Deel 10. De filosofie van het zelf-zijn van Karl Jaspers (1883-1969)

Civis Mundi Digitaal #140

Karl Jaspers

 

Jaspers was tijdens zijn leven een van de bekendste Duitse filosofen. Hij is al eerder aan de orde gekomen in CM 117 en 118, resp. in een bespreking van het boek van Jozef Waanders Sporen van transcendentie: De filosofie van Karl Jaspers en een artikel over existentiefilosofie. De bijdrage die hier wordt besproken is eveneens van Waanders. 

Jaspers is opgeleid als psychiater. Sommige werken hebben een psychologische strekking, zoals zijn Psychologie der Weltanschauungen (1919), dat ook een cultuurfilosofische strekking heeft en door Jaspers wordt betiteld als “het vroegste werk van de latere zogeheten existentiefilosofie.” (p189). 

Het geeft een indicatie van zijn veelzijdigheid, die ook raakt aan het personalisme, “ondanks dat hijzelf ieder ‘label’, en elke definitie voor (zijn) filosofie verwierp.” (p185) Dat gold ook voor dit betiteling ‘existentiefilosofie’. Toch spelen de persoon en diens existentie een centrale rol in zijn filosofie, die opgevat kan worden als doordenking van het (subjectieve) ‘zelf-zijn’ als centraal thema, dat niet objectiveerbaar is en de essentie van het mens-zijn uitmaakt. 

 

 

  

Filosofen bij wie Jaspers aansluit

 

Typering van zijn filosofie

Jaspers onderscheidt drie typen denkers: 1. ‘leraren van principes’ zoals de epicuristen en de stoïcijnen, 2. ‘systeembouwers’  zoals Aristoteles en Hegel en 3. ‘profeten’ zoals Socrates, Kierkegaard en Nietzsche, die worden beschouwd als voorlopers van de existentiefilosofie. Zij spreken het innerlijk aan, zoals ook Jaspers doet, en zien het mens-zijn als “in de wereld geëngageerde subjectiviteit... en de mens wordt gekenschetst als ‘open wezen’, dat in vrijheid verantwoordelijk is voor de vormgeving van zijn leven. In de existentiefilosofie wordt verzet aangetekend tegen de (rationele) wetenschappelijke waarheidsopvatting die aan de oorspronkelijke zijnservaring voorbijgaat, en tegen abstracties en systemen die geen recht zouden doen aan de concrete menselijke individualiteit. Verzet ook tegen een voortschrijdende technologisering en tegen de daarmee samenhangende opkomst van de massamens.” (p188, 189) Dit stemt overeen met andere filosofen die tot het personalisme worden gerekend, zie vorig nummer.

“Jaspers wilde een verinnerlijkt denken over de grondslagen van het menselijk bestaan.” (p190) Geen academische ‘vakfilosofie’. Ook bij de Psychologie der Weltanschauungen ging het hem om de subjectieve beleving, de psychologie daarvan, niet de objectieve waarheid.

In zijn Allgemeine Psychopathologie (1913) heeft hij ook al oog voor de beperktheid van partiële objectieve en subjectieve kennis. Het mens-zijn laat zich niet volledig kennen, laat staan objectiveren.

 

 

De atoombom als ultieme bedreiging van de technologie, die onze tijd typeert

 

Verzet tegen de objectivering van de mens

Door de dominantie van de natuurwetenschappelijke benadering en de technische producten daarvan “is er volgens Jaspers een wetenschapsverering ontstaan die meent in de betekenis van het gebruik van apparatuur de totaliteit van de waarheid en het geluk te kunnen grijpen [...] en de beoefenaar verjaagt, weg van de plek der bezinning... Volgens Jaspers moet de filosofie de wetenschap van haar grenzen bewust maken... Wetenschappelijk denken bepaalt niet het doel van het leven.” (p191)

In Die geistige Situation der Zeit (1931) onderzoekt hij de tijdgeest die zich kenmerkt door “technologisering van het leven, de vervreemding van mens en de massamaatschappij... in een gebroken wereld... Er dreigt een mensentype te ontstaan dat van alle eigenheid beroofd is: ‘Ons tijdperk heeft de geloofsloze door het apparaat gesloopte mens voortgebracht. Jaspers vreest dus een genivelleerde, traditie- en geloofsloze inrichting van het menselijk bestaan... door een op wetenschap en techniek steunende  en door depersonalisering gedragen massa-ordening ‘waarin de mensen als radertjes meewerken’.” (p192) Zijn visie komt overeen met de met hem bevriende socioloog Max Weber, die zich eveneens zorgen maakt over de verdergaande rationalisering en bureaucratisering.

Wat kan een authentiek mens-zijn daarin nog betekenen? Hoe kan een mens “zichzelf blijven en aan de gelijkmakende greep van de massasamenleving ontkomen?” De technische middelen kunnen de mens boven het hoofd groeien. Bijna een eeuw later heeft zijn visie weinig aan actualiteit ingeboet, gezien de waarschuwingen aangaande kunstmatige intelligentie, nucleaire dreiging, industriële landbouw, biotechnologie, genetische manipulatie, surveillance technologie, verslaving aan steeds ingenieuzere apparaten die het leven regelen, enz.

 

Wetenschapsverering

 

Transcendentie versus ‘wetenschappelijk bijgeloof’

“Het mens-zijn is volgens Jaspers wezenlijk op het transcendente betrokken, op het zijn dat geen eindige gestalte aanneemt. [...Hij] moet de uiterlijke gegevenheden die hem omringen voortdurend overschrijden om zichzelf te kunnen zijn,” aldus Van der Wal in zijn boek over Jaspers. (p22-23) Het betekent dat een mens zich niet laat afgrenzen door objectieve kennis en daaruit voortkomende technische middelen en een fundamentele openheid en transcendentie behoudt, die dit alles voorbijgaat en overstijgt.

Verabsolutering van welke partiële kennis ook... heeft tot gevolg de verminking van de mens zelf,” aldus Jaspers. “Als heel het leven door het apparaat wordt geregeld, loopt de mens het risico zijn eigenheid daarin te verliezen: de nette ordelijkheid van de technische wereld lijkt alle transcendentie uit te sluiten.... Zelfverlorenheid ligt op de loer, in een inrichting die met de concrete mens steeds minder rekening houdt... ‘Kan de mens überhaupt nog vrij zijn?’.” (p194)  

“Hij ziet in een te groot geloof in de wetenschap een gevaar voor het mens-zijn... ‘Het onheil begint... wanneer de wetenschappelijke kennis voor het zijn zelf wordt gehouden en alles wat niet wetenschappelijk kenbaar is, geldt als niet bestaand.” Hij noemt dit “wetenschappelijk bijgeloof”, maar kent als man van de wetenschap wel degelijk een relatieve, maar geen absolute waarde toe aan wetenschap. Filosofie dient wetenschap aan te vullen met bezinning wat betreft de grenzen en pretenties van onze kennis en ruimte te geven aan existentie-verheldering. (p195)

 

 

 

Wijsgerig geloof: tussen wetenschappelijk en openbaringsgeloof

“Wat Jaspers als opgave van de filosofie beschouwt, is zeer nauw verbonden met zijn beeld van de mens als persoon [...en] komt tot uiting in wat hij het ‘wijsgerige geloof’ noemt.” (p196) Dit vormt een middenweg tussen openbaringsgeloof en geloof in de wetenschap, die resp. de filosofie reduceren tot dienstmaagd van het geloof en dienstmaagd van de wetenschappen. “Jaspers keert zich tegen beide... simplistische voorstellingen van de filosofie, die volgens hem de verantwoordelijkheid en vrijheid van de mens aantasten... Het wijsgerig geloof daarentegen kent geen dogma of credo, maar moet ontspringen vanuit een eigen oorsprong in de mens zelf... Waarachtige filosofie is altijd betrokken op de subjectiviteit, de innerlijkheid.” (p197)

De term ‘geloof’ kan echter misverstanden oproepen, omdat geloof is geassocieerd met dogma’s. ‘Wijsgerig denken’ zou een meer neutrale en adequate term kunnen zijn. Met geloof lijkt Jaspers het persoonlijke, subjectieve aspect van ons denken en beleven te willen aangeven, niet de dogmatische kant, waarvan hij juist afstand neemt. “De diepere beleefde waarheid van de mens waarnaar Jaspers op zoek is, betreft weliswaar een ‘geloof’, maar hij wil dit geloof behalve van de wetenschap ook scherp van religieus (openbarings)geloof onderscheiden.” Zijn bezwaar is dat dit geloof “star geworden is als het directe woord van God.” (p199) Dit kan leiden tot fanatisme en geweld. 

Het gaat Jaspers om de subjectieve (geloofs)beleving en de eigen verhouding tot transcendentie, “die ruimte laat voor het vragende denken en de menselijke vrijheid... Het wijsgerig geloof betreft als het ware een avontuur van radicale openheid... ‘De mens wordt zichzelf tot het grootste geheim wanneer hij ontdekt dat... zijn mogelijkheden zich tot in het oneindige schijnen uit te strekken.’ Het gaat om een levensinstelling die het vlak van het rationeel-verstandelijk weten en kennen overschrijdt... Een open houding van voortdurende zelfoverschrijding.” (p200,201)

 

 

‘De ander: communicatie en politiek

Zoals bij andere personalistische filosofen “kan volgens Jaspers de mens slechts tot zichzelf komen via de andere mens... worden wij slechts vrij voor zover de ander vrij wordt... ‘Vrijheid is gebonden aan de vrijheid van anderen... Persoon zijn... heeft een andere persoon nodig’... Het menselijke zijn... speelt zich af in samenlevingsverband.” (p201,202)

Communicatie en zich openen voor de ander is wezenlijk voor de existentie. Dit is een voorwaarde voor filosoferen, voor het filosofische gesprek. Strekt dit zich uit tot de samenleving, dan is er sprake van politiek en politieke filosofie. 

“Voor Jaspers moet het ook in de politiek uiteindelijk gaan om de zelfverwerkelijking en de vrijheid van de mens – in relatie tot de gemeenschap met anderen. Ook in de politiek geldt heel duidelijk dat het menszijn, net als in de wetenschappen en het openbaringsgeloof, nooit in zijn totaliteit geobjectiveerd of geheel planbaar gemaakt mag worden.” (p203) Dan dreigt totalitarisme en verliest de mens zijn openheid en eigenheid. Politiek dient bij te dragen aan menselijke vrijheid en zelfbepaling en mag de mens niet reduceren tot planbaar object. Dit geldt in het bijzonder in een democratie, gebaseerd als deze is op het vermogen tot verantwoorde zelfbepaling “om zich in redelijkheid te verwerkelijken”. (p203)

 

Filosofie als bestaansverheldering

 

Slotbeschouwing: openheid en zelfverwerklijking

“Wezenlijk in Jaspers’ filosofie zijn dus de vrijheid en zelfverwerkelijking van de mens." Daarvoor moet de mens als open wezen worden gedacht en elke objectivering worden afgelegd... Waar de mens in zijn totaliteit tot object gemaakt wordt, komt zijn openheid en daarmee zijn vrijheid en zelfverwerkelijking immers in gevaar... Jaspers’ filosofie verzet zich tegen elk totalitair denken... zowel in de wetenschap en de godsdienst als in de politiek.” Het gaat Jaspers om “opwekking van de mens tot authentiek zelf-zijn” (p205) Daartoe dient ook de filosofische verheldering van leven en denken en de “zelfverheldering”.

Transcendentie is op te vatten als gerichtheid op openheid en grensoverschrijding, zodat een mens niet wordt vastgelegd. Voor openheid en vrijheid is “een transcendente gerichtheid nodig... Met die openheid voorkomt hij gesloten te raken... Hij moet in der Schwebe leren leven.” (p206) 

En bovendien dient hij onderweg te blijven, zich te blijven ontplooien. “Mens-zijn is mens worden.” (p207) Het mens-zijn kunnen we niet precies definiëren, en zeker niet objectiveren, maar wel beleven, zonder ons vast te pinnen aan welke betrekkelijke waarheid dan ook. “De menselijke persoon is voor Jaspers immers te begrijpen als de existentie die erin slaagt een ‘zelf’ te zijn en zich precies daardoor niet in objectieve termen laat begrijpen. Dat de mens voor zichzelf en anderen uiteindelijk altijd een vraag en een open plaats blijft, is zo bezien juist zijn enige hoop en redding,” zo besluit Waanders zijn  bijdrage.

Voor een overzicht van Jaspers’ veelzijdige filosofie, zie de bespreking van het boek van Jozef Waanders, Sporen van transcendentie: De filosofie van Karl Jaspers in CM 117:  Onze existentie neigt naar transcendentie en CM 118: Ethische filosofie in de 20e eeuw Deel 3B: De existentiefilosofie van Jaspers en Heidegger (klikken)

 

Transcendentie als uitwijzen voorbij de begrenzingen van het objectieve bestaan