Kant: Grondslagen en grenzen van de rede

Civis Mundi Digitaal #116

door Mathieu Wagemans

Bespreking van Andreas Kinneging, Paul de Hert en Maarten Colette (red.), Vijftien filosofen over de grondslagen en grenzen van de rede. Uitgeverij Damon, 2021.

 

Een recensie van een boek dat bestaat uit een aantal essays, nodigt uit om afzonderlijk op ieder essay in te gaan. Dan wordt het een opsomming. Die weg is niet gekozen. In plaats daarvan selecteer ik enkele vraagstukken, die mij aan het denken hebben gezet en mijn inzicht in het denken van Kant hebben vergroot. Die selectie is dus persoonlijk gekleurd door vragen die mij bezighouden.

Kant en de Verlichting

Een eerste punt betreft de relatie van Kant met de Verlichting. In de openingsbijdrage van Kinneging wordt die relatie scherp neergezet en wordt het beeld doorbroken dat Kant en de Verlichting nauw gerelateerd zijn. Kinneging begint zijn betoog met de stelling dat het een misvatting is, de Verlichting te beschouwen als een keuze voor rationaliteit. Die keuze zou dan een omslag betekenen ten opzichte van de voorafgaande periode die dan zou moeten worden beschouwd als irrationeel. De betekenis van de rede, zo stelt Kinneging, werd niet pas in de Verlichting onderkend maar stond al bij veel vroegere denkers centraal.

Eerder moet de Verlichting worden gerelateerd aan de enorme vlucht die de natuurwetenschappen doormaakten. Die maakten de opvatting mogelijk dat de werkelijkheid kenbaar was en, in het verlengde daarvan, manipuleerbaar. Kant problematiseerde die opvatting door de “copernicaanse wending” dat de werkelijkheid “an sich” niet kenbaar is voor de mens. We kunnen er niet toe doordringen, noch via onze zintuigen, noch via de rede. Die onbereikbaarheid van de werkelijkheid “an sich” heeft tot gevolg dat de mens centraal komt te staan: de mens in zijn pogen tot de werkelijkheid door te dringen, waarbij iedere poging tot verwerven van kennis en inzicht wordt bepaald door de mens zelf. Iedere poging wordt beïnvloed en beheerst door de categorieën van het verstand. rede.      

Causaliteitsdenken

Daarnaast kan een relatie op ethisch terrein worden gelegd tussen Kant en de Verlichting. In de Verlichting overheerst het causaliteitsdenken. De dynamiek in de werkelijkheid kan worden ontleed in oorzaak-gevolg-relaties. Dat betreft ook het menselijk gedrag. Dat gedrag kan oorzakelijk worden gekoppeld aan de verlangens en begeerten van de mens. Kant bekritiseert die benadering. De mens is geen automatisme, is niet voorbestemd maar kan reflecteren over zijn eigen denken en handelen en er zich een oordeel over vormen. Daarmee introduceert hij de ethiek. Naast neigingen en verlangens heeft de mens opvattingen over hoe te handelen vanuit een plichtsbesef. Die zijn van een hogere orde dan de menselijke begeerten. Daarmee benadrukt Kant de menselijke wil. Gedrag is niet noodzakelijk als gevolg van gegeven causale afhankelijkheden maar het gevolg van een eigen positiebepaling op ethisch terrein. Het is beeld van de mens die ruimte nodig heeft voor zijn eigen ontwikkeling, voor zijn menszijn.

In de “Staat van de Rede, Kant en het constitutionele denken” gaat Niels van Dijk in op de relatie tussen de staat en het denken van Kant. Die relatie wordt diepgaand gelegd doordat eerst de vraag aan de orde komt, wat het fundament is van het denken zelf. Op basis daarvan richt de blik zich vervolgens op het denken binnen staten. Aansluitend wordt de aandacht verlegd naar vragen rond de ruimte voor het denken in statelijk verband. Het gaat dan om begrippen als openheid en daaraan gekoppeld de vrijheid van drukpers. Dat waren binnen het toenmalige Pruisen actuele vragen. Voor Kant was openheid een “mogelijkheidsvoorwaarde” voor de ontwikkeling van de mens. Die kwam na het tolerante beleid van Frederik de Grote onder het bewind van Frederik Willem II onder druk te staan.

Verstand, Vernunft en Urteilskraft

Kant problematiseert het denken zelf. Voordat we denkend acteren, is er inzicht nodig in het eigene van  het denken zelf. Kunnen we de wetten van het denken identificeren c.q. construeren? Voordat we denken over wetten moeten we de wetten van het denken zelf aandacht geven. Kant onderscheidt daarbij drie krachten, Verstand, Vernunft en de Urteilskraft. Die machten hebben ieder een eigen regelsysteem en zijn onderling gescheiden. Ze kunnen elkaar dus niet verdringen maar zijn complementair.

Al lezend en denkend borrelt de vraag op hoe we deze concepten kunnen toepassen op het actuele debat over het coronabeleid. De spanning tussen enerzijds het onder controle krijgen van het virus en anderzijds te vermijden van totalitarisme dat de mens ondergeschikt maakt aan het doel. En zeker ook de vraag naar wat een samenleving verbindt en de concessies die dat vraagt op het vlak van individualiteit. Hoe zou Kant dergelijke vragen hebben gethematiseerd? Zie bijvoorbeeld de opvatting van Kant met betrekking tot het sociaal contract dat veel dieper graaft dan een weloverwogen afspraak met betrekking tot een concrete casus. Het contract is niet gebaseerd op een gegeven toestemming die kan worden heroverwogen, maar is in de visie van Kant een uitdrukking van de gezamenlijke wil. Die ligt ten grondslag aan de positiebepaling in concrete omstandigheden. Dat roept dan de vraag op of we die gezamenlijke wil nog kunnen identificeren in het coronadebat. Of ontbreekt die?   

Moraliteit

We moeten de staat als begrip dus dieper funderen dan op het niveau van het praktisch handelen. Moraliteit is het fundament van recht en politiek. Kant neemt afstand van de “politieke moralist” die morele overwegingen vervormt tot argumenten en ondergeschikt maakt aan het bereiken van politieke doelen. Moraliteit wordt dan een instrument in de politieke praktijk. Vragen van morele aard worden enkel beredenerend benaderd waardoor we niet tot het wezen ervan doordringen. Vragen rond integriteit, thans actueel, worden definiërend beantwoord en in gedragsregels vastgelegd. Wanneer niet ondubbelzinnig kan worden aangetoond dat regels zijn overtreden, krijgt iemand het predicaat “integer”. De uitkomst van processen van redeneren en operationaliseren kan zo op gespannen voet staan met integriteit als beginsel.        

Respecteren van regels betekent overigens allerminst dat van burgers een houding van  volgzaamheid mag worden verwacht, omdat men nu eenmaal staatsburger is. Wanneer bestuurder of wetgever de natuurlijke rechten van de burger niet respecteren, is, ook in de opvatting van Kant, verzet nodig en gerechtvaardigd. Wetten en regels zijn niet “per definitie” rechtvaardig, ook al zijn ze volgens geldende procedures tot stand gekomen. Die positie werpt een interessant licht op de huidige praktijken van wetgeving en bestuur.

De visie van Kant houdt een waarschuwing in. We moeten ons ervan bewust zijn dat onze systemen, hoe doordacht ook, zichzelf niet kunnen rechtvaardigen. Die rechtvaardiging kan enkel via de moraliteit worden bereikt. Daarmee is nauw verbonden het pleidooi van Kant voor vrijheid van meningsuiting. Vrijheid van spreken als mogelijkheidsvoorwaarde voor een rechtvaardig opererende overheid. Op wetenschappelijk terrein houdt dat in, dat de filosofie belangrijk is en ruimte dient te krijgen om bijvoorbeeld het waarheidsgehalte van wetenschappelijk verworven kennis kritisch te bevragen.  

Metafysica

Ook in het essay van Arthur Kok over de metafysica van de vrijheid komt aan bod, hoe in de opvatting van Kant de “werkelijkheid zoals die is” voor ons niet kan worden gekend. Zowel onze zintuigen als de categorieën van het verstand schieten te kort. Onze zintuigen ontbreekt het aan eenheid. Wat we horen, voelen, zien en ruiken kunnen we niet integreren, waardoor we de werkelijkheid niet allesomvattend kunnen beleven. De categorieën van het verstand laten ons in de steek om door te dringen tot het wezen van de werkelijkheid, doordat het ontbreekt aan scheppend vermogen. Door die positiebepalingen kunnen we ons slechts voorstellingen maken van de werkelijkheid, maar die vallen niet met de werkelijkheid zelf samen. Dat is de basis voor de opvatting dat Kant wel wordt beschouwd als een vroege voorganger van het constructivisme. We zullen ons tevreden moeten stellen met afbeeldingen van de werkelijkheid die we zelf construeren. Maar omdat we de werkelijkheid zelf niet kunnen benaderen, kunnen we ook niet weten in welke mate een afbeelding de werkelijkheid benadert. We kunnen het verschil moeilijk in kaart brengen, noch beredeneren, wanneer er geen aambeeld is waar we aan kunnen toetsen. .

Jozef Waanders legt de relatie tussen het denken van Kant en de existentiële fenomenologie. Ook die beschouwing begint met de benadering dat de werkelijkheid zich vormt naar de categorieën van het verstand. Dat uitgangspunt houdt bijgevolg in dat van zuivere objectiviteit geen sprake kan zijn. De mens bepaalt het beeld dat we ons van de werkelijkheid vormen. Het subject komt centraal te staan en is bepalend voor ons perspectief op de werkelijkheid. Die werkelijkheid heeft zich dus te voegen naar het subject. Dat sluit logisch aan bij het existentialisme van Sartre en Kierkegaard en wordt verder uitgewerkt en gedemonstreerd door het te relateren aan de filosofie van respectievelijk Husserl, Heidegger en Jaspers.

Naast belangrijke punten van overeenstemming is er sprake van verschillen. Husserl toont zich kritisch over de categorieën van het verstand bij Kant. Die zouden de waarneming van het wezen van de werkelijkheid al bij voorbaat kleuren en dus niet in overeenstemming zijn met een vrije “Wesensschau”. Bij Heidegger verhoudt het wezen van het “Sein” zich niet goed tot de benadering van Kant. Hij maakt het onderscheid tussen het ontologische van het “Dasein” en het ontologische van het (denken over het) existeren zelf. In het denken van Jaspers neemt de existentiële ervaring een belangrijke plaats in, wat kan worden opgevat als een verbreding van de benadering bij Kant, waarin de formele begrippen van de verstandscategorieën centraal staan.     

Wilsvrijheid

In het essay van Rob Wiche over wilsvrijheid in de rechtszaal komt de vraag aan bod wat de basis is voor het straffen van mensen voor overtreding van regels. Kant gaat uit van het causaliteitsbeginsel. Alle gedrag heeft een oorzaak. Dat roept de vraag op of ons gedrag niet is voorbestemd. Was onze handeling, hoe afkeurenswaardig ook, niet reeds voorbestemd? En daaraan gekoppeld de vraag op of er wel sprake is van een vrije wil. En als de vrije wil zou ontbreken, hoe kunnen we dan iemand verantwoordelijk houden voor zijn gedrag? Kant legt de relatie tussen beide door zijn concept van morele verantwoordelijkheid. De rede kan iemand doen besluiten een strafbare handeling achterwege te laten. In de natuur kan er sprake zijn van een alles verdringende causaliteit, voor de mens geldt dat niet. De rede stelt hem in staat zich niet te laten leiden door zintuiglijke driften. Vergelijk het begrip toerekeningsvatbaarheid in onze rechtspraktijk waarbij wordt erkend dat het vermogen van de menselijke rede iemand in de steek kan laten.

Voor wie verder wil doordringen in de filosofie van Kant bevat het boek leerzame en diepgravende beschouwingen, die voortdurend uitnodigen om de relatie te leggen met de werkelijkheid van het hier en nu.  Het is een boek dat het denken van Kant vanuit uiteenlopende perspectieven beschouwt. De essays bevatten verhelderende beschrijvingen van de filosofie van Kant en nodigen tot eigen gedachtevorming en positiebepaling. Ze dragen bij aan een persoonlijke receptie  van zijn denken.