellicht speelt hier mee dat de WHO in dit geval nog steeds “‘slechts’ over een internationale epidemie” spreekt.

Hij noemt een drietal lessen die van belang zijn, waaronder de “‘Kritiek van Lucas’”. Dat is, het fenomeen dat bij het hanteren van modellen bedacht moet worden dat deze “de gestolde ervaringen van het verleden bevatten, maar die werkelijkheid van toen bestaat niet meer zodra je maatregelen neemt of loslaat.” Iets wat ons in deze pandemie voortdurend parten speelt. Het RIVM, maar ook anderen ‘spelen’ met modellen, waarbij het niet duidelijk is of ze zich bewust zijn van het genoemde fenomeen. Het ontgaat in ieder geval de doorsnee Nederlander, dat modellen de werkelijkheid niet laten zien. En hoe zit het met beleidsmakers en beslissende politici?

Op grond van het beschikbare economische cijfermateriaal komt Van Bergeijk tot de conclusie dat “deze pandemie historisch en objectief gezien meevalt.” Om even later, nadat hij de coronapandemie in een ‘wat … als’-analyse vergeleken heeft met de Spaanse griep en de vele doden toen, te zeggen: “de coronapandemie is dus (mijn cursivering) een pandemie light.” Hiermee probeert hij ons niet in slaap te sussen, maar duidelijk te maken dat het in de toekomst met een andere epidemie en een steeds ouder wordende bevolking weleens veel catastrofaler zou kunnen verlopen. 

Pandemiologie

Met bovenstaande betwijfelt hij niet de ernst van de pandemie, noch van COVID-19. Het gaat hem om de gevolgen van wat hij een maatschappelijk probleem noemt, niet alleen een medisch probleem. Voor het begrijpen ervan en tot oplossingen komen heb je “de kennis en kunde van heel wat wetenschapsgebieden bij elkaar” nodig. Hij ziet dit als een nieuw vak, pandemiologie. Het voordeel van zijn voorstel is dat er bij het inrichten van dit vakgebied multidisciplinaire kennis ontstaat omtrent pandemieën en vooral over hoe het beleid in het verleden was en tot welk resultaat dit geleid heeft.

Echter het verloop van pandemieën is niet steeds hetzelfde. Van Bergeijk laat dat ook zien aan de hand van de gegevens over de Spaanse griep. Er blijven dus onzekerheden, waarmee de politici het dan te stellen hebben, zoals we nu ook zien gebeuren. Hoe het vakgebied er precies uit zou moeten zien, blijft onduidelijk. Af te leiden valt dat het onderwerp communicatie en communicatieplannen in dit nieuwe vakgebied een plaats zouden moeten krijgen. Van Bergeijk wijst nadrukkelijk op het ontbreken hiervan in de huidige situatie, waarin het belang van openheid vergeten lijkt. Echter de wijze van communicatie “bepaalt of mensen de overheid en het beleid vertrouwen.”

We laten het boek even voor wat het is en kijken naar de loop van de gebeurtenissen tijdens de huidige pandemie. Dan zien we dagelijks op straat en in de krant de nadelige gevolgen van onduidelijkheid in de communicatie, de gebrekkige uitleg en daardoor onnavolgbare besluiten en het effect op de bevolking. Het veroorzaken van chaos en het gebruik van geweld en plunderingen kan niet natuurlijk nooit goed gepraat worden met een beroep op onduidelijke communicatie. Hier is meer en iets anders aan de hand, zoals Pieter Jan Aalbersberg, Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) niet moe wordt al langere tijd en op verschillende plekken uit te leggen. Het gaat volgens hem om een gemêleerde “groep mensen die de overheid wantrouwt, argwaan koestert ten opzichte van de media en de wetenschap en met gevoelens van onrechtvaardigheid, groot onbehagen of een andere werkelijkheidsbeleving.” Hieronder is een kleiner deel met extremistische neigingen en bereidheid tot geweld. Voeg hier nog de gefrustreerde jongeren aan toe, die het gevoel hebben dat alles wat het leven de moeite waard maakt hen wordt afgepakt. Voor hen is een opstootje een mogelijkheid om spanningen te ontladen. Dit tezamen wordt een kruitvat, dat gemakkelijk ontploft.

Terug naar het boek. Van Bergeijk is kritisch over het OMT en de rol van de veiligheidsregio’s. Tijdens de pandemie is gebleken dat de problemen te groot waren voor de veiligheidsregio’s en een nationale aanpak behoefden. Al in een eerder Kamerdebat na de Mexicaanse griep werden kanttekeningen geplaatst bij “de ruimte voor en dominantie van het OMT”. Daarbij kwam ook de onafhankelijkheid van de experts aan de orde. Het ontbreken van multidisciplinariteit is ook zo’n punt. Van Bergeijk wijst op de beperkte samenstelling van het OMT, hetgeen tot groepsdenken kan leiden. Het leidt er dan soms toe dat ”domme oplossingen bedacht worden door verder heel intelligente mensen.” Hier blijft hij vriendelijk, maar later wordt het hard.

“Een frequente redeneerfout van het OMT is, dat het ontbreken van bewijs van een effect geen bewijs is voor het ontbreken van dat effect.” Ook de gemakkelijke stellingname “baat het niet, schaadt het niet” gaat zelden op bij gedrag beïnvloedende maatregelen, waarvan men veronderstelt dat ze niets kosten. Zou pandemiologie hier geholpen hebben? Of toch de samenstelling van het team? Van Bergeijk komt met een anders samengesteld Pandemie Advies Team. 

Het ruineerprobleem

Van Bergeijk is kritisch over de berichtgeving in de media. In krantenberichten kwam al snel tot uitdrukking dat de pandemie voor de grootste economische krimp ooit zou zorgen. Dit hing vooral samen met de lockdown. De eerste voorspellingen omtrent de effecten op de economie waren onheilspellend, terwijl intussen duidelijk is dat het ernstig meevalt. Van Bergeijk geeft aan dat zelfs met de slechte scenario’s de economische schade goed te overzien zou zijn geweest, “zelfs als die groter uit zou pakken dan deze megakrimpvoorspellingen.” Hij legt dit in eenvoudige bewoordingen verder uit in zijn boek. En toch is het uiteindelijk niet mogelijk ons dit nogmaals te permitteren. Eens is de koek op. Een pandemie is een ruïneerprobleem. Eenmalig kun je goed overleven, maar meermaals niet. Het is een standpunt dat ook, gezien de IMF-cijfers terzake, evenzeer internationaal gehuldigd wordt.

Voor Van Bergeijk is het de vraag hoe met de cijfers in de hand, cijfers die iets anders laten zien, toch zulke negatieve uitspraken over de economische ontwikkelingen gedaan kunnen worden, ook door economen. Hij laat zien dat er op grond van de openbaar beschikbare cijfers andere conclusies moeten worden getrokken dan in de berichtgeving naar voren komt. “De coronacrisis is in economisch opzicht vergelijkbaar met de dot.com-crisis en de eurocrisis van 2012”. En toch was de berichtgeving anders.

Van Bergeijk: “Maar nee, het werd ‘De sterkste krimp ooit door het CBS gemeten, ‘inktzwart’ en ‘rampjaar’, en zo werd een toon gezet die het goed doet in de media en Nederland verder in de put hielp - het klopt niet en wetenschappelijk verantwoord was het al helemaal niet.” Ja, er zijn sectoren in de problemen geraakt, maar andere sectoren hebben tot nu toe van de maatregelen weten te profiteren. Het bleek gunstig voor hun activiteiten.

Dit laat geheel onverlet dat er persoonlijke drama’s zijn opgetreden, ondernemers in ernstige problemen zijn gekomen en bedrijven hebben moeten sluiten en failliet gingen. Daarnaast heeft het ondersteuningsbeleid van de overheid bijgedragen aan het overeind houden van bedrijven, ook van die bedrijven die uiteindelijk toch ten onder zullen gaan. Desalniettemin is zijn conclusie: “een lockdown kan in eerste instantie een effectief instrument zijn, maar op den duur overtreffen de kosten van een lockdown de baten.”

“De mythe van de onvoorzienbaarheid”

Van Bergeijk wijdt een hoofdstuk met bovenstaande titel aan het plotselinge optreden van de pandemie en de reactie erop. Veelzeggend is zijn gebruik van het begrip ‘mythe’. Hij laat dan ook duidelijk zien dat de beleidsmakers weliswaar konden weten dat er op enigerlei termijn een pandemie zou kunnen optreden, maar dat zij liever struisvogelpolitiek bedreven. Er zijn immers vroeger ook pandemieën en grote epidemieën geweest, waarbij nadien boeiende analyses zijn verricht en adviezen verstrekt hoe erop voorbereid te zijn. Deze rapporten liggen nog steeds in een la. Ook een inventarisatie van de WHO laat zien dat landen wel wisten dat zij plannen zouden moeten maken of actualiseren, maar gedaan werd er vrijwel nergens iets.

“De slechte voorbereiding is onthutsend”, aldus Van Bergeijk. Ook in ons land is weliswaar van alles opgeschreven, maar veel gebeurde er niet mee. Op enkele plekken in Nederland werden in veiligheidsregio’s rampenoefeningen gedaan en ook nog recent. De conclusies liegen er niet om, maar ook nu weer is met het resultaat niets gedaan. Een voorbeeld: we weten al langer dat de IC-capaciteit ontoereikend is in een epidemie. Veranderd wordt er niets. Het heeft vast te maken met ons geloof in een goed georganiseerde gezondheidszorg en met zelfoverschatting. En als de ramp zich voordoet, lijden we aan rampbijziendheid.

Van Bergeijks conclusie is niet verrassend. We hadden kunnen weten dat er op termijn een uitbraak zou komen. En dat zoiets een aantal keren per eeuw gebeurt. Wat wel een verrassing was hoe er gereageerd werd. Niemand had ooit gedacht aan een lockdown. 

Lockdown

De maatregelen in Wuhan overvielen de gehele wereld. Van Bergeijk wijst erop dat na aanvankelijk afwijzende reacties plotseling binnen korte tijd vrijwel overal een vorm van lockdown tot stand kwam. Hij spreekt hier over het ‘lockdownvirus’, dat “bijzonder aanstekelijk is.” Het is des te opmerkelijker, omdat de epidemie zich in de diverse landen met een ander klimaat in een verschillende fase bevond. Ook de bevolkingssamenstelling, medebepalend voor de ernst van de epidemie, is nogal uiteenlopend is. Hij schrijft dan ook: “Dit is bepaald geen recept voor het gelijktijdig doorvoeren van ingrijpende maatregelen.”

En even verderop in het boek: “Ondanks alle verschillen in klimaat en bevolkingsopbouw doet iedere regering binnen een maand min of meer hetzelfde.” Al met al een aanpak die niet voorzien was en ook niet door gedegen onderbouwing gerechtvaardigd werd. Hoe het dan toch tot stand komt verklaart hij door de plotseling ernst van de situatie, waardoor regeringen menen meteen iets te moeten doen, maar niet zeker zijn welke maatregelen effect zullen sorteren.

Het gemakkelijkste is dan te denken dat anderen die al iets in gang hebben gezet het beter weten dan jij en je dan beter hen kunt volgen, ook omdat de druk in de samenleving oploopt. “Het resultaat is meeloopgedrag.” Hoe dan het middel lockdown wordt ingezet is verschillend in tempo. Een ding is wel helder, je kunt beter direct stevig ingrijpen dan het langzaam opbouwen. Niet verwonderlijk wijst hij als econoom ook nog op studies die op de kosten van een lockdown wijzen, terwijl hij veel literatuur over de ongewenste gevolgen, anders dan economische, nauwelijks noemt.

Begin er dus niet aan zou een conclusie kunnen zijn, maar ook dat de duur van een eventuele lockdown beperkt moet zijn. Soms ontkom je gewoonweg niet aan een lockdown. En versoepelen is ook een duivels dilemma. Te vroeg leidt tot nieuwe problemen, te laat ook? Ook onderzoek levert vooralsnog geen uitsluitsel volgens Van Bergeijk.

De maatregelen waren in de diverse landen verschillend in complexiteit en in de tijd gespreid, ingevoerd op niet-uniforme momenten in de pandemie-ontwikkeling, en laten dus geen eensluidende conclusie toe. Of dat over enkele jaren, wanneer we meer en definitievere dat tot onze beschikking hebben, wel mogelijk is, blijft volgens hem een mogelijkheid. Los van zijn overwegingen zien we dat het intussen overal begint door te dringen dat een ‘zero-covid’-beleid, met of een langdurige vrijwel totale lockdown of een volldige isolatie van een land, zie Australië, Nieuw-Zeeland of Taiwan, onhoudbaar is. We zullen moeten leren leven met het virus.

Ethische vraagstukken

Tot nu toe was het niet erg ingewikkeld om met een economische bril op te analyseren en commentaar te leveren. Het ging immers vooral over kosten en baten op macro- en mesoniveau. Het brengt in ieder geval de discussie goed op gang en laat zien dat er meer is dan we gedacht hadden. Eerste indrukken zijn niet altijd goed. Het adagium is dat goed nadenken nog steeds loont.

Het wordt lastiger wanneer het om ethische vraagstukken gaat. Van Bergeijks betoog blijft consequent economisch, maar doet daarmee geen recht aan de complexe vraagstukken in de (publieke) gezondheidszorg. Hier lopen we tegen het dilemma aan van bevolkings- en individueel niveau, van publieke gezondheidszorg versus individuele gezondheidszorg.

Van Bergeijk brengt hier het trilemmamodel in. In een pandemiedriehoek met op de hoekpunten vrijheid, gezondheid en economie kun je niet op alle drie de punten tegelijk zijn. Altijd bevind je je ergens tussen in. Je moet dus keuzes maken, prioriteiten stellen, waardoor er van het een meer of minder overblijft. Van Bergeijk: “Landen kunnen volgens het trilemma tijdens een pandemie niet tegelijkertijd individuele vrijheid, economische voorspoed en algemene toegankelijkheid van de zorg garanderen.”

Met de nadruk leggen op de publieke gezondheidszorg, het zorgen voor zoveel mogelijk mensen en het in stand houden van een adequate gezondheidszorg verlies je aan de kant van de economie of de individuele vrijheid een en ander. Overal wordt deze keuze anders gemaakt. Daar waar individuele vrijheden het hoogste goed zijn valt het de regering moeilijker maatregelen te nemen die deze inperken en omgekeerd.

De vraag rijst dan ook voor een econoom, of wij het ons wel kunnen veroorloven. Uitgangspunt is immers dat schaarste bepaalt wat er kan en wat niet. In een pandemie speelt dit nadrukkelijk. Denk hier aan IC-bedden, personeel en materiaal, zoals medicijnen, vaccins, beademingsapparaten of mond-neus-maskers.

Van Bergeijk gaat er niet op in, dat het er voor een ethicus eerder om zal gaan aan te geven dat een dergelijke schaarste niet had mogen ontstaan. Ieder mens heeft recht om zorg, ook in een crisis. Slechts bij rampen waar gelijktijdig zeer grote aantallen mensen zorg behoeven, tsunami’s, aardbevingen, vulkaanuitbarstingen etc., kunnen niet anders dan moeilijke keuzes gemaakt worden.

Schaarste betekent dus keuzes maken, waarbij Van Bergeijk aangeeft dat dit “voor een econoom een eenvoudige opgave is.” Hij wijst hier op Jeremy Bentham en zijn werk uit 1776 met zijn maatstaf voor het onderscheid tussen goed en kwaad. Het grootste geluk van het grootste aantal is hier na te streven. Het belang van de meerderheid kan groter zijn dan dat van de minderheid.

Van Bergeijk gebruikt dit om aan te geven langs welke weg een lastige keuze kan worden aangepakt. Hoe dilemma’s tot een oplossing kunnen komen, met als voorbeeld dat jongeren voorgaan op ouderen bij het bepalen wie zorg krijgt. Zij hebben nog meer leven voor zich. Hij gaat hier voorbij aan Benthams eigen commentaar van veel later datum, 1829, dat dit uitgangspunt tot grote problemen kan leiden en niet langer tot voordeel, maar tot nadeel van allen voert [1]

Voorzichtigheid bij het hanteren van Benthams uitgangspunt is zeker op zijn plaats. Voor je het weet leidt dit utilitaristische standpunt tot een doel-heiligt-middelen aanpak. Van Bergeijk gebruikt het om naar het dilemma van schaarste in de gezondheidszorg te kijken, waarbij hij weet dat er vanuit de ethiek ook anders naar gekeken wordt. Hij benoemt dit als “het glibberige pad van de medische ethiek.”

Interessant is dat Van Bergeijk met een soort sociaal-darwinistische oplossingsrichting komt. In een pandemie werkt het niet om naar het individu te kijken. Het voortbestaan van de soort heeft prioriteit. Dit heeft tot gevolg dat “ethiek en filosofie van het (medisch) beleid tijdens een pandemie... gebaseerd zal moeten zijn op de toetssteen van de overleving van de soort.” Een stevige uitspraak.

Dit veronderstelt dat er toetsingscriteria vastgelegd kunnen worden waaraan het (medisch) beleid in individuele gevallen getoetst kan worden. Van Bergeijk gaat hier vrijwel geruisloos aan voorbij. Uit de wetenschap vloeit niet voort dat er objectief vast te stellen criteria zijn om hier keuzes te maken. Wetenschap levert geen normatieve kennis op basis waarvan sturing van de samenleving mogelijk is. Blijft het dan willekeur? Dat gaat te ver. Er zijn objectieve of intersubjectieve, rationele criteria mogelijk [2]. Dit laat onverlet dat ethici behulpzaam kunnen zijn bij het tot stand brengen van ruimere criteria waarmee de arts in individuele gevallen gemakkelijker tot een keuze komt.

Dat in een pandemie lastige vraagstukken op te lossen zijn, zoals hoe om te gaan met weerstand tegen vaccinaties, moge duidelijk zijn. Maar dat neemt niet weg dat hier tot zorgvuldige en niet overhaaste besluitvorming gekomen kan worden, waarbij een eenvoudige economische gedachtegang niet op de voorgrond mag staan. Als geen rekening wordt gehouden met de opvattingen van minderheden en er over hun hoofden besloten wordt wat zij belangrijk moeten vinden en hun rechten worden beperkt, gaan we in de richting van een totalitaire staat. Peter Sloterdijk (1947), bekend Duits filosoof en hoogleraar, is van mening dat hier grondrechten in het geding zijn en de staat over de schreef gaat [3]. Er is over deze ontwikkeling langzamerhand het nodige geschreven tijdens de huidige pandemie. Het voert te ver om hier meer op in te gaan.

Van Bergeijk stelt als oplossingsrichting voor het geschetste probleem voor om een nieuw sociaal contract te sluiten, waarin wij “bepaalde individuele vrijheden opgeven en overdragen aan de maatschappij.” Van dit sociaal contract “moet ook het medische domein onderdeel vormen” [4]. Daarmee is echter niet zomaar het vraagstuk met zijn vele facetten opgelost. Vrijheid is een grondrecht, waarop onze maatschappij gebaseerd is. Met zijn oproep tot een nieuw sociaal contract sluit hij aan bij de filosoof John Rawls en zijn voorgangers. Voor Rawls was het een manier om ieders rechten te borgen en een rechtvaardige samenleving tot stand te brengen. Van Bergeijk stelt zich voor dat een maatschappelijk debat hier een oplossing brengt. Een belangrijk punt hierbij is het begrip vrijheid, waarover we goed te rade kunnen gaan bij John Stuart Mill (1806-1873), Engels filosoof, die in zijn werk On Liberty (1859), wel “één van de heilige teksten van het liberalisme” genoemd, hier uitgebreid op in gaat. Het wordt nog steeds als de basis gezien voor denken over politiek en staat in verhouding tot het individu. Mill is overigens kritisch over de mogelijkheid dat meerderheden met minderheden een goede discussie zullen (kunnen) voeren. Er valt overigens nog wel op te merken dat schaarste bij Rawls een oproep tot samenwerking is en daarmee een ander beeld van het sociaal contract tot stand komt dan het nu bij Van Bergeijk lijkt. Maar als gezegd, Van Bergeijk kiest een economische uitgangspositie en zo kijkt hij ook naar ethische vraagstukken. Hiermee verliest hij een breder gezicht op de problematiek en versmalt hij de discussie op een zeer belangrijk punt. 

Hoe nu verder?

Ook hier heeft Van Bergeijk ideeën. Een pandemie leert ons in ieder geval twee lessen. Wij zullen ons moeten voorbereiden op een volgende epidemie dan wel pandemie. En dat heeft de nodige gevolgen, waarover nog wel het een ander te doen zal zijn. Echter, zonder die discussie en een betere aanpak gaat het de volgende keer weer mis of minstens niet goed genoeg. De tweede les is dat wij het niet alleen af kunnen. Wij moeten in groter verband samen werken om epidemieën het hoofd te bieden. Dit varieert van wereldwijd investeren in het bestrijden van armoede tot de regie tijdens een pandemie uit handen geven aan een supranationale organisatie, zoals bijvoorbeeld de EU of liever nog aan het Europese Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding of zelfs de WHO. Hiermee geeft hij wetenschap een positie en een rol die niet passend zijn, hoewel vele (medische) wetenschappers in een pandemie graag op deze trom slaan. Daarnaast biedt het politici de ruimte om met verwijzing naar de (medische) wetenschap als zou deze slechts feiten produceren en daarmee normen stellen, vergaande besluiten te nemen. Een voor velen zeer onwenselijke situatie, die zich overigens op dit moment voordoet. Deze overweging vinden we niet terug bij Van Bergeijk. 

Tot slot

Van Bergeijk heeft op goed leesbare en heldere wijze de problemen rond de huidige pandemie beschreven vanuit een economisch gezichtspunt. Deze beperking heeft voor- en nadelen, maar maakt het wel duidelijk. Hij wijst er zelf op aan het eind van zijn boek dat “we ons louter bezig hebben gehouden met materiële zaken en dat het verlies aan mensenlevens dus buiten de boeken is gebleven.” Het levert ons desalniettemin wel op dat “de schade van een pandemie mondiale investeringen in grotere hygiëne, minder armoede en betere zorg rechtvaardigen.” Uiteindelijk levert een economische blik, die eenzijdig genoemd mag worden, toch op vele punten een duidelijk mensgericht perspectief, dat ook in de voorafgaande tekst niet geheel ontbrak en steeds weer doorklonk.

Een boek waarin meer staat dan hier in de bespreking aan de orde kwam. Een boek om te lezen, te bespreken en vooral erover na te denken. Wat kunnen wij als individu bijdragen. Om ons en de overheid te helpen eindigt het boek met “het 30-punten deltaplan voor de volgende pandemie” en de oproep “wij moeten het samen doen!” Een boek met vele wetenswaardigheden, interessante adviezen, maar ook met beperkingen. Over het geheel genomen een aanrader!

Noten

  1. John Stuart Mill (Utilitarianism, 1863) en Henry Sidgwick (The Methods of Ethics, 1874) en meer recent Peter Singer en Kartharzyna de Lazari-Radek (The Point of View of the Universe: Henry Sidgwick and Contemporary Ethics (2014) en Utilitarianism: A Very Short Introduction (2017) hebben het utilitarisme genuanceerd, zoals ook Bentham later. Zie het artikel over Sidgwick elders in dit nummer en CM 81 en 83
  2. Volgens Sidgwick, Singer en De Lazari-Radek is een rationele, objectieve ethiek mogelijk “vanuit het gezichtspunt van het universum”, zie boven, dat overeenstemming vertoont met de “onpartijdige toeschouwer” in de Theory of Moral Sentiments van Adam Smith, dat eerder in Civis Mundi uitvoerig is besproken door Herman Hümmels.
  3. In een gesprek met chefjournalist Tomasz Kurianowicz van de Berliner Zeitung gaat Sloterdijk hier kort op in. “In de uitzonderingstoestand trekt de staat de zijden handschoentjes waarmee de burger normalerwijze aangepakt wordt, uit. Dan laat hij de ijzeren vuist onder de zijden handschoen zien. Dit betekent dat de staat zich tot een pure uitvoeringsmacht beperkt. Dat is iets waarvan iedereen die voor democratie, dat wil zeggen voor scheiding der machten en grondrechten opkomt, ongerust moet worden.” (Der Staat zeigt seine eiserne Hand, in Der Staat streift seine Samthandschuhe ab (Suhrkamp, Berlin, 2021))
  4. Dit doet enigszins denken aan de dystopische roman Wij van Jevgeni Zamjatin (zie CM 115),één van de inspiratiebronnen van George Orwell, Nineteeneightyfour, en aan Aldous Huxley, Brave New world, en andere dystopische boeken waarin individuele rechten en die van minderheden worden opgeofferd aan die van het collectief. Dit in tegenspraak met het utilitarisme van de latere Bentham en John Stuart Mill, die in On Liberty een gefundeerd en vlammend pleidooi voor vrijheid en mensenrechten biedt, dat begrensd wordt door zijn beroemde schade-principe. De vrijheid dient te worden begrensd wanneer het anderen schade berokkent. Dit is bijv. wellicht toepasbaar op virusoverdracht van mens op mens tijdens de coronacisis, maar vraagt een zorgvuldige ethische afweging naar alle kanten.