Deel 17. Slot: eenzijdigheden en accenten van het personalisme

Civis Mundi Digitaal #140


 

Het personalisme is een interessante stroming die ook in onze tijd relevant blijft. Maar het heeft wel een eigentijdse aanvulling nodig, om aan te sluiten bij de huidige problemen zoals de milieu- en klimaatcrisis. Geen woord daarover bij de besproken filosofen, die schreven van voor de tijd dat dit nijpend werd. Ook de economie komt er bekaaid vanaf, terwijl bestaanszekerheid een hoofdthema bij de huidige verkiezingen is. Het heeft echter te maken met rechtvaardigheid, eerlijk delen en verbondenheid met anderen, thema’s die wel aan de orde komen, maar niet worden verbonden met bestaanszekerheid. Ook al wordt herhaaldelijk gezegd dat het om de concrete ander gaat, blijft het personalisme betrekkelijk abstract en filosofisch. Die concrete ander leeft weliswaar niet van brood alleen, maar moet wel te eten hebben, en leeft zeker niet van filosofie alleen.

Het nauwelijks te eten hebben, niet veel te besteden hebben en de bestaansonzekerheid die daarmee gepaard gaat, lijkt vooral een kwestie van ongelijke en onrechtvaardige verdeling. Alsof niet iedere persoon meetelt en er te weinig rekening gehouden wordt met anderen. De beginselen van het personalisme, van de persoon in relatie met anderen, zijn ook van toepassing op kwesties als ongelijkheid en bestaanszekerheid en andere actuele problemen, maar kunnen daarmee meer concreet worden verbonden.

Behalve met anderen zijn we ook verbonden met de natuur. We leven niet alleen in een sociale omgeving maar ook in een natuurlijke omgeving, waarmee we rekening dienen te houden. De sociale omgeving dient afgestemd te zijn op de natuurlijke omgeving. Anders blijven er problemen en kunnen we op termijn niet overleven. Daarom is in de inleiding in Deel 1 gepleit voor verbinding van personalisme en ‘ecologisme’: de zorg en aandacht voor de natuurlijke omgeving.

 

Het personalisme kent christelijke, joodse, sociologische en filosofische invloeden

 

Een West-Europese aangelegenheid

Een andere eenzijdigheid van het personalisme is de focus op alleen Europa en de westerse filosofie en maatschappij. Aandacht voor andere culturen en de mondialisering ontbreekt, behalve bij Max Scheler in Die Wissenformen und die Gesellschaft, Karl Jaspers in Psychologie der Weltanschauungen en andere werken en bij Mohammed Lahbibi in zijn islamistisch personalisme. Onze huidige problemen hebben een wereldwijd karakter en vragen een mondiaal perspectief, zonder de lokale, nationale en continentale eigenheid uit het oog te verliezen. Ook landen, volken en hun culturen hebben als het ware hun eigen karakter en persoonlijkheid, die respect verdienen. En ze kunnen elkaar aanvullen, zoals Lahbibi te kennen gaf.
Kijken we naar de veertien besproken filosofen, dan blijkt het personalisme vooral een West-Europese, Frans-Duitse aangelegenheid te zijn van vijf Duitse filosofen, vijf Franse filosofen, een Spanjaard, een Nederlander, een franstalige Zwitser, een franstalige Marokkaan en een half-Duitse Italiaan. Oost-Europeanen ontbreken, terwijl de Tsjechen Jean Patocka en Vaclav Havel door het personalisme beïnvloed zouden zijn volgens het onderstaande artikel in De Gids. Alleen de Fransman Levinas is uit Litouwen afkomstig, en heeft een joodse achtergrond, evenals Buber en Simone Weil. De andere filosofen hebben een christelijke achtergrond, waar de meesten ook duidelijk voor uitkomen. Alleen Lahbibi is islamiet. Bij Karl Jaspers, Ludwig Klages en Paul Ricoeur is het christendom of jodendom hier niet nadrukkelijk aanwezig. Max Scheler neigde op het eind van zijn leven van katholicisme naar pantheïsme. Niet alle filosofen gebruiken voor hun persoonsgerichte filosofie de term personalisme, die door de Franse personalisten werd gebruikt. 

De besproken filosofen geven ondanks genoemde eenzijdigheden een veelzijdig beeld van het personalisme binnen de beperkingen van joods-christelijke West-Europese visies. Het is een verdienste van het boek dat een aantal minder bekende 20e eeuwse filosofen ‘van stal’ zijn gehaald en de relevantie van hun visie voor de huidige maatschappij aan de orde komt. Hun visie is opmerkelijk relevant gebleven in onze tijd, die vaak naarstig zoekt naar nieuwe visie en uitgekeken lijkt op het neoliberalisme, terwijl het socialisme ook zijn bekoring voor velen heeft verloren. Er zijn zoals gezegd wel actualiseringen, aanpassingen en aanvullingen gewenst. 

 

 

Antwoord op bedreigingen van de persoon, zijn waardigheid en zijn verbondenheid

Het personalisme is ontstaan als een joods-christelijk antwoord op de bedreigingen van de waardigheid van de menselijke persoon door het modernisme, de secularisatie, het individualisme, het kapitalisme (de laatste decennia in de vorm van het neoliberalisme en het surveillance kapitalisme), het communisme en andere vormen van totalitarisme en totalitaire tendensen. De laatste tendensen nemen tegenwoordig eigentijdse gestalten aan, zoals in de artikelenserie over dystopieën en de maatregelen tijdens de coronacrisis naar voren kwam. Het is niet denkbeeldig dat maatregelen tegen de milieu- en klimaatcrisis ook een collectivistisch of zelfs totalitair karakter krijgen als collectieve dreiging. Ook daarom is de verbinding tussen personalisme en ecologisme van belang. 

Het personalisme is echter geen ideologie zoals het liberalisme of het socialisme. Het is geen strak systeem dat ons in een eenzijdige richting stuurt, maar een relationele en dialogische manier van denken, dat diverse vormen kan aannemen zoals bij de genoemde filosofen blijkt.

Het personalisme kan tegenwoordig behalve op het neoliberalisme en mogelijke vormen van collectivisme ook een antwoord vormen op het nationalistische populisme, waarbij de gemeenschap nationalistisch en etnocentrisch wordt opgevat in een multiculturele samenleving die niet zomaar kan worden teruggedraaid. De waardigheid van de menselijke persoon geldt voor alle mensen ongeacht hun cultuur, religie en levensvisie, mits zij de strafwet niet overtreden en anderen niet naar het leven staan. Het personalisme laat niet alleen ruimte voor regionale en nationale  verscheidenheid, maar ook voor etnische eigenheid. 

Het is aan ons en aan onze politici of het personalisme een nieuw soort politiek gestalte kan geven met meer respect voor de menselijke persoon en zijn verbondenheid met anderen en meer accent op een rechtvaardige samenleving met minder ongelijkheid en meer gelijkwaardigheid. Een nieuwe politieke visie lijkt hard nodig gezien de huidige problemen, die roepen om rechtvaardigheid en creativiteit. Zonder de economie en de bestaanszekerheid uit het oog te verliezen is een persoonsgericht ethisch accent onontbeerlijk voor een rechtvaardige verdeling van onze verworvenheden. Onze menselijke mogelijkheden dienen niet vooral een steeds (invloed)rijkere elite te begunstigen, maar iedere persoon ten goede te komen in verbondenheid met anderen.

 

Gelaagdheid van de persoon

De persoon wordt vooral omschreven als een autonoom individu in relatie. In Deel 1, de inleiding in het vorige nummer, werden ook de termen ziel, geest en zelf gebruikt, waar we niet heel veel wijzer van worden. Het is niet gemakkelijk er een duidelijke omschrijving van te geven. “De persoon is een open, zich ontwikkelend wezen met lichaam en ziel, die ‘zijn geïncarneerdheid transcendeert... Als persoon is de mens een universum op zich,’” luist de omschrijving in de inleiding. (p23)

In Deel 1, de inleiding, werd gewezen op de gelaagdheid van de persoon. Dat kwam al naar voren bij Max Scheler en Ludwig Klages, die uitgaat van de aloude onderscheiding lichaam, ziel en geest. Bij de andere filosofen komt deze gelaagdheid impliciet en onduidelijk naar voren.

Buber en Levinas gaat uit van een persoon-in-relatie, die daarvan nauwelijks is los te zien. Volgens Buber gaat “Ik en Jij” vooraf aan het ik-op-zichzelf, dat zich vormt in het sociale proces, in de ontmoeting. Levinas plaatst personen tegenover systemen die de uniekheid en subjectiviteit van de persoon bedreigen en nivelleren. Volgens Levinas “wordt het subject mogelijk gemaakt door het transcendente.” (p305) Hij verwijst naar een transcendent niveau, waarnaar ook bij andere filosofen verwijzen zonder veel duidelijkheid te geven.

Ook de Franse personalisten De Rougement en Mounier plaatsen de persoon tegenover de collectiviteit en de massamens en is het personalisme vooral een antwoord op het individualisme en collectivisme. De persoon is bij De Rougement een geestelijk wezen met een (persoonlijke) roeping, die verwijst naar een transcendente werkelijkheid die hem roept en tot uiting komt in zijn handelen,. Dus een actor die verantwoordelijkheid neemt. De relatie met de ander ziet hij als liefde. “Persoon en liefde zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden... de liefde tot de persoon zijn in haar unieke concreetheid. (p226,231)

Deze  impliciete gelaagdheid is ook bij Mounier aanwezig, die zich eveneens vooral bekommert om isolerende, individualiserende, collectivistische en totalitaire bedreigingen van de persoon en zijn verbondenheid met anderen. Ook hij benadrukt mensenrechten en de waardigheid van de persoon als fundamentele waarden van het personalisme, die uiteindelijk een spirituele en transcendente grond heeft.

Het mystieke begrip ‘onpersoon’ van Simone Weil ligt op de grens van het persoonlijke en het transcendente, waar het individuele overgaat in het onpersoonlijke universele absolute of goddelijke. Dit gaat voorbij de persoon als “sociaal construct”. Ook hier een onmiskenbare gelaagdheid, zoals ook bij de bovengenoemde filosofen in dit nummer.

Transcendentie in de zin  van zelfoverstijging en communicatie zijn kernthema’s bij Jaspers evenals het personalistische grondthema van kritiek op de objectivering. Religieuze filosofen verwijzen naar God, zoals Romano Guardini, Miguel de Unamuno, Paul Scholten en Emmanuel Housset. Bij Paul Ricoeur is dit minder duidelijk, maar hij heeft een protestants- christelijke achtergrond, evenals Scholten, die het geweten centraal stelt in zijn rechtsfilosofie.

Het geweten omvat een sociaal en een religieus of transcendent aspect, een relatie met God en met de ander. Het geweten is niet geheel te herleiden tot sociale conditionering, die weinig ruimte laat voor de vrije wil en de transcendente dimensie van de persoon. Het geweten kan door de conditionering en de gevestigde orde heen breken en er stelling tegen nemen, zoals charisma door de ‘koek van gewoonten’ en tradities heen kan breken bij Max Weber (Sociology of Religion). Bijv. bij profeten, en religiestichters en hervormers.

Verder is verwezen naar de filosofie van de persoonlijke vorming van Joep Dohmen. Over de sociale kant van het zelf en de gelaagdheid van de persoon gaat Deel 4 van de bespreking van zijn boek in CM 138. Zoals in het bovenstaande kwam ook daar naar voren dat de persoon volgens vele westerse en oosterse filosofen een persoonlijke of individuele en een transcendente of universele kant heeft. Het persoonlijke aspect wordt gevormd in een sociaal proces.

Dieptepsychologie en sociologie

Het personalisme heeft weinig aandacht voor sociaal wetenschappelijk en psychologisch onderzoek naar het zelf en de persoonlijkheid en laat zich meer inspireren door filosofische en christelijke visies dan door wetenschappelijke visies, terwijl deze ook enige verheldering kunnen geven en een zinvol complement kunnen vormen.

De dieptepsychologie, zoals de naam al zegt, bestudeert en analyseert de diepere lagen van de persoonlijkheid. Bijv. bij de psychoanalyse van Simund Freud, de analytische psychologie van Carl Gustav Jung, de ‘individualpsychologie’ van Alfred Adler, de psychosynthese van Roberto Assagioli, het subliminale bewustzijn van Frederick Myers (zie CM 74), en vele anderen. (Zie J.H. van den Berg, Dieptepsychologie)

De neuropsychologische en de gedragsbenadering zijn echter meer prominent in de academische psychologie, waar weinig aandacht is voor de dieptepsychologie, evenmin als voor de humanistische psychologie van Abraham Maslow, Erich Fromm en Carl Rogers, die raakvlakken heeft met het personalisme.

Het gelaagde model van de psychoanalyse en dieptepsychologie heeft raakpunten met de sociologie. Beide disciplines worden bijv. door Fromm  gecombineerd in De gezonde samenleving en andere werken, en door Herbert Marcuse in One Dimensional Man en in Eros and Civilization. Beiden bouwen voort op Freuds Unbehagen in de Kultur, waarin de drangen en verlangens bij de individuele personen botsen met elkaar en met maatschappelijke beperkingen, die repressie vergen. Dit kan volgens Freud tot verdringing en agressie leiden (zie CM 32). Een daarop voortbouwende visie biedt de civilisatietheorie van Norbert Elias, waarbij de druk van sociale relaties disciplinering en normering vraagt en daardoor de persoonlijkheid wordt gevormd. Meer dan discipline en repressie benadrukt het personalisme daarbij evenals Sorokin veeleer het belang van liefde en spirituele inspiratie.

Het belang van synergy, samenwerking en solidariteitkomt naar voren bij Philip Slater in The Social Basis of Personality (in Neil Smelser, Ed., Society, p548-600). Dat is ook het geval bij o.m. socioloog Emile Durkheim en bioloog en evolutiewetenschapper Peter Turchin in diverse werken (zie CM 33 en 107). Samenlevingen met meer samenwerking hebben betere overlevingskansen en evolutionair voordeel. Ook het personalisme streeft naar een meer solidaire en minder geïndividualiseerde samenleving met meer samenwerking.

De persoon in ingebed in de samenleving en is een gesocialiseerd zelf. Dat gebeurt door imitatie, identificatie met en internalisatie van het gedrag van anderen en gaat samen met beteugeling van het driftleven. (Nico Wilterdink, Samenlevingen 1.4.1, 4.1-3, Slater, p589-595. Zie ook de gelijkenis van de wagenmenner die de driften beteugelt, in de inleiding in het vorige nummer)

Sorokin onderscheidt vier lagen 1. onbewuste driften, bij Freud het onbewuste ‘Es’ genoemd, 2. Deze kunnen op een bewust niveau worden ervaren. 3. Het sociale zelf of zelven, bij Freud het ‘Über-Ich’, en de “bovenbewuste, ‘egoloze ziel’” of Zelf. 4. Het transcendente niveau. (Society, Culture and Personality, p345) In zijn latere werk wijst hij op de creatieve en vormende waarde van liefde en altruïsme die verband heeft met spirituele inspiratie vanuit de ‘bovenbewuste’ dimensie van de persoon,. Dit niveau wordt ook door psychiater Assagiolibenadrukt in zijn  Psychosynthese en Over de wil,  die hij beschouwt als een sturend en vormend vermogen. Sorokin heeft als ter dood veroordeeld sociaaldemocratisch revolutionair de verdrukking van de persoon door het totalitarisme aan den lijve meegemaakt en zag sindsdien meer heil in altruïsme dan in revolutie.

In de sociale wetenschappen is verder weinig aandacht voor de transcendente dimensie, die meer met metafysica en religie te maken heeft dan met wetenschap, maar bij het personalisme van beslissende betekenis is. De “homo duplex” van Emile Durkheim laat ruimte voor deze dimensie, evenals de notie van charisma bij Max Weber (zie Durkheim, The Elementary Forms of the Religious Life, onder The Idea of the Soul IV (p 263) en Max Weber on Charisma and Institution Building, S.N. Eisenstadt, editor). Durkheim was betrokken bij de beweging van het solidarisme, dat raakvlakken heeft met het personalisme en het socialisme en een over het algemeen seculiere tussenvorm lijkt.

 

Personalisme, religie en wetenschap

Het personalisme heeft nauwelijks een filosofie van persoonlijke vorming en psychologie van zelfverwerkelijking, maar beroept zich vooral op het christelijk geloof, bij Karl Jaspers het filosofisch geloof. We kunnen de klok echter niet terugzetten naar de tijd voor de secularisatie, die niet meer is terug te draaien. En weinig mensen willen terug naar de afhankelijkheid van kerk en clerus. De sociale wetenschappen zijn echter ook niet zaligmakend, maar proberen licht te werpen op de wonderlijke en vaak raadselachtige en tegenstrijdige wezens die wij mensen zijn en wie en wat wij kunnen worden.

Van de personalistische filosofen gaat alleen Jaspers als psycholoog en psychiater in op de verrichtingen en beperkingen van de wetenschap. Hij lijkt als existentiefilosoof een vreemde eend in de bijt van het veelkleurige personalistische gezelschap, maar is maar tevens een geestverwant. Hij wijst erop dat wetenschap de aanvulling van filosofie en spiritualiteit nodig heeft. De wetenschap kan ons geen waarden geven, nadat zij bewezen heeft dat zij deze kan wegnemen en teniet doen, schreef Nietzsche (volgens socioloog Goudsblom in een collegesyllabus). We hebben een nieuwe synthese nodig. Ook ideologieën als het liberalisme en socialisme blijken te beperkt en bieden te weinig ontplooiingsmogelijkheden voor de persoon in relatie.

Het personalisme heeft ook geen methoden tot persoonsvorming zoals bij diverse psychologen, westerse en oosterse filosofen. Het biedt wel een ethiek, een maatschappijkritische anti-ideologische visie en een constructief alternatief: terug naar de concrete mensen en hun relaties in rechtvaardige instituties, die de persoon niet bedreigen, maar ruimte geven om zich te ontplooien en anderen daarbij mee te nemen.

Het christelijk denken had vaak een neiging tot dogmatisme, gebrek aan openheid voor wetenschappelijke inzichten en focus op bijbels geloof, zoals ook Jaspers aangeeft. Het is van belang de gelederen te openen voor niet-gelovigen en andersdenkenden, die ook de inspiratie van persoonsvorming nodig hebben. Zoals het geloof heeft ook het wetenschappelijk denken zijn beperkingen, zoals bijv. C.I. Dessaur laat zien in De droom der rede. Het mensbeeld in de sociale wetenschappen.

Zij benoemt de verschraling van het mensbeeld dat mede dankzij o.m. Marx en Freud c.s., geleidelijk werd gereduceerd tot vooral materie, een lichaam met hersenwerking en een speelbal van maatschappelijke structuren en processen. Zie bijv. Dick Swaab, Wij zijn ons brein over de tot hersenwerking gereduceerde persoon, een moderne variant van de mens-machine van De Lamettrie (L’homme machine). De economie en het (neo)liberalisme zien de persoon als homo economicus en berekenende consument, die vooral denkt in termen van kosten en baten. Het socialisme benadrukt de conditionering door sociale structuren en de persoon als drager van klassenbewustzijn. Beide ontberen een subjectieve spirituele dimensie, waarvoor ook in de sociale wetenschappen vrijwel geen aandacht is.

De sociale wetenschappen bieden geen eenduidige inzichten, maar een aantal stromingen met ieder hun eigen theorieën. Vooral de humanistische psychologie van Maslow en Fromm en de sociologie van Durkheim en Sorokin hebben raakvlakken met het personalisme en benadrukken eveneens het belang van sociale verbondenheid en culturele waarden. Bijv. in resp. L’education morale en The Ways and Power of Love. The Factors and Techniques of Moral Transformation, dat inzichten en methoden biedt.

Veel sociale en religiewetenschappers wijzen op de betekenis en de functies van religie voor persoon en samenleving en de disfuncties van secularisatie, rationalisering, bureaucratisering en ‘onttovering’. Zie bijv. Max Weber, Hans Joas, De macht van het heilige en Marcel Gauchet,  De onttovering van de wereld, besproken in CM120 en 126. De laatste tijd komen daar onder meer de bedreigingen van de digitalisering, algoritmen, surveillance-technologie en kunstmatige intelligentie bij, waarvoor deskundigen ons waarschuwen.

Bij de huidige uitdagingen en problemen biedt het personalisme een nieuwe inspiratie en stellingname, die de waarde van de persoon en zijn verbondenheid met anderen benadrukt. Maar ook de natuur, milieu en klimaat en een duurzame, milieuvriendelijke economie mogen meer aandacht krijgen: de persoon in zijn natuurlijke en sociale omgeving. Het personalisme kan een gefundeerd alternatief bieden voor ideologieën die allang hun glans verloren hebben, als het wordt geactualiseerd, verruimd en wetenschappelijk meer wordt onderbouwd, en het stof van de voorbije eeuw er vanaf wordt geblazen door een nieuwe inspiratie.