Leven en werk van Nietzsche in kort bestek

Civis Mundi Digitaal #121

door Piet Ransijn

Bespreking van Paul van Tongeren, Nietzsche. Amsterdam University Press, Elementaire deeltjes, 2016 (4e druk 2018).

Nietzsche’s filosofie is sterk verbonden met zijn leven en zijn tijd. Het gaat erom een zinvol, waardevol, juist en deugdzaam, eerlijk en waarheidslievend leven te leiden. Bij Nietzsche ook een filosofisch leven van (zelf)reflectie en (zelf)kritiek. Maar welke waarden, welke deugden en met welk doel? In plaats van filosofisch te leven verzamelen filosofen meningen van andere filosofen en geven deze aan hun studenten door met hun eigen meningen en commentaar. Filosofie was in Nietzsche’s tijd verworden tot het doorgeven van heersende meningen.

Van Tongeren, de huidige Denker des Vaderlands, is gepromoveerd op Nietzsche en heeft enkele boeken over hem geschreven. Hij verbindt Nietzsche’s filosofie met zijn leven en geeft diens meningen en visie weer met zijn commentaar daarop. Maar hij gaat vooral in op zijn wijze van filosoferen en kritische zelfreflectie. Van Tongerens boek Het Europese nihilisme verscheen onlangs in een nieuwe editie. Ook in zijn inleidende boek Nietzsche heeft het nihilisme een belangrijke plaats. Nietzsche’s filosofie is te beschouwen als een antwoord op het nihilisme en de dood van God. Zie de bespreking van het boek van Manschot in dit nummer.

De inleiding van Van Tongeren geeft een beknopt algemeen beeld van het leven en werk van Nietzsche. Het boek van Manschot komt na deze inleiding in een ruimer kader meer tot zijn recht. Er zijn meer Nederlandse inleidingen verschenen van o.a. Antoon Vloemans, Josephine Meijer en F. Reddingius-Salomonson. Het boek van Manschot wordt in de bespreking vergeleken met dat van Reddingius en komt deels overeen. Van Tongeren legt een ander accent dan Manschot, die Nietzsche’s filosofie van de aarde presenteert als antwoord op het nihilisme Bij Van Tongeren evenals bij Nietzsche krijgt het nihilisme slechts een voorlopig en geen duidelijk antwoord. Volgens Van T. construeert iedereen “zijn eigen Nietzsche” en zijn mening over hem (p12). Hij geeft naast een korte biografie een beknopt overzicht van de werken van Nietzsche aan de hand van treffende citaten, zoals Reddingius dat uitgebreider deed. 

Fascinerend en tegenstrijdig

Nietzsche is een fascinerend en prikkelend filosoof. Maar zijn arsenaal van losse gedachten en aforismen is vaak moeilijk te volgen. Hij heeft haast overal een mening over en komt rond uit met zijn kritiek, maar spreekt zichzelf vaak tegen. “Karl Jaspers heeft wel opgemerkt dat er in het werk van Nietzsche nauwelijks een stelling is te vinden waarvan het tegendeel niet ook in datzelfde oeuvre kan worden aangetroffen” (p11). Je kunt het hartgrondig met hem oneens zijn, maar toch aan het denken worden gezet. En haast iedereen kan bij Nietzsche wel iets naar zijn gading vinden.

Nietzsche leidde een denkend leven, maar leefde ook vanuit zijn hart en hartstocht (voor de waarheid, voor authenticiteit). Dat botste weleens met elkaar: verstand en gevoel zitten niet altijd op één lijn, evenmin als Dionysische vervoering en Apollinische redelijkheid. Het laaste verwijst naar de complementaire tegenstelling uit zijn eerste werk Die Geburt der Tragödie.

Leven is een spontaan gebeuren. Als je daarover teveel nadenkt, kan het problematisch worden. Gevoelsmatig heeft het als vanzelf zin. Je hebt er zin in of niet. Als je over de zin gaat nadenken, valt alles te betwijfelen en kan het leven op losse schroeven komen te staan. Nietzsche kon geen genoegen nemen met de heersende levenswijze van zijn tijd, die hij weinig spontaan en onecht vond. Niet vanuit het hart, maar vanuit opgelegde gewoontepatronen en heersende meningen, die Nietzsche als leugens en bedenksels ontmaskerde en verwierp. Hij kon daar niet in geloven. Van T. beschrijft hoe hij daartoe kwam, hoe het verder liep en hoe het afliep. Zijn boek werd eerder onder de aandacht gebracht in CM 39, maar slechts kort besproken.

Een andere reden voor de populariteit van Nietzsche naast zijn cultuur- en religiekritiek is zijn “stilistisch meesterschap” (p11). Hoewel zijn taal vaak ook overdreven overkomt en de samenhang tussen zijn spitse aforismen een puzzel blijft, schrijft hij pakkend, appèlerend. Bovendien blijft zijn werk relevant. Het nihilisme is nog steeds niet overwonnen, maar misschien wel verzacht door consumentisme met “ons pretje voor de dag en ons pretje voor de nacht,” zoals Nietzsche schrijft over de laatste mens in Zarathoestra’s Vorrede. Zijn cultuurkritiek blijft actueel, zoals Van T. laat zien.

Nietzsche als gymnasiast

Beknopte biografie: de jeugdige Nietzsche

Nietzsche werd geboren op 15 okt. 1844 te Röcken bij Naumburg aan de Saale, waar zijn vader dominee was. Het ligt in Oost-Duitsland tussen Leipzig en Weimar. Ook van moederskant stamde hij uit een familie van predikanten. In 1849 overlijdt zijn vader aan een hersenziekte. Vlak daarna sterft een jonger broertje. Nietzsche had daarover een voorspellende droom. Hij groeit op met zijn moeder en zijn twee jaar jongere zusje en daarnaast met zijn oma en twee ongehuwde tantes in een omgeving van louter vrouwen. Zou zijn masculiene Übermensch-ideaal te maken kunnen hebben met het gemis van een vaderfiguur? En zou zijn weing vrouwvriendelijke filosofie en anti-feminisme te maken kunnen hebben met zijn jeugd onder vrouwen in “een door en door christelijk huis”?(p15).

 “Het is geen wonder dat hij in het huis vol vrouwen enigszins krampachtig de nadruk legt op zijn mannelijke superioritei. Het zusje mocht niet meespelen als de vriendjes erbij waren” (Josephine Meijer, Inleiding tot het denken van Friedrich Nietzsche,  p14).  Veel vriendjes had hij niet. “Het verlangen naar vriendschap zou in zijn leven nog vaak onvervuld blijven” (Van T. p19). Nietzsche was een brave en vrome, begaafde jongen en voorbestemd om zijn vader op te volgen.

Hij componeert al jong godsvruchtige composities. Van Tongeren vermeldt niet het veelzeggende jeugdgedicht ‘Aan de Onbekende God’ (1864), waarin de jonge Nietzsche schrijft:

“Ik wil U kennen, Onbekende

die mij omwoelt in diepste grond

die als een storm door mijn leven trekt

Gij Onvatbare... en toch met mij verwant:

Ik wil U kennen, met mijn hele wezen dienen”

(F. Reddingius-Salomonson, Een weg tot Nietzsche, p 311).

Het is anders gelopen dan verwacht, maar stormachtig was het zeker. Herman Wolf beschrijft Nietzsche als religieuze persoonlijkheid in zijn gelijknamige essay. Daar zijn zeker argumenten voor.
Volgens Josephine Meijer gedroeg de jonge Nietzsche zich als “een kleine dominee”. Andere kinderen werden tot tranen geroerd door het pathos waarmee hij Bijbelteksten op kon zeggen. Een dergelijk pathos is ook kenmerkend voor veel van zijn teksten. Hij schreef ook “handleidingen over de theorie van zijn kinderspelen” (p15). Zo leek hij later een soort handleiding voor het leven te willen schrijven in plaats van spelenderwijs te leven. Zijn speltheorie doet nogal potsierlijk aan, een kenmerk dat ook bijv. niet vreemd is aan sommige redevoeringen van Zarathoestra. 

Nietzsche als student 

Elitegymnasium en universiteit

Het gezin behoort tot de notabelen van het stadje Naumburg, waarheen het is verhuisd en waar Nietzsche op zijn elfde naar het gymnasium gaat. Aan de omgang met de ambtenarenaristocratie zou Nietzsche zijn “voorliefde voor aristocratische vormen” ontlenen (Meijer, p14). Op zijn veertiende kreeg hij een beurs aangeboden voor het elitegymnasium van Schulpforta wegens zijn bijzondere begaafdheid. Daar hebben tal van prominente Duitsers gestudeerd. Hij kwam er meer gelijkgezinden tegen en er ontwikkelden zich vriendschappen die standhielden. Hij richtte met twee vrienden een dispuut op en hield van voordrachten geven en erover discussiëren in onderlinge wedijver. Later speelde wedijver een belangrijke rol in zijn filosofie van de wil tot macht als fundamentele drijfveer.

Hij kreeg toen al belangstelling voor filosofie en raakt zijn kinderlijk geloof kwijt. Naar de wens van zijn moeder ging hij niettemin theologie studeren. Niet lang daarna koos hij voor de klassieke filologie (taalwetenschap), mede vanwege zijn bijzondere belangstelling voor de Griekse cultuur. Hij blonk uit in dat vak, waardoor hij voor zijn 24e jaar al een hoogleraarschap kreeg aangeboden te Bazel, voor hij was gepromoveerd.

Op de universiteit distantiëerde hij zich al gauw van het “bier-materialisme” (Van T., p20). Hij interesseerde zich meer voor muziek, cultuur en filosofie. Het lezen van Das Leben Jesu van David Friedrich Strauss ondermijnt zijn geloof verder. Onder invloed van Kant leert hij dat wat mensen beweren over God, de ziel en de wereld constructies zijn van het denken en dat het ’Ding an sich’ onkenbaar is. “De ware wereld onbereikbaar, onbewijsbaar, onbeloofbaar, maar reeds als gedachten een troost, een verplichting, een imperatief,” schrijft hij later in Götzen-dämmerung (Van T. p23). 

Schopenhauer

De filosofie van Schopenhauer was een belangrijke ontdekking voor hem, evenals de muziek van Richard Wagner. Aan beiden wijdt hij later Unzeitgemässe Betrachtungen, nl. Schopenhauer als opvoeder en Richard Wagner in Bayreuth. Door Schopenhauer leert hij over de invloed van de lijfelijk gevoelde wil en de driften, die een ander soort meer onmiddellijke kennis bieden dan beredeneerde verstandskennis. Het betreft een blinde, instinctieve, onverzadigbare en egoïstische wil zonder uiteindelijk doel. Het leven streeft naar geluk en vermindering van pijn, maar vervulling van een streven kan ook leiden tot verveling. Volgens Schopenhauer “slingert het leven dus als een pendel heen en weer tussen pijn en verveling” (p26). Mensen líjden hun leven. In de belangeloze esthetische aanschouwing verliest een individu zijn individualiteit als “een zuiver willoos, pijnloos, tijdloos subject” (p29). De hoogste kunst is de muziek, de taal van het gevoel. Dat zal Nietzsche als muziekliefhebber hebben aangesproken.

Ook de pakkende stijl van Schopenhauer, verre van droog en saai, sprak hem aan. Maar in de wending naar de Indiase wijsheid ging Nietzsche niet mee. Schopenhauer meende dat “Indische wijsheid... een fundamentele ommekeer in onze kennis en ons denken teweeg zou brengen.” Dat was bij hemzelf en anderen (ook de schrijver van deze bespreking) het geval geweest. Hoewel hij bevriend was met de indoloog Paul Deussen had Nietzsche een “beperkte kennis van boeddhisme en hindoeïsme”. Ook Schopenhauers leer van het mededogen vond bij Nietzsche geen gehoor en evenmin diens respect voor “tal van heiligen en schone zielen onder de christenen en in nog groter getale onder hindoes en boeddhisten alsook onder aanhangers van andere religies” (p30,31). 

Cosima en Richard Wagner met hun zoontje

Richard Wagner

Via de vrouw van zijn hoogleraar filologie leert Nietzsche Wagner kennen, toen al een beroemd componist. Zijn roem smaakte naar meer en hij zag mogelijk in Nietzsche een veelbelovend soort apostel voor de verbreiding van zijn roem. De veelzijdig begaafde Wagner was mogelijk een rolmodel voor Nietzsche, een soort vaderfiguur. Ook met de ruim twintig jaar jongere tweede vrouw van Wager, Cosima, dochter van Franz Lizst, kreeg hij een hechte band.

Na de eerste bijeenkomst in het Festspielhaus te Bayreuth met de Duitse keizer en tal van hoogwaardigheidsbekleders brak hij echter met Wagner, nadat hij hem vele malen had bezocht in Tribschen, nabij Luzern, dus niet zo heel ver van Bazel. Wat hem tegenstond was de religieuze wending naar verlossing in de latere werken van Wagner, zijn antisemitisme en wellicht vooral het theatrale, pompeuze en pathetische karakter van zijn muziekdrama’s en het ‘gedoe’ eromheen. Nietzsche wilde authenticiteit, geen theater. Zo liep de cultuurvernieuwing van Wagner uit op een teleurstelling. Het bleek voornamelijk theater. Nietzsche’s werk is echter ook niet vrij van theater en pathetiek en gezwollen taal. Hij heeft vaak kritiek op met wie hij zich verwant voelt. 

  

Oudere vrienden van Nietzsche: Franz Overbeck, Jacob Burckhardt en Malwida von Meysenbur 

Hoogleraar aan de universiteit van Bazel

In Bazel gaf hij colleges in filologie, maar ook in Griekse literatuur, vooral tragedies, en filosofie. Hij zag in de Griekse cultuur een inspirend voorbeeld voor de cultuur van zijn tijd, maar geen over te nemen model. In 1872 gaf hij een lezing over de toekomst van het toenmalige onderwijs, dat steeds meer gericht is op geld verdienen in plaats van op beschaving en een zinvol leven. Het onderwijs stelt geen doelen die “geld en handel overstijgen” en “wordt gebrandmerkt als ‘hogere vorm van egoïsme’... De moderne mens verlangt... snel onderwijs om in korte tijd een geld-verdienend wezen te kunnen worden en... grondig genoeg om een zeer-veel-geld-verdienend wezen te kunnen worden. Het moderne onderwijs gunt de mens geen cent meer cultuur dan gunstig is voor de economie” (Über die Zukunft unserere Bildungsanstalten / Over de toekomst van ons onderwijs, Van T. p38). Deze uitspraken hebben weing van hun actualiteit verloren en komen overeen met het boek van Martha Nussbaum Niet voor de winst.

De cultuur is in dienst komen te staan van materiële welvaart, waar mensen verslaafd aan raken. Hogere doelen verdwijnen. Humaniteit vond Nietzsche een verwekelijkte waarde en van gelijkheid moest hij weinig hebben. Hij zag meer perspectief in “grote enkelingen”, zoals bij de Grieken. Dat de Griekse cultuur was gebaseerd op slavernij, was voor hem geen bezwaar. Immers ook de cultuur van zijn tijd kende een nieuw soort slavernij. In Zur genealogie der Moral zou hij later de antieke aristocratische ‘herenmoraal’ van kracht, vitaliteit, dapperheid en karakter als superieur beschrijven ten opzichte van de christelijke ‘slavenmoraal’ van zwakheid en zachtheid, medelijden en afgunst.

Onder het gehoor aan de Bazelse universiteit bevond zich de beroemde historicus Jacob Burchhardt, met wie hij zijn verdere leven bevriend zou blijven. Dat gold nog in sterkere mate voor Franz Overbeck een ongelovig geworden theoloog en hoogleraar kerkgeschiedenis. Bij Wagner had hij een levenslange vriendschap gesloten met de eveneens veel oudere Malwida von Meysenbug. De uitvoerige correspondentie met hen is bewaard gebleven.

In 1872 schrijft hij ook zijn dissertatie Die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik. Zijn hypothesen daaromtrent en het verband dat hij legde met de muziekdrama’s van Wagner werden kritisch ontvangen door vakgenoten. Studenten bleven daarna weg. Zijn sollicitatie naar een leerstoel filosofie werd niet gehonoreerd. In 1873 schrijft hij Die Philosophie im tragische Zeitalter der Griechenover de filosofen voor Socrates. Zij lieten zich behalve door verstand ook door hun intuïtie leiden. Het geeft uitdrukking aan zijn wending van filologie naar filosofie en zijn geneigdheid tot een intuïtieve wijze van filosoferen naar het voorbeeld van de voorsocratici. 

Paul Rée en Nietzsche voor het karretje en Lou Salomé daarachter 

Oneigentijdse beschouwingen

Van 1873 tot 1876 verschijnen zijn Oneigentijdse beschouwingen over David Strauss, Schopenhauer en Wagner. De belangrijkste gaat over Het nut en nadeel van de geschiedenis voor het leven. Strauss noemt hij een ‘Bildungsphilister’, een soort van cultuurbarbaar, iemand die zich laat voorstaan op beschaving die niet wezenlijk meer is. De Blijde Boodschap van Jezus past hij aan als een meer eigentijdse “brave boodschap” met minder accent op de wonderverhalen en meer op de moraal.

In de tijd van Nietzsche waren menswetenschappen zoals geschiedenis en filosofie belangrijker dan de natuurwetenschappen, waarvoor hij een toenemende belangstelling kreeg, vooral voor biologie. De geschiedwetenschap werd een soort verzamelwoede van nuttige en onnuttige zaken, die niet diepgaand begrepen werden in de context van het leven. De geschiedenis kent volgens Nietzsche geen doelgerichtheid en progressieve vooruitgang zoals bij Hegel. Vooruitgangsgeloof zag Nietzsche als “afgoderij van de universele geschiedconstructie” (Wiebrecht Ries, Friedrich Nietzsche: Hoe de ware wereld tot een fabel werd, p25).

In Schopenhauer zag hij een opvoeder die aanzette tot zelfontplooing en ”bevrijding van de slavernij aan de drie M’s, het moment, de mening en de mode” (p57). Het stuk over Wagner is een lofrede, waarin kenteringen al verhuld zijn aan te treffen.

In 1876 krijgt hij een jaar ziekteverlof. In 1879 neemt hij definitief ontslag. Hij past niet in zijn tijd en ook niet meer op zijn universiteit. Met behulp van zijn vriend Overbeck weet hij een toelage te regelen waarvan hij kan leven. In 1878 heeft hij voor het laatst contact met Wagner. Het is voor hem een kenterende tijd. Hij wordt een vrije filosoof, een vrije geest, zonder vaste verblijfplaats. ’s Zomers te Sils Maria in de Zwitserse bergen, ’s winters in Italië, meestal aan de mediterrane kust. Daar verwerkt hij in zijn ‘wandelboeken’ de gedachten tijdens zijn lange wandelingen, zie hierover de bespreking van het boek van Manschot.

Hij blijft bevriend met zijn voormalige studenten Paul Rée en Peter Gast, pseudoniem voor Heinrich Köslitz. Via Malwida von Meysenbur en Paul Rée leert hij Lou Salomé kennen, een jonge Russische vrouw van 21 jaar, op wie hij verliefd wordt. Zij accepteert zijn aanzoek niet. Een grote teleurstelling. Maar ze blijven bevriend. Lou Salomé heeft een opmerkelijk boek over Nietzsche geschreven. Zij beschrijft hem als een hoffelijk en zachtaardig, maar eenzaam persoon met verborgen “mysterieuze diepten”, die hij zelden liet zien. “als iemand die uit bergen een woestijnen komt en de kleren draagt van mensen van de wereld” (gecit. in Wiebrecht Ries, p40). Na zijn teleurstelling schreef Nietzsche Alzo sprak Zarathoestra. Het hielp hem om uit het diepe dal te geraken. 

 Paul Deussen - Alchetron, The Free Social Encyclopedia

Lou Andreas-Salomé, componist en oud-student Peter Gast alias Heinrich Köselitz, die zijn manuscripten nakeek en Nietzsche jeugdvriend, de indoloog Paul Deussen

Filosofisch hoogtepunt

In zijn ‘wandelboeken’ verschuift het accent van wetenschap en filosofie naar moraal en politiek, religie en kunst. Hij geeft daarin uiting aan zijn persoonlijke emancipatie en bevrijding van het heersende denken om meer “zichzelf te worden” via zelfreflectie en zelfkritiek (p74). In zelfgekozen eenzaamheid komt hij meer tot zichzelf. Hij schrijft veel, ook brieven aan vrienden.

De periode 1882-87 beschouwd Van Tongeren als Nietzsche’s filosofisch hoogtepunt. Maar Alzo sprak Zarathoestra ziet hij als een mislukking. Zarathoestra wordt niet begrepen en blijft eenzaam achter. De leer van de Übermensch en de eeuwige wederkeer wordt niet erg begrijpelijk uitgewerkt. Zie hierover de bespreking van het boek van Manschot. In de boeken na Zarathoestra staat de moraal centraal in Aan gene zijde van goed en kwaad en De genealogie der moraal.

Wat drijft Nietzsche? Volgens Goudsblom (Nihilisme en cultuur) is dat het waarheidgebod of verlangen naar waarheid, eerlijkheid en authenticiteit. Dit wordt beaamd door Van Tongeren. Maar waarom wil hij en willen wij waarheid? Dit wordt uiteindelijk aangedreven door de wil tot macht.

Maar er blijkt uiteindelijk geen onbetwijfelbare waarheid te zijn. Steeds doorbreekt Nietzsche bestaande kaders en voorlopige ‘idealen’ en ideeën als ‘amor fati’, de liefde tot het levenslot, de Übermensch en de eewige wederkeer, zonder vaste grond en zekerheden te vinden. 

Nihilisme

Van Tongeren beschouwd het nihilisme als een kernstuk van Nietzsche’s filosofie, omschreven in bovenstaande illustratie. Manschot neigt meer naar zijn filosofie van de aarde, die voorbij het nihilisme gaat, zoals in de bespreking van zijn boek naar voren komt. Het nihilisme, “de ontwaarding van de hoogste waarden”, vindt zijn oorsprong in het gegeven dat deze waarden berusten op “een ideale, ideële en fictieve werkelijkheid” (Van T. p101). Nietzsche beschouwt transcendentie als fictief, hoewel hij zelf ervaringen daarvan leek te hebben, zie in de bespreking van Manschots boek.

Van Tongeren en Goudsblom beschrijven aan de hand van Nietzsche verschillende fasen en vormen van het nihilisme, dat uiteindelijk berust op de dood van God en de ontmanteling van “de ware wereld”. Met surrogaten voor oude waarden kan Nietzsche geen genoegen nemen, zoals “het geloof in mensenrechten, het utopisme van de milieubeweging, de eerbied voor wetenschappelijk onderzoek, de strijd voor emancipatie van allerlei groeperingen, het streven naar authenticiteit en allerlei vormen van zijn-zoeken – vanuit zijn perspectief zouden het evenzovele vervangingen van het oude geloof zijn” (p107).

Hij komt tot een soort ideaal van “totale affirmatie” van het leven, ‘ja’ zeggen, ‘amor fat’ en liefde voor het leven. Maar hij lijkt in zijn denken gevangen te blijven, dat steeds weer nieuwe vragen en problemen opwerpt, hoewel hij een spelend kind opvoert als nastrevenswaardig voorbeeld (in Alzo sprach Zarathoestra, over de gedaanteverwisselingen, zie bespreking van Manschot). In manisch lijkende periodes schrijft hij het ene boek na het andere, maar hij komt er niet uit en blijft rondtollen in zijn gedachtenstromen, om uiteindelijk in waanzin te eindigen.

“Lou Salomé, Nietzsches onbereikbare grote liefde, omschreef hem als ‘of verkerend in in een toestand van ziek worden door gedachten of van genezen door gedachten’. Zijn uiteindelijkle waanzin, waarschijnlijk veroorzaakt door syfillis, is door sommigen uitgelegd als een onontkoombaar resultaat van zijn filosofische experimenten en ‘gecultiveerde eenzaamheid op grote hoogte’” (Anne Woodwaard in Anne Borsboom e.a., The Art of Nietzsche: Nietzsche als kunstenaar, p20).Het kan ook zijn dat een andere hersenaandoening hem parten speelde, zoals bij zijn vader. Zijn moeder en zus lieten geen sectie verrichten. 

Laatste werken

In Nietzsche’s  laatste werken passeren Wagner, Jezus en het christendom en vooral hijzelf (in Ecce Homo) de revue. In Götzen-Dämmerung (Afgodenschemering, of hoe men met de hamer filosofeert) passeren een aantal filosofische thema’s de revue, waar Nietzsche mee afrekent: “hoe de ware wereld eindelijk een fabel wordt”, de moraal als tegennatuurlijk, vermeende oorzakelijkheid en de vermeende vrije wil. Ook het Duitse onderwijs krijgt er weer van langs, evenals het altruïsme. Het zijn eigenlijk allemaal afgoden. “Dat wat afgod heet  is heel eenvoudig dat wat totnogtoe waarheid werd genoemd. Afgodenschemering – gewoon gezegd: het is afgelopen met de oude waarheid” (Ecce Homo gecit. in Ries, p67).

De klassieke cultuur blijft een inspiratiebron, maar dat geldt niet voor Socrates en Plato, met zijn idee van de ware wereld van de Ideeën. Deze werken vormen een laatste samenvattende uitbraak van creativiteit voor de waanzin zich over hem ontfermt. De hamer kan echter ook constructief worden gebruikt en bij een arts diagnostisch. Zarathoestra komt vaak naar voren in Ecce Homo. Alzo sprach Zarathoestra werd zijn bekendste boek. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden er 200.000 ex. van verkocht. 

‘Er was maar één christen en hij stierf aan het kruis’ - Nietzsche

 Jezus en het christendom

‘God is dood’ is de meest bekend uitspreek van Nietzsche. Dit heeft te maken met zijn visie op het christendom die hij in Der Antichrist heeft samengevat. Hij laat Jezus in zijn waarde. “Hij beschrijft met duidelijk speurbare bewondering de figuur van Jezus” (Van T. p121) en schetst een indringend soort ideaalbeeld van Jezus. Jezus’ blijde boodschap houdt in dat de afstand tussen God en mens is weggevallen. Jezus brengt geen nieuw geloof maar een nieuwe levenspraktijk. Hij spreekt slechts van zijn innerlijke ervaring: leven, waarheid, licht. Liefde is zijn enige levensmogelijkheid. In het hele Evangelie ontbreken de begrippen schuld en straf”’ (Meijer, p68).

Zaligheid is de realiteit waarin Jezus leeft. Tegenstellingen lijken weggevallen. Hij noemt Jezus een ‘vrije geest’ in ruime zin. Verlossing of bevrijding noemt hij een “psychologische werkelijkheid”, m.a.w. een bewustzijnstoestand, zoals in de oosterse filosofie. Jezus leefde in die verlichte innerlijke toestand van waarheid, licht en liefde. “Het hemelrijk is een gemoedstoestand – niet iets dat bovenaards is of ‘na de dood’ komt... Hij doorleefde deze eenheid van God en mens als zijn ‘Blijde Boodschap’” (Reddingius, p192, zie ook Karl Jaspers, over Nietzsche en het christendom in Leonardo en Nietzsche).

Het christendom daarentegen is volgens Nietzsche een vervalsing van de boodschap van Jezus, waarvoor hij vooral Paulus verantwoordelijk stelt. Die heeft er een geloof van gemaakt met het accent op de verlossing en de eeuwige zaligheid na de dood in het hiernamaals, “d.w.z. in het Niets” (p69) in plaats van tijdens het leven. Verder ontwikkelt zich een eerdergenoemde ‘slavenmoraal’, waarin zwakheid, medelijden en rancune ten opzichte van de sterken in plaats van de antieke ‘herenmoraal’, gericht op kracht en vitaliteit, zoals hij in de De genealogie van de moraal uiteenzette. Het christendom en de slavenmoraal is de hele cultuur gaan beheersen. Het humanisme, het socialisme en het gelijkheidsprincipe zijn ‘van hetzelfde laken een pak’, een soort geseculariseerd christendom met een vergelijkbare moraal.

Het christendom kreeg een levensvijandige, wereldmijdende tendens. “Tegenover de negatie van het aardse leven door Paulus, staat de volledige affirmatie ervan door Jezus... de realisering van het rijk van God hier en nu” (Van T. p122). Voor het christendom heeft Nietzsche ‘geen goed woord’ over. Zelden is hij zo tekeer gegaan. Hij stelt het diametraal tegenover de boodschap van Jezus. De Christusfiguur waarmee hij was opgevoed, kan ook model hebben gestaan voor zijn Zarathoestra. Over deze Perzische wijze is immers weinig bekend. Nietzsche noemde Alzo sprak Zarathoestra weleens “het vijfde Evangelie”, niet vrij van megalomanie, die vooal in Ecce Homo naar voren komt. Een zekere identificatie met Jezus bleek uit de betiteling van zichzelf als ‘de Gekruisigde’ na zijn instorting. Het zal duidelijk zijn dat Nietzsche’s aantijgingen veel stof hebben doen opwaaien en een stroom van publicaties. In A. Posman, Geloven na Nietzsche komen een aantal theologen aan bod. 

Nietzsche met zijn moeder

Laatste jaren

Op 3 jan. 1889 stort Nietzsche in. De tegenstander van medelijden zou een oud paard, dat afgeranseld werd, huilend om de hals gevallen zijn. Zijn vriend Overbeck reist naar Turijn, waar Nietzsche verblijft, als hij verneemt van Nietzsche’s situatie, die zich gedraagt als een waanzinnige. Hij wordt nog tien jaar verzorgd door zijn moeder en na 1893 ook zijn zus Elisabeth, die vooral voor de promotie van zijn werken zorgt, die meer bekendheid beginnen te krijgen. Zij zorgt ook voor een Gesamtausgabe.

Door zijn zus werd Nietzsche echter als een voorloper van het nationaal-socialisme gelanceerd. Zij was getrouwd met een antisemitische nationalist, die in 1889 zelfmoord pleegt in Paraguay, waar hun raszuivere kolonie ‘Nueva Germania’ mislukte.

Elisabeth Förster-Nietzsche schrijft een biografie over haar broer, verzamelt brieven van en aan hem, sticht het Nietzsche Archief, verhuist met haar broer en het archief naar Weimar, en zorgt na de dood van hun moeder in 1897 alleen voor haar broer. Geen geringe verdiensten. Maar zij brengt ook vervalsingen en onleesbare omissies aan in zijn geschriften en correspondentie. Ze stelt een nagelaten hoofdwerk samen uit haar selectie van zijn nagelaten aantekeningen: Der Wille zur Macht. En zij zorgt voor de fascistische belangstelling voor zijn werk. Pas in 1956 verschijnt er een betrouwbare editie van de teksten van dit werk verzorgd door Karl Schlechta, die ook zijn andere werken (Werke in drei Bänden) heeft verzorgd. Tien jaar later verschijnt een kritische editie van zijn volledige werken (3500 blz. plus 5000 blz. Nachlass). 

https://www.friedrichnietzsche.nl/nietzsche-artikelen/fascisme-en-friedrich-nietzsche/

Hitler bezoekt het Nietzsche Archief en wordt verwelkomd door Elisabeth Nietzsche 

Groeiende invloed

Andere schrijvers en filosofen laten zich door Nietzsche inspireren: Henri Bergson in Frankrijk, Leo Sjestow in Rusland, Karl Jaspers en Martin Heidegger in Duitsland, Albert Camus in Frankrijk. Walter Kaufmann introduceert hem in het Engels taakgebieden  benadrukte het verschil tussen Nietzsche’s filosofie en die van de Nazi’s. De post-modernisten Michel Foucault, Gilles Deleuze en deconstructivist Jacques Derrida laten zich in Frankrijk door de herontdekking van Nietzsche inspireren. Het aantal boeken over Nietzsche is niet meer bij te houden. Over de hele wereld wordt hij gelezen, bestudeerd en becommentarieerd. Op allerlei cultuurgebieden heeft hij een enorme invloed. Michael Tanner (Nietzsche, p11) heeft het zelf over een “’bloeiende Nietzsche-industrie”. Op allerlei cultuurgebieden heeft hij een enorme invloed. Ook door de ‘laatste mensen’ wordt hij gelezen onder het genot van een kop koffie.

Wat betreft vooraanstaande sociologen zijn Max Weber en Johan Goudsblom aantoonbaar door Nietzsche beïnvloed. Bij Goudsblom blijft de invloed vooral beperkt tot Nihilisme en cultuur. Hij had oog voor de cultuursociologosche strekking van het werk van Nietzsche en zette bepaalde werken vanhem op de literatuurlijst voor het vak sociologie. Na zijn dissertatie over Nietzsche en het nihilisme stak hij vooral zijn licht op bij collega-socioloog Norbert Elias en zag hij in de sociale verbanden of figuraties die mensen samen vormen een zingevend antwoord op het nihilisme. Sociale relaties behoeden ons als het ware voor nihilisme, zinloosheid en normloosheid. Zingevende waarden en normen worden overgedragen in sociale relaties en figuraties. Hoewel nihilisme een cultureel gegeven is, wordt ook in sterke mate individueel bepaald wie er vatbaar voor is. Het zal te maken hebben met de mate van ontworteling en het contact met nihilistische cultuurelementen, zoals Goudsblom in zijn dissertatie toelicht.

Wat Max Weber betreft is zijn term ‘onttovering’ eigenlijk een variant van nihilisme. Beide hangen samen met het secularisatieproces, dat wordt gekarakteriseerd in de dood van God. De onttovering is uitvoerig toegelicht in de bespreking van Hans Joas, De macht van het heilige in CM 120. Het heeft te maken met ontheiliging en ontgeestelijking, rationalisering en intellectualisering en het verdwijnen van mythen en mysterie.

Een voorbeeld van onttovering, die de wereld in stomheid slaat, biedt deze tekst van Nietzsche uit Morgenrood Boek 5, aforisme 423); “Bleek en schitterend ligt daar de zee, hij kan niet spreken. De hemel spreekt zijn eeuwige stomme avondspel met rode, gele, groene kleuren, hij kan niet spreken. De kleine klippen en rotsstrepen, die tot in de zee lopen... zij kunnen allemaal niet spreken.” De sprakeloze wereld, hoe mooi ook, kan zijn zin niet meer uitdrukken. Er zit geen goddelijke geest, hoogste Idee of Logos meer achter. In Der Nachlass der Achtziger Jahre schrijft hij “Het leven op aarde... een incident... De aarde, als elk hemellichaam... een gebeurtenis zonder plan, rede, wil, zelfbewustzijn” (Wiebrecht Ries, Friedrich Nietzsche: Hoe de ware wereld tot een fabel werd, p4).

Webers visie kenmerkt zich verder door ‘waardenpolytheïsme’. In plaats van wedijverende goden zijn er concurrerende waarden, waaruit mensen een keuze moeten of kunnen maken. Deze keuze wordt zoals gezegd in vergaand mate sociaal bepaald door onze relaties en sociale verbanden. Webers eigen keuze lijkt onduidelijker dan bij Nietzsche, die voor de aarde kiest, voor het leven en voor een eeuwigheidservaring.

Een hang naar een nieuw religieus charisma toont zich in Webers werken Wetenschap als beroep en roeping en aan het eind van De protestantse ethiek. Voor deze sobere tegelijk religieus en aards gerichte ethiek, die ook zijn eigen leven tekende, had hij een bijzondere interesse. Een synthese met een ecologische ethiek behoort tot de mogelijkheden, als we ons verdiepen in de filosofie van de aarde, zoals Nietzsche die volgens Henk Manschot zou hebben voorgestaan, zie de bespreking van diens boek. 

 

Nietzsche          2011 02 14

 

Een groot en tragisch filosoof

verloor al jong zijn geloof

Hij ervoer de dood van God

als een tragisch lot

 

De klassieke Griekse oudheid

was voor hem een gouden tijd

De wijsgeren na Socrates

las hij pedant de les

 

De christelijke leer

verontrustte hem zeer

Schopenhauers filosofie

was voor hem zijn evenknie

 

Hij eerde hem slechts even

Maar door diens ‘wil tot leven’

kreeg hij toen al aandacht

voor zijn latere ‘wil tot macht’

 

Met zijn eigen decadente tijd

voerde hij vol passie strijd

Hij stak ongeremd de draak

met onechte slechte smaak

 

En ook met slecht geweten

Nietzsche wilde alles beter weten

Hij ontbeerde geestelijke waarden

die verdwenen door de dood van God

 

Hij vond een nieuw gebod

in trouw zijn aan de aarde

Metafysisch geloof aan gene zijde

wilde hij met klem bestrijden

 

Toch was Nietzsche beslist

geen hedonistisch materialist

Het leven nam hij serieus

Zijn lot liet hem geen keus

 

Vanuit een innerlijk gebod

aanvaardde hij zijn lot

om de waarheid te vinden

in een land vol blinden

Bij begoochelden en twijfelaars

vond hij echter weinig waars

Uiteindelijk kon hij zich overgeven

aan de liefde tot zijn lot en leven

 

Die liefde bleef hem steeds bekoren

totdat hij zijn inzicht had verloren

Hij is zichzelf steeds trouw gebleven

tot het eind van zijn bewuste leven

 

Voor hem had het leven op aarde

een onvergankelijke waarde

Hij drukte dat uit in de leer

van de eeuwige wederkeer

 

En ook in zijn diepe wens

dat het hogere in de mens

zich mettertijd zal realiseren

als wij leren sublimeren

Waar het hem om ging

was Zelfverwerkelijking