Moderniteit, technologie en natuur

Civis Mundi Digitaal #138

door Erik Jansen

Bespreking van Koo van der Wal, Zoektocht naar de wortels van het milieuprobleem, een filosofisch verhaal. Gompel&Svacina, 2023.

 

De klimaatkwestie is één van de grotere problemen van deze tijd, maar ondanks de alarmerende berichten van de wetenschap blijft een substantiële politieke reactie uit. Volgens Koo van der Wal, emeritus-hoogleraar filosofie van de Erasmus Universiteit, is dit niet alleen terug te voeren op de economische of technologische inbedding van onze samenleving, maar komt die reactie ook voort uit onze antropocentrische grondhouding die – ontstaan in de Verlichting – de natuur slechts als achtergrond en als bron van grondstoffen ziet. Het is een grondhouding die tevens gekenmerkt wordt door een sterk individualisme dat minder aangewezen is op een gemeenschap. De these van deze bundel met cultureel-filosofische essays is dat we meer ontvankelijk worden voor klimaatmaatregelen als die grondhouding verandert en we ons sociale stelsel daarop aanpassen.

In CM#133 verscheen eerder een bespreking van deze bundel van de hand van Mathieu Wagemans onder de titel Moderniteit en milieu, waarin onze houding ten opzichte van de natuur – in lijn met de essays – geïnterpreteerd wordt als een moreel vraagstuk. De onderhavige bespreking gaat nader in op het tweeslachtige karakter van de moderniteit: Verlichting versus Romantiek, en op de rol van de technologie. Het eerste essay in de bundel (en de eerste paragrafen van deze bespreking) bouwen voort op een eerdere publicatie van Koo van der Wal, Nieuwe vensters op de werkelijkheid, besproken in vorig nummer.

 

De moderniteit
In de premoderne tijd was de mens opgenomen in een natuurlijke verband, de ‘schepping’ als een bezield geheel waarin alles, inclusief de mens zijn specifieke plek en rol had. Koningen en de adel regeerden met Gods zegen. Mythen verklaarden het ontstaan, het wezen en de bestemming van de dingen.

Met de opkomst van de steden groeide de macht van de burgers. Het religieuze perspectief verbleekte met de groeiende oriëntatie op empirie en op wat praktisch werkt. De natuur werd in toenemende mate gezien als een fysisch gebeuren dat geen goddelijke bezieling meer (nodig) had. Descartes stelde: alleen de mens heeft een ziel en dieren zijn maar mechanische automaten. Dit ‘antropocentrisme’ leidde ertoe dat de mensheid vrijelijk kon beschikken over de natuur als voorraadschuur voor haar materiële behoeften. Dat ging goed zolang de natuur over voldoende reserves beschikte.

De laatste decennia is het beslag op de natuurlijke hulpbronnen echter zozeer toegenomen dat we de draagkracht van de aarde overschrijden en het voortbestaan van het systeem aarde in gevaar brengen. De eenzijdige nadruk op materiële welvaart en individualisme kent ook nog een ander probleem: hebben we niet veel zaken verwaarloosd die van sociale, culturele en spirituele aard zijn, die voor ons veel meer waarde hebben dan het puur materiële welzijn?

 

Verlichting
De 15e-16e eeuw kan als een overgang gezien worden tussen premoderne tijd en de moderniteit. In het nieuwe denken verbrokkelde het oude wereldbeeld en de overkoepelende orde. Er zijn geen magische krachten meer die de dingen bewegen. Alles wat zich voordoet kent een ‘mechanische’ causaliteit. De natuur verdinglijkt: het is materie (substantie) in ruimte en tijd. Secundaire kwaliteiten als kleur, geur, textuur, temperatuur zijn niet meer gebonden aan de dingen maar hangen samen met het waarnemingsvermogen van de mens.

Deze ‘onttovering van de werkelijkheid’ gaat gepaard met een toegenomen ‘activisme’: contemplatief kennen wordt losgelaten en vervangen door een operatief-technisch kenbegrip. De natuur wordt steeds meer gezien als een bouwdoos van elementen waaruit vrijelijk geput kan worden. Dit vormt een voedingsbodem voor de ontwikkeling van wetenschap en techniek, en de enorme welvaartstoename van de latere eeuwen.

 

Romantiek
Volgens Koo van der Wal is er nog een andere kant aan de moderniteit, de Romantiek als tegenhanger van de rationale Verlichting. De Romantiek verheerlijkt de natuur in haar ondoorgrondelijkheid. De Romantiek eert ook het individu als de unieke creatieve mens die zich uitdrukt in muziek, poëzie en literatuur. Het waardeert de eigen taal, het culturele erfgoed, het land en de samenleving als voedende gemeenschap. Het lijkt er dus op dat de Romantiek veel van de menselijke ‘waarden’ koestert die het leven zin geven. Wonderlijk genoeg kosten deze zaken ons vrijwel niets. Voldoening komt als bijproduct van sociale en culturele activiteiten. Door samen iets te doen, samen te sporten, samen te eten of samen de dag door te brengen wordt men beloond. Toch worden deze overwegingen, om niet te spreken van spirituele en zingevende dimensies, steeds meer naar de marge gedrongen door een sterk ‘uiterlijk’ welzijnsbegrip.

 

Economie
De verzakelijking van de moderniteit komt sterk naar voren in de economische wetenschappen, die steeds meer opteren om een ‘positivistische’ wetenschap te zijn, los van normen en waarden, waar louter efficiëncy en effectiviteit leidend zijn. De ‘realiteit’ is losgekomen van de ‘idealiteit’. De financiële sector, als belangrijkste marktplaats, stuurt vooral op basis van rendement, schaalvergroting en innovatie. In plaats van dat de politiek de economie stuurt en ondergeschikt maakt aan de maatschappelijke noden, dringt de systeemwereld, de wereld van economie en de technologie, steeds verder het gewone leven binnen en “koloniseert” de leefwereld ten eigen nutte, om met Habermas te spreken.

Om de samenleving weer in balans te krijgen is het zaak de economie meer lokaal te organiseren. Gemeenschapstaken zoals nutsvoorzieningen, onderwijs, gezondheid en zorg, dienen weer bij de overheid te worden ondergebracht, en er moet een bredere definitie komen van wat we verstaan onder ‘rendement’: niet alleen geldelijk gewin voor de eigenaren en aandeelhouders, maar ook consideratie voor de samenleving en de natuur.

 

Ecologisch humanisme
Tot nu toe heeft het humanisme als geestelijke stroming zich vooral bekommerd om de waarden van persoonlijke vrijheid en culturele ontwikkeling. Het wilde ruimte scheppen voor individualiteit die los staat van traditionele machten en religies, maar die anderzijds wel opgenomen is in een levende gemeenschap, want niemand kan zonder de ander. De natuur is echter altijd een ‘ondergeschoven kindje’ gebleven, dat een heroriëntatie op de natuur vraagt. Nadat de moderniteit de aarde heeft gedegradeerd tot grondstofdepot, is uit recente bevindingen naar voren gekomen dat de natuur de basis is van het leven en over creatieve en intelligente ‘potentialiteit’ beschikt. Het leven en ons bewustzijn waren in oorsprong al “ingevouwen” in de natuur en zijn op ondoorgrondelijke wijze “uitgevouwen” tot wat we nu zijn. Wij zijn meer verbonden met de natuur dan wij in onze door technologie beheerste omgeving beseffen.

 

Idealisme of materialisme?
Tot zover een korte samenvatting van de essays. Centraal staat het idee dat een andere culturele grondhouding ook de samenleving kan sturen. Koo van der Wal volgt hierbij het stramien van de Franse historicus Braudel die drie niveaus van maatschappelijke ontwikkeling onderscheidt:

de eerste laag: de dagelijkse gebeurtenissen als oorlogen en natuurrampen (de ’evenementiële’ tijd); de tweede laag: de ontwikkeling van wetenschap, technologie en bedrijvigheid die zich uitstrekt over decennia; de derde, basale onderlaag (‘longue durée’): de onderliggende culturele grondhouding gevormd door traag verlopende aanpassingsprocessen, nauwelijks merkbaar voor tijdgenoten.

De lagen beïnvloeden elkaar wederzijds, maar Koo van der Wal ziet wel de culturele grondhouding als fundamenteel en de gewenste culturele en morele omslag moet daar dan ook van komen.

Er is echter ook een meer ‘historisch-materialistische’ visie mogelijk, zoals Marx hanteerde, waarbij de technologie en eigendom de maatschappelijke ‘onderbouw’ vormen en de cultuur de ‘bovenbouw’. De cultuur en de sociale stratificatie zijn in feite uitdrukking van de onderliggende productiefactoren.

De vraag die we dan ook kunnen stellen: is de ontwikkeling van de technologie niet maatgevend voor de maatschappelijke ontwikkelingen, en is onze verslaafdheid aan technologie niet de oorzaak van het ondermijnen van de traditionele culturele waarden, en onze vervreemding van de natuur? Kortom, is er eerst een grondhouding die exploratie bevordert en de avonturiers op ontdekkingsreizen stuurt, of zijn het de betere schepen, het meer duurzame proviand, de uitvinding van het kompas en de navigatietechnieken op zee, die de ontdekkingsreizen hebben gestimuleerd?

 

Uitbuiting van de natuur was er altijd al
Koo van der Wal schetst een beeld van de prehistorie waarbij iedereen in een familiaal verband was opgenomen dat soms nogal idyllisch overkomt. De vraag is of de uitbuiting van de natuur alleen van onze tijd is. In de prehistorie was de jacht een strijd tussen mens en dier, waarbij de mens over beperkte middelen beschikte. Toch heeft menig diersoort dit toen al niet overleefd. Walvissen werden in de 17e eeuw al intensief bejaagd door stoere mannen in kleine bootjes met harpoenen. Er ontstond in het voor-industriële tijdperk al een hele “olie-industrie” op basis van walvistraan. Na 1670 was er al bijna geen walvis meer over in de noordelijke wateren. Dus ook hier is het de vraag of de huidige plundering van de natuur voorkomt uit een ander wereldbeeld, of dat het louter een kwestie is van onze grotere technologische mogelijkheden.

De ontkoppeling van idealiteit en realiteit is ook niet van vandaag of gisteren. In de premoderne tijd was men ‘horig’ aan de landheer of was men slaaf op een plantage. De moderniteit heeft de adel van haar macht beroofd en het bedrijfskapitaal is in handen gekomen van een deel van de burgerij (de derde stand). Als de industrie in de handen van de adel was gebleven (zoals voorheen met het windrecht en het waterrecht van de molens) dan was er economisch misschien weinig veranderd. De economie is alleen in communistische landen formeel in handen van de gemeenschap geweest, al waren vroeger de banden tussen de lokale industrie, stad en land nauwer. Nu het eigendom verdeeld is over zoveel partijen, zoeken internationale bedrijven naar het meest gunstige vestigingsklimaat in belastingparadijzen.

 

Gemeenschap
De Verlichting heeft het Godsbeeld aangetast en de traditionele gezagsverhoudingen. De burgerij heeft zich vrijgemaakt en ontwikkeld. Technologie en industrie zijn losgeraakt van de gemeenschap en de sociale cohesie is verminderd. Het individualisme heeft oude wortels, zoals Koo van der Wal ook uiteenzet. Augustinus en de Reformatie hebben de individuele verantwoordelijkheid al op scherp gezet. De Romantiek heeft dit doorgezet. Is het romantisch mensbeeld niet in een aantal opzichten een voortzetting van het premoderne mensbeeld, maar dan zonder God, en met meer individuele vrijheid?

Is het niet zo dat alle vormende culturele zaken altijd al naast de instrumentele praktische zaken (bouwen van huizen, bewerken van land, drijven van handel, jacht) hebben bestaan? In hoeverre heeft het gegeven dat ze nu meer naar de marge verdwijnen een economisch fundament? Vroeger waren de dorpen en steden voor hun culturele vermaak aangewezen op eigen initiatief. Nu druk je op de afstandsbediening en de muziek of de film stroomt de huiskamer binnen. Hoe kom je aan een gemeenschap als er geen lokale economische basis en binding is?

 

Conclusie
De auteur meent dat een overgang naar een (meer) duurzame samenleving een verandering vraagt van wereldbeeld, die als een sociale en culturele achtergrond samengaat met algemene meningsvorming en gedragsverandering, en uiteindelijk bepalend is voor politieke keuzen. Het is echter de vraag in hoeverre een andere waardering van de natuur zal leiden tot een andere culturele grondhouding en tot de beoogde gedragsverandering.

Mensen leven tegenwoordig in een technologisch “cocon”, los van de natuur. Waar in de premoderne tijd het leven onzeker en grillig was, en men zich emotioneel verbonden voelde met de hele schepping, daar is men nu verzekerd van materiële welvaart, medische zorg en voldoende verstrooiing. Hoe mooi de natuur ook in elkaar zit en hoe veel dynamiek en zelforganisatie zij ook ten toon spreidtt, het is de vraag of ons antropocentrische, om niet te zeggen egocentrische wereldbeeld zal veranderen door een andere kijk op de natuur. Het besef dat we de aarde op termijn ook voor onszelf onbewoonbaar maken, zal waarschijnlijk een sterkere motivatie vormen om meer consideratie voor deze unieke wereld te betonen.