Macht en technologie

Civis Mundi Digitaal #138

door Erik Jansen

Bespreking van Fabian Scheidler, Het einde van de megamachine, een korte geschiedenis van een falende beschaving. Lemniscaat, 2018.
Vertaling van Das Ende der Megamaschine, Geschichte einer scheiternden Zivilisation, Promedia Verlag, 2015.

 

Onze samenleving bevindt zich in de greep van een technologisch gestuurd economisch systeem, dat ten koste gaat van de natuur en er primair op uit is de accumulatie van kapitaal binnen haar machtsbereik te bevorderen. Die ontwikkeling wordt vaak gezien als een gevolg van een verandering in ons wereldbeeld in de tijd van de moderniteit, samenhangend met een zich stap voor stap steeds sterker manifesterende rationaliteit. Maar die weergave is volgens Fabian Scheidler misleidend: “De belangrijkste conflicten lopen dwars door wat rede, wetenschap, en rationaliteit uiteindelijk inhouden. [...] Omdat het verhaal dat wordt verteld over het gestage oprukken van de rede, van de strijd van het moderne tegen het premoderne, de werkelijke conflicten niet laat zien, is het niet in staat om de verborgen en vaak veel belangrijkere continuïteit aan te wijzen.” (p. 159)

Volgens Fabian Scheidler is er, in navolging van Immanuel Wallerstein (1930 – 2019) die de notie van ‘wereldsysteem’ introduceerde, sprake van een wereldomvattende “megamachine”, die gebaseerd is op een gecentraliseerde technologische en economische macht, die ondersteund wordt door de fysieke macht van staten en markten. Die megamachine is vooral een energieverbruikend systeem dat voor zijn materialen afhankelijk is van een netwerk van toevoerlijnen bestaande uit mijnbouw en andere roofbouw uit de natuur, en niet onder controle staat van de samenleving.

Volgens Fabian Scheidler is dit systeem al vanaf de premoderne tijd aan het groeien en botst het nu op twee grenzen: (1) het biedt steeds minder mensen (maar 1% van de wereldbevolking) bestaanszekerheid, en (2) het stuit op de grenzen van de planeet Aarde. Beide grenzen creëren een ongekende chaotische dynamiek, waarvan niet duidelijk is hoe die zal eindigen.

 

Metaal
Het Assyrische Rijk was de eerste grootmacht die beschikte over staal (met koolstofgehard ijzer). Het vestigde een waar terreurbewind van Mesopotamië tot Egypte en het huidige Turkije. Maar de Assyrische oorlogsmachine verbleekte bij die van de Romeinen. De welhaast industriële massaproductie van staal leverde de wapenrustingen, speren en zwaarden voor de 600.000 soldaten waarmee Rome haar macht vestigde rond de Middellandse Zee. Een groot deel van de bossen op Sardinië, Griekenland en Spanje zijn gekapt voor de winning van houtskool, noodzakelijk voor de staalfabricage bij 1500 graden C.

Bij de Romeinen werd ongeveer driekwart van het overheidsbudget besteed aan militaire uitgaven, aangevuld met de opbrengst van roof van edele metalen en slaven. Het geld om de soldaten te betalen kwam uit de zilvermijnen van Lyon, Carthago en Spanje. Na een laatste plundertocht door Noord-Afrika rond 450 n. Chr. stortte het West-Romeinse Rijk ineen en kwam er een eind aan de slavernij.

 

Belastingheffing
In de eeuwen daarna probeerden lokale heersers militaire macht op te bouwen, maar zowel de inkomsten uit plundering als van de mijnen waren niet voldoende om een staand leger in stand te houden. Wel steeg de rijkdom bij boeren en burgers, zodat de machthebbers zochten naar vormen van belastingheffing die verder gingen dan simpele tolheffingen op wegen en zout. Daarvoor was echter wel een bevolkingsregister nodig en een kadaster voor het grondbezit. Een eeuwenlange strijd volgde tussen de lokale adel en burgers, die zich heftig verzetten tegen de registratie en tegen de belastingheffing zelf. Anderzijds hadden de overheden ook baat bij het floreren van markten en bedrijven. Zo verleenden veel landen monopolierechten aan handelsmaatschappijen zoals de VOC en ondersteunden met hun oorlogsschepen actief de handelsmissies en beschermden hun “zilvervloot”. Hoe groter het aandeel van een land in de wereldeconomie, hoe hoger de belastingopbrengst voor de staat, hoe meer militaire macht de staat kon ontplooien.

 

Fossiele energie
In de 17e en 18e eeuw werden suiker, koffie, specerijen en andere grondstoffen betrokken van de koloniën en voor de energievoorziening was men aangewezen op wind, water, hout en paardenkracht. Tegen het eind van de 18e eeuw ontstond er echter in Europa een tekort aan hout dat daardoor steeds duurder werd. Steenkool werd tot dan toe nog alleen op kleine schaal gewonnen in dagbouw, maar de diepere steenkoollagen konden niet worden bereikt door het volstromen van de mijngangen met grondwater. Pas door de ontwikkeling en verbetering van de stoommachine konden pompen worden ingezet om de mijnen toegankelijk te houden. Vervolgens werd vervoer van steenkool van de mijnen naar de industriesteden mogelijk door de aanleg van spoorwegen.

Voor de mijnen, spoorwegen en staalfabrieken waren enorme investeringen nodig. Het kapitaal werd betrokken uit de winsten van de handelscompagnieën. Om rendabel te zijn moest de output van de industrie echter wel exponentieel groeien (rente-op-rente). Voor de dag- en nacht- ploegendiensten waren veel nieuwe werkkrachten nodig. Boeren en stedelingen waren echter geenszins van plan het slavenwerk in de mijnen te verrichten. Rond 1795 was er in Engeland juist een minimumloon en een armenzorg ingesteld. Toen de animo voor het werken in de steenkoolindustrie achterbleef greep de staat in en werden die voorzieningen met de New Poor Law in 1834 weer afgeschaft, waardoor een enorme verpaupering ontstond rond de snelgroeiende steden (zoals beschreven door Charles Dickens). De economie groeide daarna hard en het energieverbruik (kolen en later olie en gas) verhonderdvoudigde in een eeuw tijd.

 

Democratie
Hoewel de staat dus de eigen industrie en afzetmarkten ondersteunde, was de feitelijke inspraak van de burgers zelf heel beperkt. Na de Franse revolutie was er kort geëxperimenteerd met directe vormen van democratie, maar na 1815 kreeg de representatieve democratie de voorkeur, om het merendeel van de burgers zoveel mogelijk op afstand te houden. Aanvankelijk ging dit ook gepaard met censuskiesrecht wat in de praktijk betekende dat alleen vermogende burgers stemrecht hadden. Na de revoluties van 1848, 1876 en 1917 kwam er stevige druk op uitbreiding van het stemrecht naar andere delen van de bevolking, maar de representatieve democratie is tot nu toe intact gebleven. In de praktijk betekent dit dat de meeste economische beslissingen niet voorgelegd worden aan de parlementen, maar de staten er wel alles aan blijven doen om het bedrijfsleven aan zich te binden, ook als dit tot lagere belastingopbrengsten leidt.

 

Neoliberale staat
Na de crisis begin jaren tachtigvan de twintigste eeuw, werd de rol van de overheid onder het neoliberale bewind teruggebracht en werden veel overheidstaken geprivatiseerd en aan de markt overgelaten. Ook werden de beperkingen op het financiële verkeer opgeheven en floreerde een nieuwe economie van bedrijfsfusies en afslankingen. Het aandeel van de opbrengsten die naar de werknemers ging daalde structureel. Bij financiële crises stonden de overheden echter wel weer klaar om de banken van ondergang te redden en de megamachine in stand te houden. De staten hebben daarmee een groeiende schuldenlast voor lief genomen. Door verdere technische ontwikkelingen en het beleid van vrijhandel explodeerde de economie en daarmee ook het autoverkeer, het vliegverkeer en het containervrachtvervoer over weg en water. Het verbruik van fossiele brandstoffen en mineralen groeide navenant. In de 50 jaar na 1972 is meer energie verbruikt dan in alle eeuwen daarvoor.

 

Uitstappen?
Het is duidelijk dat de megamachine gewoon doordendert. De overheden kunnen met elkaar afspreken zoals in Parijs (2015) om de CO2 uitstoot in 2050 tot net-zero terug te brengen, iedere staat afzonderlijk is er vooral bij gebaat om de eigen industrie in de lucht te houden. De aandeelhouders, kapitaalverschaffers en niet te vergeten de pensioenfondsen zien graag voldoende rendement. De megamachine draait echter puur op fossiele energie, en een andere energiebron – anders dan waterstof of kernenergie, met grote investeringen en een onduidelijk rendement – is niet zo direct voorhanden. Het rendement vertoont overigens al enige tijd een dalende lijn. Dat betekent ook dat de opbrengsten van winstbelasting en dividendbelasting de komende tijd achter zullen blijven. De overheden zullen er echter de komende tijd weer alles aan doen om het bedrijfsleven meer lucht te geven, ook al gaat de energietransitie nog veel geld kosten, waarschijnlijk ten koste van de staatsschuld.

Een strategie om de megamachine te ‘downscalen’ biedt Florian Scheidler niet. De belangrijkste suggestie die hij doet is het weer terugnemen van taken die de overheid de afgelopen decennia aan de markt heeft gelaten, dus alle nutsvoorzieningen, banken, gezondheidszorg, volkshuisvesting, voedselvoorziening, openbaar vervoer weer terug bij de overheid. Een tweede suggestie is de defensiesector af te bouwen, want nog steeds een belangrijk onderdeel van de megamachine. Helaas geeft de tijd (het boek is van 2015) hem daarin geen gelijk. De defensiesector draait door de oorlog in Oekraïne weer op volle toeren, en is zeer materiaal- en energie-intensief. Defensie is vooralsnog weer een renderend verdienmodel voor het kapitaal.

 

Tot slot
Fabian Scheidler heeft willen aantonen dat vanaf het begin van de jaartelling tot nu de staten er alles aan hebben gedaan om hun positie in de internationale concurrentie zo goed mogelijk te bewaken, door energie en grondstoffenwinning veilig te stellen en de technologische ontwikkeling te versnellen en waar nodig voldoende arbeidskracht te genereren, enerzijds via de slavenhandel of door de eigen bevolking tot arbeidskrachten te kneden en met kracht te dwingen een bijdrage te leveren. Daarnaast is de natuurlijke omgeving geplunderd. Het is echter wel de vraag of de afzonderlijke landen nog baat hebben bij het internationaal opererende bedrijfsleven, zeker nu de belastinginkomsten en de looninkomsten structureel achterblijven.

De schrijver stelt het niet expliciet, maar zoveel wordt duidelijk: onze houding ten opzichte van de natuur heeft geen wezenlijke verandering ondergaan in alle eeuwen. Gezien de macht van de megamachine, die de materiaal- en energiekringlopen beheerst, mag vanuit het systeem geen andere houding verwacht worden. Dat kan alleen komen van de nationale parlementen, waarbij men bereid moet zijn te snijden in de eigen macht en materiële welvaart.