Ethische filosofie in de 20e eeuw
Deel 4C: Duurzaamheid, mateloosheid en milieu

Civis Mundi Digitaal #119

door Piet Ransijn

Aan de hand van Koo van der Wal, Wat is er met de ethiek gebeurd? Over ethisch denken in laatmoderne omstandigheden. Kampen Uitg. Klement, 2008

 4. Duurzaamheid

Dit artikel is een vervolg op de vorige twee. De nummering slaat op de hoofdstukken van het boek.

De oude economie was normatief. Bij Adam Smith was economie een onderdeel van morele filosofie. Daarover gaat zijn eerste werk De theorie over van morele gevoelens (zie CM 103-107). Daarna werd economie losgekoppeld van ethiek. Zij ging daarmee als het ware een onethische richting in. Dit mondde uit in het amorele neoliberalisme, met alle gevolgen van dien. Over de amoraliteit van het grote geld, zie bijv. Joris Luyendijk, Dit kan niet waar zijn: Onder bankiers. De financiële sector lijkt een zekere autonomie te hebben t.o.v. het economische systeem. Geld en winst zijn overheersende waarden geworden. Er waren echter ook economen die ethisch en maatschappijkritisch dachten, zoals Galbraith, Veblen en Keynes (zie CM 105-107).

De verzelfstandiging van de economie ging gepaard met een toenemende dominantie  van de instrumenteel rationele ecomische oriëntatie, die het leven ging beheersen. Max Weber en Habermas hebben dit uitvoerig beschreven (zie CM 74). De kwaliteit van het menselijke bestaan werd vooral beschouwd in termen van economische welvaart. Er ontwikkelde zich een “uitwendig concept van welzijn” in termen van vooral materiële behoeftenbevrediging. Dit leidde ertoe “dat mensen zich met een steeds groeiend park van apparaten omgeven... en het beslag per persoon op natuurlijke hulpbronnen alleen maar de neiging tot een voortdurende toename kan tonen... De moderne mens definieert zich als een wezen met oneindige behoeften en aspiraties,... binnen dit denkkader is tevredenheid met de eigen situatie uitgesloten” (p78).

Ondanks alle overvloed, leeft men in een voordurende schaarste, zoals ‘prinsesje nooitgenoeg’. Dit vraagt een permanente grensverlegging en innovatie. Mensen werden rusteloze doeners, voortdurend bezig met behoeftenbevrediging en zelfontplooiing, waar geen eind aan komt. Alles en iedereen wordt bezien in termen van nut en mogelijk rendement. De natuur wordt ‘tot op het bot’ gemanipleerd en geëxploiteerd. Talloze soorten overleven dit niet. Kortom, het gaat gepaard met een levenswijze die bij uitstek onduurzaam, milieuvernietigend en onbevredigend is.

Duurzaamheid vereist een fundamenteel ander type samenleving. Technologische oplossingen kunnen ertoe bijdragen, mits milieuvriendelijk. Maar meer technologie en meer economie is in principe niet de oplossing. Het gaat om andere technologie en andere economie, die maat houdt, circulair en duurzaam is. Milieuproblematiek en onduurzaamheid zitten ingebakken in (de logica van) het economisch en sociaal systeem en ook in de onderliggende waarden, die vooral materieel zijn. Winst maken is een centrale waarde.

Dit impliceert dat het evenwicht tussen het materiële en spirituele hersteld dient te worden. Geluk is in essentie een geestelijke toestand, die ook bij eenvoudig leven te realiseren is (zie Marius de Geus, Filosofie van de eenvoud, besproken in CM 32, 33 en 114). Als basale levensbehoeften zijn vervuld, is het zaak ons toe te leggen op geestelijke ontplooiing. Steeds meer spullen en apparaten blijken ons niet wezenlijk gelukkiger te maken. Dat zou wel kunnen gelden voor meditatie en natuurbeleving aldus beoefenaars. Zie bijv. Toon van Eijk, Klimaatcrisis, Gedragsverandering en bewustzijnsontwikkeling, besproken in CM 115 en 116.

De ‘western way of life’ wordt mondiaal verspreid met rampzalige effecten, die dringend moeten worden gestopt. Het is een destructief model van uitbuiting, dat directe aanpassing behoeft. Het houdt modiale ongelijkheid en kapitaalconcentratie in stand, desintegreert leefgemeenschappen, met als gevolg fundamentalistische en extremistische reacties die onze veiligheid bedreigen. De welvaart die er onmiskenbaar mee gepaard gaat, betreft vooral selecte groepen en sociale lagen. 

Natuurbeleving van het autonome subject      2022 01 28  nav Koo  van der Wal, Wat is er met de ethiek gebeurt?

Over duurzaamhid en de intrinsieke waarde  van de natuur

Mensen zijn apart gezet

als autonoom subject

door de verlichtingsdenkers

Bij sommige moderne denkers

worden ze weer ingebed

in het natuurlijke geheel

en zijn daarvan onderdeel

 

Het autonome subject

is geen koning van de schepping

maar een onbescheiden schepsel

dat zich heerser waande

van het reeds bestaande

en er zijn producten bij creëerde

die de aarde bijna ruïneerden

 

Op het toppunt van zijn macht

heeft hij de natuur verkracht

Op zijn beurt heeft hij te kampen

met een hele serie rampen

Pandemieën en cyclonen

en rivieren overstromen

 

Zo wordt het autonome subject

op zijn toebedeelde plek gezet

Moet hij boeten voor zijn zonden

zoals ooit boetepredikers verkonden

En hij moet zich ook bekeren

nu de goden* hem hun mores leren                      *Als personen opgevatte natuurkrachten

 

Alles heeft op onze aarde

een eigen intrinsieke waarde

Dieren, planten, bomen, mineralen

zijn niet louter handelswaren

Hebben ook hun eigen schoonheid

die ons mensen vaak verblijdt

 

Als wij de natuur niet langer kwellen*                   *Waarvan Goethe wetenschappers en technici betichtte

maar ons voor haar openstellen

en ons in de levende omgeving

verheugen in natuurbeleving

dan verdwijnen stress en druk

in een bovenmenselijk geluk

De natuur deelt dan haar vrede

aan ons mensen overvloedig mede

 

https://www.focus-wtv.be/nieuws/natuurbeleving-wandelen-en-spelen-langs-heulebeek 

Groei, modernisering en ontwikkeling

Socioloog Peter Berger onderscheidt ‘groei’, ‘modernisering’ en ‘ontwikkeling’. Het laatste heeft ook een politiek en ethisch aspect en “is zonder een conceptie van welzijn niet te definiëren. Welzijn... is een meerdimensioneel begrip, dat uiteraard de bevrediging van een aantal basisbehoeften omvat. Maar het betekent daarnaast  leven in een vriendelijke en veilige omgeving, voldoening vinden in je werk, überhaupt met zinnige dingen bezig zijn... leven in warme intermenselijke relaties... gevoel van eigenwaarde... in een redelijk intact zinkader leven en daaraan zijn geestelijke identiteit ontlenen” (p89). Dat laatste kan ook omgekeerd: een zinkader ontlenen aan bewustworden van de geestelijke identiteit. Tussen genoemde aspecten is een wisselwerking. In de huidige maatschappij ontbreekt hier vaak nogal wat aan, zowel hier als elders. Modernisering heeft niet tot blijvend en wijdverspreid geluk geleid en gaat niet rechtstreeks gepaard met welzijnsbevordering.

“Door erosie van de zinstructuur... grijpen gevoelens van vervreemding en ontheemdheid om zich heen... Eenzijdige economische gezichtspunten en belangen zijn maatgevend. De economische sector is niet meer ingebed in een meer omvattende politieke, sociale, juridische en culturele orde, maar dwingt de rest van het sociale systeem... met alle ontregeling en destabilisering van dien [en...] het milieu als de grote verliezer... Een sterk materialistisch getint welzijnsbegrip... is inherent onduurzaam” (p90,92). 

Wat dat betreft is er nog veel recht te zetten bij de angstzaaiende covidpandemie en andere tendensen 

De rol van de ethiek

Wat kan de ethiek betekenen bij deze economische, ecologische en existentiële problematiek? Het antwoord is al gegeven. Ethische filosofie verheldert contexten, achtergronden en oriëntatiekaders. Dit is nodig om een weg uit de ‘ellende’ te vinden. Het probleem kan niet op het niveau van het probleem worden opgelost, maar vraagt een ruimere visie, een stap terug en een diepere reflectie. Het calculerende en instrumentele rationaliteitsconcept schiet bijv. tekort, evenals het ééndimensionale materiële welzijnsbegrip. De geest dient weer zijn plek te vinden in een onttoverde wereld. Dat zal niet gemakkelijk gaan als het bestaan van zoiets als ‘geest’ wordt ontkent of wordt afgeleid uit de materie, uit hersenprocessen, en levensbeschouwing uit de economische onderbouw.

“Wat wij nodig hebben is... een nieuwe Verlichting... een tegenontwerp tegenover het gemechaniseerde wereldbeeld, waarbij de natuur een eigen leven en betekenis krijgt... een eerherstel van vormen van werkelijkheidservaring die niet aan de maakbaarheid van het object... gebonden, maar eerder contemplatief en participerend van aard zijn” (p97). Een bredere geestelijke verlichting dan alleen verstandsverlichting.

Er zijn volgens van der Wal “onderstromen in de moderne filosofie [...waarin] deze bijstelling van het dominante oriëntatiekader steun vindt”. Ook in literatuur en kunst, maar vooral in spirituele bewegingen (zie zijn boek Filosofie en spiritualiteit, CM 114). Die waren er ook vroeger. Hij citeert de spirituele natuurdichter Guido Gezelle, Goethe en ook Einstein over diens kosmische religie (Zie CM 26 en 27). We dienen ons open te stellen voor de ziel die luistert naar de taal van al wat leeft, om met Gezelle te spreken. De wereld weer te zien als schepping of “levend kleed van de godheid”, om met Goethe te spreken, wie of wat ook die godheid ook mag zijn als bron van zingeving, spiritualiteit, geluk, sympathie en liefde. Zo kunnen we beperkt perspectief van egocentrisch calculerend eigenbelang overstijgen, dat in de moderne tijd maatgevend lijkt geworden.

Tot slot pleit Van der Wal voor “een ethiek van verbondenheid [die...] de mensen terugplaatst in de grote familie van zijnsvormen [en...] het rijk van de geest” (p101). Dus geen objectieve buitenstaander, die slecht oog heeft voor de insrumentele waarde van de natuur die hij exploiteert, maar een deelnemer, die zich in sympathie verbindt met de natuur en medeschepselen. Dit impliceert een zorgzaam omgaan met onze medebewoners, “als participant in het grote bezielde verband” en “denken vanuit verbondenheid”. Van der Wal wijst op onderstromen in de filosofie, religie en cultuur,  waarbij hiervan al sprake was: Franciscus, Cusanus, Schweitzer (voor beide zie CM 115), Bergson (CM 117, ook Max Scheler die in dit nummer wederom aan de orde komt) en de Romantiek (CM 110-113). In meer artikelen in Civis Mundi komt een ander perspectief naar voren als alternatief voor het neoliberalisme, dat de huidige economie en maatschappij nog domineert. 

 5. Een nieuwe maat van het bestaan als alternatief voor de huidige mateloze levenstijl?

“We leven in onze westerse technologische samenleving op veel te grote voet, individueel zowel als collectief.” Zo doen we onszelf de das om en “ondergraven we haar eigen bestaansvoorwaarden” (p103). Het veranderen van een consumptieve instelling voor “een levenstijl van bewuste soberheid” lijkt gemakkelijker gezegd dan gedaan. Volgens Toon van Eijk is daarvoor bewustzijnsontwikkeling nodig en helpt meditatie daarbij (zie boven). Voor ons welbevinden zouden we daardoor minder afhankelijk van spullen en apparaten kunnen worden en op een verstandigere en meer gebalanceerde manier met techniek kunnen omgaan, zonder er al te zeer van afhankelijk te worden., Meer gegrond in onszelf en ons innerlijk welbevinden.
Van der Wal pleit met de veelzijdige fysicus en homo universalis Carl Friedrich von Weizsäcker voor een nieuwe askese en zelfbeheersing, waarvoor echter maar weinig mensen lijken te porren. De meeste mensen willen meer, niet minder. Dit meer is te vinden in onszelf. Daar is mogelijk meer geluk te vinden dan in de materiële omgeving. Bovendien hangt het op waarde schatten van de omgeving af van ons bewustzijn. Dus laten we daar vooral aandacht aan besteden. Hij wijst op “de noodzaak van een ander oriëntatiekader... een wijze van leven die men zich innerlijk eigen gemaakt heeft” (p109,110). De motivatie dient van binnen te komen. De omgeving biedt aanleidingen en problemen genoeg die een andere levenswijze noodzakelijkk maken.

“Het dominante denkraam”, het gemechaniseerde, antropocentrische wereldbeeld, waarin de werkelijkheid naar de menselijke hand wordt gezet, gemanipuleerd en geëxploiteerd, en de mens een vervreemd en ‘dispaced person’ is geworden, is dringend aan verandering toe. We hebben een ander verhaal nodig, “een ander werkelijkheidsbeeld” (p114). Van der Wal schetst filosofische voorwaarden daartoe. Het dualisme van Descartes en het gemechaniseerde wereldbeeld van Newton werden door Capra reeds bestreden (CM 110). In het voorgaande werd de ethiek van verbondenheid beschreven. Tal van filosofen hebben hun zegje hieromtrent gedaan: Schweitzer, Buber, Scheler, Levinas, Jaspers, Heidegger (‘Mitsein’), Gabriël Marcel, Camus, Nussbaum e.a.

Het gaat erom dat “de mens zich met het hem omgevende weet opgenomen in het omvattende leefverband van de natuur... de overkoepende orde die de mens zijn plaats te midden van het hem omgevende en niet daarbuiten en daarboven aanwijst” (p118). Het gaat erom dat we ons “openstellen voor de wondere wereld”, eventueel in een “contemplatief’ verzonken zijn” (p119). De natuur niet meer enkel zien als “voorraadschuur van materiaal” maar in verbondenheid en respect voor haar intrinsieke waarde. Daarover gaat een volgend artikel. Dus in plaats van een egocentrisch een open ecologische visie. 

6. ‘Hebben’ en ‘zijn’: naar een verbreed welzijnsbegrip

Het zat eraan te komen, een exposé over een bredere vorm van welzijn. Het consumentisme blijkt niet bevredigend en te weinig welzijn op te leveren, maar veel “overbodige luxe, verkwisting, vervuiling en ander milieubederf, verschraalde sociale relaties en geestelijke leegte” (p123). Toe maar. Er zijn geen morele grenzen aan onze consumptie, omzetverhoging, groei en grensverlegging. Het eind is zoek. Wat is een alternatief voor deze verkwistende en weinig bevredigende levensstijl?

“Een levensstijl is een collectief handelingspatroon” (p127). Dit hangt samen met een collectief bewustzijn, zoals ook Toon van Eijk benadrukt. Door Emile Durkheim wordt dit gedefinieerd als “gemeenschappelijke gevoelens en gedachten”. Van der Wal gebruikt de term referentiekader. Het komt neer op de wereldbeschouwing en heeft meer met gedachten dan gevoelens te maken. Gevoelens zijn vaak meer motiverend en meer bepalend. Onze wereldbeschouwing kenmerkt hij in termen van 1. ‘onttovering’, 2. ‘activisme’, 3. ‘radicaal antropocentrisme, 4. ‘instrumentalisme’ en 5. ‘een uiterlijk welzijnsbegrip’.

  1. Onttovering houdt in dat de werkelijkheid ontzield en verzakelijkt is, ook ontheiligd, geobjectiveerd. “Een groot ‘bezield verband’, waarbinnen alles zijn eigen plaats en zijnswijze had” legde het loodje (p129). De werkelijkheid werd gemechaniseerd tot een “aggregaat van dode dingen”’, die men naar believen kon manipuleren, niet meer “een leefgemeenschap van ‘wezens’”.
  2. Dat manipuleren doen we activistisch, als “rusteloze doener” (p131). Altijd aan het plannen, beheersen en exploiteren.
  3. Alles dient gebruikt te kunnen worden voor de menselijke zelfontplooiing, die centraal staat, maar erg uiterlijk gericht is in termen van materiële behoeftenbevrediging.
  4. De dingen en mensen zijn instrumenten daartoe.
  5. Het welzijn is uitwendig in termen van uiterlijk succes. Het welzijn hangt af van hoeveel we hebben, van uiterlijke middelen, van onderwijs. Maar ook daar is kennis uiterlijk gericht op beheersing, en weinig innerlijk gericht, niet spiritueel. Mensen leven niet meer van binnenuit, maar ‘outer directed’ (zie David Riesman, The Lonely Crowd). De innerlijke gerichtheid die er is, wordt door Christopher Lasch ‘narcistisch’ genoemd in De cultuur van het narcisme. Het hangt samen met het genoemde antropocentrisme.

Welzijn is echter “een meerdimensionaal begrip omdat de menselijke persoonlijkheid verschillende lagen omvat”. Dat geldt ook voor menselijke behoeften. Mensen hebben niet alleen uiterlijke materiële behoeften, maar ook sociale en geestelijke behoeften, waaraan voldaan dient te worden wil er welzijn genoten worden. Onze hoge materiële levensstandaard gaat samen met wijdverbreide onvoldaanheid en innerlijke leegte. Depressies en burnout tieren welig, alsmede allerlei andere psychische en geestelijke problemen. Ons leven is vaak niet ontspannen en evenwichtig, maar ontworteld, druk en jachtig, onpersoonlijk en vervreemdend.

“Belangrijke dimensies van welzijn... liggen op het tussenmenselijke en spirituele vlak” (p140). materiële welvaart en welzijn kunnen op gespannen voet met elkaar staan. Want we moeten hard werken voor die welvaart, vaak ten koste van ons welzijn. Terwijl de spullen die we kopen vaak maar beperkt en tijdelijk bijdragen tot ons welzijn, maar blijvend bijdragen tot natuurbederf. Het steeds meer willen verschaft geen geluk. Dat zou wel te vinden zijn in “de spirituele dimensie” in een bestaan dat “van geest doortrokken is.”

Dit betreft een dimensie van de werkelijkheid die onze alledaagse realiteit overstijgt... die ons bestaan diepte en spankracht verleent... en uitdrukking is van een achterliggende mysterieuze werkelijkheid... Een hele reeks vooraanstande 20e eeuwse fysici, die zich dus beroepshalve bezighouden met de empirische kant van de (anorganische) natuur, achten deze toch verankerd in een achterliggende ‘wonderbaarlijke’ werkelijkheid” (p141,142, zie CM 26,27,101 en 108 over kwantumfysici). Deze werkelijkheid lijken velen vergeten, levend in “innerlijke leegte”, “existentiële frustratie”, “een diep zinloosheidsgevoel” en “zijnsvergetelheid”.

Onze denk- en leefwijze is aan een revisie toe, waarbij andere dimensies van welzijn geopend worden. Afgezien van de onbetaalbaarheid in termen van ‘ongeprijsde lasten’ voor onszelf en toekomstige generaties, is onze levenswijze vaak onbevredigend, uiterlijk en oppervlakkig. We staan voor de opgave om een verschuiving van ‘hebben’ naar ‘zijn’ te realiseren. Naar spiritualisering en “dematerialisering’ van onze leefwijze, aandacht voor de innerlijke kant van het bestaan... persoonlijke ontplooiing, duurzame en diepgaande sociale relaties en spirituele verdieping” (p145).

“Het welzijnsbegrip maakt altijd deel uit van een omvattender referentiekader dat een werkelijkheidsbeeld, een zelfopvatting, een waardenleer en een kennisconcept omvat.” Dit is ook het geval bij de cultuurtypen van de socioloog Sorokin in Social and Cultural Dynamics: A Study of Change in Major Systems of Art, Truth, Law and Social Relationships. Al deze componenten hangen samen. Het wereldbeeld verandert geleidelijk van mechanistisch naar organisch en holistisch, zie bijv. Het deel en het geheel van Werner Heisenberg, een tekenende titel (besproken in CM 101) en de werken van Fritjof Capra, waarin het de organische systeembenadering naar voren komt, die zich kenmerkt door zelforganisatie e.d. (CM 110).

Bij het biomedische model heerst nog het mechanische, chemische en farmacetische denken, maar ook daar komt verandering in volgens de serie ‘Nieuwe wegen in de gezondheidszorg’ van Maarten Rutgers e.a. (CM 98,99,105,107,114). Volgens Sorokin ligt de opkomst van een meer idealistisch of ideëel cultuurtype in de lijn der verwachtingen, als de cyclische beweging van onze cultuurgeschiedenis wordt doorgetrokken. Het huidige cultuurtype stuit op grenzen, die een omslag noodzakelijk maken, wil zij niet ten onder gaan. Onze cultuur heeft zich vaker hervormd, dus waarom niet nogmaals nu de tijd dringt en steeds meer mensen er klaar voor zijn en klaar mee zijn? 

 

https://www.c-and-a.com/be/nl/shop/kinderen-natuurbeleving  

Meevibreren                          2022 01 31 n a v Koo van der Wal, Wat is er met de ethiek gebeurd?

 

Filosofen denken

dat zij met hun denken

de wereld kunnen doordenken

Als zij haar hebben doordacht

blijven problemen van kracht

 

Laten we met goed fatsoen

daarom daar iets aan gaan doen

Bijvoorbeeld minder consumeren

en wat meer gaan mediteren

 

Met de bomen meevibreren

als een deel van de natuur

in een kosmisch avontuur

waarin wij medespeler zijn

op een kosmisch speelterrein

 

https://www.nieuwetijdskind.com/een-ongewoon-gesprek-met-bomen/ 

7. Intrinsieke waarde van de natuur

Dit onderwerp is al naar voren gekomen bij het bespreken van het werk van Fritjof Capra in CM 110, met naam deel 4. Dierenrechten zijn al enige tijd aan de orde. Dit wordt uitgebreid naar bomen, planten, rivieren, bossen, bergen en landschappen. Er verschijnen boeken die ‘ecocide’, het vermoorden van ecosystemen, een juridische basis willen geven. Zie bijv. Jessica den Outer, Rechten voor de natuur en werken genoemd in CM 110. Bergen, rivieren en landstreken hebben namen. In India en andere landen vertegenwoordigen zij goden of godinnen. Het zijn levende wezens met een eigen identiteit. Er wordt nu aan gewerkt om ze ook een rechtspersoonlijkheid te geven.

De oude filosofie vanaf Descartes, waarbij de natuur slechts bestond uit materiële dingen, die ruimte innemen, ‘res extensa’, wordt de laatste tijd vaak verlaten. Ze hebben geen eigen waarde, slechts gebruikswaarde. Ook bij Kant: “Geen mens mag de schoonheid van de natuur vernietigen, want als hij deze niet gebruiken kan[!], kunnen echter andere mensen er gebruik van maken” (p161). Hun waarde wordt door de mens toegekend.

Een dergelijke visie zien we reeds in bijbelboek Genesis, waarin de mens als heerser over de natuur geldt. De hoofdlijn van de westerse filosofie, inclusief de machtswil en de Übermensch van de onbijbelse Nietzsche, liggen in het verlengde daarvan. De scheiding tussen mens en natuur en ook tussen God en de natuur heeft bijbelse wortels. In andere culturen ligt dat anders, evenals bij sommige meer ‘mystieke’ en pantheïstische visies. Bijv. bij Giordano Bruno, Spinoza, Schelling (Von der Weltseele), zie Van der Wal (Symfonie van de natuur).

Dat de natuur intrinsieke waarde zou hebben, past niet in de westerse ‘mainstream’ filosofie sinds Descartes, “waarin ook een stricte scheiding tussen ‘zijn’ en ‘behoren’ wordt doorgevoerd” (p159). Alsof de natuur geen normen en waarden kent en slechts een geestloze substantie is, die door de mens als middel gebruikt kan worden en daaraan zijn waarde kan ontlenen. “Waarom zou de natuur van haar kant dan niet geestelijk (kunnen) zijn en op zijn minst langs die weg ook weer een locus van waarden?” (p 166).

Van der Wal wijst erop dat een dergelijke visie ook een andere kenleer of epistemologie heeft, namelijk “een geïnvolveerd subject” (p169).

Mensen worden weer deelnemers aan de natuur. “Epistemologie, ontologie [zijnsleer] en axiologie [waardenleer] veronderstellen elkaar over en weer” (p165). We kunnen de natuur en andere mensen begrijpen door ons ermee te verbinden, ons te involveren. Dit gaat in de richting van ‘verstehen’, of inlevend begrijpen, van Dilthey en Max Weber (zie CM 117) en leidt tot “het eerherstel van de alledaagse ervaring”. Antropoloog en godsdienstwetenschapper Mircea Eliade spreekt van De magie van het alledaagse in zijn gelijknamige werk, over een wereld die niet ‘onttoverd’is. Er zijn fysici zoals Schrödinger (Mind and Matter) en Eddington(The Nature of the Pysical World) en vele anderen die menen dat ook de fysische natuur in essentie bewustzijn is (Zie CM 26,27).

Het idee dat de natuur bezield is, is aanwezig in een onderstroom in het westerse denken, die in de organische visie tijdens de Romantiek en in de levensfilosofie meer tot uiting kwam (zie CM 110-113, 117). “Organismen kunnen zonder doeloriëntatie niet gedacht worden ofwel doelen zij constitutioneel voor de organische zijnswijze. Die doelen hebben voor het organisme het karakter van waarden, kortom, organismen kunnen zonder dat wezenlijke kenmerk van waarde-georiënteerdheid niet adequaat getypeerd worden” (p176-177). Bioloog en cyberneticus S T Bok typeert ze als ‘normgebonden eenheden’ (CM 99). Dat komt in de buurt van ‘waarde-gebonden’ eenheden. Het heeft te maken met een verondersteld latent bewustzijn, zoals bij Teilhard de Chardin (CM 98,99).

“Inderdaad zijn organismen structuren die juist door een integratie van subject- en object-kenmerken gekarakteriseerd zijn. Enerzijds zijn het ‘dingen’... tegelijk zijn het zelfstandige centra van actie, grenzen ze zich van de omgeving af, organiseren en handhaven ze zichzelf als dynamische vorm via stofwisseling met de omgeving, en bezitten ze zo een binnenkant en een eigen perspectief. Ze ondergaan niet alleen invloeden van de buitenwereld, maar spelen daar ook actief en creatief op in en oefenen zo een vorm van spontaniteit uit. Wat is dat echter anders dan te zeggen dat ze subject- of zelfkarakter hebben?” (p177). In zo’n perspectief is het plausibel dat zij ook ook een intrinsieke waarde hebben, die dierproeven, massaslachtingen en natuuronvriendelijk gedrag op zijn minst te denken geven. Dit perspectief brengt “beschermwaardigheid” van de natuur met zich mee.

Evenals Capra (CM 110) wijst Van der Wal op het kenmerk van “zelforganisatie, openheid, activiteit, spontaniteit en mogelijk doelstrevendheid” van levende wezens, die ook al latent wordt verondersteld in de niet-levende materie als “embryonale vorm’ van het levende” (p178, fysicus Hans-Peter Dürr, zie ook Teilhard de Chardin en levensfilosofen als Bergson). Dit brengt een eigen waardigheid van levende en zelfs niet-levende materie met zich mee. Albert Schweitzer kwam door een soort mystiek eenheidsbesef tot het normatieve principe van ‘eerbied voor het leven’, die de hele schepping omvat (zie CM 115). 

 8. Ouder worden

Dit actuele onderwerp is meer persoonlijk dan de eerdere thema’s: engagement, mensenrechten, duurzaamheid, holistisch welzijn en rechten voor de natuur. Het heeft consequenties voor ouderenbeleid, waar Van der Wal uitgebreid op in gaat. De oudere levensfase kent ook specifiek ethische en zingevingsproblemen. Vooral in de “‘Faustische’, dynamische cultuur, waarin de mens als doener wordt gezien, die in feite geen grenzen en beperkingen erkent, maar in een geheime drang naar oneindigheid steeds nieuwe ruimten betreedt en nieuwe mogelijkheden exploreert. De grondhabitus van onze cultuur is er een van toekomstgerichtheid.” Oudere mensen krijgen steeds minder toekomst en steeds meer verleden. Jongeren passen meer dan ouderen in een dergelijke cultuur, waarin ouderdom als een ongeneeslijke ziekte wordt beschouwd. Hij citeert Benjamin Franklin, die schreef: “Alle ziekten kunnen worden voorkomen of genezen, behalve de ouderdom” (p187).

In de moderne cultuur verkeert ouderdom in een crisis of “zelfs een noodsituatie” (p191). hun kennis veroudert steeds sneller in plaats van een voorsprong te geven. In de gemeenschap spelen ze vaak geen rol van betekenis meer, als ze met pensioen zijn en geen functie meer hebben. Ze zijn als het ware overbodig geworden en de maatschappij tot last als ze ziek worden. Ouderenzorg brengt hoge kosten met zich mee. “Ze komen naast de maatschappij te staan en tellen niet echt meer mee.”

Robert Butler speekt van ‘ageism’: “een diep vooroordeel tegen ouderen” (p192). Wijlen Wim Couwenberg sprake van leeftijdsdiscriminatie. Te vergeljken met racisme en seksisme. “Ouderen hebben niet alleen het recht, maar zelfs de plicht zich uit het openbare leven terug te trekken” (p194). In onze cultuur staat jong en jeugdig zijn hoog in aanzien, in tegenstelling tot andere, vaak premoderne culturen, waain ouderen juist in aanzien staan. “Onze  moderne cultuur heeft aan die zogenaamde inbreng van de oudere mens geen boodschap meer... maar oriënteert zich aan een ideaal van menszijn dat rusteloos van de ene revolutionering van de samenleving èn zichzelf... naar de andere voortjaagt.”

“Ik geloof dat wij een beetje uit de roes van dat modernistisch ideaal van menszijn beginnen te ontwaken en merken dat het fundamentele menselijke aspiraties en behoeften, met name op het spirituele vlak, onbevredigd laat en ik denk dat in dit opzicht van een speciale inbreng van ouderen in het samenleven sprake kan zijn... Dat de ouderen áls ouderen door de bagage waarover zij gaan beschikken meedoen en meespreken en niet op een zijspoor gerangeerd worden... Ouderen hoeven dan niet krampachtig te proberen zolang mogelijk jeugdig te blijven – die strijd verliezen ze vroeg of laat toch -, maar kunnen het hebben van eigen expertise, zogezegd, waarover zij beschikken. Dat kan heel goed samengaan met een terugtreden in bepaalde opzichten... met een plaats maken voor jongeren.” Zo pleit Van de Wal voor “een herwaardering van de oudere leeftijd” en aangepaste “inschakeling van ouderen in het arbeidsproces” (p198,199).

Dit hoofdstuk is meer een cultuurfilosofische en sociologische beschouwing dan een ethisch stuk. Van der Wal gaat verder niet of nauwelijks in op specifieke ethische problemen bij het ouder worden. Noemt alleen “een steeds verder gaande verlenging van het leven” die volgens hem beter gericht kan worden op “verbetering van de kwaliteit ervan en op het lenigen van het lijden” (p199,200). Niets over euthanasie en de problematiek van ‘voltooid leven’, de onbetaalbaarheid van de AOW door een krimpende jongere generatie, als mensen in grote getale steeds ouder worden. Bij overvolle I.C.’s kwam het probleem van de triage dichterbij, waarbij jongere mensen voorrang zouden behoren te krijgen, enzovoort. Euthanasie kwam aan de orde in CM 28, 30, 41, 80, 85, 87, 89 en 90. Voormalig hoofdredacteur Wim Couwenberg heeft er tot vlak voor zijn dood aandacht aan besteed. 

https://www.bol.com/nl/nl/p/ouder-worden-is-niet-zo-erg-als-je-denkt-aan-het-alternatief/9200000017455229/

Slot

In het slothoofdstuk, dat in het eerste deel van dit artikel al aan de orde is gekomen, vat Van der Wal moderne ontwikkelingen samen: beheersingsdenken, ‘onttovering’, rationalisering, mechanisering, enz. De oude ethiek met een individueel subject schiet tekort in onze complexe, snelveranderende industriële wereld, waarin grote bedrijven en organisaties bepalend zijn. Die worden in toenemende mate verantwoordelijk gesteld en aangeklaagd. De Nederlandse staat werd met succes aangeklaagd door Urgenda, Shell door Milieudefensie, Tata Steel wordt ook in het defensief gedrongen en ziet de bui al hangen. De vervuiler dient in toenemende mate te betalen.  Er wordt gewerkt aan het strafbaar stellen van ecocide. Zie hierover Ecologie en wet van Fritjof Capra c.s. in  CM 110.

Ook wordt steeds meer een appèl gedaan op de morele verantwoordelijkheid van burgers, met name ook bij de coronamaatregelen, waarbij ethische beginselen en grondrechten onder druk komen te staan en ethische dilemma’s en trilemma’s zich voordoen (zie CM 116 en 117 over De volgende pandemie van Peter van Bergeijk). Een en ander was mede aanleidng tot de ethische bezinning in deze artikelenserie over ethische filosofie, die wordt voortgezet.

  

Op leeftijd                         2022 02 05 N a v Koo van der Wal, Wat is er met de ethiek gebeurd? Hfst 8 Ouder worden

 

De oudere leeftijd

is een tijd voor spiritualiteit

om zich naar binnen te begeven

naar het innerlijke leven

 

Tijd om meer te mediteren

het leven te bereflecteren

het triviale af te weren

en het Hogere te eren

 

Tijd voor een ander perspectief

Ondanks ouderdom en ongerief

Tijd om tot zichzelf te komen

In de stilte te gaan wonen

 

Tijd om zich openen voor wijsheid

met een bovenaards bereik

In het licht der eeuwigheid

vindt het leven duurzaamheid 

 

Bijlage: aandacht voor jongeren en kinderen

Ouderen zijn een kwetsbare leeftijdgroep, die ook sociaal gezien in een zwakkere positie terechtkomen, mede door uitsluiting bij het arbeidsproces. Dit geldt echter ook voor jongerenen kinderen. Zij hebben zeker zoveel recht op zorg en aandacht als ouderen, temeer daar zij nog een lang leven voor hen hebben. De milieuproblemen waar Van der Wal over schrijft treffen hen op langere termijn dan ouderen, die binnen afzienbare tijd bij wijze van spreken ‘de zondvloed achter zich kunnen laten’. Daarom is vooral aan de jongere generatie aandacht besteed in een artikel over de boeken van generatiesocioloog Henk Becker, Generaties en hun kansen en De toekomst van en verloren generatie (zie CM 108). Ook de positie van ouderen komt daarin aan de orde.

Bij de mileu- en klimaatproblematiek die verstrekkende effecten kunnen hebben voor toekomstige generaties, gaat de aandacht vaak naar jongeren, die belast worden met milieuproblemen die ze zelf niet veroorzaakt hebben. Daar komt nog bij dat een vaak slinkend aantal jongeren de AOW van een toenemend aantal ouderen dient op te brengen, naast het afbetalen van hun studieschuld. Bij de coronacrisis werden kinderen en jongeren disproportoneel belast. Geruime tijd werd hen onderwijs ontzegd en mogelijkheden tot sport en andere sociale contacten. Terwijl ze zelf nauwelijks last hebben van corona. Als vanzelfsprekend werd ervan uitgegaan dat zij zich als het ware behoren op te offeren voor de maatschappij en de gezondheid van volwassenen en ouderen, want dat zou ook in hun belang zijn, werd er soms bij gezegd. Vele deskundigen hebben kritische kanttekeningen geplaatst bij proportionaliteit van de maatregelen, met name als deze ook het ontzeggen van rechten voor kinderen en jongeren betroffen.

‘De tijd van je leven’ was de titel van een documentaire van Zembla met de volgende beschrijving (NRC 10 feb), die raakpunten heeft met de ethische problematiek die Van der Wal schetste: “Jong zijn zou de leukste tijd van iemands leven moeten zijn... waarin je de kans krijgt het leven en jezelf te ontdekken, te studeren en te experimenteren. Maar dit beeld klopt allang niet meer. Wereldwijd kampt één op de zeven jongeren met ernstige mentale problemen. Deze trend werd al ingezet voor de coronapandemie, maar de lockdowns en het digitaal leren hebben de situatie alles behalve verbeterd. Jongeren zuchten zwaar onder de druk van de moderne ‘prestatiemaatschappij’. Het stijgende individualisme en het geloof in de ‘maakbare mens’ leiden tot stress, depressies, eenzaamheid en zelfmoordgedachten. Deze generatie heeft geen onvoorwaardelijk geloof meer in de toekomst: zij maken zich zorgen over het klimaat, hun torenhoge studieschuld, de totaal dichtgeslibte woningmarkt waardoor starters nauwelijks meer een huis kunnen vinden.”

Vooral de jongere generatie staat voor bijna onmogelijke uitdagingen. De ouderen hebben het nakijken. Zij hebben er eigenlijk onbedoeld een puinhoop van gemaakt, ook al hebben ze nog zo hun best gedaan en hard gewerkt. Het heeft velen geen windeieren gelegd. Velen zitten op rozen in eigen huizen en hebben een ‘leisure’-leven met veel vrije tijd, die zoals Van der Wal schrijft,m meer en beter ingezet zou kunnen worden in het arbeidsproces, vrijwillige arbeid daarin meegenomen. Ook hun inzicht en spreekwoordelijke wijsheid, of wat daar nog van over is in onze geseculariseerde maatschappij, zouden ingezet kunnen worden om zo een bijdrage te verlenen tot het opruimen van de puin die ze ongewild mede hebben veroorzaakt. 

Bij illustratie: Deze jongeren zien het nog zitten ondanks de puinhoop. https://www.festivate.nl/puinhoop-kollektiv/

Existentiële kindervragen

Onze kleindochter van zes heeft existentiële vragen, die haar intens bezig houden. Of ze die ook aan ons kan stellen. ‘Waarom ben ik op aarde?’, is haar vraag. Voor ze op de aarde kwam, was ze in de hemel. Daar was het fijner. Want ze vindt het op de aarde maar stom. Maar tekenles vindt ze leuk. Daarvoor is het wel de moeite waard om op aarde te zijn. En paardje spelen op de rug van opa vindt ze ook leuk. En ze heeft een heel lief klein broertje, een zusje en nog een broertje, waar ze fijn mee kan spelen en vriendjes en vriendinnetjes in de straat.

Toen ze nog klein was, danste ze en huppelde ze zingend door het leven. Haar aanwezigheid vulde de hele kamer, als zij van de opvang kwam. Binnen een mun van tijd verbouwde zij met haar broertje de hele kamer tot een speeltuin. Maar nu blijkjt dat de aarde geen speeltuin is.

Oma vertelde haar een verhaaltje van de zon, waarvan ze zo vaak mooie tekeningen maakte. Terwijl Oma vertelde, ging zij het tekenen. De zon stuurde stralen naar de aarde, waar het anders donker is. Alle mensen zijn zonnestralen, maar dat waren zij vergeten, toen ze op de aarde kwamen. Oma Corrie van 98 is het zeker ook vergeten, want die weet niet eens meer hoe haar achterkleinkinderen heten en haalde hun namen door elkaar.

Haar tweede vraag is: ‘Hoe kan ik weer terug naar de zon?’ Zij tekende de zon en de aarde en de zonnestralen. Weet je wat, zei Oma: ‘we gaan het vragen aan de zon’. ‘Maar hoe dan?’ vroeg ze: ‘Oh, ik ga de zon een brief schrijven om het te vragen.’ En ze schreef op de achterkant van haar tekening: ‘Hoi Zon, mag ik je iets vragen? Mag ik weer terug naar jou? Oma mocht de tekening meenemen en mag hem houden. Zij maakt nog een nieuwe tekening met de planeten erbij. Volgende week komen Oma en Opa weer. Misschien wel met een antwoord van de zon. 

De onttovering van de kinderwereld

Kinderen groeien tegenwoordig op in een ‘onttoverde’ wereld zonder god en heiligen, waarmee hun grootouders nog werden opgevoed. De televisie en de dvd recorder drukken een sterk stempel op hun leven, waarin een onbegrijpelijke wereld binnenkomt en mensen elkaar bestrijden en moeilijk doen. Als ze groter worden, krijgen ze een mobiele telefoon en wordt ook de kinderwereld gedigitaliseerd en gevangen in het web van internet.

Door corona werd het er niet beter op. De school en de opvang werden enige tijd gesloten. Toen ze weer open gingen, waren er wisselende juffen en dat maakte het er niet leuker op. Sommigen kinderen kregen er soms buikpijn van, andere hoofpijn, maar corona kregen ze niet. Soms moesten ze zich laten testen. Dat was ook niet leuk, zo’n staafje in je neus.

Gelukkig vertellen Papa en Mama en Oma en Opa nog verhaaltjes die het leven mooier maken. En opa neemt de volgende keer boekjes mee uit India over lang geleden, toen mensen nog goden en wijzen waren die met de zon konden praten. 

https://www.thuisblijfmama.be/kinderen-beschermen-tegen-de-zon/ 

Kind van de zon                             2022 02 16

 

Een meisje van een jaar of zes

houdt het meest van tekenles

Zij tekent graag naar hartelust

zich van geen probleem bewust

 

Hier op aarde is het stom

Mensen doen gemeen en dom

Dat is niet zo bij de zon

waar haar leven ooit begon

 

Omdat de zon ons warmte geeft

en aan alles wat op aarde leeft

Daarom tekent zij de zon

waar haar leven ooit begon

 

Terwijl zij naar de sterren staarde

zei zij: waarom ben ik op de aarde?

Ik wil weer terug naar de zon

waar mijn leven eens begon

 

Weer terug naar het licht

zag zij als een heilige plicht

Een lichtstraal wil ik zijn

en de aarde tot een licht zijn

 

Verbonden met de zon

waar haar leven begon

Maar als zij er niet zou zijn

zou het minder vrolijk zijn

 

De aarde was dan armer

Minder licht en minder warmte

van een kleine zonnestraal

die de hemel naar de aarde haalt

 

En zij tekende een mooie aarde

die de zon haast evenaarde

Verbonden met de zon

waar haar leven ooit begon