John Stuart Mill Over Vrijheid

Civis Mundi Digitaal #117

door Piet Ransijn

De hier gebruikte editie

 John Stuart Mill (1806-1873) wordt beschouwd als de meest veelzijdige en invloedrijke Britse filosoof en politieke econoom van de 19e eeuw. Zijn vader, de historicus, econoompoliticus en filosoof James Mill, was een adept van het utilitarisme van Jeremy Bentham. Hij nam zelf het onderwijs van zijn begaafde zoon ter hand met strikte discipline, die het levensgeluk van de jonge Mill niet ten goede kwam, hoewel het utilitarisme is gericht op het bevorderen van maximum geluk en Mill werd opgeleid als exponent en proponent ervan. Mill werd als non-conformist niet toegelaten tot een universitaire opleiding. Hij was niet christelijk genoeg en onderschreef de christelijk leringen niet.

 

De feministe Harriet Taylor-Hardy (1807-58), muze van Mill, later zijn vrouw, onbekende schilder

Opmerkelijk was ook zijn 21 jaar lange intieme vriendschap met Harriet Taylor-Hardy, voor hij in 1851 trouwde na het overlijden van haar man John Taylor. Het huwelijk bleef kinderloos gezien haar leeftijd. Zij overleed in 1858, een jaar voor Mill samen met haar On Liberty schreef, dat aan haar is opgedragen. Zijn stiefdochter Helen Taylor trok bij hem in en zorgde voor hem.

Naast zijn vele publicaties werkte Mill evenals zijn vader als administrateur voor de East India Company van 1823-1858. Na zijn pensioen ging hij in Frankrijk wonen, bij Avignon. Voordien was hij was ook enige tijd parlementslid, een radicale liberaal. Cor Hermans schreef een boeiende biografie over Mill, Een Engelsman in Frankrijk, een geschiedenis van John Stuart Mill (2008). Mills schreef vele artikelen voor diverse kranten en tijdschriften over allerlei actuele onderwerpen. Zijn belangrijkste werken zijn echter de volgende boeken.

A System of Logic, 1843, The Principles of Political Economy: with some of their applications to social philosophy, 1848; On Liberty, 1859; Thoughts on Parliamentary Reform, 1859, Considerations on Representative Government, 1861;Utilitarianism, 1863;Auguste Comte and Positivism, 1865; England and Ireland, 1868; The Subjection of Women, 1869; On Nature, 1874; Autobiography, 1873; Three Essays on Religion, 1874.

Mill met zijn feministische stiefdochter Helen Taylor

Vrijheid, geluk en andere waarden

In de inleiding tot On Liberty and Other Essays van Mill (Oxford Univ Press, pxiii) vergelijkt John Gray Mills idee van geluk met dat van Brave New World: een wereld van verschil. Bij Mill gaat het meer om ‘hoger geluk’, ‘zelfverwerkelijking’ en ‘innerlijk leven’ dan om ‘lichamelijke lusten’ en plezierige gevoelens. Vrijheid en het kunnen maken van autonome keuzen is daarbij essentieel, zoals reeds naar voren kwam bij Sidgwick (Deel 4, CM 116). Wat een mens gelukkig maakt kan variëren per persoon. Geluk is geen ‘eenheidsworst’, die voor iedereen ongeveer hetzelfde is. Ook daarom is persoonlijke vrijheid en het maken van persoonlijke keuzen essentieel. Iedere persoon heeft een eigen aard met eigen voorkeuren en talenten. Het past bij de “ethiek van zelfrealisatie”. Vrije eigen keuzen dienen dus beschermd te worden, met name tegen staatsbemoeienis.

Het schadeprincipe

Zoals gezegd ligt de grens bij het schadeprincipe, dat de vrijheid van anderen beschermt. Wanneer er sprake van schade is, is niet altijd even gemakkelijk vast te leggen. Dat zien we nu ook met de coronamaatregelen, die bedoeld zijn ter bescherming van de gezondheid maar nadelig zijn voor de economie en de vrijheid. Zie het in het vorige artikel genoemde trilemma. “In hoeverre mag vrijheid worden beperkt ten gunste van de preventie van hoeveel schade,” is de kwestie. “De kosten van beperkingen kunnen groter zijn dan de voorkomen schade” (pxix). Dit betreft de proportionaliteit van de maatregelen. Het valt niet te meten met een utilitaire of economische calculus van kosten en baten, zoals Bentham ooit voorstelde en waar Van Bergeijk ook toe neigt. Het blijft ook een kwestie van hiërarchie en balans van waarden met persoonlijke voorkeuren, waarover gedebatteerd kan worden.

Wat het grootste geluk is voor het grootste aantal is niet zo gemakkelijk te bepalen, omdat het grootste geluk varieert per persoon, zoals eerder toegelicht (zie Sidgwick Deel 1 en 4, CM 116). John Grey spreekt van onvergelijkbaarheid van waarden (value-incommensurability, p; xxvii). Deze bemoeilijkt rationele keuzen en speelt een niet te veronachtzamen rol in de corona-discussie, waarbij mensen verschillende waarden laten prevaleren, zoals fysieke integriteit versus bescherming van anderen.

Volgens Grey blijkt uit het menselijk gedrag in het algemeen niet dat ‘hoger geluk’ en zelfverwerkelijking de voorkeur van de meerderheid geniet. “Mill overdrijft het belang van individualiteit en autonome keuze als componenten van menselijk welzijn” (pxxviii). Daarover valt te discussiëren. Mill schetst mogelijk meer een wenselijk ideaal dan een gangbare realiteit. Hij is in elk geval een voorstander van pluralisme van waarden, die samengaat met vrijheid.

Interessant is dat Mill in Representative Government benadrukt dat goed bestuur “deugd en intelligentie van de mensen bevordert,... de goede kwaliteiten ” en daar gebruik van maakt (pxxi). Dat is iets anders dan polarisatie en volgzaamheid gemotiveerd door angst. Dit punt komt aan het eind van dit artikel ter sprake. 

Inleiding

On Liberty gaat over “de aard en de grenzen van de macht die legitiem door de samenleving over het individu kan worden uitgeoefend. Een kwestie... die de praktische controverse van de huidige tijd diep beïnvloedt... en van vitaal belang is voor de toekomst” (p5). Deze openingszin geldt ruim een eeuw later onverkort. De strijd tussen vrijheid en autoriteit noemt Mill een van de meest opvallende trekken in de geschiedenis en is nog volop aan de gang. Het boek is opgedragen aan de nagedachtenis van zijn vrouw. “Het is evenzeer van haar als van mij, zoals alles wat ik in vele jaren heb geschreven.”

Mill was een radicale sociale liberalist, die sympathiseerde met het socialisme, dat wat hem betreft de overheid teveel macht wilde geven. Hij stond kritisch ten opzichte van overheidsgezag. Ook, ja met name als dit wordt uitgeoefend in naam van het volk. “De ‘mensen’ die de macht doen gelden zijn niet altijd dezelfde mensen als degenen over wie het wordt uitgeoefend... De wil van het volk betekent verder in de praktijk de wil van het meest talrijke en meest actieve deel van het volk, de meerderheid of degenen die erin slagen zichzelf aanvaard te maken als de meerderheid. Het volk kan zodoende wensen een deel van het volk te onderdrukken. Hiertegen zijn voorzorgen nodig evenals tegen elk ander machtsmisbruik.” De grenzen van de macht van de regering moeten dus worden vastgelegd, ook als deze de steun van de meerderheid heeft. Mill waarschuwt met een term van De Tocqeville tegen “de tirannie van de meerderheid”. “Onheil waartegen de samenleving op zijn hoede dient te zijn” (p8).

Deze tirannie werkt hoofzakelijk door de daden van publieke autoriteiten. Maar ook op andere manier oefent het collectief druk uit op individuen. “Daarom is bescherming tegen de tirannie van de magistraat niet genoeg. Er is ook bescherming nodig tegen de tirannie van de overheersende meningen en gevoelens; tegen de tendens van de samenleving om op andere wijzen dan door civiele sancties haar ideeën en praktijken als regels op te leggen aan degenen die ervan afwijken... en alle karakters te dwingen om zich te schikken naar de heersende modellen. Er is een grens aan de legitieme bemoeienis van de collectieve opinie met de individuele onafhankelijkheid. Het vinden van deze grens en het handhaven ervan tegen inbreuk erop, is net zo noodzakelijk... als bescherming tegen despotisme” (p9).

Men vindt vaak “dat iedereen moet handelen als zijzelf... dat hun gevoelens beter zijn dan redenen en redenen onnodig maken... De voorkeur en afkeur van de samenleving of een machtig deel ervan... hebben praktisch bepaald welke regels in het algemeen in acht moeten worden genomen” (p11).

Rechten van minderheden zijn voortgekomen uit religieuze groepen die afweken van de RK Kerk. Na veel strijd is een zekere godsdienstvrijheid ontstaan en vrijheid van geweten als onvervreemdbare grondrechten. De tolerantie wordt echter toegekend met stilzwijgende reserve, want andere overtuigingen worden toch vaak veroordeeld. Zelfs de radicale Mill heeft moeite met de polygamie van Mormonen. Hij beschouwt dit als onderdrukking voor vrouwen, één van de misstanden waar hij zich zijn leven lang tegen verzet heeft. 

Het vrijheidsprincipe en het schadeprincipe

Mill zoekt een principe om de macht van samenleving en de regering over een individu te begrenzen en de vrijheid en zelfstandigheid van het individu te beschermen en omgekeerd de vrijheid van een individu te begrenzen. Het vrijheidsprincipe wordt begrensd door het schadeprincipe: de ontoelaatbaarheid een ander schade te berokkenen, anders dan uit zelfverdediging. Dus tegen iemand die een ander benadeelt, dient te worden opgetreden (door het wettig gezag).

“Het enige doel waarvoor macht rechtmatig kan worden uitgeoefend over een lid van een beschaafde gemeenschap tegen zijn wil is het voorkomen van schade aan anderen. Eigen voordeel, fysiek of moreel, is geen voldoende autorisatie of rechtvaardiging... Het enige aspect van iemands gedrag, dat (be)handelbaar is voor de samenleving, is het gedrag dat te maken heeft met anderen. Het aspect dat louter hemzelf betreft, zijn zelfstandigheid, is rechtmatig absoluut. Over zichzelf, over zijn lichaam en geest, is het individu soeverein” (p14). 

Vier vrijheden

“De samenleving heeft slechts een indirect belang bij... het gedrag van iemand dat alleen hemzelf aangaat... Ik bedoel in eerste instantie alleen hemzelf. Want wat hemzelf aangaat, kan ook anderen betreffen... Dit is het passende domein van menselijke vrijheid. Het omvat ten eerste het innerlijke domein van het bewustzijn en vraagt vrijheid van geweten in de meest omvattende zin; vrijheid van denken en voelen; absolute vrijheid van opinie en gevoel over alle onderwerpen, praktisch of speculatief, wetenschappelijk, moreel of theologisch. De vrijheid van expressie en publicatie van meningen lijkt te vallen onder een ander principe, omdat... het te maken heeft met andere mensen. Maar het is bijna even belangrijk als de vrijheid van denken... en is daarvan praktisch niet te scheiden.

Ten tweede vereist het principe vrijheid van smaak en bezigheden; of het maken van een levensplan dat past bij iemands eigen karakter; en doen wat we willen... zonder overlast aan onze medeschepselen, zo lang als we hen niet benadelen...

Ten derde: uit deze vrijheid van ieder individu volgt binnen dezelfde beperkingen [van het schadeprincipe] de vrijheid om ons te verbinden met andere individuen... Geen samenleving is in het algemeen genomen vrij als deze vrijheden niet worden gerespecteerd...  Alleen die vrijheid is goed is waarbij wij onze eigen goede zaak nastreven op onze eigen manier, zonder dat wij proberen anderen belemmeren dit ook te doen... Een ieder is de behoeder van zijn eigen gezondheid, hetzij lichamelijk, geestelijk of spiritueel” (p16-17). Vooral het laatste punt is in de coronadiscussie over vaccinatie actueel.

Is er een toenemende macht van de samenleving over individuen?

Filosofen hebben zich vroeger verzet tegen de regulering van privégedrag door publieke autoriteiten en de bemoeienis van staten met het lichamelijke en geestelijke reilen en zeilen van de burgers. Mill is gekant tegen staatsbemoeienis in privé-aangelegenheden en bekritseert Auguste Comte die neigt naar “despotisme van de samenleving over het individu”. Hij is beducht voor toenemende macht van de samenleving over het individu door de macht van de (publieke) opinie en door wetgeving. Hij is ook beducht voor “de neiging van de mensheid om hun eigen opinies en neigingen aan anderen op te leggen als gedragsregels” (p18).

De actualiteit van deze vrijheden, die sinds de coronacrisis meer onder druk kwamen te staan, zal duidelijk zijn. Met name op twee punten is individuele vrijheid moeilijk af te grenzen. Ten eerste zijn mensen sociale wezens. Individu en samenleving en individuele en maatschappelijke belangen gaan in elkaar over en zijn moeilijk scherp te scheiden. Dat zien we ook bij de coronacrisis.

Ten tweede is het moeilijk om scherp aan te geven wat schade precies inhoudt. Geldt dat bijv. ook voor de belediging van de profeet Mohammed of godslastering, waardoor anderen zich diep hun hun ziel gekwetst kunnen voelen en zelfs aangezet kunnen worden tot moord, een overduidelijke vorm van schade? En hoe zit dat bij corona? Het (kunnen) besmetten van anderen is duidelijk nadelig voor hen. Hoeveel risico is verantwoord? In hoeverre kunnen vrijheden worden beperkt om schade te voorkomen? Dergelijke kwesties hebben de gemoederen de laatste tijd bezig gehouden. Van een vruchtbare discussie was lang niet altijd sprake. Volgens sommigen schort het daaraan. Mill gaat vervolgens in op “de vrijheid van denken en discussie”. Wat voor behartenswaardige dingen zegt hij daarover? 

2. ‘Vrijheid van denken en discussie’

Volgens Mill “probeert de regering in landen met een grondwet niet vaak... de uiting van meningen te beheersen, behalve als de regering het orgaan wordt van de algemene intolerantie van het publiek... Mensen hebben het recht niet om dwang uit te oefenen, ook niet via hun regering... Het is net zo verwerpelijk, of meer verwerpelijk, als de macht wordt uitgeoefend in overeenstemming met de publieke opinie als wanneer deze ertegenin gaat. Als de hele mensheid min één, een opinie heeft, en slechts één persoon heeft een tegengestelde mening, zou de mensheid net zomin meer gerechtigd zijn deze persoon tot zwijgen te brengen als hij gerechtigd zou zijn de mensheid tot zwijgen te brengen, als hij de macht had” (p21).

Het doet er niet toe of de mening juist is of niet. Ook de mensen die het bij het juiste eind hebben of menen te hebben, hebben geen absolute zekerheid en zijn niet onfeilbaar. In iedere tijd zien we dat eminente mensen meningen hebben, die later fout en absurd blijken te zijn. En ook huidige overtuigingen kunnen later onjuist blijken en verworpen worden. Enige zorgvuldigheid is dus op zijn plaats, vooral bij regeringen.

Het belang van discussie is dat deze mensen in staat stelt hun meningen te corrigeren. “Er moet discussie zijn om te laten zien hoe ervaringen geïnterpreteerd dienen te worden... Heel weinig feiten zijn zonder commentaar in staat hun eigen verhaal te vertellen om hun betekenis naar voren te brengen” (p25). Openheid voor kritiek en luisteren naar wat er tegen een standpunt is in te brengen is bevorderlijk voor een betere beoordeling. Daardoor kunnen fouten aan het licht komen. Met name bij publieke opinies. Het publiek bestaat volgens Mill uit “een paar wijze en vele dwaze mensen” (p26). Zelf de intolerante kerk luistert (soms) naar tegenargumenten. Openheid bevordert waarheidsvinding.

Bij Mill komen reeds uitgangspunten voor van het latere pragmatisme van William James e.a. (zie elders in dit nummer). “De waarheid van een mening is deel van de bruikbaarheid... Geen overtuiging die tegengesteld is aan de waarheid kan werkelijk nuttig zijn.” Nut of bruikbaarheid neemt Mill in ruime zin: “gegrond op de werkelijke belangen van de mensheid... Als de wet of het publieke gevoel niet toestaat de waarheid van een mening ter discussie te stellen, verdragen zij het ook niet om het nut ervan of het ontbreken van bruikbaarheid ter discussie te stellen” (p27,15,28). Een opmerking, die ook toepasbaar is op de coronamaatregelen en het nut ervan, waarover de discussie vaak te wensen overlaat, zoals nog aan de orde komt.

Vervolging van ketterij

In vroeger tijden probeerde men overtuigingen die als gevaarlijk werden beschouwd, uit te roeien. Mill noemt als voorbeelden de vergiftiging van Socrates en de vervolging van christenen in het Romeinse Rijk. Zelfs door een betrekkelijk verlicht despoot als de stoïcijnse filosoof Marcus Antonius. Christenen op hun beurt verbrandden later ketters, toen ze de absolute macht verworven hadden. Vaak zien wij dat op de ene vorm van despotisme een andere vorm volgt, maar niet altijd. Bijv. niet tijdens de Verlichting in de 18e eeuw, hoewel de (gewelddadige) Franse Revolutie als een uitvloeisel daarvan te beschouwen is. Tegenwoordig is kettervervolging niet meer toegestaan. Verwerping gebeurt subtieler, bijv. door critici te etiketteren als ‘wappies’ of ‘complotdenkers’ en op een grote hoop te gooien.

Verwerping en vervolging wordt soms goedgepraat met het argument dat de waarheid uiteindelijk zal overleven, alsof het geen kwaad kan. Opleving kan soms lang duren en gebeurt ondanks en niet dankzij de onderdrukking. Mill pleit voor een “grondige discussie van ketterse opinies” (p38). Onderdrukking van ketters is niet alleen voor hen nadelig. “Het belemmert ook (vrij) onderzoek dat niet eindigt met de orthodoxe conclusies.” Waarheidsvinding vraagt zelfstandig denken en verdraagt geen “geestelijke slavernij” (p38,39). Het vermijden van controverse leidt niet tot hoogstaande geestelijke activiteit.

 

Tegenargumenten serieus nemen

Een volgend argument is dat een opinie nooit helemaal waar is, met name niet als deze niet ten volle besproken kan worden en geen tegenargumenten verdraagt. Als dat niet het geval is, wordt het “een dood dogma, geen levende waarheid” (p40). Oordeelsvermogen vraagt een cultivering. Dat kan gebeuren door overleg en discussie, door bezwaren te (leren) hanteren en zo mogelijk te integreren. Want geen enkele waarheid is compleet en absoluut. Er is altijd ook een andere verklaring mogelijk of andere argumenten en verklaringsgronden, die serieus genomen dienen te worden. Een juist oordeel vraag een goed geïnformeerde geest. Vaak gaat men op autoriteiten en doctrines af bij gebrek aan eigen inzicht. Meningen van anderen zijn vaak buitengewoon invloedrijk bij gebrek aan eigen kennis en ervaring. Overtuigingen die men aanneemt, staan eigen inzicht en ervaring vaak in de weg. Voor en tegens worden dan zelden zorgvuldig afgewogen en meestal aangenomen. En als iets wordt aangenomen, wordt er vaak niet meer aan getwijfeld. 

Het belang van diversiteit van meningen

Mill vraagt zich af “of gebrek aan unanimiteit een noodzakelijke voorwaarde is voor waarachtige kennis” (p49). Twijfel kan een opvatting levendig houden en inzicht verdiepen. Diversiteit van meningen en tegenwerpingen vermijden blikvernauwing en houden de geest open. We dienen open te staan voor bezwaren en ernaar te luisteren. Er is altijd een kans dat bezwaren gegrond zijn. Bovendien kan een andere mening een aanvulling geven, omdat geen enkele menig compleet is, en altijd maar een deel van de waarheid kan bevatten. Vaak bevatten afwijkende meningen verdrongen of verwaarloosde waarheden. De menselijke geest neigt vaak naar eenzijdigheid, zelfvoldaanheid en partijdigheid, meestal niet naar veelzijdigheid.

“In de politiek is het bijna een gemeenplaats dat een partij van orde of stabiliteit en een partij van vooruitgang en hervorming beide noodzakelijke elementen zijn van een gezonde politieke situatie... Elk van deze denkwijzen ontleent zijn bruikbaarheid aan de tekorten van de andere partij... Waarheid... is veelal een kwestie van verzoenen en combineren van tegenstellingen... Alleen door diversiteit van meningen is er ... een kans op ‘fair play’ ten opzichte van alle kanten van de waarheid” (p53,54). Daarom is discussie en competitie van belang. Een minderheidsstandpunt kan verwaarloosde belangen benadrukken. Afwijkende meningen hebben hun waarde.

Meerderheidsstandpunten zijn vaak voortgekomen uit minderheidsstandpunten. Mill geeft als voorbeeld de christelijke ethiek en doctrine, die behalve bijbelse ook Griekse en (midden)oosterse achtergronden heeft en niet opeens als een afgerond geheel is geopenbaard. Zij heeft zich in de loop der tijd heeft ontwikkeld uit diverse invloeden, terwijl de christelijke doctrine en ethiek nu naar voren worden gebracht als een vaststaand superieur geheel, waar nauwelijks aan te tornen valt. “Een groot deel van de meest nobele en waardevolle morele leringen zijn het werk van mensen die niet alleen het christelijk geloof niet kenden, maar ook van mensen die het verwierpen” (p58). Hij noemde ook als voorbeelden resp. Socrates en Marcus Aurelius. Hij staat open voor kritiek op het Christendom dat in zijn tijd nog oppermachtig was.

Resumé

Mill concludeert dat de noodzaak van vrijheid van opinie en discussie berust op vier gronden:

  1. Een onderdrukte opinie kan waar zijn. Dit ontkennen betekent dat men aanneemt onfeilbaar te zijn
  2. Een opinie kan voor een deel waar of juist zijn en een heersende mening omvat nooit de hele waarheid, maar kan door het botsen met afwijkende opinies worden aangevuld
  3. Als een opinie wordt bestreden, wordt deze meestal weinig begrepen en met vooroordelen bejegend
  4. Een mening kan zonder discussie worden verzwakt of zijn verlevendigende effect verliezen, waardoor bestaande meningen formele dogma’s worden zonder er van harte van overtuigd te zijn of op grond van persoonlijke ervaring.

Verder komt naar voren dat enige matigheid en mildheid betracht dient te worden bij discussie en tegenwerpingen, zonder al te exclusieve pretenties. Het terughouden of onderdrukken van argumenten en verkeerd naar voren brengen of verdraaien van de andere mening, acht Mill zeer verwerpelijk. Dat vindt hij ook van beschimpen, sarcasme, op de persoon spelen en stigmatiseren  van de opponent als zijnde immoreel e.d. Hij pleit voor gematigde taal en vermijden van schelden, onnodig krenken en beledigen.

Een ieder dient in zijn waarde te worden gelaten en zijn “verdiende eer” (merited honour) te krijgen, welke mening hij ook heeft en niet te overdrijven om hem in diskrediet te brengen, niets achter te houden van wat de ander wil vertellen. “Dit is de werkelijke moraal van publieke discussie” (p61). Daar kan de Tweede Kamer en het coronadebat een voorbeeld aan nemen, daar de grens van het betamelijke vaak wordt overschreden en de tegenpartij wordt beschimpt, gestigmatiseerd en onnodig gekrenkt.

 

3. ‘Individualiteit als element van welzijn’

Door te handelen in vrijheid naar eigen inzicht kan men het welzijn verhogen, mits dit een ander niet benadeelt. Dit vraagt ook enige beheersing van nadelige gevoelens en andere uitingen. Verschillen van opinie zijn bruikbaar om andere kanten te bezien en andere levenswegen te onderzoeken en uit te proberen. Daarvoor is individuele vrijheid nodig. Mill meent dat ruimte voor ontplooiing van een individu essentieel is voor diens welzijn. Gewoontepatronen zitten echter de menselijke ontplooiing vaak in de weg.

Mill beroept zich op de Duitse homo universalis Wilhelm von Humboldt (zie CM 110), die pleitte voor volle ontplooiing van menselijke vermogens in lijn met het Verlichtingsdenken van Goethe en Schiller e.a. Voor dit streven zijn vrijheid en variatie (van situaties) nodig om de nodige ervaring op te doen, die men dan op eigen wijze dient te kunnen interpreteren en niet volgens ingesleten gewoontepatronen, en niet te doen zoals anderen doen. Mensen dienen eigen keuzen te kunnen maken om hun eigen persoonlijkheid en talenten te kunnen ontplooien.

“De menselijke aard is geen machine die naar een model gebouwd kan worden... maar een boom, die het nodig heeft te kunnen groeien en zich te kunnen ontwikkelen naar alle kanten, volgens de tendens van innerlijke krachten die hem tot een levend wezen maken... Op een intelligentie manier gewoonten volgen, of er bij gelegenheid van afwijken, is beter dan blind en louter mechanisch eraan vasthouden” (p66).

Menselijke ontplooiing vraagt cultiveren van gevoelens, enige zelfbeheersing en gerichtheid op het goede. Men spreekt dan van ‘karakter’. Mill vindt dat individualiteit en persoonlijke groei worden onderdrukt en gecensureerd door een juk van gewoonten en verplichtingen, die weinig ruimte laten voor eigen smaak en oordeel. Het calvinisme meent dat mensen tot het kwade en tot zondigheid zijn geneigd en schrijft voor de wil van God te gehoorzamen, zoals wordt voorgeschreven door het kerkelijk gezag. Mill meent echter dat een mens van een goede Schepper zijn vermogens heeft gekregen om zich verder te ontwikkelen, niet om zich ervan te distantiëren. Hij noemt ook het Griekse ideaal van zelfontplooiing en stelt dit tegenover de “christelijke zelfontkenning” en in het verlengde van de christelijke zelfbepaling (p69). Als een mens zich meer ontwikkelt, kan hij of zij ook waardevoller zijn voor anderen.

“Despotisme is wat ook maar de individualiteit onderdrukt, of het nu de wil van God belijdt te bekrachtigen of menselijke bevelen te volgen.” Individualiteit en originaliteit zijn onmisbaar voor zelfontplooiing en mensen die “nieuwe waarheden ontdekken” en nieuwe dingen beginnen. Zij zijn “het zout der aarde, zonder hen zou de wereld een stagnerende poel worden” (p71). De wereld is nog verre van volmaakt. Mill wijst op het belang van geniale mensen, die vrijheid nodig hebben voor hun originele ideeën en ondernemingen. Hij is geen voorstander van “’heldenverering’, waarbij wordt geapplaudisseerd voor de sterke man om de regering over te nemen” (p74).

 

Mensen die niet origineel zijn, zien het nut van originaliteit niet in. Als ze hun ogen zouden openen, zouden ze dat kunnen inzien. Bij vernieuwing is één persoon de eerste. Een algemene tendens is om zich te schikken naar de middelmaat en in de menigte op te gaan. In de politiek regeert de publieke opinie van de meerderheid en de massa in vergaande mate. Mill heeft het over “collectieve middelmaat”.

“Het denken [van massamensen] wordt gedaan door mensen zoals zij” (p73), schreef Mill al anderhalve eeuw voor The Lonely Crowd van David Riesman. Politici komen zelden boven de middelmaat uit. “De eer en glorie van de gemiddelde mens is, dat hij in staat is het initiatief te volgen... van de meer getalenteerden,” m.a.w. van deskundigen[MR1] . “Als de meningen van de massa van gemiddelde mensen de dominante macht worden, dan lijkt het erop dat een correctieve tegenhanger gevormd kan worden door de meer uitgesproken individualiteit van degenen die staan voor het meer hoogstaande denken” (p74).

Mill pleit voor tolerantie, onafhankelijk denken en handelen op eigen wijze, voor “diversiteit van smaak... spirituele ontwikkeling en cultiveren van de hogere aard... Mensen zijn niet als schapen; en zelfs schapen zijn niet zo eender dat ze niet meer van elkaar te onderscheiden zijn” (p75). Menselijke verschillen zijn een bron van vreugde.

“Despotisme van gewoonten is overal een belemmering die menselijke ontplooiing in de weg staat” (p78). Hij wijst op ”het voorbeeld van China – een land met veel talent en... wijsheid”.

Ondanks dat was het land (tot voor kort) “stationair” geworden en weinig progressief. Men is erin geslaagd “om mensen gelijk te maken en hun denken en doen te laten leiden door dezelfde spreuken en regels... Het moderne regiem van de publieke opinie is, in niet georganiseerde vorm, wat het Chinese educatieve en politieke systeem op georganiseerde wijze is. Tenzij de individualiteit zich op succesvolle wijze bestendigt tegen dit juk, zal Europa een ander China worden, niet tegenstaande zijn nobele antecedenten...” (p80). Een waarschuwing om ter harte te nemen in deze tijd van totalitaire tendensen, die zich in China verder hebben doorgezet.

Tegenwoordig lezen veel mensen hetzelfde, luisteren en kijken ze naar hetzelfde, “hun angst en vrees is gericht op dezelfde objecten, ze hebben dezelfde rechten en vrijheden en dezelfde middelen om zich daarvan te verzekeren” (p81). Vooral in dat laatste lijkt nu de klad te komen in deze tijd van groeiende polarisatie in rijk en arm, minder en hoger opgeleid, gevaccineerd en ongevaccineerd enz.

Ook geldt maar in beperkte mate dat “onderwijs de mensen onder dezelfde invloed brengt en hen toegang geeft tot de algemene bron van feiten,” welke dat ook moge zijn. Mensen lijken juist in toenemende mate te bivakkeren in hun eigen internetbubbels. Mill meende dat de communicatiemiddelen diversiteit van ervaring en ontwikkeling mogelijk zouden maken, maar heeft de huidige ontwikkelingen niet kunnen voorzien. Ook meende hij dat handel verandering en openheid voor andere landen en culturen zou bevorderen. Maar de huidige overheersing van de markt en de consumptiemaatschappij kon hij evenmin voorzien.

“Als het verzet tegen de wil van het publiek verdwijnt... is er geen sociale steun meer voor non-conformisme en een substantiële invloed in de samenleving die... belang heeft bij het in bescherming nemen van opinies en tendenties die afwijken van die van het publiek” (p82). In het belang van diversiteit waarschuwt Mill voor invloeden die gericht zijn tegen individualiteit. Hij doet een beroep op “het intelligente deel van het publiek... Als de claims van individualiteit ooit verzekerd dienen te worden dan is het nu de tijd, terwijl velen de gedwongen aanpassingen en gelijkstelling nog willen voltooien.” Dit lijkt ook op onze tijd van toepassing, waarin vrije keuze onder druk staat. Wat Mill schrijft over de grenzen van het gezag van de overheid is eveneens actueel.

 

5. ‘Over de grenzen van het gezag van de samenleving over het individu’

In dit hoofdstuk verkent Mill de grenzen van de soevereiniteit van het individu, de samenleving en de overheid. Hij heeft al naar voren gebracht dat de grenzen gemarkeerd worden door het schade-principe, dat verbiedt rechten en belangen van een ander te belemmeren en te benadelen. Dat kan echter ook zonder wetten te overtreden, zoals o.m. John Rawls later naar voren bracht (zie de bespreking van A Theory of Justice door Erik Jansen).

Mills onderscheidt verplichtingen ten opzichte van onszelf die in sociaal opzicht niet verplichtend zijn, zoals zelfontplooiing, van verplichtingen ten opzichte van anderen. Dat onderscheid is niet scherp en heeft overlappingen. Niettemin is er een deel van het leven dat alleen de person zelf aangaat en een deel dat ook anderen aangaat. Met het eerste, het domein van de individuele vrijheid, dient de overheid zich minimaal in te laten. Wel bij ongemakken die een individu voor anderen en de samenleving geeft. De vraag is dan: “hoeveel ongemak de samenleving kan verdragen, voor de goede zaak van de individuele vrijheid” (p91). Het voelt voor Mill ongemakkelijk dat de zwakkere leden de normale levenstandaard niet halen en gestraft worden voor irrationeel gedrag.

Een vraag is ook of gedrag dat hemzelf benadeelt individuen door de samenleving verhinderd of verboden mag worden. Wat schadelijk is, wordt dan door de meerderheid bepaald voor een minderheid. Mill is tegen bemoeienis van het publiek met louter persoonlijk gedrag. Waar ligt dan de grens? Deze verschilt per religie of kerkgenootschap. Als het publiek enige jurisdictie zou hebben over privézaken zou dit een “morele politie” in de hand kunnen werken en zou alles wat het publiek verkeerd vindt, verboden kunnen worden. Mill noemt een aantal voorbeelden, zoals het drinken van alcohol, dat bij de islam is verboden, of het bewaren van de zondagsrust. De combinatie van drinken van alcohol en het besturen van een voertuig en openbare dronkenschap zijn andere kwesties, waarmee (de veiligheid en de aanstoot van) anderen gemoeid zijn. De liberale Mill heeft grote moeite met polygamie, die bij de islam en de Mormonen is toegestaan, omdat het vrouwen zou onderdrukken en dus schadelijk voor hen is.

Resumerend geldt dus het schadeprincipe als markering en is er een lastig grijs gebied tussen louter individuele aangelegenheden en sociale consequenties. Wat schadelijk is voor anderen, of mogelijk schade kan opleveren, is ook niet altijd een duidelijke en onomstreden zaak. Duidelijk is wel dat Mill de individuele persoon wil beschermen tegen een te grote publieke bemoeienis en overheidsingrijpen in individuele zaken. Een actueel voorbeeld is de kwestie van al dan niet vaccineren tegen covid en hoeveel drang en dwang gepast of geoorloofd kan zijn met oog op mogelijke schade aan anderen. Een punt om op terug te komen. 

5. ‘Toepassingen’

Veel mensen maken winst door verliezen van anderen, die vaak wettelijk zijn toegestaan. In hoeverre is dat moreel te verantwoorden? Toch is Mill een voorstander van vrijhandel. Bij handel in opium ligt dat anders, want dat vergiftigt mensen. De overheid heeft een beschermende functie. Dronkenschap vindt hij, zoals gezegd, ook geen zaak voor wettelijke interferentie, tenzij het leidt tot geweld en schade aan anderen. Ook hier de grens niet zo gemakkelijk vast te stellen. Wat te denken van vaders die hun loon uitgeven aan drank en hun vrouw en kinderen laten verkommeren? In het vervolg schrijft hij over de verplichtingen van ouders naar hun kinderen. “Het veroorzaken van het bestaan van een ander menselijk wezen is één van de meest verantwoordelijke daden in een mensenleven” (p120). Mill had zelf geen kinderen, wel drie stiefdochters.

De vrijheid van individuen geldt in zaken die (louter) henzelf betreffen. “Dit impliceert de overeenkomstige vrijheid van een aantal mensen om in onderlinge overeenstemming zaken te regelen die hen gezamenlijk betreffen en geen anderen dan henzelf” (p113). Het ligt anders als er derden bij betrokken zijn. Als er overeenkomsten zijn gesloten, kunnen die met wederzijds goedvinden worden verbroken. Mill wil dit ook toepassen op huwelijken. Er is echter een complicatie wanneer er kinderen en derden mee gemoeid zijn.

De staat dient erop toe te zien dat individuen geen macht over anderen uitoefenen. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Mill refereert naar de “bijna despotische controle van echtgenoten over hun vrouwen” als gevestigd onrecht (p116). Vervolgens komen de verplichtingen van ouders naar kinderen aan de orde, o.m. wat betreft levensonderhoud en onderwijs. De staat kan met name bij het laatste (financieel) faciliteren, zonder de inhoud van het onderwijs te bepalen. “Om te verhinderen dat de staat door regelingen een ongepaste invloed krijgt op de meningsvorming” (p118-19). Daarom dienen ook examens vrijwillig te zijn, ook al kan onderwijs verplicht zijn. Wat betreft levensonderhoud vindt Mill het niet bezwaarlijk om huwelijken te verbieden “tenzij betrokken partijen kunnen aantonen dat zij de middelen hebben om een gezin te onderhouden” (p120). Hij leefde in een andere tijd, anderhalve eeuw geleden.

Vervolgens vraagt Mill zich af of de overheid behalve restricties uit te vaardigen ook iets kan doen om mensen te helpen in plaats van dit aan vrijwilligers over te laten. De overheid kan er ook mee samenwerken. Hij vindt het verkeerd als overheidsmacht onnodig toeneemt en is beducht voor meer bureaucratie. Zo worden de leiders “slaven van hun organisatie” (p125. Een typisch liberale visie, die inmiddels achterhaald lijkt, maar bij het neoliberalisme weer opleefde, dat in tal van artikelen is bekritiseerd. Wat de rol van de overheid betreft, is Mill niet meer bij de tijd. Maar wat hij schrijft over individuele vrijheid en grondrechten lijkt nog onverkort te gelden, hoewel ook hier de laatste tijd andere geluiden zijn te horen, die tegen het licht van de visie van Mill gehouden kunnen worden.

Commentaar: actuele toepassingen van de visie van Mill in verband met de coronacrisis

Mensen zijn individueel verantwoordelijk voor hun gezondheid. Ziekte en gezondheid zijn echter niet alleen individuele aangelegenheden, maar betreffen en belasten ook anderen. Preventie en in acht nemen van de gezondheid kan dan ook worden beschouwd als een sociale plicht. Maar geldt dat ook voor vaccinatie tegen covid, als het vaccin voorlopig is goedgekeurd, niet op termijn is uitgetest, Pharma geen garanties geeft en niet aansprakelijk is en de bescherming tijdelijk en onvolledig blijkt?

Mensen hebben voor alsnog het recht om zelf te beslissen over vaccinatie of niet. Ook al vormen ongevaccineerden een grotere belasting voor IC’s, biedt het schadeprincipe van Mill onvoldoende grond om vaccinatie te verplichten, mede omdat deze geen garantie tegen besmetting blijkt te bieden. Bovendien is de kans klein dat een niet-gevaccineerde op een IC terecht komt, maar groter dan bij gevaccineerden. Ook andere parameters dan vaccinatie spelen een significante rol bij ziekenhuisopname, zoals onderliggende kwalen, lichaamsgewicht en algehele gezondheid en conditie, die voor een belangrijk deel ook te maken hebben met roken, drinken en leefstijl. Is het dan zaak om hierbij ook sociale verplichtingen, of zelfs drang en dwang te laten gelden, vanwege de maatschappelijke belasting?

Alcoholconsumptie was volgens Mill een persoonlijke aangelegenheid, evenals het eten van vlees van “onreine dieren”, dat bij de islam verboden is (p94). Bij openbare dronkenschap en alcohol achter het stuur is er sociale overlast en een levensgevaarlijke situatie. Bij een covidbesmetting kan hier ook sprake van zijn, maar meestal niet. Vaker kan er overlast zijn. Quarantaine is dan legitiem, evenals maatregelen ter voorkoming van besmetting. Daarbij speelt het schadeprincipe een leidende rol. Maar hierbij geldt ook dat maatregelen proportioneel dienen te zijn en niet meer schade en overlast dienen te veroorzaken dan ze verhinderen. Het middel mag niet erger zijn dan de kwaal. Hierover kan eindeloos worden gediscussieerd, maar op een gegeven moment zijn besluiten urgent. In On Liberty licht Mill het belang van discussie toe. Andere meningen zijn belangrijk als aanvulling om een deel van de waarheid bij te dragen en kritisch denken te bevorderen.

Posities ten aanzien van corona

Globaal zijn er wat betreft corona drie posities te onderscheiden die elkaar deels overlappen en in elkaar overlopen

  1. het gevestigde standpunt van de regeringen en het RIVM, hoewel ook in het OMT verschillende visies mogelijk zijn. Een vrij grote meerderheid van de bevolking volgt dit standpunt min of meer.
  2. rationele en onderbouwde kritische en alternatieve visies. Een voorbeeld is de areasolentheorie van Maurice de Hond e.a., die inmiddels in de officiële visie is opgenomen. In deze categorie bevinden zich tamelijk veel hoogopgeleiden en mensen met een spirituele levensvisie, waarvan een relatief groot aantal zich niet laat vaccineren.
  3. irrationele en weinig onderbouwde kritische visies, benoemd als complotdenken, maar ook bepaalde geloofsovertuigingen kunnen hieronder vallen.

In eerdere artikelen over corona is gesignaleerd dat er een tendens is de meeste kritiek in de derde categorie te plaatsen. Critici worden te gauw geëtiketteerd als ‘wappies’ en ‘complotdenkers’. Dit vertroebelt en stagneert een discussie die van levensbelang is door veroordeling en stigmatisering. Volgens Mill, en hij niet alleen, is dit een verwerpelijke gang van zaken, die een bedreiging vormt voor de vrijheid van meningsuiting: één van onze grondwettelijke rechten en de democratie, die mede daarop berust. Andere bedreigingen zijn informatievervuiling en -verdraaiing en nepnieuws.

De massamedia scharen zich vooral achter het gevestigde standpunt. Rationele en irrationele kritische visies zijn vooral te vinden op internet en komen soms in de massamedia naar voren, mits ze niet teveel afwijken. Als dat wel het geval is, worden ze al gauw bestempeld als complottheorieën. De reguliere media munten bepaald niet uit in hun kritische functie als waakhond ten opzichte van de overheid, maar lopen veeleer kwispelend mee. Blaffende honden worden geweerd. Het lijkt in de richting te gaan van wat Mill beschrijft als ‘tirannie van de publieke opinie’ en het weren en onderdrukken van minderheidsstandpunten, die echt niet allemaal irrationeel zijn.

Angst en manipuleerbaarheid

Irrationeel is vooral de angst die wordt gegenereerd en in stand gehouden. Daardoor zijn mensen meer manipuleerbaar en volgen ze eerder autoriteiten en elkaar. Een bedenkelijke tendens, waar critici voor waarschuwen. Vrijheden staan onder druk en worden ingeperkt. We leven in een spannende en moeilijk voorspelbare tijd. Er wordt officieel eigenlijk maar één remedie geboden, nl. vaccinatie, die sterk wordt benadrukt, naast lockdown-achtige maatregelen die geen remedie zijn, maar wel besmettingen kunnen voorkomen en vertragen. Wellicht zijn er ook andere bijdragen, zoals medicijnen, waar we weinig over horen en algehele gezondheidsbevording en verhoging van het weerstandsvermogen. Bij de meeste mensen is dit gelukkig sterk genoeg om het virus te weerstaan, vooral bij jonge mensen. Als er een vaccin gemaakt kan worden, kan er toch ook een medicijn vervaardigd worden?

Dat vaccinatie belangrijk is, staat buiten kijf. Minderheden die er niet of minder in geloven of rationele of irrationele bezwaren hebben, worden benadeeld of benadelen zichzelf wat betreft de toegang tot openbare activiteiten en gelegenheden. Het is maar van welke kant je het bekijkt.

Voor kritisch denkende burgers lijkt minder oor te zijn. Er dreigt immers gevaar. Men dient zich achter de leiders te scharen om het gevaar te keren. Alle hens aan dek. Iedereen moet gevaccineerd worden. Niet-gevaccineerden vormen een gevaar. Enzovoort. In de publieke opinie tekenen zich de contouren af van een meerderheidsstandpunt dat aansluit bij de officiële berichtgeving.

Vrijheid van denken lijkt tijdens de coronacrisis onder druk te staan. Mediageweld beheerst het collectieve denken. Afwijkende opinies worden als riskant geweerd en vinden andere kanalen. Het gevoelsleven wordt door angst gekleurd, hetgeen een vertekenend effect heeft. Zowel angst voor besmetting en de gevolgen als angst voor vaccinatie. Ondanks alle discussie in praatprogramma’s en opiniepagina’s vormen discussies toch vaak een soort eenheidsworst met betrekkelijk weinig dissidentie. En als dissidenten aan het woord komen is het vaak om ze te veroordelen en onderuit te halen. Terwijl een serieuze afweging van voordelen en bezwaren, waarschijnlijk de meest passende manier is om mensen te overtuigen en overtuigingen te nuanceren. Het schiet vaak tekort aan een rationele discussie met gegronde bezwaren en argumenten. Een heel leger van betweters bezweert de algemene onzekerheid door met grote regelmaat op de trom van vaccinatie te slaan, Terwijl ook steeds meer gevaccineerden ziek worden, zij het minder ziek dan niet-gevaccineerden. 

Slotwoord

Door discussie kunnen volgens Mill gezichtspunten worden bijgesteld en verbeterd. Iedere gezichtspunt kent beperkingen. Kennis van zaken is niet onfeilbaar. Ook wetenschap ontwikkelt zich door discussie en concurrentie van paradigma’s en theorieën. Wetenschappelijke revoluties kunnen omwentelingen teweeg brengen met dominante gezichtspunten die men eerder niet voor mogelijk of werkelijk hield en zelfs verboden of uitgefloten. Een veelzeggende titel is bijv. Criticism and the Growth of Knowledge, geredigeerd door Imre Lakatos en Alan Musgrave.

Waar het volgens Mill e.a. om gaat, is dat er een grondige discussie wordt gevoerd, waarbij alle argumenten op tafel mogen komen en worden onderzocht en niet onder tafel worden verborgen of verschoven of onder het vloerkleed worden geveegd. Die discussie kan mede wegens beperkte deskundigheid hier ter plekke niet worden gevoerd. Het volstaat hier om de argumenten van Mill naar voren te brengen en in verband te brengen met de coronacrisis. Hopelijk vormen ze een bijdrage om eruit te komen en/of de crisis beter te kunnen hanteren en vrijheden en grondrechten zoveel mogelijk te blijven garanderen. 

 

Recht en dwang

2021 12 16 Nav John Stuart Mill, On Liberty

 

Mensen worden bang gemaakt

Iedereen wordt zo geschaad

De angst voor de dood

wordt zo uitvergroot

 

Levend in onzekerheid

zoekt men houvast in beleid

Waar het nauwelijks te vinden is

want er gaat van alles mis

 

Het aantal bedden schiet tekort

Het aantal testlocaties schort

Men zoekt houvast in massale vaccinatie

die voorlopig enige bescherming biedt

Niet-gevaccineerden zijn de zwarte piet

Ze bieden niet de wenselijke coöperatie

 

De algemene vaccinatiedwang

geldt als internationaal belang

Registratie van de vaccinatie

bevordert echter de polarisatie

 

Politie mag het vuile werk opknappen*

en de niet-gevaccineerden snappen

De vaccinatiedrang en –dwang

dient op hoger plan geen landsbelang

 

Als rechten worden ingekort

en zo het volk beschermd wordt

wordt wat recht is kromgedraaid

en iedere burger wordt genaaid

Een onvrije maatschappij

komt zo schielijk dichterbij

 

Ontwikkeling gedijt in vrijheid

Een volk dat vrijheid kent

ontwikkelt zijn of haar talent

Vrijheid opent creativiteit

 

Vrijheid zonder gelijkheid

leidt tot meer ongelijkheid

en vraagt een correctief beleid**

Het dient te worden vastgelegd

in een ieders wettelijke recht

dat een fractie van de vrijheid

offert aan meer gelijkheid

 

Rechten die niet mogen wijken

als ze een obstakel blijken

voor een overheidsbeleid

waarbij vrije keuze wijkt

 

De vaccinatiedrang en –dwang

dient geen blijvend landsbelang

Dergelijke dwang kan op termijn

voor een ieder heel nadelig zijn

Niemand geeft garanties op termijn

 

*Met name in Oostenrijk en Australië

** zie John Rawls, A Theory of Justice

 

https://www.advocatenvannu.com/actueel/de-angst-voor-corona-virus-op-het-werk

Als een angstwolk hangt het virus boven het volk

 


 [MR1]Daar laat zich over twisten. Ik zou het weglaten, tenzij het onderdeel is van het citaat