Een dystopische wereld: van literair bedenksel tot de werkelijkheid van nu?
Deel 13B: Op weg naar een totalitaire wereld?

Civis Mundi Digitaal #127

door Maarten Rutgers

 

Deutsches Theater Berlin - Corpus Delicti

deutschestheater.de

Bespreking

In het vorige deel werd duidelijk waarover het gaat in Corpus Delicti. In dit deel bespreek ik de roman verder in de context van onze tijd. Zeh heeft een heldere boodschap.

Corpus delicti kan naar mijn mening niet anders dan als een dystopische roman gezien worden. In het eerste deel zijn al veel erbij passende elementen uitvoerig aan de orde geweest. Om enkele te noemen, de technologische controle door de staat, door de METHODE. Onduidelijk is wie de elite is die dit als instrument gebruikt. Als we Zeh volgen kan de elite niet anders zijn dan experts en meelopers, waarbij de laatsten mogelijk erger zijn dan de eersten. Daarbij komt dat de totalitaire inrichting een gevolg is van ons eigen handelen, immers, de voorgeschiedenis zijn wijzelf.

Maar er is meer. De individuele vrijheid is zo goed als verdwenen. Iedereen conformeert zich aan de gegeven situatie. Daartegenover staat dat de leefwereld bijna ideaal is, althans dat vinden vrijwel alle inwoners. Verder gebruikt de staat de pers om de inwoners het juiste te laten denken. Mooi bedacht zijn de namen van de media die er bestaan. Het gaat om de krant ‘HET GEZONDE MENSENVERSTAND’ en het televisieprogramma ‘WAT IEDEREEN DENKT’. Duidelijker kan de propaganda niet uitgedragen worden.

Een volgend element, zij het dat dit in het boek wat minder duidelijk is, is de onduidelijkheid over de grootte van de staat en hoe het met de grenzen is. Zeh verklaart dat haar weliswaar bij het schrijven een soort stadstaat voor ogen stond, maar pas later bij het schrijven van een draaiboek voor een film, die overigens nooit verwerkelijkt is, drong zich de voorstelling van een gated community bij haar op, een gedefinieerd gebied met nadrukkelijke grenzen.

Een verder element is dat de staat een grote vinger in de pap heeft bij partnerkeuze en huwelijk. Wanneer de door de staat gevorderde immunologische compatibiliteit niet aanwezig is wordt de relatie verboden. Ten slotte is er weliswaar geen evidente oorlog, maar wel zijn er de anti-methodisten, waaronder de R.A.K. “Het systeem heeft vijanden nodig om zich steeds weer te kunnen stabiliseren”, aldus Zeh. Hier past de dissident, een rol die Mia Holl langzaamaan op zich neemt, daartoe ook door het handelen van de staat gedwongen. En zoals het hoort gaat zij eraan onderdoor. Ze wordt veroordeeld tot de hoogste straf in de samenleving van Corpus Delict, ingevroren worden, een soort schijndood.

“Een staat die zich op de METHODE baseert, dus op een absolute waardering van het menselijk leven, kan geen doodstraf opleggen” klinkt het in de roman. Interessant is hierbij het contrast met de Middeleeuwen. Michael Navratil, Duits letterkundige, wijst er in zijn proefschrift[1] op dat Zeh Mia Holl modelleert als moderne heks, waarbij indertijd de dood op de brandstapel normaal zou zijn geweest. Mia’s broer Moritz was hier duidelijk over: “wie sterft, ontsnapt. Wie ingevroren wordt, behoort voorgoed toe aan het systeem. Als jachttrofee.”

Op het laatste moment, het invriezen is al begonnen, wordt haar door de president van de METHODEraad gratie verleent. “Hoe mooi, zegt Kramer tot Mia. U bent gered.” En even later: “U bent […] vrij.” Mia’s reactie verrast de heren zodanig dat zij ingrijpen. Met horten en stoten gaan zij voort: “psychologische verzorging. Zorgen voor een voogd. Onderbrengen in een resocialisatie-inrichting. Medische bewaking. Gedragstraining voor het dagelijkse leven. […] Vertrouwen scheppende maatregelen. Politieke opvoeding. Les in de methode.” Het is maar hoe je het bekijkt, want haar permanente opsluiting in een psychiatrische inrichting, ziet Mia zelf zeker niet als gratieverlening.

Interessant is dat Zeh in een interview[2] de betiteling dystopie te vergaand vindt, zoals zij ook sciencefiction niet vindt passen bij de roman. “Maar het is eigenlijk zo dat ik wat je bedoelt met "dystopie", namelijk deze Corpus Delicti wereld, helemaal geen dystopie vind. Ja, het speelt zich af in de toekomst […], maar ik heb niet echt iets uitgevonden, ik heb alleen dingen beschreven, tendensen, ontwikkelingen die we nu al meemaken op en hoop gegooid [...]. Het is niet echt in de toekomst gedacht, maar het is een verdichtsel van het heden.” Het is dus nog erger gesteld met onze huidige samenleving gesteld dan we dachten. We leven al in een dystopie, door Zeh als bijna normaliteit geduid.

 

Corpus Delicti by Sebastian Jauch

prezi.com

 

Biopolitiek

Als zeer belezen schrijfster kent Zeh ook het werk van de Italiaanse filosoof Agamben. Zij leunt op vele punten in Corpus Delicti op zijn opvattingen. Als klein subtiel signaaltje is het werk van de Italiaanse filosoof te vinden in de boekenkast van de hoofdrolspeelster, Mia Holl. In het gesimuleerde interview zegt zij ook dat zij zich onder meer op Agamben baseert. De laatste sluit aan bij de Franse filosoof Michel Foucault die zich uitvoerig uitte over biopolitiek in een beroemde collegereeks.

Bij Foucault is biopolitiek[3] “de verzameling van mechanismen waardoor de fundamentele biologische kenmerken van de menselijke soort object worden van een politieke strategie, van een algemene machtsstrategie of, in andere woorden, hoe, vanaf de achttiende eeuw, moderne westerse samenlevingen het fundamentele biologische feit omarmen dat menselijke wezens een soort zijn.” Agamben verzet zich tegen een staat die zich overmatig met het biologische leven van zijn inwoners bemoeit. Dit gaat ver, het hele leven, gezin, voortplanting, gezondheid en nog meer. Het zijn allemaal domeinen waar de staat ook controleert, ingrijpt, reguleert.

Om ons heen zien we de voorbeelden, niet alleen tijdens de coronapandemie. Ook rond het thema preventie begint duidelijk te worden dat bemoeienis van de staat al langer bestaat. Alle mogelijke programma’s wijzen erop dat gezond leven inspanning van ons zelf verlangt. De staat dwingt ons nog niet, maar gebruikt andere manieren om ons in de goede richting te bewegen. Deze manier, soms subtiel, soms minder subtiel en nadrukkelijk aanwezig en stevig wordt wel biopedagogiek genoemd. Het is “een neoliberale opvatting van individualisme, die individuen in de eerste plaats verantwoordelijk stelt voor het veranderen van hun levensstijl via een reeks disciplinaire maatregelen en controletechnieken”, zoals Rail, Holmes en Murray[4] het noemen in hun studie over overgewicht en biopolitiek. Zij gaan verder: “de constructie van gezondheid als een morele verantwoordelijkheid leidt tot ziekte […] als een persoonlijk falen.” Het spreekt voor zich dat er dan gemakkelijk over schuld gesproken kan worden. Een dergelijke biopolitieke aanpak noemen zij fascistisch.

Het is opvallend hoe gemakkelijk er ook in Nederland gesproken wordt over het al dan niet wettelijk vastleggen van gezondheidsdoelen[5]. En dan, geven we de staat de mogelijkheid in te grijpen wanneer de doelen niet gehaald worden? Hoe ver mag de staat hier gaan? Ingrijpen op individueel niveau en hoe? Waar is het individu verantwoordelijk voor? We weten intussen maar al te goed dat we hier te maken hebben met schuivende panelen. En, wij zelf vinden het best. De overheid zorgt voor ons. Wat is dan toch het probleem?

Zeh vindt eveneens dat dit veel te ver gaat. Voor haar moet de staat zorgen voor een functionerend gezondheidszorgstelsel en dit in stand houden. De individuele gezondheid van zijn inwoners behoort niet tot zijn takenpakket, hoewel we bij infectiebestrijding dicht in de buurt komen. Het centrale thema van biopolitiek zoals het bij Zeh naar voren komt, is dat het individu iets moet laten of doen, opdat de ander, zowel het andere individu als ook het collectief, geen gevaar lopen, beschermd en veilig zijn. Het systeem dient het algemeen belang en moet niet in gevaar gebracht worden door individuen, zoals Mia Holl, die zich niet aan de regels houden. Het bedreigt de status quo, het tast de macht van de staat aan.

Ook Kramer is hier in het verhaal steeds weer duidelijk over. Een uitspraak van hem in zijn talkshow ‘WAT IEDEREEN DENKT’ die tot nadenken uitnodigt, veel meer nog tot nadenken dwingt, is “vandaag de dag bestaan de gevaarlijkste virussen niet meer uit nucleïnezuren, maar uit besmettelijke gedachten.” Dit komt ons in de huidige tijd toch ook bekend voor. Waarheid kent slechts de staat, slechts de expert, bij Zeh dus de METHODE.

In Corpus delicti is de samenleving een andere geworden, een biopolitische. Er is geen sprake meer van solidariteit; preventie en controle zijn de thema’s waarmee de totalitaire staat de samenleving in bedwang houdt. Er heerst wantrouwen. De buurman is een mogelijke bron van infecties, maar ook degene die je kan aanspreken op je gedrag of nog erger, je aangeven bij staat. Niets is meer zeker, angst en onzekerheid zijn alom. De enige oplossing is je aan alle regels houden, want dan zou er niets mis kunnen gaan. Ziek zijn of een ziekte onder de leden hebben, betekent – zoals eerder gesteld – dat je gefaald hebt. Niet toevallig – Zeh houdt van subtiele dubbelzinnige hints – groeten inwoners elkaar met ‘santé’. Wellicht kan men hier nog meer achter zoeken, zoals Navratil doet.

 

penguinrandomhouse.de

 

Een politieke roman

Juli Zeh’s roman geeft ons, zo lijkt het, een inkijkje in een andere wereld. Echter bij nadere beschouwing is het eigenlijk onze wereld. Ze schildert aan de hand van feitelijkheden uit onze wereld een fictieve wereld, waarin de feiten op verschillende wijze en soms overtrokken worden weergegeven. Navratil[6] noemt dat contrafactisch gebruik. “Het is een poging literaire ficties een weerspiegelende relatie te laten aangaan met de buitenliteraire werkelijkheid om op die manier een bepaald politiek project te bevorderen.”

Als voorbeelden noemt hij in zijn proefschrift Kramers boek en het historische Hexenhammer, evenals de maximale strafmaat, invriezen en in het verleden de brandstapel. Daarnaast ook de groet ‘sante’. Hij meent dat hier aan de groet - ‘Heil’ – uit de Duitse geschiedenis te denken is. Hij laat verder zien dat Zeh’s activiteiten in de werkelijke wereld hiermee in verhouding zijn.

Ook op andere podia bekritiseert zij de ontwikkelingen in onze samenleving die ten grondslag liggen aan de in Corpus Delicti geschilderde fictieve wereld. Het fictieve, de roman, geeft haar de mogelijkheid deze ontwikkelingen uit te vergroten om zodoende aandacht te vragen voor de in haar ogen ongewenstheid ervan. Navratil benoemt dit als “de dubbele autoriteit van auteurs tussen fictionaliteit[7] en feitelijkheid.” Bij hem – in zijn proefschrift verwijzend naar haar eigen uitspraken – blijkt dat Zeh goed weet dat zij met enkele van haar romans, niet alleen met Corpus Delicti, een oproep doet, waarschuwt en een politiek doel probeert te dienen. Zeh[8]: “Echte politieke literatuur is het alleen als de auteur er een concreet politiek doel mee nastreefde.”

Aanvullend aan deze uitspraak schrijft zij in een bijdrage aan een bundel over ethiek[9] dat zij het wakker schudden en het direct aanspreken van de lezer slechts in beperkte mate doet: “met Corpus Delicti en Angriff auf die Freiheit[10] [samen met Ilja Trojanow] was het werkelijk een heel ouderwetse, verlichte onderneming, waar ik dan ook achter sta – de opgeheven wijsvinger, de kansel, het essayistische, discursieve, stellingachtige.” Het kan dan ook niet anders dan dat zij in het zelfinterview ook op deze thematiek ingaat. Hier schrijft zij dat “Corpus Delicti een bijzondere positie inneemt in mijn gehele literaire werk. Het is mijn eerste, misschien wel mijn enige politieke roman.”

In weer een ander interview[11] formuleert zij: “het was de eerste keer dat ik echt probeerde een vrij duidelijke politieke boodschap over te brengen met een literaire tekst.” Het is opvallend dat zij een andere roman met een dystopische inslag Leere Herzen[12] (Lege harten) hier niet noemt. Bij lezing komt genoeg naar voren om het een politieke roman te heten.

Ook Sabine Schönfellner[13], letterkundige en auteur, ziet in beide romans voldoende aanknopingspunten om tot deze conclusie te komen. Dat laatste geldt ook voor haar meest recente roman Über Menschen[14] (Onder buren), die overigens na het uitkomen van de genoemde interviews verschenen is. Zeh wil uitdagen, wil aan het denken zetten zonder dat zij daarbij de werkelijkheid uit het oog verliest. Ze weet dat haar romans op korte termijn geen politieke veranderingen teweeg zullen brengen, waarschijnlijk zelfs niet op langere termijn. Een klein beetje hoop erop heeft ze wel blijkt uit het hierboven genoemde interview.

“Ik beschouw nadenken over dingen als een zeer belangrijke waarde op zich en ik geloof dat het zeker het bewustzijn van mensen verandert.” Voor haar werd uit de reacties op het verschijnen van Corpus Delicti duidelijk dat het thema leeft onder de mensen. “Ze hadden er al over nagedacht en dan is zo’n boek een welkome aanleiding om de discussie echt aan te gaan en daarmee is al veel bereikt. Dat zou ik niet onderschatten.”

Er is veel geschreven over Zeh’s roman, te veel om hier allemaal te bespreken. Opvallend is daarbij dat de diverse auteurs steeds weer wijzen op de diverse lagen in de roman; lagen die ook aangeven dat Zeh goed filosofisch, sociologisch, politiek en historisch onderlegd is en speelt met haar kennis. Zo gaat Sabine Schönfellner uitgebreid in op de verwijzingen in de roman naar de biopolitiek en Agamben in het bijzonder. Het voert hier te ver om dit nader uit te werken. Over biopolitiek, Foucault en Agamben schreef ik in relatie tot de pandemie met SARS-CoV-2 eerder in CM 100 en 104.

 

Autobiografisch?

Tevens worden pogingen gedaan alle mogelijke verbanden te zien met Zeh’s persoonlijke leven. Dat gaat verder dan zij zelf beschrijft, hoewel zij niet ontkent dat er in de roman autobiografische elementen voorkomen, zoals naar haar eigen zeggen in al haar romans. In het essay[15] Zur Hölle mit der Authentizität! gaat zij in op de in haar ogen ten onrechte toenemende verwachting van lezers – hieronder begrepen ook recensenten en letterkundigen – dat in een roman (delen van) werkelijkheid – dus ook autobiografische elementen – worden weergegeven. “Er bestaat een geheime overeenkomst tussen auteur en lezer, genaamd: fictionaliteit. Het stelt dat dichterlijk spreken de aanspraak op de waarheid opschort, wat betekent: zolang je niet beweert de waarheid te vertellen, kun je ook niet liegen.”

En wat autobiografische verbanden betreft stelt zij: “het leven van een schrijver […] is als een steengroeve waar hij het materiaal voor zijn verhalen ontgint. Sommige figuren en plaatsen hebben modellen in de zogenaamde werkelijkheid, andere niet; weer andere zijn mozaïekachtige assemblages van fragmenten van de werkelijkheid, naar believen vermengd met verzinsels. De mate van vervreemding volgt geen andere wetten dan die van de wil om inhoud en vorm te scheppen en verschilt van geval tot geval. Deze methode heeft niets te maken met autobiografie. Een verhaal schrijven dat een feitelijke gebeurtenis één op één weerspiegelt, zou voor mij dodelijk saai zijn; het volledig verzinnen van een verhaal dat niets met mij te maken heeft, zou daarentegen geen zin hebben.”

Eerder gaf ik al aan dat bij analyses op de verschillende lagen in de roman werd gewezen. Uit Fragen zu Corpus Delicti blijkt Zeh zich dat zelf niet altijd bewust is geweest bij het schrijven. Ze gaat wat uitgebreider in op twee elementen. Kort voor en tijdens het schrijven van de roman las en herlas zij Thomas Mann’s Zauberberg, een van haar lievelingsboeken. Hierin gaat het ook om gezondheid.

Zij was zeer verrast toen haar roman vertaald werd in het Engels en de vertaalster haar wees op vrijwel letterlijke overeenkomsten op bepaalde plekken. Dit kon zij staven aan citaten uit beide romans. Zeh is van mening dat dit samenhangt met haar manier van schrijven, zonder uitgewerkt plan, de zinnen komen spontaan en vormen een literaire tekst. Nadien wordt nog gevijld en verbeterd.

Zeh: “meestal ga ik zitten en wacht op wat komen gaat. Mijn teksten stijgen op uit een deel van mijn persoonlijkheid dat met rationeel, bewust denken niet veel van doen heeft.” Vele zaken en zelfs letterlijke citaten komen bij haar gewoon aan de oppervlakte zonder dat ze dit door heeft. “Het ontstaan van literatuur is een wonder.”

Een tweede is dat het romanthema in verband gebracht wordt met dat van Sophokles’ Antigone. Er zijn zeker parallellen te vinden, maar ook verschillen. Hier zou iemand zijn tanden op stuk kunnen bijten. Zeh: “bij het schrijven van Corpus Delicti heb ik geen moment aan Antigone gedacht.”

 

 

Afronding

De stevige en continue controle in de wereld van Corpus Delicti maakt dat het veelal wordt vergeleken met 1984 van George Orwell. Zeh zelf ziet hier niets in. Orwell creëert een “duistere, unieke, door controlebedreiging en geweld gekenmerkte omgeving, die met de lichte Corpus-Delicti-wereld weinig gemeen heeft.” Voor haar is eerder een vergelijking te rechtvaardigen met Brave New World van Huxley.

In een terugblik op dit laatste werk en hoe onze wereld eruitziet – aan het einde van de vijftiger jaren – in Brave New World Revisited[16] schrijft Huxley onder meer over manipulatie – psychische of gedachtenmanipulatie. Hier is een overeenkomst met Zeh, waar iedereen zich conformeert en niet anders weet dan dat het zo hoort en niet beseft hierdoor niet vrij te zijn. “Het slachtoffer van psychische manipulatie weet niet dat hij een slachtoffer is. Voor hem zijn de muren van de gevangenis onzichtbaar en hij gelooft zelf vrij te zijn.”

Daarnaast wijst hij op de toenemende overeenkomsten tussen de toenmalige wereld en de wereld van zijn roman. Hij is van mening dat beide naar elkaar toe zullen groeien; vervolgens zal onze wereld nog meer onder controle van enkelen geraken en wij – de inwoners – steeds meer van onze vrijheid moeten opgeven, maar het niet of nauwelijks beseffen.

Zeh toont ons bijna vijftig jaar later de wereld zoals deze er uit komt te zien, wanneer de ontwikkelingen van de laatste tijd doorgaan. Hoewel het toneelstuk uit 2007 is en het boek uit 2009 lijkt het alsof de schrijfster het gisteren geschreven heeft. De overeenkomsten met de kort achter ons liggende periode met de SARS-CoV-2 pandemie zijn overweldigend. In het begin hiervan dook de hygiënische mens – de homo hygienicus – met gezondheid als hoogste doel weer op. De Duitse filosoof Matthias Burckhardt[17] gebruikte het begrip in uitlatingen over de gang van zaken tijdens de pandemie, waarbij hygiënische maatregelen plotseling weer aan de orde van de dag waren.

Hij formuleert fraai: “Met enige vertraging verschijnt het hygiënediscours (niet het virus) in de onmiddellijke zichtbaarheid van mensen en vormt hen verder tot homo hygienicus via het geboortekanaal van de sociale druk. […] Deze vermoedt overal ziekte en hanteert het motto ‘Vrees uw naaste!’”. De parallel is duidelijk.

Hierboven zijn nog meer elementen van de overeenkomst beschreven. Bij het verschijnen van Fragen zu Corpus Delicti wordt ook onder meer door journaliste Julia Encke[18] gesignaleerd dat er veel lijkt op die periode. Maar Zeh gaat verder dan dat. Ook zonder pandemie zijn wij hard op weg naar de totalitaire wereld van Corpus Delicti. De staat lijkt overtuigd dat het algeheel welbevinden van zijn burgers een aangelegenheid is waarover hij zich niet alleen moet uitspreken, maar waarmee hij zich ook moet bemoeien. De bemoeienis van de overheid met ons leven en onze gezondheid neemt toe. Hier moet de staat echter oppassen, want, geeft Navratil aan, “een systeem dat gezondheid tot een absolute waarde verheft, zal uiteindelijk de gezondheid zelf opofferen ter verdediging van deze absolute waarde.” Hiermee wordt het zich aandienende debacle duidelijk zichtbaar. De staat beziet en behandelt haar inwoners in het verlengde hiervan in vele domeinen als onvolwassen, als niet in staat op zichzelf te passen.

Zeh: “een staat die haar burgers als bedreiging of als kleine kinderen behandelt, brengt de democratische fundamenten in gevaar. Democratie kan zonder het idee van mondige burgers niet functioneren.” Ook hier hebben we leergeld betaald in de afgelopen periode. En het gaat nog steeds door. Het is daarnaast zo dat “een samenleving die gezondheid als succesformule en ziekte als een vorm van falen ziet, mij goed op weg lijkt onmenselijk en onsolidair te worden.”

Zeh is hard en duidelijk. “De vraag of de mens ‘verstandig’ met zichzelf omgaat of een zijn gezondheid schadende leefstijl heeft, gaat de staat niets aan. De omgang met het eigen lichaam hoort thuis in het intieme bereik van de persoonlijke vrijheid.” Het moge duidelijk zijn dat aan deze vrijheid, maar ook aan vrijheid in het algemeen in de huidige tijd getornd wordt.

 

Junges Theater Leverkusen

jungestheater.net

 

Vrijheid gaat teloor

Samen met de schrijver en essayist Ilija Trojanow protesteert Juli Zeh in Angriff auf die Freiheit in vele toonaarden tegen de teloorgang van onze vrijheden. Vrijheid die wij opgeven met de lapidaire vaststelling dat het allemaal zo erg toch niet is en dat we iets moeten opgeven om ons zeker en veilig te kunnen voelen. Onder het volgens Zeh lamlendige motto[19] “ik heb niets te verbergen” –“een bankroetverklaring aan het idee van het autonome individu” – glijden we steeds sneller af in de richting van een totalitaire staat.

Hoewel de individuele vrijheid gepredikt wordt als het hoogste goed beheersen de ‘idealen’ controle en conformiteit ons leven. Zeh noemt controle hét toverwoord van deze tijd. Controle wordt ons opgelegd met de verklaring dat we hierdoor in een veiliger wereld zullen leven. In eerdere artikelen in CM 122, 123, 125, 126 kwamen de waarschuwingen van de mensenrechtenadvocate Susie Alegre en Soshanna Zuboff, psychologe, auteur en voormalig hoogleraar aan Harvard Business School omtrent de toegenomen invloed en controle via digitale mogelijkheden aan de orde, evenals de schijnveiligheid en -zekerheid die deze middelen ons voorspiegelen. Veelzegend in dit verband is ook de boekbespreking van Soshanna Zuboffs boek The Age of Surveillance Capitalism door Piet Ransijn in dit nummer van CM.

Bij Zeh wordt niet expliciet gemaakt in Corpus Delicti hoe de controle in alle details plaats vindt. In andere media is zij daar net als de beide genoemde dames luid en duidelijk over. Ze steekt hier wederom haar waarschuwende vinger op. Het kan veiliger worden, maar absolute veiligheid bestaat niet en kan dus ook niet beloofd worden, laat staan bereikt worden. Toch wordt hiermee gespeeld ten koste van ons heilige goed, onze vrijheid. Hier gaat de staat als organisatie, als systeem, ver om de macht in handen te houden.

Zeh hierover: “ik wilde vooral laten zien dat staten altijd bereid zijn hun heiligste zaken op te offeren als het gaat om de veronderstelde bescherming van hun systeemkarakter.” We realiseren ons te weinig of zelfs helemaal niet dat zoals Zeh aangeeft “totale zekerheid slechts te bereiken is tegen de prijs van een volledig verlies van vrijheid, bijgevolg voert dit doel van zekerheid zichzelf ten slotte ad absurdum – want de zich totaal veilig wanende mens is ook de compleet onvrije en daarmee vernietigde mens.”

 

Tot slot

Corpus delicti laat zich vlot lezen. De flitsende dialogen zijn een genoegen met de vele argumenten die Zeh met veel verstand van zaken en met verve brengt. Daarnaast is de inhoud onthutsend, soms vervreemdend, meestal zeer herkenbaar en bijna werkelijkheidsgetrouw. Met deze roman maakt Juli Zeh haar standpunt duidelijk dat “dystopische fantasieën en werkelijkheid elkaar in de laatste jaren zeer veel nader zijn gekomen”. En dat al vijftien jaar geleden.

In de volgende delen – met nog een klein uitstapje naar Brave New World – zullen we nagaan of er meer te vinden is dan Zeh ons nu aangeeft. Is er nog een verschil tussen hetgeen in de dystopische romans beschreven wordt en de werkelijkheid van vandaag de dag, tussen fictie en feitelijkheid, tussen literair bedenksel en werkelijkheid?

 

Noten


[1]   Navratil M: Kontrafaktik der Gegenwart. Poltisches Schreiben als Realitätsvariation bei Christian Kracht, Kathrin Röggla, Juli Zeh und Leif Randt. Berlijn/Boston: De Gruyter, 2022

[2]   https://www.zeit.de/video/2010-11/672198124001/videointerview-fragen-an-juli-zeh

[3]   Citaat overgenomen uit: Schuilenburg M., Tuinen S. van: Michel Foucault: Biopolitiek en bestuurlijkheid. Krisis, 2009, Issue 3: 1-5 (www.krisis.eu)

[4]   Rail G., Holmes D., Murray S.J: The politics of evidence on ‘domestic terrorists’: Obesity discourses and their effects. Social Theory & Health 8 (3): 259-279

[5]   Mierau, J.O., Toebes, B.C.A: Streefwaarden voor de volksgezondheid. TSG: Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen 99: 70–74, 2021

[6]   Navratil M: Die doppelte Autorita╠łt der Autoren zwischen Fiktionalität und Faktualität. Die Causa Robert Menasse und Juli Zehs Dystopien. PhiN-Beiheft 25: 361-188, 2021

In zijn dissertatie (voetnoot 1) gaat Navratil uitgebreid op het begrip contrafactie in.

[7]   Hier bedoeld als zelf bedacht, verzonnen, niet feitelijk; het kenmerk van een literair werk. Anders gezegd: er kan uit de inhoud van de tekst geen directe conclusie naar de werkelijkheid worden getrokken. Een kritische Nederlandse beschouwing over fictionaliteit is te vinden in: Vriend G. de: De fictie van fictionaliteit. Een proeve van grondslagenonderzoek. Spektator 15: 85-92, 1985-1986. Het begrip wordt uiterst grondig besproken in: Klauk T., Köppe T. (Eds.): Fiktionalität. Ein interdisziplinäres Handbuch. Berlijn/Boston: De Gruyter, 2014

[8]   Zeh J: Treideln. Frankfurter Poetikvorlesungen. Frankfurt/Main: Schöffling & Co, 2013 (Briefroman, uit het Duits vertaald door Annemarie Vlaming, Amsterdam: Ambo/Anthos, 2014)

[9]   Zeh J: „Ich weiß, dass ich permanent über Moral schreibe.“ In: Waldow S. (Ed.): Ethik im Gespräch: 55-64. Bielefeld: transcript Verlag, 2014

[10]  Trojanow I., Zeh J: Angriff auf die Freiheit. München: Carl Hanser Verlag, 2009

[11]  Borgans Ch., Meißner M: „Ich bin ein großer Fan der Freiheit“. Interview met Juli Zeh, Unique interkulturelles Studentenmagazin für Jena, Weimar & Erfurt, 19 mei 2011 (http://www.unique-online.de/„ich-bin-ein-groser-fan-der-freiheit“/3340/)

[12]  Zeh J: Leere Herzen. München: Luchterhand 2017 (Lege harten, uit het Duits vertaald door Annemarie Vlaming, Amsterdam: Ambo/Anthos, 2018)

[13]  Schönfellner S:Erzählerische Distanzierung und scheinbare Zukünftigkeit. Die Auseinandersetzung mit biomedizinischer Normierung in Juli Zehs Romanen „Corpus Delicti“ und „Leere Herzen“. Zeitschrift für Germanistik, Neue Folge, 28 (3): 540-554, 2018

[14]  Zeh J: Über Menschen. München: Luchterhand 2021 (Onder buren, uit het Duits vertaald door Annemarie Vlaming, Amsterdam: Ambo/Anthos, 2021)

[15]  Zeh J: Zur Hölle mit der Authentizität! DIE ZEIT, 21 september 2009

[16]  Huxley A: Brave New World Revisited. Londen: Chatto & Windus Ltd, 1958

[17]  Burckhardt M: Lockdown 2020. Wie ein Virus dazu benutzt wird, die Gesellschaft zu verändern. Wien: Promedia, 2020

[18]  Encke J: Bloss niet bewegen. FAZ, 2 juni 2020

[19]  Zeh J: Wo bleibt der digitale Code Civil? In: Nachts sind die Tiere. Frankfurt/Main: Schöffling & Co 2014