Deel 16. Het zelf als innerlijke pelgrimstocht bij Emmanuel Housset (1960)

Civis Mundi Digitaal #140

 

Housset is de enige nog levende filosoof die in deze bespreking aan de orde komt in een bijdrage van theoloog Frits de Lange. Hij bouwt voort op de fenomenologie van Husserl die de persoonlijke ervaring contrasteert met het sciëntisme, dat “de natuurwetenschappelijke en technologische visie op de werkelijkheid verabsoluteert. Mensen zijn meer dan rationele observators, de natuur is meer dan een object, ervaring is rijker dan empirisch geverifieerde kennis... Wij zijn geen substantie, maar persoon-in-relatie. Housset onderschrijft de personalistische traditie.” En daarnaast de fenomenologische benadering. (p357,358)

 

 

Postmoderne seculiere pelgrimage

Wat betreft het personalisme “geeft Housset er een postmoderne draait aan – persoon zijn is een gebeuren... een ballingschap, een pelgrimage... niet een stand van zaken, maar een steeds opnieuw wijkende horizon, een permanente beweging.” (p358) Hij gebruikt de term ‘exil’, dat volgens De Lange vertaald kan worden als pelgrimage. Zijn hoofdwerk heet L’interiorité d’exile: Le soi au risque de altérité (De innerlijke pelgrimage: Het zelf riskeert verandering). Het zelf is onderweg, “het opent zich voor wat het overstijgt” zoals bij Augustinus. Het is geen eiland, maar een reis, “een voortdurend onderweg zijn” (p358,359) 

Tegenwoordig verkeert men in een seculiere pelgrimage van een voortdurende transitie en onderweg zijn naar een onbekende en steeds wijkende bestemming. Het oude vertrouwde laat men achter, maar de nieuwe bestemming blijft nog “een soort niemandsland, een ruimte gekenmerkt door het overschrijden van grenzen en een proces van persoonlijke transformatie.” Met de persoonlijke transformatie loopt het vaak zo’n vaart nog niet, al “is ons zelfbesef voortdurend in beweging. Zygmunt Bauman muntte de term ‘vloeibaar’ (‘liquid’) voor die ervaring.. Je moet je voortdurend blootstellen aan de osmose met anderen en hun levensstijl,” om erbij te horen. (p360) Eerder gebruikte collega-socioloog David Riesman de term ‘otherdirected’ voor deze levensstijl (zie CM 125).

Bauman schildert in “de vloeibare samenleving... een wereld waarin alles altijd in beweging is.” Ook ons persoonlijke leven en onze intieme relaties. “Nietzsche kan gelden als de eerste postmoderne denker onderweg... van stad tot stad, van hotel tot hotel.” (p361,362) De “hogere bestemming... gericht op de [hemelse] zaligheid” is de moderne mens verloren “en reist door... een kille en zinloze wereld... Het gaat nu niet meer om persoonlijk zielenheil, maar om het behalen van maatschappelijke winst en succes.” (p363)

Toch is de moderne pelgrim vaak meer dan alleen een toerist, “meer dan een medeplichtig slachtoffer van het wereldkapitalisme, een hersenloze toerist met zonnebril en fotocamera. Ook deze mens wordt gedreven door hoop en verlangen naar een beter leven met en voor anderen. Hij weet niet precies wie hij is... maar hij wordt door onrust gedreven... verlangend naar ik-weet-niet-wat.” Hij lijkt zich overal thuis te voelen waar wifi is, maar dat is schijn en bevredigt velen niet die “niet alleen op zoek zijn naar afleiding en vertier, maar ook naar diepte en betekenis.” (p364) Religie en spiritualiteit zijn niet verdwenen maar veranderd en hebben ook flexibele “vloeibare’ kenmerken gekregen”. Mensen zoeken nog steeds onrustig naar hun diepere zelf, zoals Augustinus vele eeuwen geleden met zijn “premoderne ervaring van de ziel als een grondeloze, oneindige ruimte”. (p365)

 

Het persoonsconcept begint bij Augustinus

 

De zoektocht van Augustinus

“Wat Augustinus als ’ziel’ benoemt, heet bij moderne filosofen nadien het ‘zelf’ of ‘subject’. Augustinus’ afdaling in zijn eigen innerlijk laat... een reflexief ‘ik’ zien, een ‘zelf’ dat zich in zijn denken over zichzelf buigt. Door in de postmoderne ervaring... kan de opvatting van het zelf als homo viator [mens onderweg...] weer in ere hersteld worden.” (p365) In elk geval bij Housset die het concept van de persoon bij Augustinus ziet ontstaan.

Sindsdien heeft het beeld van het zelf nogal wat veranderingen ondergaan, zoals Charles Taylor beschrijft in zijn Sources of the Self. Het zelf als eiland in de wereldzee maakt in de postmoderne ervaring volgens Housset plaats voor het zelf als ‘exil’, een soort pelgrimage, zoektocht of ontdekkingstocht.

Augustinus maakt een innerlijke reis, een zoektocht naar zijn ziel, zijn ware zelf dat hij in God meent te vinden, die hij aanvankelijk ervaart als een innerlijk licht. “In zijn innerlijke dialoog met God laat Augustinus het zelf dat hij dacht te zijn achter zich, en gaat op weg naar een zelf dat hij nooit eerder heeft gekend. Het zelf is een traject, waarvan hij niet weet waar het hem zal brengen. Maar hij weet nooit precies wie hij is, evenmin weet hij precies wie of wat God is naar wie hij verlangt.” (p368)

Hij doorkruist in zijn Belijdenissen. de afgrond van zijn geheugen, komt zijn wil en zijn begeerten tegen, die hij achter zich laat, zijn liefde voor anderen, de liefde voor zijn partner, die niet vrij van begeerten is en die hij daarom ook achterlaat, de liefde voor zijn zoon en zijn moeder en vooral het verlangen naar God, de grondeloze grond van zijn bestaan. 

Zie hierover ook het hoofdstuk over Augustinus in mijn te verschijnen boek over Albert Camus, die is afgestudeerd op Plotinus en Augustinus en CM 92 en... Camus schreef ook een boek met de titel L’exil et le royaume, vertaald als Koninkrijk en ballingschap. Housset verwijst in deze bijdrage niet naar Camus, in wiens werk diverse betekenislagen aanwezig zijn. Ten eerste de ballingschap uit zijn geliefde moederland Algerije. Op een dieper niveau het terugverlangen naar zijn thuisland, zijn ware vaderland. Dit is een term van  Plotinus voor het goddelijke Ene, dat in ons diepste innerlijk aanwezig zou zijn, maar ook al het bestaan doortrekt als uitvloeiïng van dit Ene.

Bij Augustinus gaat het om een zoeken naar zichzelf en naar een persoonlijke God, waarmee de ongelovige Camus niet was opgevoed, die het thuisland van zijn jeugd beleefde in de zon en de zee, die toen in overvloed beschikbaar waren. In elk geval is er een duidelijk parallel met het werk van Camus, dat ook verwant is met personalisme en ingaat op de persoon in relatie met anderen en in engagement met de samenleving.

 

 

 

Mystieke ervaring

Terug naar Housset: “Terugkeren naar zichzelf, dat is de wereld bewonen, dat is buiten binnenkomen, zichzelf vinden in wat elders is, daar verlies ik mijzelf en vergeet ik mijzelf, en ben ik mijzelf het meest nabij.’’ Houssets boek staat vol met dit soort paradoxale zinnen, waarin hij het opneemt voor een avontuurlijke, open innerlijkheid. Ons innerlijk is een plek waar zich een andersheid in en van onszelf manifesteert, zich aan ons openbaart... “Gij waart mij innerlijker dan mijn diepste innerlijk en hoger dan mijn hoogste hoogte’, bidt Augustinus. Zelfs zonder een duidelijk beeld van een persoonlijke God of de mystieke ervaring van een transcendente liefdevolle Macht, kunnen we ons inleven in deze ervaring.” (p370) Meer van dergelijke ervaringen zijn bijv. te vinden in de mystieke werken van Rumi en Lao Zi, besproken in vorig nummer CM 139.

Mystiek, meditatie en spirituele ervaringen gaan voorbij denkende zelfreflectie en zelfobservatie zoals deze in de fenomenologie geschiedt, waar Housset naar verwijst in zijn fenomenologische studie van de innerlijke reis, L’intériorité de l’exil. “Hoe meer wij over onszelf reflecteren, des te meer raken we de grip op onszelf kwijt... We kunnen niet anders en het is goed zo. Augustinus’ advies aan de homo viator, persoon in exil, is niet om zichzelf te ontvluchten maar om af te dalen in zichzelf. Dat is de plek waar je tenslotte boven jezelf kunt uitstijgen.

“Keer in tot jezelf. In het innerlijk woont de waarheid. Als je tot de bevinding komt dat je eigen aard veranderlijk is, overstijg dan jezelf. Denk eraan dat je je bij het overstijgen van jezelf de redenerende ziel overstijgt. Richt je daarheen waar het licht van de rede ontstoken wordt... De waarheid komt zeker niet redenerend tot zichzelf... Je komt zoekende tot haar... in geestelijke liefde.” (Augustinus, De vera religione, Over de ware religie, 39:72) 

 

 

Het innerlijke licht

Uiteindelijk komt Augustinus al zoekend en twijfelend tot de zekerheid van het innerlijke licht, “het ware licht dat ieder mens die in deze wereld komt, verlicht” (39:73, Evangelie van Johannes I:9) In dit licht dat ongetwijfeld en zeker aanwezig is, speelt ook de twijfel zich af. “Ieder die twijfelt... heeft in zichzelf iets waars, waarover hij niet twijfelt,” schrijft Augustinus vooruitlopend op het cogito ergo sum, ik denk dus ik ben, van Descartes. “Ik werd voor mijzelf een groot raadsel," schrijft hij in de Belijdenissen en hij geeft toe dat hij niet precies weet wat hij liefheeft als hij God liefheeft. (p368,371) 

Maar ook dit raadsel speelt zich af in het innerlijke licht van zijn bewustzijn, dat niet meer betwijfelbaar is en waarin het raadsel oplost. “In zijn theologie is “God’ een radicaal onbepaald symbool voor zijn zelftranscendentie. ‘Liefde voor God’ wordt een synoniem voor het verlangen naar de onbereikbare volheid van leven. Augustinus weet dat de volheid op een of ander manier vervulbaar is; in zijn tuin in Milaan werd hij door een mystieke ervaring daarin bevestigd. Tegelijkertijd is zij present als belofte, een verlangen dat hem levenslang tot pelgrim maakt. Housset leest Augustinus fenomenologisch, niet theologisch. De zogenaamde theologische wending in de Franse fenomenologie waarvan hij deel uitmaakt, veronderstelt niet noodzakelijkerwijs het geloof in een theïstische God, dat het seculiere denken heeft afgezworen... Het symbool verdient een herwaardering als symbool voor het transcendente in onszelf ‘dat te denken geeft’.” (Verwijzend naar Ricoeur, p371,372) 

Mogelijk had Augustinus een tijdelijke mystieke ervaring van volheid en verlichting, zoals ook Plotinus, Rumi en andere mystici beschrijven, die bij Lao Zi, Boeddha en anderen een permanent karakter lijkt te hebben gekregen volgens R.M. Bucke in Cosmic Consciousness (zie CM 101). Daarom verlangt hij ernaar dat deze ervaring blijvend is. Wie eenmaal is geraakt door de volheid en gelukzaligheid van het innerlijke licht, verlangt immer naar de terugkeer, zoals iemand die verliefd is naar zijn geliefde verlangt. Niet voor niets nemen mystici vaak hun toevlucht tot de symboliek van de liefde tussen geliefden, niet alleen Rumi en Ruusbroec.

Augustinus verwijst ook naar het innerlijke licht en transcendeert daarmee de theïstische God, die prominent aanwezig is in zijn werk, dat overigens een universeel filosofisch karakter heeft. Daarom blijft het ook in onze tijd aanspreken en inspireren, zoals Housset en eerder Albert Camus duidelijk maken. Bij Augustinus lijkt het zelf meer dan “een wijkende horizon, [...iets of iemand] die voortdurend onderweg is naar zichzelf.” (p372) Hij lijkt zichzelf ook te vinden in God, in elk geval beschrijft hij daarvan mystieke momenten. 

Ook andere spirituele filosofie, zoals de Indiase Vedanta in de Oepanishaden, beschrijft het Zelf als innerlijk licht, waarin de wereld verschijnt. In termen van het personalisme, treedt dit licht dat wijzelf zijn en dat geen substantie is, in relatie met anderen en met de wereld om ons heen. We zijn weliswaar personen in relatie, maar hebben en zijn ook een innerlijkheid, een innerlijk licht, een innerlijk bewustzijn, zoals boven beschreven. 

Zonder dit (bewustzijn) kunnen we niet in relatie treden. De relatie vindt plaats in het licht van ons bewustzijn, wij zijn daarin en daarbij bewust aanwezig, zonder er restloos in op te gaan. In de mystiek van de diepgaande ontmoeting kunnen twee aanwezigheden versmelten, zoals twee geliefden.

 

 

Het zelf als openheid

Housset sluit aan bij de visie van het relationele zelf, maar benadrukt zoals gezegd het onderweg zijn. “Houssets perceptie van identiteit als exil wil ons in beweging houden: je bent alleen persoon door er een te worden in het beantwoorden van het appèl dat op jou gedaan wordt door de wereld, de anderen, door God.” 

Daarmee lijkt hij zich weer weg te bewegen van de interioriteit die Augustinus en andere mystici beschrijven. Hij ziet de innerlijkheid van het zelf als exil, als onderweg zijn, niet als bestemming en lijkt te vergeten dat het onrustige hart van Augustinus onderweg was naar God en rust vindt in God, zoals deze beschrijft in zijn beroemde passage aan het begin van zijn Belijdenissen (I.1: “Ons hart is onrustig tot het rust vindt in U”, p365) Zijn pelgrimstocht vindt op zekere momenten zijn bestemming, terwijl zijn levensreis tevens verder gaat. Ook de verlichte mens gaat verder met zijn leven en zijn levensreis.

“Houssets benadering is zo radicaal op de toekomst georiënteerd, dat het lijkt alsof de persoon zich elke dag opnieuw moet uitvinden. Hoe kunnen we van persoonlijke identiteit spreken zonder een minimum aan continuïteit en stabiliteit.” (p373) Het innerlijke licht van het bewustzijn is geen vast gegeven. Het wordt ook beschreven als openheid, een soort leegte, bijv. bij Lao Zi, de Oepanishaden en bij Douwe Tiemersma (zie CM 75,88).

Housset noemt het een “open ruimte. Het zelf is geen punt, maar heeft eerder... een labyrintachtige structuur. Het maakt omzwervingen zonder ooit een centrum te bereiken.” (p374) In de openheid is het centrum overal. Het open bewustzijn kan zich identificeren met “de ‘rol die wij spelen [...maar] valt niet samen met de sociale verplichtingen en verantwoordelijkheden die we daarmee op ons nemen.” (p373) Het Zelf als open bewustzijn blijft daarvan vrij en kan zich steeds voor nieuwe ervaringen openen. Housset speelt zoals Levinas van een ”gelaat” of gezicht dat zich naar anderen en naar de wereld toekeert.

“Het zelf opent zichzelf niet alleen in de ruimte, maar ook in de tijd. Persoon zijn impliceert ook een open toekomst.” Een onderweg zijn, een worden. “We willen diegene worden die wij zijn,” schreef Nietzsche. Heidegger plaatst ons zijn niet alleen in de wereld als Dasein maar ook in de tijd in Sein und Zeit. We hebben de opdracht “te worden wie we zijn.” (p374)

We zijn ook wie we nog niet zijn. Wie of wat worden we dan? Nietzsche’s Übermensch is dood na een omstreden en kortstondig leven. Maar het thema van zelfverwerkelijking is levend gebleven. Hoe verwerkelijkt het zelf zich dan? Maslow heeft er een boek over geschreven: Toward a Psychology of Being (Naar een) Psychologie van het menselijk zijn (zie CM 127). Joep Dohmen schreef een dik boek over persoonsvorming volgens filosofen door de eeuwen heen (zie CM 138). Zo zijn er meer bijdragen.

 

 

Volgens Heidegger “wordt je eigentlich, authentiek, als je je sterfelijkheid eigen maakt. Housset is geïnspireerd door dezelfde grondeloze liefdeservaring die ooit Augustinus tot bekering bracht, kiest daarentegen voor een andere weg naar authenticiteit. In de ervaring van liefde, schrijft hij, of die nu mystiek, erotisch, of beide tegelijk is, verliest iemand zichzelf door zichzelf onvoorwaardelijk uit te leveren aan iemand anders… Iemand die ooit verliefd is geweest zal dat kunnen bevestigen.”

Na de verliefdheidsfase hervindt hij echter zichzelf als ‘wij’. Omwille van het Zelf is de vrouw dierbaar, zeggen de Oepanishaden. Ook Plato schrijft in één van zijn mythen dat het Zelf, de ziel oorspronkelijk een eenheid was, die is gesplitst (zie CM 123) ik de hereniging vindt het zelf zichzelf. 

“Beschreef niet Augustinus al, dat dan, als ik mijzelf verlies door mij over te geven, dat ik dan precies tot mijzelf kom? In de liefde ontvang ik mijzelf weer terug, anders en authentieker dan ik zelf voor mogelijk hield.” (p375) Is dit ook niet een ervaring die velen na de verliefdheidsfase kunnen bevestigen bij het vinden van de liefde van hun leven?

“Housset bezigt het abstracte jargon van de fenomenologie. maar zij is doorspekt van het poëtische narratief van de reis, het exil, de exodus, de pelgrimage... ‘Elke persoon volgt de weg waar zijn ontmoetingen hem naar toe leiden... door de naaste gezonden naar de verte waar ik ben... Je moet door de verte in beslag genomen worden om dicht bij jezelf te zijn.’” (p376)

Het narratief van de reis is een universeel symbool, zoals ook Dohmen vermeldt. En het onbepaalde, onbegrensde en oneindige kenmerkt de openheid van het open bewustzijn, waarin wij tegelijk onderweg kunnen zijn en onze bestemming vinden in de openheid.

 

 

Persoonsopvattingen bij verschillende filosofen, Augustinus, Thomas van Aquino, Kant, Husserl en Levinas 

 

Slotbeschouwing: Wie zijn we dan?

“Naar de mening van Housset is de tijd rijp voor een herwaardering van Augustinus’ onrustige hart. De postmoderne ervaring... betekent dat we leven ‘in de rusteloosheid van een voortdurend weer moeten vertrekken’. Housset bevindt zich daarmee in het gezelschap van andere hedendaagse denkers die ook persoonlijke identiteit als open vraag willen behandelen... waarin ik mijn eigen project heb, ben wat ik maak van mijzelf.” (p377)

Dit is echter een ander geluid dan de meer mystieke visie van de openheid van het bewustzijn. Blijvende openheid wijkt dan in wisselende projecten met een tijdelijk karakter. Bovendien neigen zulke projecten naar een ik-gerichtheid, waarbij het ik zich steeds opnieuw probeert uit te vinden als een hond die achter zijn staart om zichzelf rondtolt.

“Wie zijn we dan tenslotte... Wij weten niet wie wij zijn – en precies dat zijn wij.” Housset maakt in deze cryptische zin niet duidelijk dat dat de openheid is, ook wel de leegte genoemd. Hoewel hij ook schrijft: “Het zelf is een traject met een open horizon. Zelfverwerkelijking vindt daarin plaats als het zelf zijn telos (doel, bestemming) heeft bereikt.”

Het Zelf is veeleer die onbegrensde openheid, terwijl projecten daarin trajecten zijn. Bewustzijn is in essentie een leeg en open gegeven dat zich steeds vult met nieuwe ervaringen, nieuwe trajecten. Housset beschrijft het zelf “als een project dat voltooid moet worden... een zaad dat langzaam rijpt totdat het volgroeid is.” (p378).

Maar wanneer is het volgroeid? Zelfverwerkelijking beschrijft Housset in termen van “een stel opeenvolgende onvoorspelbare bliksemschichten.” Dat wil zeggen spontane momenten van verlichting, die na verloop van tijd een bestendiging en permanent karakter kunnen krijgen, zoals is beschreven in artikelen over kosmisch bewustzijn in CM 101.

“Het ontwaken van een persoon in onszelf laat zich niet vergelijken met een zonsopkomst op een wolkeloze dag, meer eerder met straaltjes hoop in de duisternis,’ een her-haling van een beloftevol begin dat eerder gemaakt werd.” (p378) Soms heeft een mens ervaringen van een moment van zelfverwerkelijking of verlichting die ons het hele leven bij blijven en terugkeren, zoals Plotinus, Augustinus, Camus en vele anderen beschrijven.