Milieu

Civis Mundi Digitaal #122

door Jan de Boer

Lucht-, water- en bodemvervuiling veroorzaken jaarlijks 9 miljoen doden
De voedselcrisis: ieder voor zich en het alternatief
Elektrische auto’s... lang leve de steenkool!
Het gaat niet goed met de COP15 over de biodiversiteit

 

Lucht-, water- en bodemvervuiling veroorzaken jaarlijks 9 miljoen doden

 

Ieder jaar sterven op onze planeet negen miljoen mensen sterven aan vervuiling, omdat ze blootgesteld zijn lucht, water of grond met giftige stoffen. Eén op de zes overlijdens (16%) wordt toegeschreven aan vervuiling; dat is drie keer meer dan alle doden als gevolg van aids, tuberculose en malaria tezamen. Deze cijfers zijn te lezen in een op 18 mei in « The Lancet Planetary Health » gepubliceerd onderzoek van een dertigtal internationale onderzoekers. Deze onderzoekers vormen de commissie « vervuiling en gezondheid » van The Lancet, die probeert de mondiale impact van alle vormen van vervuiling te evalueren. Het is de tweede editie van dit rapport, na de eerste publicatie in 2017.

Deze schatting berust op een analyse van gegevens van de « Global Burden of Disease »: een internationaal programma van epidemiologisch onderzoek geleid door het in Seattle gevestigde « Institute for Health Metrics and Evalution », waarin rond de 7000 wetenschappers samenwerken. De studie van 2017 berust op gegevens van het jaar 2015, die van 2022 betreffen het jaar 2019. De eerste constatering is dat het aantal aan vervuiling toegeschreven vroegtijdige overlijdens tussen 2015 en 2019 stabiel bleef op 9 miljoen: « Deze gegevens tonen aan dat de situatie niet verbeterd is en dat vervuiling een belangrijke mondiale bedreiging blijft, in het bijzonder voor landen met lage en gemiddelde inkomens. » De overlijdens toegeschreven aan zogeheten oude vormen van vervuiling (gebruik van steenkool om zich te verwarmen of te koken, beperkte toegang tot drinkwater…) gerelateerd aan ongezonde levensomstandigheden zijn met name in Afrika sinds het begin van deze eeuw teruggelopen. Maar deze vooruitgang, voornamelijk te danken aan beleid ten aanzien van hygiëne, is teloor gegaan door de toename van overlijdens toegeschreven aan « moderne » vormen van vervuiling (vervuiling door heel kleine of chemische deeltjes): met 6,3 miljoen doden in 2019 zijn zij in vier jaar tijd met 7% toegenomen en sinds 2000 met meer dan 66% (ongeveer 3,8 miljoen). Volgens de auteurs valt deze verslechtering te verklaren door het gecumuleerde effect van industrialisatie, urbanisatie en een demografische explosie.

Hoewel geen enkele regio op onze planeet gespaard wordt, zijn het wel de arme landen die de hoogste tol betalen: meer dan 90% van de overlijdens zijn geconcentreerd in landen met een laag of gemiddeld inkomen. Het zuiden van Azië (India, Pakistan, Bangladesh…) is in het bijzonder getroffen. De luchtvervuiling, zowel binnen als buiten, is de belangrijkste risicofactor: zij vertegenwoordigt ongeveer 75% van de overlijdens. De blootstelling aan heel fijne stofdeeltjes en andere stikstofoxides ligt ten grondslag aan jaarlijks 6,7 miljoen voortijdige overlijdens. Na luchtvervuiling komt water, met jaarlijks ongeveer 1,4 miljoen vroegtijdige overlijdens. Alleen al lood, dat water, lucht en grond vervuilt, is bijzonder gevaarlijk voor kinderen en is verantwoordelijk voor jaarlijks 900.000 doden wereldwijd. Als we daar aan toevoegen andere zware metalen en dioxines afkomstig uit industrieel afval, pesticiden, of de « alledaagse vervuilers » aanwezig in massaproducten, is de chemische vervuiling verantwoordelijk voor ongeveer 1,8 miljoen overlijdens. En dan nog, zeggen de auteurs, is dit cijfer zeer ondergewaardeerd: slechts een heel klein deel van de door de industrie gebruikte chemische substanties is vandaag de dag onderdeel van adequate monitoring (evaluatie met giftigheidstesten) en dan ook nog eens alleen in de rijke landen.

De Europese Unie heeft op 25 april een groots plan onthuld om van nu tot 2030 massaal de voor gezondheid en milieu gevaarlijkste chemische stoffen in massaproducten (van cosmetica tot vloerbedekking) uit te bannen. Maar volgens de Lancet-commissie « doen de meeste landen veel te weinig ». « Ondanks enorme consequenties voor de gezondheid, die steeds beter gedocumenteerd en een toenemende bron van ongerustheid zijn bij de bevolking, is sinds 2015 de aandacht nauwelijks groter geworden, evenals de middelen voor de bestrijding van de vervuiling, » aldus Richard Fuller, vice-voorzitter van de commissie en belangrijkste auteur van het rapport.

De commissie heeft verschillende aanbevelingen geformuleerd. Zij roept met name op om een groep gewijd aan vervuiling te creëren naar het model van die voor het klimaat, het IPCC. « Vervuiling, klimaatverandering en het verlies van biodiversiteit hangen nauw samen. Het zijn bedreigingen die men gelijktijdig moet bestrijden, » aldus Rachael Kupka, mede-auteur van het rapport en directrice van de « Global Alliance on Health and Pollution (GAHP), een in Genève gevestigd netwerk van nationale en internationale agentschappen. De commissie onderstreept het « dubbele voordeel » voor de gezondheid en het klimaat van een strategie gericht om de vervuilingen door exploitatie van fossiele brandstoffen in te dammen. Kupka: « Deze vervuiling is lange tijd beschouwd als een lokaal probleem dat met nationale regelgeving aangepakt moet worden. Maar net als de klimaatopwarming is ook vervuiling een mondiale bedreiging, die geen halt houdt bij nationale grenzen, wat een mondiaal antwoord noodzakelijk maakt. »

De eerste stappen in deze richting zijn gezet. In maart heeft de algemene vergadering van de Verenigde Naties voor het milieu een resolutie aangenomen gericht op de creatie van een « IPCC van chemische producten » en zo de weg geopend naar een toekomstig internationaal verdrag tegen plastic-vervuiling. Uiteraard veel en veel te beperkt, en ik vrees met grote vreze dat deze « IPCC van chemische producten » net als het IPCC zelf weer heel veel woorden en vrijblijvende beloften op gaat leveren, zonder daadwerkelijke acties. De chemische industrie trekt aan heel veel touwtjes!

 

Geschreven in mei 2022

 

De voedselcrisis: ieder voor zich en het alternatief

 

Met de blokkade van de havens aan de Zwarte Zee heeft de oorlog in Oekraïne een gigantische koersstijging van graan, mais en oliehoudende planten tot gevolg. Dit zijn de drie belangrijkste componenten van de prijsindex van basisvoedsel, sinds 1961 berekend door de Organisatie voor voedsel en landbouw van de Verenigde Naties (FAO). Sinds zestig jaar is de toegang tot basisvoedsel nog nooit zo duur geweest. Deze landbouw-inflatie brengt de voedselveiligheid in de wereld een zware slag toe. De FAO schat dat er op dit moment wereldwijd 800 miljoen mensen honger lijden. De oorlog in Oekraïne zal volgens de FAO dit aantal doen toenemen met 10 tot 13 miljoen mensen, vooral in de regio Azië-Stille Oceaan en in Afrika ten zuiden van de Sahara.

Om de schade te beperken moet er allereerst voor gezorgd worden dat de internationale markten goed functioneren. Bijna 30% van de mondiale exporten van graan, 18% van die van mais en meer dan 70% van die van zonnebloemolie worden door deze oorlog geblokkeerd. Op korte termijn stellen bestaande voorraden hen in staat alternatieven te vinden. Daarbij is het nodig dat de markt deze toevloed zodanig kan herverdelen dat de spiraal van prijsstijgingen een halt wordt toegeroepen. Dat wordt met kracht bepleit door de FAO, alsook door het Europese initiatief « Food and Agriculture Resilience Mission » (FARM). Maar achter deze intentieverklaringen zien we niet of nauwelijks de daarvoor benodigde acties. De Europese Unie heeft zijn interventiemiddelen afgebroken en beschikt over geen enkele strategische voedselvoorraad meer. Er bestaat op mondiaal niveau geen beheerssysteem van voorraden om de markten te reguleren. In deze context zijn het de grote privé-handelaren die de meerderheid van de voorraden in handen hebben. En bij afwezigheid van regulering hebben zij geen enkele reden om de hoge koersen af te remmen die hun winstmarges vergroten. Het risico van speculatie is dus meer dan levensgroot.

Het « ieder voor zich » dreigt zo de overhand te krijgen. Argentinië heeft al aangekondigd een belasting op de export van meel en soja-olie te gaan heffen. Rusland heeft haar export van granen en suiker naar Wit-Rusland en de vroegere sovjetrepublieken in Centraal-Azië geblokkeerd. De verveelvoudiging van dit soort acties kan alleen maar de druk op de koersen doen toenemen.

De internationale markten voor agrarische primaire levensbehoeften spelen een rol bij het verzekeren van de mondiale voedselveiligheid, die niet gewaarborgd kan worden door het streven naar autonomie of door de zelfvoorziening van ieder land of iedere regio. Maar deze markten moeten slechts een aanvullende rol spelen. De voedselveiligheid van ieder land berust in de eerste plaats op de binnenlandse markt die tegen ongelegen internationale concurrentie beschermd moet worden.

Om de zich ontwikkelende voedselcrisis tegen te gaan, is de meest bepalende maatregel de herwaardering van de productie van lokale voedingsgewassen en de organisatie van lokale markten. Herwaardering van de verbouw van lokale voedingsgewassen draagt bij aan de voedselveiligheid van de producerende families en de stedelijke kopers.

Het drama in Oekraïne moet ons eens te meer de ogen doen openen voor de agrarische modellen waarop het mondiale systeem van voedselveiligheid berust. De crisis van de markten laat de kwetsbaarheid van te gespecialiseerde modellen zien op basis van genetisch geüniformeerd materiaal, van chemische productiemiddelen die op onverantwoorde wijze gebruikt worden om te proberen de grenzen van rendementen te overschrijden, van de overexploitatie van water en meer in het algemeen van het natuurlijk milieu.

Het alternatief berust op de revolutie van de landbouwecologie die erop gericht is om beter en in veel gevallen ook meer te produceren door rekening te houden met de biodiversiteit: biocontrole eerder dan fytosanitaire producten, het in standhouden van vegetale bodembedekking, organische bemesting van bodems, etc. De landbouwecologie is de sleutel voor het in stand houden van een hoog productieniveau en van weerstand tegen de toenemende effecten van de klimaatopwarming. Zij moet de prioriteitstelling van de politiek doen heroriënteren, en ontwikkelings-investeringen bevorderen ten gunste van de massale hoeveelheid familiale landbouwbedrijven, waarop de voedselveiligheid in de wereld in de eerste plaats berust.

Je mag hopen dat in de context van de dreigende voedselcrisis dit alternatief overal ter wereld, ook politiek, wordt toegejuicht en gerealiseerd.

 

Geschreven in april 2022

 

Elektrische auto’s... lang leve de steenkool!

 

De fabriek die in 2021 de meeste CO2-uitstoot ter wereld produceerde, staat in Zuid-Afrika. Zij behoort toe aan « South African Synthetic Oil Limited » (Sasol) en haar belangrijkste activiteit is het vloeibaar maken van steenkool om dat in benzine te veranderen, aldus historicus en wetenschappelijk onderzoeker Jean-Baptiste Fressoz. Met 57 miljoen ton per jaar stoot deze fabriek meer CO2 uit dan landen als Portugal, Noorwegen of Zwitserland. Zij produceert daarmee 7,6 miljoen ton uit steenkool gewonnen benzine, oftewel een derde van wat het land nodig heeft.

Het vloeibaar maken van steenkool is een zeer belangrijke techniek voor « energie-soevereiniteit ». De geschiedenis ervan begint in Duitsland gedurende het interbellum, toen de chemicus Friedrich Bergius een hydrogeneringsprocédé voor steenkool ontwikkelde. Gedurende de Tweede Wereldoorlog vlogen de vliegtuigen van de Luftwaffe op deze synthetische brandstof, evenals een deel van de tanks in de Duitse opmars in Rusland. Weliswaar een stout stukje technologie, maar economisch en uit milieuoogpunt een complete ramp: de reactie had plaats bij 400 graden Celsius en bij een druk van 100 atmosfeer, en er was 4 tot 6 ton steenkool nodig om 1 ton benzine te produceren – de benzine was zo 10 tot 15 keer duurder dan die vervaardigd uit olie.

Ondanks alles begonnen in de jaren 1930 landen als Frankrijk, Engeland, en zelfs het steenkoolarme Italië ook met het vloeibaar maken van steenkool, ter wille van hun energie-soevereiniteit en vanwege de verwachte uitputting van oliebronnen op de lange termijn. Het vloeibaar maken van steenkool verdween niet in de ruïnes van het nazisme. Integendeel, na de oorlog werden Duitse experts graag uitgenodigd om ook naar Zuid-Afrika, arm aan olie maar rijk aan steenkool, te komen. In 1955 creëerde de regering daar Sasol en subsidieerde het haar productie om de economische sancties vanwege de Apartheid tegen te gaan en zijn energie-soevereiniteit te bewaren. Met de oliecrises in de jaren 1970 werd Sasol de door de hele wereld benijde technologische leider op dit gebied. De Amerikaanse regering van Jimmy Carter creëerde een publieke onderneming, de « Synthetic Fuels Corporation », die verwacht werd (met een subsidie van 20 miljard dollar) in de jaren 1990 drie miljoen vaten per dag te produceren.

Maar het is vooral in China, na de derde oliecrisis van 2007-2008, dat het vloeibaar maken van steenkool een hoge vlucht nam. Shenhua en Yitai, twee van de grootste mijnondernemingen ter wereld, die in hoofdzaak in Shanxi en Chinees-Mongolië opereren, stortten zich massaal op de fabricatie van synthetische brandstoffen. Bijna onbestaand in 2009 bereikte de Chinese productie 2 miljoen ton in 2010, 15 miljoen ton in 2017 en volgens de laatste beschikbare statistieken 35 miljoen ton in 2019. Als men daaraan toevoegt de in China uit steenkool geproduceerde 80 miljoen ton methanol, kan men aannemen dat tussen een vijfde en een zesde van de Chinese brandstof gefabriceerd wordt uit steenkool. Hoewel over het algemeen positief geassocieerd met klimaatverandering en beschouwd als een « decarbonaterende » techniek heeft de elektrische auto het belang van steenkool juist versterkt, want de helft van de elektrische voertuigen wereldwijd rijdt in China, waar twee derde van de elektriciteit wordt geproduceerd uit steenkool. De Britse schrijver George Orwell (1903-1950) heeft met zijn boeken vaak gelijk gekregen: « 1984 » met « Big Brother is Watching You », « Animal Farm » met iedereen is gelijk maar sommigen zijn gelijker ». En in 1937 in zijn boek « The Road to Wigan Pier » schreef hij: » Je kunt gemakkelijk heel het noorden van Engeland doorkruisen zonder je rekenschap te geven dat honderd meter onder de weg mijnarbeiders bezig zijn steenkool te houwen ». « En toch », vervolgt hij: « zijn zij het die de auto doen voortgaan ».

Deze opmerking lijkt ook nu nog altijd juist te zijn, zelfs nog meer dan in 1937, want nog nooit hebben mijnwerkers en steenkool zoveel auto’s doen rijden!

 

Geschreven in mei 2022

 

Het gaat niet goed met de COP15 over de biodiversiteit

 

De COP15? Veel mensen zullen er nog nooit van gehoord hebben. In november 2021 werd in Glasgow de 26e mondiale conferentie over het klimaat gehouden en parallel daaraan organiseert men in het kader van het in 1992 gesloten « Biodiversiteitsverdrag » iedere twee jaar conferenties over de biodiversiteit. Hoewel minder bekend dan de conferenties over het klimaat sinds het klimaatverdrag van Parijs (2015), zijn deze bijeenkomsten niet minder belangrijk. Het doel van deze COP15, die eind deze zomer in Kunming in China moet worden gehouden, is zelfs van vitaal belang. Daar moet een nieuw mondiaal kader aangenomen worden om van nu tot aan 2030 een einde te maken aan de achteruitgang van de biodiversiteit. De in 2010 ondertekende overeenkomsten van Aichi voorzagen dit doel al in 2020, maar zijn vrijwel over de hele linie niet nagekomen. Veel mensen hopen dat het akkoord van Kunming voor de natuur het equivalent zal zijn van het klimaatakkoord van Parijs wat betreft bewustwording.

Eind maart werd er een sessie van onderhandelingen in Genève gehouden om deze COP15 en met name het project van het mondiale kader voor te bereiden. Helaas was als gebruikelijk de vooruitgang bij deze onderhandelingen veel kleiner dan gehoopt. Het symbool van de traagheid in de discussies zie je weerspiegeld in de « haakjes ». Zo gauw als een delegatie niet akkoord gaat met één van de voorgestelde termen, komt deze tussen haakjes te staan. Het akkoordvoorstel dat 21 concrete doelen voor 2030 bevat, zag er daardoor uit als een kerstboom waarin ieder zijn slingers van voorstellen had gehangen. Natuurlijk hoort zoiets bij onderhandelingen, maar er moet tegelijkertijd wel hard gewerkt worden om een consensus te bereiken. De 2000 afgevaardigden van 151 landen ontmoetten elkaar voor de eerste keer na twee jaar van discussies op afstand, en dat betekent dat contacten hernieuwd moeten worden voor het ontwikkelen van wederzijds vertrouwen. Maar zacht gezegd schoot men zeer weinig op, en moet er nog kolossaal veel werk verzet worden om de hoop op zelfs een heel klein succesje van deze COP15 levend te houden. Op één van de sleutelgebieden, de financiering, is de kloof tussen ontwikkelde en ontwikkelende landen inmiddels verdiept, en een oplossing daarvoor is nog lang niet gevonden. Op de laatste dag van de onderhandelingen riep een coalitie van staten de rijkste landen op om direct 100 miljard dollar voor de financiering van de overeengekomen doelen bij te dragen en vervolgens van nu tot 2030 een bedrag van 700 miljard dollar.

De enorme, wezenlijke en absoluut noodzakelijke veranderingen in de activiteitssectoren, met name van het voedingsmiddelen- en het visserijsysteem, zeer belangrijke bronnen van de verwoesting van de biodiversiteit, werden niet of nauwelijks aangeroerd. Geen enkel land riep zich uit als « kampioen » in de strijd tegen vervuiling door bijvoorbeeld een ambitieuze reductie van het gebruik van pesticiden voor te stellen. De becijferde doelen zijn bij de onderhandelingen verdwenen of tussen haakjes gezet. Wat betreft de middelen om het een en ander te volgen en de vooruitgang die de komende jaren moet worden gerealiseerd te evalueren, evenals voor de indicatoren daartoe, is er geen consensus bereikt. Waar de staten verschillende niveaus van mobilisatie afkondigden, werden opnieuw Brazilië en Argentinië beschuldigd van obstructie. Enfin, geconcludeerd kan worden dat de ambitie in de verste verte niet op het niveau van de doelen van de COP15 ligt.

Om een scheiding te maken in de voorstellen – anders gezegd de haakjes te elimineren – en ten minste over een deel van de onderwerpen een akkoord te bereiken, is er in juni een aanvullende werkbijeenkomst in Nairobi gepland. Zullen dan de Chinese autoriteiten eindelijk de officiële data van de COP15 bekend maken? Want dat is één van de andere moeilijkheden in het hele proces: nadat deze mondiale conferentie al vier keer is uitgesteld, wachten de Verenigde Naties en de landendelegaties nog altijd op de bevestiging van het door Covid-19 getroffen China of het evenement binnen vier maanden plaats kan vinden. Hoe meer er dagen voorbijgaan, hoe meer deze hypothese onwaarschijnlijk lijkt en een zoveelste uitstel op de loer ligt. Overigens speelt het land dat de COP voorzit traditioneel een rol bij het vergemakkelijken van de onderhandelingen, het sluiten van coalities en om bij de discussies achter de schermen voortgang te bereiken. China is tot op heden op geen enkele wijze betrokken bij dit soort diplomatieke inspanningen.

In Nairobi hebben de onderhandelaars dus de zware taak de COP15 goed op de rails te zetten. Zij kunnen zich geen falen permitteren. De ineenstorting van alles wat leeft bedreigt de overleving van de mensheid evenzeer als de klimaatopwarming. Zeker, zelfs een ambitieus mondiaal akkoord biedt op zichzelf geen oplossing voor het uitsterven van soorten of de verslechtering van ecosystemen – ook het vrijblijvende klimaatakkoord van Parijs heeft geen einde gemaakt aan de uitstoot van broeikasgassen, hetgeen wel de bedoeling was. De biodiversiteit heeft evenwel een « Parijs-moment » nodig om in de ogen van iedereen een absolute prioriteit te worden.

Maar gezien hetgeen ik hierboven heb beschreven, maak ik mij geen illusies meer. Er wordt veel te veel en ook nog eens verschillend gepraat en veel te weinig actie ondernomen, waardoor de biodiversiteit in snel tempo nog verder achteruitgaat: dag bloemen, dag vogels, dag mensen!

 

Geschreven in mei 2022