Werk

Civis Mundi Digitaal #116

door Herman Hümmels

Bespreking van James Kennedy, Aan het werk. Amsterdam, Prometheus, september 2021.

 

Dit essay is uitgegeven ter gelegenheid van de Maand van de Geschiedenis 2021.
James Kennedy is hoogleraar moderne Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Het essay beschrijft het arbeidsethos in Nederland vanaf 1945 en de manier waarover de Nederlanders hierover zelf denken en dachten. Het beschrijft vier periodes in zes hoofdstukken. Kennedy beschrijft hoe hij als Amerikaan tegen het Nederlandse arbeidsethos aankijkt.

Arbeidsmoraal
‘Ik moest leren samenwerken met mensen die niet fulltime, maar alleen bepaalde dagdelen werkten – vaak omdat ze dat zelf prettig vonden. Ook waren ze meestal niet bereikbaar na 17 uur of in het weekend. En ze hielden hun vakantie- en verlofdagen nauwkeurig bij. Toen begreep ik waarom Nederlanders de minste uren werken van alle Europeanen” (p 9). Amerikanen werken ongeveer 1800 uur per jaar, Nederlanders 1400.

Aan het werk (1945-1960)
De bezetting had de natuurlijke werklust van de Nederlanders verstoort. “Luiheid… lediggang… en lusteloosheid, waren de giftige vruchten van de oorlog, klaagde De Maasbode in juli 1945” (p 16). Vooral jongeren hadden het morele kompas verloren. De meeste mensen hadden echter de oproep om hard te werken niet nodig. “De plicht om hard te werken was de Nederlanders wellicht al decennia, zo niet eeuwen, ingepeperd” (p 16). Hard werken was nodig om de dure oorlog tegen de Indonesische onafhankelijkheid te bekostigen. De Stichting van de Arbeid, waarin werkgevers, werknemers en de overheid verenigden zich en spraken volledige werkgelegenheid af: de geleide loonpolitiek, die tot het begin van de jaren zestig zou duren.

Arbeid werd vooral gezien als het dienen van anderen en niet als bron van inkomsten of zelfontplooiing. Werken uit plichtsbesef maakte de weg vrij voor wettelijke regelingen op het gebied van de sociale zekerheid. De oproep om hard te werken verflauwde echter. Vanaf 1960 gebruikten de West-Europeanen hun toegenomen productiviteit voor meer vakantiedagen, de Amerikanen prefereerden hogere inkomsten.

Calvinistische erfenis (1969-1975)
1962. Twentse jongeren sloegen uit verveling in op buitenlandse arbeiders. “Te veel arbeid moge ongezond zijn, te weinig arbeid is dat evenzeer.” Een handjevol visionairs wilde arbeid afschaffen. Bestaanszekerheid werd gewaarborgd door een gulle verzorgingsstaat. De strijd om het bestaan zou volgens sommigen voorbij zijn door technologie en industrie. De kerkgang nam een steeds kleiner deel van de vrije tijd in. “Toch bleef arbeid en niet vrije tijd centraal staan” (p 25).  De grote zonde van de Provo’s (1967) was niet dat ze de kapper meden of zich tegen het gezag keerden, maar dat ze ‘waardeloze mensen, lui, nietsnutten, slampampers en lijntrekkers’ waren: langharig werkschuw tuig.
In een studie uit 1970 bleken werknemers met een traditioneel arbeidsethos hun vreugde vooral buiten het werk te vinden. Welzijn, zelfontplooiing, vrijheid en autonomie kwamen centraal te staan, binnen en buiten de werkomgeving, en democratisering van de werkvloer, mede veroorzaakt door de krappe arbeidsmarkt. Nederlanders lieten veel werk liggen, arbeidskrachten werden uit het buitenland aangetrokken.
“Maar toch bleef er, denk ik, iets kleven: hun ‘calvinistische’ arbeidsethos – een term die frappant genoeg pas vanaf de jaren zestig door Nederlanders gebruikt wordt om zichzelf te beschrijven” (p 30). Uit een recente studie blijkt nu, dat Europese protestanten en katholieken minder waarde aan werk hechten dan oosters-orthodoxe of islamitische gelovigen. Kennedy zelf denkt dat de religie, samen met economische motieven, geleid heeft tot “een bijzonder arbeidsethos”. (p 31) Een bezinning op de waarde van werk kwam wel vaak uit de protestantse hoek, maar werd vaak door de meeste Nederlanders, waaronder de katholieken, gedeeld. De term ‘calvinistisch’ werd gebruikt om af te rekenen met waarden als zelfdiscipline en moralisme (oude burgerlijke waarden). Motivatie voor werk moest ‘van binnenuit’ komen.

Zonder werken mens worden (1975-1990)
Voor het eerst werd een voorstel voor een basisinkomen uitgewerkt. Het aantal mensen in de WAO steeg sterk. Door economische tegenslag nam de werkloosheid toe. Automatisering maakte een einde aan oude banen. In het Akkoord van Wassenaar (1982) werden afspraken gemaakt over loonmatiging en arbeidstijdverkortingen. De Nederlandse Bond Tegen Arbeidsethos stelde dat veel banen ‘mensonwaardig’ waren. Het blad ‘De luie donder’ trok veel aandacht. Hans Achterhuis schreef: Arbeid, een eigenaardig medicijn.

Vanaf medio jaren tachtig verslapte de belangstelling voor een radicaal andere samenleving. Het niet-kunnen-werken versterkte het traditionele arbeidsethos. De emancipatiebeweging bevocht meer betaald werk en gelijk loon voor vrouwen.

Terugkeer van de hardwerkende Nederlander (1990-2020)
Ruud Lubbers beweerde dat Nederland ziek was. Het aantal arbeidsongeschikten moest minder worden. De ontspoorde verzorgingsstaat moest weer terug in de rails. Activering in de richting van betaald werk werd bevorderd. Werk is geen recht, werken is een plicht. Flexibilisering van de arbeidsmarkt. Tijdelijke contracten. Het verschijnsel zzp’er kwam op. Achter het mooie plaatje van Nederlanders die zichzelf zagen als opgewekte mensen, die graag wilden werken en hun verantwoordelijkheid namen, school een onderstroming: er waren mensen die volgens de beleidsmakers de juiste motivatie misten.

De beleidsmakers gingen uit van ‘de calculerende burger’, die alleen iets deed als hij daartoe uitgedaagd werd. Het uitkeringsniveau van de WAO werd verlaagd en de (her)keuringen werden strenger. De Algemene Bijstandswet (1965) werd vervangen door de Wet Werk en Bijstand en in 2015 door de Participatiewet. Ondanks alle hervormingen bleef het aantal mensen dat niet in staat was om te werken, hoog en steeg het aantal mensen dat afhaakte vanwege psychische aandoeningen, moeizame sociale omstandigheden, gebrek aan sociaal netwerk, behaalde diploma’s of aanwezigheid van intensieve begeleiding.

Mark Rutte vond dat het land weer teruggeven moest worden aan de hard werkende Nederlander door te snijden in de voorzieningen. Een Kamerlid van de PVV vond ‘dat hardwerkende Nederlanders belasting betalen voor de uitkeringen van gezonde jongeren die gewoon niet willen werken’. Voor een grote groep Nederlanders is werk niet het belangrijkste in hun leven. Ze willen reizen, ‘een papadag’, drie weken weg in de vakantie en overwerk moet betaald worden.

Kantelpunt in het arbeidsethos?
“Uiteindelijk ben ik tot de conclusie gekomen dat Nederlanders een beter arbeidsethos hebben dan Amerikanen, omdat het evenwicht kent” (p 50). Er zijn volgens Kennedy drie punten waarin Nederland teveel op Amerika lijkt en die verbeterd kunnen worden:

  1. Niet iedereen deelt de lusten van een mooie werk-privébalans.
  2. De druk om te presteren is te groot. De waarde als mens hangt niet af van werk, status en verdiensten.
  3. Het is de vraag of het in de toekomst wel moet gaan om de groei van de economie en een steeds welvarender burgerij.

Hoewel de Nederlanders minder gingen werken, kwam het niet tot een breuk met het oude arbeidsethos. “Zo lijkt 2021 misschien een heel klein beetje op 1945: we beginnen opnieuw met het land op te bouwen na een periode van crisis en desoriëntatie. En net als in 1945 zal het moeten gaan over het bieden van een rechtvaardige samenleving aan allen…” (p 56).

Conclusie
In kort bestek geeft Kennedy een overzicht van de naoorlogse periode, voor zover het gaat om onze opvattingen over het goede leven en hoe we aankeken tegen werken-in-loondienst. Hij vraagt zich af of het aanjagen en het bejubelen van onze eigen werkprestaties deel moet zijn van ons toekomstperspectief. In zijn slotwoorden geeft hij de indruk dat we de periode van crisis en desoriëntatie achter de rug hebben. Ik denk dat hij hierin te optimistisch is, denk aan de verwarring op het gebied van de economie, corona, politiek…