Deel 13. Persoon en geweten bij rechtsfilosoof Paul Scholten (1875-1946)

Civis Mundi Digitaal #140

 

Het geweten

Scholten geeft het geweten een cruciale plaats in het recht, dat niet zo objectief en positief in de zin van feitelijk is als het lijkt. Interpretatie van de rechter, bijv. van het relatieve gewicht van feitelijke gegevens, speelt steeds een rol en daarmee ook de verantwoordelijkheid van de rechter, aldus Timo Slootweg in de bijdrage die hier wordt besproken. Dit betekent niet dat recht subjectief en willekeurig is. Wel dat rechters persoonlijke beslissingen nemen naar eer en geweten. Daarbij “vormt het geweten een subjectieve dimensie, die nu eenmaal bij het recht thuishoort, ook al wil het recht daar liever niet van weten”. (p 28) Het recht streeft naar objectiviteit en rationaliteit, die echter niet geheel haalbaar is. Het blijft mensenwerk, waarvoor mensen verantwoordelijk zijn, naar eer en geweten.

Het geweten refereert vaak naar “existentiële beginselen” en/of “enige hoger instantie” om zich te bevrijden van “subjectieve willekeur” en “dreigend bodemloos subjectivisme”. "Gewetensvorming is niet een taak van de seculiere of kerkelijke overheid. Het is ook niet iets dat... van buitenaf kan worden afgedwongen... Wij moeten [zelf] kleur bekennen.” (p290) Het geweten is een persoonlijke aangelegenheid, waarbij men zich kan laten leiden door “een hogere instantie". Dat kan een idee of principe zijn of de Persoon van God of Christus. 

Dit roept bij een sociale wetenschapper de vraag op met de volgende kanttekening: kan God in de rol die Scholten aan God toekent ook een andere persoon zijn? Volgens Freud wordt het Über-Ich gevormd door de verinnerlijkte opvattingen van ouders en opvoeders, niet alleen de verinnerlijkte God. Volgens C.H. Cooley en G.H. Mead ontwikkelt het zelf(beeld) zich in een sociaal proces, waarbij (opvattingen van) veelbetekende betekenisvolle anderen zoals de ouders en opvoeders verinnerlijkt worden. Later noemde Mead dit de gegeneraliseerde ander. Het geweten vormt zich al sinds de vroege kleutertijd, voor het kind een idee heeft van God. Kortom, onze opvattingen over goed en kwaad, juist en onjuist die deel uitmaken van het geweten, houden verband met de anderen die voor ons van levensbelang zijn. Niet alleen met God. Gewetensvorming vindt ook plaats bij mensen die niet in God geloven. Dit hoeft echter niet te betekenen dat het louter vanuit sociale conditionering en socialisatie te verklaren is en sluit een ‘hoger vermogen’ in de mens niet uit, dat zich ontplooit in relatie met anderen.

 

 

 

Idee versus Persoon

Scholten plaats volgens Slootweg Idee en Persoon tegenover elkaar. Hij schrijft dat filosofen van God vaak een idee hebben gemaakt: de God van de filosofen, die zich onderscheidt van de bijbelse God, die minder abstract lijkt en in relatie treedt. Maar ook de bijbelse God heeft opvattingen, ideeën en geboden achtergelaten in de bijbel en mensen geïnspireerd om deze op te schrijven. Behalve God maken ook andere personen opvattingen, ideeën en richtlijnen kenbaar, waardoor het onderscheid tussen persoon en idee niet zo scherp is als Scholten stelt.

Slootweg verwijst naar het “reformatorisch personalisme” als achtergrond van Scholten c.s. alsmede het christelijk existentialisme van Kierkegaard e.a. Daarbij worden Persoon en Idee scherp onderscheiden. God is nadrukkelijk geen Idee en het geweten wordt niet gevormd door een Idee maar door de (relatie met ) God. 

“Het geweten is volgens Scholten gebonden aan God als Persoon... Een verzelfstandigde ethiek die zich van God als Persoon verzelfstandigd heeft, en die van God als Persoon abstraheert, is niet veilig.” (p34) Hoe zit het dan met een ethiek die op geïnternaliseerde anderen is gebaseerd en met andere vormen van ethiek, zoals de deugdethiek van Aristoteles, het leven volgens de natuur(wet), de Logos bij de stoïcijnen, de plichtethiek van Kant enzovoort. (Zie CM 138 over de filosofie van de persoonlijke vorming van Joep Dohmen) Zijn deze allemaal onveilig? Betekent dit dat recht en ethiek niet in veilige handen zijn bij mensen die niet meegaan met de hier besproken bijbelse geloofsinterpretatie of die niet in God geloven, of in de “god van de filosofen” geloven?

Volgens Genesis werd de band met God verbroken. “Door een ijdele deskundigheid inzake goede en kwaad is het geweten losgeraakt van zijn binding aan de Persoon... Een autonome, onpersoonlijke ethiek heeft de plaats ingenomen van de persoonlijke band met God, die liefde is.” (p34,35) 

In het vorige nummer werd het daoïsme van Lao Zi besproken. Als we Dao de plaats van God  en het goddelijke laten innemen, ook al kan dit bestempeld worden als heidense ketterij, dan valt enige overeenstemming op. Als mensen niet meer zijn verbonden met de Dao, mist de hoge Deugd (door Zondervan vertaald als innerlijke kracht) een grond in Dao. De band is verbroken en rechtvaardigheid wordt formalistisch. Het diepe inzicht van diverse religies toont op diverse vlakken overeenstemming, zo leert de vergelijkende religiewetenschap, die in deze tijd van interculturele dialoog van betekenis kan zijn.

 

 

Plato en Kant

 

Verzelfstandigde vormen van idealistische ethiek

Slootweg beperkt zich tot Griekse en Europese filosofen om het onderscheid tussen Persoon en Idee in de visie van Scholten duidelijk te maken.

Plato

“Voor Plato geldt dat de waarheid ‘in onszelf’, in onze herinnering (anamnese) is gelegen... Voordat de onsterfelijke ziel... geboren werd, heeft zij de wereld der Ideeën aanschouwd. De ziel bewaart sindsdien de herinnering aan de Ideeën in zichzelf... Kennen is her-kennen... Met behulp van een leraar-filosoof kan de mens de immanente tendens tot het transcendente vervolmaken. De leraar kan ‘als een vroedvrouw’ helpen de goddelijke waarheid die de mens in zich draagt, geboren te laten worden. (Thaet.150c) De mens beklimt zelfstandig de ‘ladder naar de hemel’, waar de algemene idee van het Goede en Schone bestaat, en waarvan ook de deugden en wetten van de staat kunnen worden afgeleid.”

Dit alles berust op hetgeen men in zichzelf kan ontdekken, op (hogere) zelfkennis in de zin van gnosis. “Zelfkennis is de erkenning van de ander.” (p35) Anders gezegd: zoals alles uiteindelijk door God is geschapen, lijkt de ziel oorspronkelijk afkomstig uit een goddelijke bron en verlangt hij/zij weer naar zijn oorsprong, als een godsvonk die het scheppende ‘oervuur’ zoekt.

Natuurrecht

Een andere stroming is die van het natuurrecht. “De natuurwet is met de schepping in ons hart geplant. Het algemeen goede is in aanleg gegeven [...in] onze natuurlijke strevingen (van onze natuurlijke liefde). Voor alles is het de menselijke ratio die overeenstemt met God, die rede is. Het is de wil van God die aldus met de schepping is meegegeven. Algemene wetten en of beginselen zijn van het goede zijn met onze natuur gegeven. Als de mens zich aan de immanente natuurwet houdt en langs deze natuurlijke lijn (zo goed mogelijk) de menselijke wet inricht, voldoet hij daarmee ... aan de eigenlijke wil van God... De zonde komt slechts voort uit de onwetendheid, nooit uit een radicale verlorenheid.” Deze natuurrecht-benadering is herkenbaar bij de stoïcijnen en Rousseau, zie CM 138 over de filosofie van de persoonlijke vorming van Dohmen, Deel 2.

Kant

“Een derde voorbeeld van een verzelfstandigde ethiek die van de Persoon niet weten wil, betreft het autonome geweten van Kant... ‘het bewustzijn van een innerlijk gerechtshof’...

Het goede bestaat uit de overeenstemming van de maximes van het handelen met de wetten en principes van de praktische rede... als dat wat overeenstemt met de categorische imperatief.” (p37) Dat is een moeilijk woord voor universele (categorische) verplichtingen.

“God is slechts een afgeleide van de praktische rede... afgeleid van de zedenwet die in ons rust... een afgeleide van het geweten. Hij is niet de soevereine God uit de Bijbel. De wil van God is ‘waar’... in zoverre die met de rationele plichten van het transcendentale subject overeenstemt... Dit is de religie binnen de grenzen van de zuivere rede... Het geloof kan slechts worden aanvaard... voor de rechtbank van de rede.”

De christelijke visie van Scholten

Zo zijn er nog meer voorbeelden van stromingen met een ethiek die niet berust op (het geweten als de afstemming op) de persoon van God, en afwijkt van de (reformatorisch) christelijke visie van Scholten en Slootweg, ”in de overtuiging dat de waarheid in onszelf gelegen is en (dus) onafhankelijk van de Persoon gegeven is”. (p38)

“De Liefde, de waarheid van het christendom, is niet, zoals eros, in onszelf gelegen... We vinden de waarheid achter het recht... alleen in een persoonlijke verhouding tot de Persoon. Het idealisme wil ons van de waarheid weghouden,” van deze waarheid. “Het ware geweten is niet algemeen em autonoom, zoals een Idee, een beginsel of principe dat zijn... Het geweten is innerlijk, in de zin dat het persoonlijk is.” (p38,39)

 

 

Ontmoeting met God

In het christendom “draait alles om de ontmoeting met Christus als levende Persoon... daarom heeft Christus ons van de wet verlost, zodat wij in relatie met Hem als Persoon naar gerechtigheid zouden dorsten. De liefde is vooraleerst de vervulling van de wet. De liefde abstraheert niet... door de liefde blijft men aan Gods vrije wil en aan de concrete naaste gebonden... Iedere wetmatige veralgemenisering, iedere rationalisering van menselijke betrekkingen blijft daardoor uitgesloten... In deze ene persoon gaat de oneindigheid schuil.” Met andere woorden: in de persoon gaat God en het goddelijke schuil.

“Het geweten staat in verhouding tot de enkele Persoon van Christus, waarvan wij niet mogen abstraheren... Geloven is... een ontmoeting met God... De Persoon van Christus wil ons van de gepersonaliseerde werking van de wet verlossen... Niet de uit de wet werkende autonomie is bepalend voor het geweten, maar de gemeenschap met de Persoon van Christus.... Het is de plaats waar het geloof doorbreekt, de plaats van de ontmoeting met het absolute. ‘In vrije betrekking met God staan’, dat is het nu om een geweten te hebben.” (p40,41) Hoe zit het dan met mensen die niet in God geloven/ Hebben die geen geweten? Of een ‘onveilig’ geweten?

Bij een ethiek die berust op principes kunnen er “meerdere wetten en principes aanspraak maken om van toepassing te zijn. Er zijn ook altijd verschillende waarden van toepassing... de liefde voor het land en de liefde voor de naaste. Veelal leidt dit tot conflicten en de noodzaak de ene waarde voor de andere op te offeren. Een [algemene] wet of norm kan ons bij deze tragedie niet helpen... de mens moet zelf beslissen... Wat goed en wat kwaad is moet de mens zelf onderscheiden.” (p42). 

Sartre geeft hiervan het voorbeeld van een jongen die moet kiezen tussen de zorg en aandacht voor zijn moeder of de verdediging van het vaderland in Existentialisme is humanisme (besproken in CM 138 Persoonsvorming Deel 3). De categorische imperatief van Kant kon Kierkegaard ook niet helpen bij zijn persoonlijke gewetensbeslissing zijn verloving al of niet te verbreken. Principes kunnen ons helpen, maar laten ruimte voor een persoonlijke interpretatie en keuze die in specifieke situaties een beroep doet op het persoonlijke geweten. Dat is ook het geval in de rechtspraak, waarbij er ruimte is voor de interpretatie, het geweten en de verantwoordelijkheid van de rechter. Ook als de rechter niet christelijk is. “Principes nemen de verantwoordelijkheid voor een concrete beslissing niet weg... Moraliteit is niet in de logische of wetenschappelijke rede gefundeerd” (p43,44)

 

https://www.youtube.com/watch?app=desktop&v=RLN3dXmLuM8 

Hierover zijn verschillende visie mogelijk

 

Het algemene en het persoonlijke

Algemene ethische beginselen kunnen de aandacht voor de concrete persoon in de weg staan bij eenzijdige nadruk daarop. “Bij een plichtenconflict geeft alleen de zedelijke [morele] intuïtie de oplossing: op grond van het innerlijk geweten dat aan God en de naasten gebonden is,” althans bij mensen die in God geloven. “Het geweten van Scholten is dit fundamentele relatievermogen (Buber)... Bij de ethiek gaat het ten diepste om de persoonlijke, ontmoeting met de naaste, die het geweten en het oordeelsvermogen vormt.” Dit vormt zich zoals gezegd volgens sociologen in het interactieproces met betekenisvolle anderen. “Het fundament van de ethiek is niet het (zelf)bewustzijn.” Dit is echter wel nodig bij de gewetensvorming die in het bewustzijn plaatsvindt. “De ethische grondslag wordt niet gevonden in de gestalte van algemene wetten, maar in de persoon van de naaste” die een beroep op ons doet.

Slootweg spreekt van ”het door het Evangelie gevormde geweten”. Hoe zit het dan bij een door andere invloeden gevormd geweten? En bij niet-christelijke of anders-christelijke rechters? Recht abstraheert en rationaliseert, schrijft hij, ook ten opzichte van de persoonlijke achtergrond van de rechter, die echter doorwerkt in zijn interpretaties en oordelen. Tegenover de rationalisering staat de personalisering. Deze vormt een noodzakelijk complement en laat ruimte voor het persoonlijke geweten en de eigen verantwoordelijkheid, die het onpersoonlijke recht niet kan wegnemen. 

 

 

De staat kan tegenover het geweten komen te staan, bijv. bij dienstweigeraars of bij mensen die zich om persoonlijke redenen niet willen laten vaccineren. “Overgelaten aan zichzelf zullen politiek en recht op tirannieke wijze gaan heersen...en de anderen misvormen door hen volgens universele regels te behandelen en te oordelen.” Volgens sommigen werd deze tendens onder de druk van de precaire omstandigheden sterker tijdens de coronacrisis. Wetten dienen ruimte te laten voor de persoon, voor “ontmoeting en de dialoog van mens tot mens”. 

“Door het onwerkelijke, rechtsfilosofische uitgangspunt van een gemeenschappelijke wil... kan men geen recht vinden, en geen gemeenschap vormen.” (p44,45). Daarbij gaat het om persoonlijke relaties, waarbij mensen elkaar ontmoeten. De persoon heeft volgens Slootweg een onaantastbare waardigheid, die eigen rechten heeft tegenover de staat, die ruimte dient te laten voor de persoonlijke vrijheid en het geweten binnen grenzen van de civiele wet en het strafrecht. “Alleen in zijn geweten en zijn aandacht voor de persoon kunnen instituties van het recht gezond en verschoond blijven van allerlei dehumaniserende, depersonaliserende mechanismen en tendensen.” Recht dient bij te dragen tot “de ontwikkeling van de persoon en de vorming van een gemeenschap der naasten”’. (p49)

“Dictatuur van de meerderheid” en “de minderheid die door de meerderheid wordt genegeerd” vormen een samenhangend probleem. Dit wordt versterkt wanneer de meerderheid door de media wordt gemanipuleerd, waardoor de gewetensvolle vorming van een eigen oordeel kan worden belemmerd. (p48) Algemene principes dienen ieders persoonlijke waardigheid niet in verdrukking te brengen. Recht dient zich door distantie, onpartijdigheid, onafhankelijkheid, integriteit èn persoonlijke betrokkenheid te kenmerken met aandacht voor het unieke en individuele, het persoonlijke. Daarbij is communicatie, dialoog en ontmoeting belangrijk “tussen overheid, rechter en burger”.

 

Vrouwe Justitia weegt zorgvuldig argumenten en gegevens, ook het persoonlijke en het algemene, oordeelt een scherp, hakt knopen door en vertegenwoordigt het geweldsmonopolie van de overheid. De blinddoek staat voor onpartijdigheid.  https://historiek.net/vrouwe-justitia-betekenis-herkomst/94652/ 

 

 “Een mens is geen object, en mag niet als ding gefixeerd worden... Het recht is niet zomaar een instrument in handen van de machthebbers om naar believen het gedrag van burgers te manipuleren... Het recht vormt niet slechts een ordeningsinstrument.” (p51-54) Er dient ruimte te zijn voor de persoon, het geweten en de liefde, “het gelaat van de ander”, in termen van Levinas.

Slootweg eindigt met een citaat van Scholten: “is de liefde tot ons gekomen... [dan] voelen wij ons door haar vervuld en vast dan zijn we anders, en in onze daden zal dat afstralen.”

Hoe deze nobele bezieling vorm krijgt, wordt niet specifiek uiteengezet, maar in grote lijnen geschetst. Ontmoeting, vergeving en toekomstige mogelijkheden worden genoemd bij een humane rechtspleging. Hoe dat gestalte kan krijgen vinden we ook in de bijdragen over Buber, Levinas en Simone Weil in vorig nummer.

 

Slotwoord

Een algemene inzichtelijke rechtsfilosofische analyse omtrent de spanning tussen het algemene rationele en het persoonlijke existentiële wisselt Slootweg af met meer persoonlijke bijbelse uitingen, die het karakter krijgen van de getuigenis van een specifiek christelijk geloof. Zijn analyse en argumentatie kan echter ook voor niet-christenen en geseculariseerde christenen overtuigend overkomen. Het appèl van een persoonlijk beroep op het christelijk geloof kan vooral aanspreken bij geloofsgenoten. Als algemene waarde blijven de persoon en zijn geweten als een paal boven water staan als een gegeven dat niet in de verdrukking mag komen in de depersonaliserende tendensen in onze maatschappij, die er niet minder op geworden zijn.

 

De protestanten hebben op hun beurt de katholieken onderdrukt en omgekeerd

 

In de christelijke kerk(en) kwam de persoonlijke vrijheid (van het geweten) ook vaak in de verdrukking en werd deze geconditioneerd door kerkelijke kaders. Weinig mensen willen terug naar deze kaders en naar de verzuilde samenleving, waarin diverse groeperingen en visies naast elkaar en met elkaar leefden, ieder in zijn eigen ‘waarheid’. Om nog maar te zwijgen van de tijd van godsdienstoorlogen en de onderdrukking van katholieke, joodse en sommige protestantse minderheden.

Het boek Iemand zijn van Dohmen komt ook op voor de persoonsvorming en is besproken in CM 138. Bij hem komt het christendom in onze geseculariseerde tijd er nauwelijks meer aan te pas, evenmin als andere religies. Behalve bij Charles Taylor en eerder bij Erasmus. De bijdrage van Slootweg daarentegen lijkt op een christelijk offensief vanuit de achterhoede in een goddeloze tijd die de mensen als persoon bedreigt. Het lijkt de moeite waard de gelederen uit te breiden met krachten en benaderingen die de persoon willen beveiligen tegen de gepersonaliseerde tendensen in onze tijd. Het hier besproken boek biedt een keur aan personalistische visies, die elkaar aanvullen en nog verder uitgebreid kunnen worden.