Een nieuwe geschiedenis

Civis Mundi Digitaal #124

door Herman Hümmels

Bespreking van David Graeber en David Wengrow, Het begin van alles, Een nieuwe geschiedenis van de mensheid. Uitg. Maven publishing

 

 

David Graeber (1961-2020) was hoogleraar antropologie aan de London School of Economics. Grondlegger van Occupy Wall street.
David Wengrow (1972) is hoogleraar vergelijkende archeologie aan het Institute of Archeologie van University College London en gasthoogleraar aan New York University.
Zij tonen aan (volgens de uitgever) dat het gangbare verhaal over het ontstaan van de mensheid, niet klopt.

Het begin
Het boek begint met stellen dat zich een beeld gaat aftekenen dat de menselijke samenlevingen van vóór de komst van de landbouw, niet alleen bestond uit kleine egalitaire groepjes. Er zijn gedurfde sociale experimenten geweest. Het boek geeft hiervan voorbeelden. De landbouw heeft niet gezorgd voor de komst van ‘het privé-eigendom’. De eerste gemeenschappen waren vrij van rangen, standen en hiërarchie. Ook waren er vaak geen autoritaire heersers, ambitieuze politici of bazige bestuurders. Ons moderne beeld van sociale evolutie, gerangschikt in verschillende ontwikkelingsfasen (jagers/verzamelaars, boeren, stedelijke industriële samenlevingen, enzovoort), klopt niet.

Hobbes en Rousseau

Graeber en Wengrow zetten zich af tegen de verhalen van Hobbes en Rousseau. Mensen blijken geen valse en egoïstische wezens te zijn. Ze waren in de oudheid ook niet afkomstig uit een oorspronkelijke staat van egalitaire onschuld en zijn daarna niet afgegleden naar ongelijkheid.  “De term ‘ongelijkheid is een manier om sociale problemen te formuleren die goed past bij een tijdperk van technologische hervormers die er bij voorbaat al van uitgaan dat een echt beeld van een betere maatschappij niet eens ter tafel ligt” (p 15).

“De ultieme kwestie waar de menselijke geschiedenis ons voor stelt [is] niet die van de gelijke toegang tot materiële hulpbronnen (land, calorieën en productiemiddelen) [...], maar die van ons gelijke vermogen om bij te dragen tot beslissingen over hoe we zullen samenleven. [...] Wij zijn projecten van collectieve zelfschepping.” (17) Op grond van het nu beschikbare materiaal deden zich meerdere samenlevingsvormen naast elkaar voor, en dat wel gedurende minstens 5000 jaar. Van een landbouw-‘revolutie’ was er geen sprake. De overgang naar de landbouw ging geleidelijk, vbaak gecombineered met jagen en verzamelen.

Een ander verhaal
Graeber en Wengrow vertellen een ander verhaal dan het gebruikelijke. Ze beschrijvingen allerlei gemeenschappen die leefden op verschillende continenten. Ze deden dat aan de hand van archeologische vondsten en de conclusies die je daaruit kunt trekken.
Deskundigen uit verschillende disciplines hebben belangstelling voor “het duidelijke bewijs dat samenlevingen van jagers/verzamelaars instituties hadden ontwikkeld om grote publieke werken, projecten en monumentale bouwwerken mogelijk te maken, en dus nog vóórdat ze zich op landbouw hadden toegelegd al over complexe sociale hiërarchieën beschikten.” (p104).
Het punt van gelijkheid of ongelijkheid van de oorspronkelijke maatschappelijke verhoudingen speelde een belangrijke rol in de discussies gedurende de zeventiende eeuw. Daar deden ook inheemse Amerikanen aan mee die een totaal ander idee van vrijheid hadden, en kritiek hadden op de Europese opvattingen. 

Archeologie en antropologie
In de jaren dertig van de vorige eeuw bedacht de antropoloog Bateson de term ‘schismogene’.  Dit is de neiging van mensen om zich tegen elkaar af te zetten. Dit verschijnsel deed zich op allerlei plekken voor. Een verschijnsel dat ook vaak aangetroffen werd was dat seizoensgebonden samenlevingen soms steeds wisselend een andere sociale structuur aannamen, samengaand met het verplaatsen naar een nabije streek waar de omstandigheden in dat seizoen beter waren. Bijvoorbeeld door tijdens een regenseizoen tuinbouw te verrichten en zich in het andere seizoen als jagers/verzamelaars voor deden. Opmerkelijk daarbij is dat dan soms ook de maatschappelijke verhoudingen drastisch wisselen. Het beeld van de naïeve onschuldige wilde klopt niet. Ook het beeld van de kleine groepjes klopt niet, getuige de resten van soms enorme bouwwerken die aangetroffen worden.

Achterhaald beeld
Voordat Graeber en Wengrow aan hun conclusie toekomen is het boek gevuld met een opsomming van het gedrag van allerlei bevolkingsgroepen die geregeld onderling met elkaar vergeleken werden. Zij handhaafden vaak andere en zeer verschillende maatschappelijke constructies. Het begin van staatsvorming is niet vast te stellen, er was geen sprake van een landbouwrevolutie; neolithische volken vermeden soms de landbouw.
Over de gangbare opvattingen schrijven Graeber en Wengrow :
“Door het verleden van de mensheid in te delen volgens het basismateriaal waaruit gereedschappen en wapens werden gemaakt (steentijd, bronstijd, ijzertijd) of het te beschrijven als een reeks revolutionaire doorbraken (landbouwrevolutie, stedelijke revolutie, industriële revolutie), veronderstellen ze dat de technologie zelf grotendeels de vorm bepalen die samenlevingen in de eeuwen die komen gaan zullen aannemen – of tenminste totdat de volgende abrupte en onverwachte doorbraak alles weer zal veranderen. (p540).
“In plaats van een soort mannelijke genie die zijn eenzame visie realiseert was innovatie in neolithische samenlevingen gebaseerd op een collectieve kern van kennis die zich door de eeuwen heen opeen heeft gestapeld, hoofdzakelijk door vrouwen, in een eindeloze reeks van kennelijk bescheiden maar in feite enorm belangrijke ontdekkingen.” (p541)
Het boek eindigt met een beschouwing over vrijheid, oorlogen, slavernij, eigendom, zorg, overheersing… en mogelijke alternatieven voor een betere toekomst.

Conclusie
Het is interessant hoe een archeoloog en een antropoloog samen conclusies kunnen trekken uit summiere bodemvondsten en samenlevingen uit een heel lang verleden weer tot leven kunnen wekken. Ze worden daarbij wel geholpen door manieren van leven die we nog steeds aantreffen. Door de vele beschrijvingen van allerlei levenswijzen van evenzovele gemeenschappen, van allerlei ‘indianen’-stammen, van Inca’s tot Azteken en volken in Mesopotamië, Oekraïne en China, ontstaat een rijk en zeer gevarieerd beeld.

 

De Engelse versie van dit boek is eerder besproken in CM 122 door Patricia van Bosse