Religie en technologie

Civis Mundi Digitaal #116

door Mathieu Wagemans

Bespreking van Michiel van Well, Religie in een technologische cultuur. Dissertatie Universiteit Maastricht, 2021

In oktober jl. promoveerde Michiel van Well in Maastricht op een proefschrift over de relatie tussen religie en technologie, een relatie die zo op het eerste gezicht niet zo erg voor de hand ligt. We hebben de neiging religie en technologie als gescheiden en tegengestelde domeinen te beschouwen. De pretentie op zoek te gaan naar de onderlinge relatie kan dan worden opgevat als een uitdaging. Maar ook als een uitdaging die relevantie heeft. Zo heeft bijvoorbeeld de Franse filosoof Michel Serres erop gewezen, dat er in de huidige wereld sprake is van afzonderlijke en verzelfstandigde systemen, die nauwelijks relaties met elkaar hebben. Ze staan op zichzelf. We zijn splitsend georganiseerd.  Serres pleit voor het aangaan van verbindingen, bijvoorbeeld door de betekenis van kunst en cultuur te verbinden met bijvoorbeeld wetenschap of economie. Die noodzaak wordt inmiddels breder onderschreven.

Het sacrale in de technologische cultuur Dat maakt nieuwsgierig naar de vraag hoe tot verbindingen kan worden gekomen tussen systemen die inhoudelijk totaal verschillend zijn. De hoofdrichting van denken in de studie van Van Well is dat de basis van de technologische cultuur sacrale elementen kent. Dat lijkt op het eerste gezicht merkwaardig en vraagt verheldering. Een verwijzing bijvoorbeeld naar de sociologie van Weber, die in het calvinisme het arbeidsethos en de opgave van de mens zijn talenten te benutten als grondslag ziet voor een steeds hogere productiviteit en een op rationele basis gebaseerde wijze van organiseren (Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus). De mens die geroepen is tot inzet van zijn talenten. Hard werken en leven zonder franje zijn gunstige condities voor een permanent streven naar een hogere productiviteit.

Wat vervolgens tot bron van vervreemding kan worden door de anomimisering in relaties, die nu eenmaal met standaardisatie en schaalvergroting gepaard gaat.

Dergelijke beschouwingen vragen om verbreding van het technologisch denkkader. Dat omvat dan niet enkel technologische elementen maar de technologische ontwikkeling “is verweven met sociale en culturele ontwikkelingen”. Aan strikt rationeel-technologisch denken blijken wel degelijk waarden ten grondslag te liggen, ook al blijven die impliciet en wordt de waarneming overheerst door technologische manifestaties. Wie bereid is in zijn denken nieuwe wegen in te slaan, vindt in het boek fraaie doorzichten die ter discussie stellen wat we geneigd zijn voor vanzelfsprekend te houden.

Het PAZIO

De empirische basis vormt de totstandkoming en het functioneren van een nieuw gezondheidsportaal, het PAZIO (Patiëntgeoriënteerde Zorg Informatie Omgeving). Het PAZIO heeft als ambitie volledige, actuele en betrouwbare informatie beschikbaar te maken voor de patiënt. Dat is nodig, nu patiënten steeds mondiger worden en zelf op zoek gaan naar informatie over aandoeningen. Methodologisch is de studie gebaseerd op het constructivisme en methodisch op participerende observatie.  

Als benadering is gekozen voor wat door Bijker is gepresenteerd als de Social Construction of Technology (SCOT). Het feit dat een technologie werkt, wordt niet verklaard door de technologie zelf, maar er is een breder en dieper verklaringskader nodig, waarin ook niet-technologische factoren aan bod kunnen komen. “Technologie kent geen eigen intrinsieke logica, we kunnen haar niet begrijpen door alleen technische factoren”. In plaats daarvan is een kader nodig waarin ruimte is voor onderlinge beïnvloeding van zowel technische als sociale factoren. Daarbij is het onderscheid belangrijk tussen groepen, die elk een eigen betekeniskader kunnen hebben dat hen onderscheidt van andere groepen. De uniformiteit van een groep berust op gezamenlijk gedeelde betekenissen.

Het technologisch frame

Om tot inzicht te komen in het functioneren van groepen, is kennis nodig van hoe processen van betekenisgeving in een groep verlopen. Wat houdt een geldend betekeniskader overeind, zodat dit bron van stabilisatie kan worden en blijven in een groep? Wat zijn de krachten die gevestigde betekenissen stabiliseren, respectievelijk tot destabilisatie c.q. flexibiliteit leiden? Van Well maakt daarbij gebruik van het begrip “technologisch frame”. Dat frame “bevat alle onderdelen die voor een relevante sociale groep een rol spelen in het ontwikkelen van een interpretatie ….”.     Dat houdt volgens van Well in, dat daarbij ook onderliggende waarden en daarvan afgeleide begrippen aan bod kunnen komen. Een technologisch frame betekent dus allerminst een beperking tot factoren en concepten van louter technologische aard. 

Wat begrippen betreft verwijst van Well naar het onderscheid dat de socioloog Emile Durkheim maakt tussen het sacrale en het profane. Het sacrale staat dan tegenover alles wat van nut, is, het wereldlijke, het alledaagse. Het sacrale heeft volgens Durkheim betrekking op geloof, rituelen en het gemeenschappelijke. De verbondenheid tussen het profane en het sacrale komt tot uitdrukking in de ervaring dat het sacrale zich kan hechten aan objecten in de profane omgeving. Dergelijke objecten uit de profane wereld (heilige boeken, totempalen) krijgen sacrale betekenis, worden sacraal betekend. Tegelijkertijd, zo zou men kunnen stellen, kunnen alledaagse handelingspatronen worden opgevat als uitdrukking van onderliggende sacrale posities. Rituelen als treffend voorbeeld.

Stabiliteit en verbinding

De studie demonstreert de invloed van het sacrale op processen op het vlak van gemeenschappelijkheid. Fasen van stabiliteit waarin sprake is van constructie en bevestiging van het gemeenschappelijke worden afgewisseld door fasen van ontbinding waarin het sacrale werking verliest.

De studie laat zien dat technologie betekenis heeft, die veel verder gaat dan het instrumentele. Om zicht te krijgen op die betekenis van technologie, is nodig aandacht te geven aan de context. Onderliggende waardenpatronen en daaraan te grondslag liggende vooronderstellingen scheppen de condities en de ruimte om technologie werking te laten hebben. Het rationele denken en handelen kan op irrationele aannames zij gebaseerd. Het profane kan een sacrale basis hebben.

De constructivistische benadering maakt het mogelijk, zicht te krijgen op dat sacrale. Het handelen is daarbij niet de juiste opstap om daartoe door te dringen. Het gaan erom de onderliggende betekenis te leren kennen. Dat is niet eenvoudig, zeker niet in een instrumentele context waarin we geneigd zijn snel oorzaak-gevolg-relaties te identificeren. Handelen is de uitdrukking van betekenisgeving, maar betekenisgeving als zodanig is niet waarneembaar. We zijn ook doorgaans niet geneigd om onze routines te ondervragen. Wat vanzelf spreekt hoeft immers niet te worden onderzocht.

Weber

Maar juist die vanzelfsprekendheden kunnen worden opgevat als opstap om de onderliggende waarden op het spoor te komen. Dan kan blijken dat wat we rationeel noemen, een irrationele basis kan hebben en dat het profane sacrale elementen kent. Zoals we, Weber volgend, in een moderne omgeving voorrang geven aan het doelrationele denken en handelen waardoor andere denkkaders opzij worden gedrukt. Ze vallen buiten ons gezichtsveld en we realiseren ons dan niet dat doelrationaliteit een waardenbasis kent.

Daarmee is in mijn ogen ook de betekenis gegeven van deze studie. De uitnodiging, zo niet noodzaak,  tot reflectie over technologie. Vanuit het perspectief dat technologie niet slechts materie is maar ook uitdrukking van onderliggende waarden.