Het absurde en de kunst

Civis Mundi Digitaal #141

door Erik Jansen

Bespreking van Albert Camus, De mythe van Sisyphus, een essay over het absurde, 1942, vert. Heleen Vermeer-Pardoen, uitgeverij IJzer, 2019.

Albert Camus was schrijver, journalist, toneelregisseur en filosoof. Met de filosofie kwam hij tijdens zijn schooltijd in aanraking en na zijn verhuizing naar Parijs kwam hij terecht in een kring van intellectuelen, waaronder Jean-Paul Sartre, met veel belangstelling voor filosofie. Hoewel hij zelf niet het theoretische werk zocht, liet hij zich wel inspireren door filosofische thema’s. In zijn romans is sprake van een wisselwerking tussen filosofische ideeën en dramatiek. Hij heeft in zijn romans geprobeerd de filosofie tot leven te brengen door filosofische thema’s zodanig te verbeelden dat de verhaallijn het kader is dat aanleiding geeft tot observaties, beschouwingen en stemmingswisselingen van de hoofdpersonen. De handelingen vormen geen specifiek ‘plot’, maar dragen bij aan de morele keuzes en het levensgevoel van de hoofdpersonen. Als schrijver voelt hij zich sterk verwant met Dostojevski die in zijn romans de vragen van moord en zelfmoord tot onderwerp maakte.
Naast zijn romans schreef Albert Camus twee wat zwaardere en meer abstracte filosofische essays, De mythe van Sisyphus, en De mens in opstand, waarin hij enkele filosofische thema’s uitdiept zoals het absurde, het nihilisme, en de rol van de kunst. Deze werken onderscheiden zich van zijn meer toegankelijke romans, verhalen en essays, maar vullen deze ook aan met meer filosofische diepgang. Als schrijver-filosoof voelt hij zich verwant met Søren Kierkegaard, die ook filosofische vragen verbond aan persoonlijke keuzes in het leven van zijn hoofdpersonen, en daarbij ook zijn eigen keuzes in het leven niet los wilde zien van zijn activiteit als “existerend” denker. Het essay kan gelezen worden als een herinterpretatie van het werk van Kierkegaard, met als enig verschil dat Camus niet kiest voor de “sprong in het geloof”, maar voor de kunst.

 

Het absurde
Camus ontleent niet alleen het thema van het ‘absurde’ aan Nietzsche en Kierkegaard, maar ook de manier van filosofie bedrijven. In zijn voorwoord voegt hij de disclaimer toe dat alles wat hij schrijft niet origineel is, maar geïnspireerd is op ‘eigentijdse’ denkers (lees Kierkegaard, Dostojevski en Nietzsche), met als kanttekening dat in dit essay het absurde geen conclusie is, maar eerder uitgangspunt. Ondanks dat het werk in de kern een hernemen is van eerdere thema’s van Kierkegaard, is het essay zeer de moeite waard door de superieure stijl. Zo valt Camus meteen in huis met wellicht de beroemdste beginzin uit de filosofische literatuur:

“Er is maar één werkelijk serieus filosofisch probleem: dat van de zelfmoord. Oordelen of het leven wel of niet de moeite waard is om te blijven leven, dat is antwoord geven op de fundamentele vraag die de filosofie ons stelt. De rest, of de wereld drie dimensies heeft, of de geest moet worden ingedeeld in negen of twaalf categorieën, dat komt later. Dat is een spel; er moet eerst antwoord worden gegeven.” (p. 17).

“Vrijwillig sterven veronderstelt dat je, ook al is het instinctief, het absurde karakter van die gewoonte hebt herkend, de afwezigheid van welke belangrijke reden dan ook om te blijven leven, de zinloosheid van de dagelijkse beslommeringen, de nutteloosheid van het lijden.” (p. 20)

Alvorens de vraag over de zelfmoord te beantwoorden, beschrijft hij de keuze die de mens heeft naast de zelfmoord: de vlucht in de religie of een andere maatschappelijke utopie (hetgeen Camus karakteriseert als filosofische zelfmoord), of het accepteren van een bestaan juist zonder een metafysische bedoeling en bestemming. In het essay ondervraagt hij de verschillende vormen van ‘waarheid’ waar iedereen naar op zoek is, zoals de sprong in het geloof, de hoge verwachtingen van de wetenschap, de vlucht in roem en eer, de verovering van vrouwen, de verovering van macht, etc.

Juist omdat het leven geen zin heeft, en omdat het leven absurd is, is het de moeite van het leven waard. De conclusie waar het essay naar toe werkt is dat de waarde gevonden moet worden in het creatieve werk van de kunstenaar.

 

Een wereld zonder toekomst
Camus begint het essay met een lyrische beschrijving van het ‘absurde’. Het absurde komt tot uiting in de momenten dat de werkelijkheid even doorbreekt in het gewone bestaan, als de mens plotsklaps wakker wordt door een kleine ongeregeldheid. Daarvoor had men nog een toekomst en een plan, en de illusie van vrijheid en zelfbeschikking, maar na aangeraakt te zijn door het absurde, heeft hij wel vrijheid, maar geen toekomst meer.

Het gevoel van absurditeit kan ieder moment inbreken in de routine van alledag, en kan iedereen op elke hoek van de straat zomaar bij de keel grijpen:

“Alle grote daden en alle grote ideeën hebben een onbeduidend begin. Een groot werk ontstaat vaak zomaar op straat, bij de draaideur van een restaurant. Zo is het ook met de absurditeit. De wereld van het absurde ontleent, meer dan welke andere wereld ook haar waardigheid aan dat armzalige begin. Geef je in een bepaalde situatie het antwoord “nergens aan”, als je wordt gevraagd waaraan je zit te denken, kan dat soms een smoesje zijn. Geliefden weten dat maar al te goed. Maar als dat antwoord oprecht is, als het die merkwaardige innerlijke toestand weergeeft waarin de leegte gaat spreken, de keten van dagelijkse handelingen wordt verbroken en het hart tevergeefs de schakel zoekt die de stukken weer samenvoegen, dan is het als het ware het eerste signaal van de absurditeit.” (p. 28)

In een wereld zonder toekomst is er geen diepere zin in de dingen, en al streef je naar het ‘goede’ dan misken je het absurde. Er is geen ‘goed’ of ‘slecht’, het gaat om de intensiteit en de passie waarmee je het leven leeft. Niet alleen is de wereld zonder betekenis, de wereld is ook duister en onkenbaar, en het is onmogelijk om terug te keren naar het verloren paradijs. Het duidt ook op de vervreemding die we kunnen ondergaan in de natuur:

“Nog een stapje dieper afgedaald, stuit je op de vervreemding: dan merk je dat de wereld ‘massief’ is, dan vermoed je hoezeer een steen een vreemd voorwerp is, dat we er niets mee hebben, hoe onverbiddelijk de natuur, een landschap, ons bestaan ontkennen. Eigenlijk schuilt er in schoonheid altijd iets onmenselijks en die heuvels, die vriendelijke hemel, die groepjes bomen die verliezen op datzelfde ogenblik de bedrieglijke betekenis die wij eraan hadden gegeven, ze zijn verder weg van ons dan het verloren paradijs. De aloude vijandigheid van de wereld komt door duizenden jaren heen weer op ons af.” (p. 30).

Het antwoord op het absurde ligt voor Kierkegaard niet in de wetenschap of in vluchtige aardse genietingen van welstand, macht en roem, maar in het geloof. Camus gaat daarin niet met hem mee.

 

De illusie van het geloof
Kierkegaard onderscheidde drie verschillende levenshoudingen. De esthetische levenshouding neemt het leven zoals het is, als een routinematige opeenvolging van handelingen al of niet met plezier en genoegen. Je staat op, wast je, eet wat, je werkt en ontspant, en gaat ’s avonds weer slapen. Je neemt het leven zoals het komt, als een opeenvolging van dagelijkse gebeurtenissen, van beroep en zorg, van verpozing en vermaak. Deze houding is gemakzuchtig en brengt een gevoel van leegheid en oppervlakkigheid met zich mee.

Kierkegaard ziet dat de mens alleen echt tot leven komt als hij keuzes maakt en zich daarmee vrijmaakt van zijn routineuze leven. Dit noemt hij de ethische levenshouding. Dan ontdekt de mens echter dat hij beperkt is in ruimte en tijd. Zijn leven is eindig en zijn bestaan is begrensd. De natuur is hem vreemd en gesloten. Het leven is absurd en zinloos. De mens moet zelf op zoek naar een bestemming en een taak. Angst grijpt hem aan. Het gevoel van zinloosheid zal hem niet meer verlaten.

Bij Kierkegaard leidt het verlangen om de zinloosheid te overwinnen tot de sprong in het geloof om daarmee zin te geven aan het leven met de belofte van de eeuwigheid. Hij noemt dit de religieuze houding. Voor Camus is er geen geloof voor handen en ook het afzien van het leven, de zelfmoord, is geen oplossing, maar een vlucht. De mens moet zijn zin in dit absurde bestaan vinden, waarbij het absurde niet in de mens zit of in de wereld maar in de confrontatie van beide, en waarbij de wil om te begrijpen schuurt met de irrationaliteit van de werkelijkheid.

Het absurde moet volgens Camus niet opgevat worden als het ‘onmogelijke’ zoals de strijd van een enkeling tegen een grote overmacht, of een vergelijking tussen zaken die kant noch wal raakt, zoals het ‘ongerijmde’. Absurd moet opgevat worden als het loutere bestaan zonder hogere of diepere zin. De mens moet kiezen voor een leven vanuit de vrijheid met de instelling van permanente opstand en passie.

 

Vrijheid
Zoals we zagen komt het absurde bij Kierkegaard tot uiting als de mens zijn rustige bestaan verlaat en bewust kiest voor de vrijheid. Dan komt hij in de ongure wind van de wereld en van het lot en verliest hij het houvast dat hij vond in het onnadenkende bestaan. Het absurde ontstaat uit de confrontatie tussen het roepen van de mens en het onredelijk zwijgen van de wereld. Als de wereld al een betekenis heeft, dan komt de mens dat niet te weten. Het absurde is de ongerijmdheid tussen de ethische levenshouding en de paradox van de religieuze levenshouding: er is geen bewijs voor het bestaan van een hogere macht. Hij ontvlucht het absurde door de ‘sprong’ in het geloof.

“Misschien de meest boeiende van allemaal, Kierkegaard, doet, althans tijdens een deel van zijn leven, meer dan het ontdekken van het absurde, hij leeft ermee. De man die schrijft: "De meest doeltreffende manier van stilzwijgen is niet niets zeggen, maar praten", vergewist zich er allereerst van dat geen enkele waarheid absoluut is en een leven dat op zichzelf onmogelijk is bevredigend kan maken. (...)  Hij wijst troost, moraal en vaste principes van de hand. Hij past er wel voor op om de pijn van de doorn die in zijn hart steekt, te verzachten. Hij wakkert die daarentegen aan, en in de wanhopige vreugde van een gekruisigde die blij is dat te zijn, schept hij stuk voor stuk helder inzicht, afwijzing, toneel, een categorie van het demonische. Dat tegelijk zachtmoedige en spottende gezicht, die grappige wendingen die worden gevolgd door een kreet diep uit zijn binnenste, dat is de absurde mens in gevecht met een werkelijkheid die zijn bevattingsvermogen te boven gaat.” (p. 45)

 

De illusie van de wetenschap
Camus neemt van Kierkegaard de houding over dat alles persoonlijk is. De enige waarheid is de eigen subjectief ervaren waarheid. Kierkegaard strijdt met name tegen de illusie van waarheid die de opkomende wetenschappen bieden, zowel de natuurwetenschappen die op empirische, kwantitatieve manier de wereld proberen te vangen in een samenhangend systeem, als ook de maatschappijwetenschappen die met hun historische methode een algemene ontwikkeling willen duiden.

“Na al die eeuwen van onderzoek, na al die keren dat de denkers het hebben opgegeven, weten we wel dat dit geldt voor al onze kennis. De rationalisten van professie daargelaten, gelooft tegenwoordig niemand meer dat werkelijke kennis mogelijk is. Als je een werkelijk steekhoudende geschiedenis van het denken der mensen zou moeten schrijven, dan zou je de geschiedenis moeten schrijven van alle keren dat men is teruggekomen van zijn conclusies, van al die gevallen van onmacht. Van wie of waarvan kan ik namelijk zeggen: "Die of dat ken ik!" Dat hart in mij, dat kan ik voelen en dan is mijn conclusie dat het bestaat. De wereld, die kan ik aanraken en mijn conclusie is dus dat ze bestaat. Daar houdt al mijn kennis op, de rest is fictie. Want als ik probeer te vatten waarvan ik zeker ben, als ik probeer het te definiëren, dan is het nog slechts water dat tussen mijn vingers wegloopt.” (p. 36)
“En ik mag kiezen tussen een beschrijving die zeker is, maar waarvan ik niet wijzer word, en hypotheses die beweren dat ik er iets van kan leren, maar die niet zeker zijn.” (p. 38)

De wetenschappen bieden een abstractie, een illusie, die de persoon afschermt van de werkelijkheid en van de natuur. De rede streeft naar een gesloten eenduidig wereldbeeld, een samenhangend en ongedeeld geheel en de historische wetenschappen bieden daarbij een overkoepelend verhaal – een Hegeliaanse Geschiedenis met een hoofdletter – die een utopie belooft. Daarop vertrouwen noemt Camus filosofische zelfmoord.

Zelfs waar de wetenschap niet zoekt naar een enkele waarheid, zoals de fenomenologie, dan is er toch nog het zoeken naar de onderliggende intentie vanuit de waarnemer of vanuit de psyche, die wij met elkaar gemeen hebben, en de grondslag vormt van de gedragswetenschappen. Voor Camus ligt – net als voor Kierkegaard – de waarheid in het persoonlijke. Ieder mens moet zijn draai vinden in dit absurde universum en hij moet de werkelijkheid aanvaarden in al zijn contingentie en irrationaliteit. De wetenschap, de ideologie, de religie, het zijn allemaal misleidingen die de mens verkiest om houvast te hebben – uit angst voor het absurde - en daarmee zijn eigen wil en leven uitlevert aan een willekeurige illusie. De fenomenologie als een soort aanvullend of vervangend alternatief voor wetenschap biedt ook geen soelaas.

“De fenomenologie weigert de wereld te verklaren, ze wil alleen een beschrijving geven van hoe de wereld wordt ervaren. In haar inleidende verklaring dat waarheid niet bestaat, maar dat er alleen waarheden zijn, sluit ze aan bij het absurdistische denken.” (p. 67)

“Het is veelzeggend dat in deze tijd het denken zo enorm is beïnvloed door een filosofie van de zinloosheid van het bestaan en tegelijkertijd zo uitermate verscheurd als het gaat om zijn conclusies. Het blijft maar zweven tussen een werkelijkheid die zo rationeel wordt voorgesteld dat men ertoe komt haar te zien als een verzameling modelredenen, en een werkelijkheid die men als zo irrationeel ziet dat het leidt tot haar vergoddelijking. Maar die tweedeling is slechts schijn. (...). De rede heeft een heel menselijk gezicht, maar ze kan zich ook naar het goddelijke wenden.” (p. 72-73)

“De sprong vertegenwoordigt geen groot risico zoals Kierkegaard beweert. Het gevaar schuilt daarentegen in dat subtiele ogenblik dat aan de sprong voorafgaat. Zich op de rand van die duizelingwekkende afgrond staande houden, dat is eerlijkheid, de rest is slechts een uitvlucht.” (p. 76)

 

De zelfmoord

Het absurde is de kloof tussen de geest die verlangt en de wereld die zwijgt en daardoor teleurstelt, tussen de nostalgie naar eenheid en deze uiteengevallen wereld, en de tegenstrijdigheid die ze aan elkaar ketent. Moet men leven en denken met die verscheurdheid, of moet men die accepteren of afwijzen? Kunnen we ermee leven of vereist de logica dat we eraan sterven? Het gaat hier niet om de ‘filosofische’ zelfmoord, de vlucht in het geloof of andere heilsgeschiedenissen, maar om zelfmoord zonder meer. Het gaat hier niet om de emotionele inhoud van de zelfmoord, maar om inzicht te krijgen in haar logica en haar eerlijkheid.

Voor Camus is zelfmoord het afwijzen van het absurde. Het is niet het aangaan van de uitdaging, dat hij koppelt aan de notie van opstand. De zelfmoord ligt niet in het verlengde van de opstand, maar betekent dat je je erbij neerlegt. Het is, net als de sprong in het geloof, de meest extreme vorm van aanvaarding in plaats van ertegen in verzet te komen.

“Op zijn manier is zelfmoord een oplossing voor het absurde. Hij sleept het absurde met zich mee dezelfde dood in. Maar ik weet dat het absurde, wil het standhouden, niet opgelost kan worden. Het ontsnapt aan de zelfmoord in de mate waarin het tegelijkertijd bewustzijn en afwijzing is van de dood.” (p. 81-82).

“Voordat hij kennismaakt met het absurde, leeft de alledaagse mens met doelen, zorg voor de toekomst of behoefte om zich te rechtvaardigen (tegenover wie en waarvoor dat doet er nu niet toe). (...). Denken aan morgen, een doel voor ogen hebben, voorkeuren hebben, dat alles veronderstelt dat je gelooft aan de vrijheid, zelfs als je soms bij jezelf zegt dat je je niet vrij voelt. Maar die hogere vorm van vrijheid, die vrijheid van zijn die alleen kan dienen als basis van de waarheid, na de kennismaking met het absurde weet ik dus dat die niet bestaat. De dood is er aIs enige realiteit. Daarna is het spel uit.” (p. 84-85)

“Zo trek ik uit het absurde drie consequenties, te weten mijn opstand, mijn vrijheid en mijn passie. Enkel en alleen door de werking van het bewustzijn, maak ik een leefregel van wat een uitnodiging was om te sterven — en ik wijs de zelfmoord af.” (p. 93)

Camus concludeert dat het er eigenlijk eerst omging te weten te komen of het leven, als het geen zin had, nog steeds de moeite waard was om geleefd te worden. Nu blijkt – juist omdat het leven geen zin heeft – het des te meer de moeite waard is. Een ervaring, een lot beleven, dat betekent het volledig aanvaarden. Dat lot, waarvan men weet dat het absurd is, kan men niet beleven als men niet alles in het werk stelt om dat absurde, dat door het bewustzijn aan het licht is gebracht, steeds voor ogen te blijven houden.

“Alle vormen van moraal zijn gebaseerd op het idee dat een daad gevolgen heeft die hem legitimeren of doen vergeten. Een mens die doordrongen is van het absurde vindt alleen dat die gevolgen rustig bekeken moeten worden. Hij is bereid te betalen. Anders gezegd, voor hem kunnen er wel verantwoordelijken zijn, maar geen schuldigen. Hoogstens zal hij erin toestemmen de ervaring uit het verleden te gebruiken om er zijn daden in de toekomst op te baseren. De tijd brengt de tijd tot leven en het leven zal ten dienste staan van het leven.” (p. 99)

 

De persona’s
Het derde element dat Camus van Kierkegaard overneemt is de stijlvorm van de persona, een ideaaltypische beschrijving van een bepaald type mens. Persona betekende oorspronkelijk masker. Het is eigenlijk een aspect van de persoon dat samenhangt met de rol die hij speelt. In deze context betreft het ook maskers of aspecten van Camus. Want, zoals hij ooit zei, vertegenwoordigen de personages in zijn werken aspecten van hemzelf (volgens een lezing na zijn ontvangst van de Nobelprijs). Zo zijn de Don Juan, de toneelspeler, de veroveraar of wereldhervormer en vooral de kunstenaar aspecten van hemzelf, die hier achtereenvolgens aan de orde komen.

Bij Kierkegaard is de Don Juan de persoon die zich verliest in het nastreven van verleidingen en veroveringen, zonder zich rekenschap te geven van enige moraal. De Don Juan van Kierkegaard representeert de esthetische houding van de dandy die vele vluchtige ontmoetingen heeft maar geen keuze maakt. Camus voert hetzelfde persona op als voorbeeld van de absurde mens die geen morele wet accepteert, want gebaseerd op ideologieën. Hij leeft geheel in het hier en nu, en wil de toekomst niet weten. Hij is geen ‘verzamelaar’ van vrouwen, want hij wil helemaal geen verleden waar hij trots op kan terugkijken. Het meewarig oordeel van de omstanders raakt hem ook niet. Hij kent alleen de vervoering van een nieuwe verovering. Maar wanneer een vrouw eenmaal zijn begeerte vervuld heeft, rest hem niets anders dan verder te gaan naar de volgende uitdaging.

De tweede persona is de toneelspeler die vele levens naspeelt tijdens een theateruitvoering in het korte tijdsbestek van drie uur. De toeschouwer, de alledaagse mens die er niet van houdt ergens bij stil te staan, kan van het theater geen genoeg krijgen, want hij neemt kennis van al die levens waarvan hij de poëzie in zich kan opnemen, zonder de bitterheid. De levens die de toneelspeler uitbeeldt beklijven niet, ze komen even tot leven en vervluchtigen dan weer. Evenzo vervluchtigt de kortstondige roem die de toneelspeler oogst wanneer hij het applaus in ontvangst neemt. Voor de absurde geest is louter de aanschouwing niet genoeg: hij wil zelf spelen.

De derde persona is de veroveraar, degene die de wereld intrekt en daar de strijd aangaat, niet voor een onbereikbaar ideaal, maar voor het bevechten van het onrecht in het hier en nu. Hij weet dat hij het op een akkoordje kan gooien door in deze wereld te leven en in de eeuwigheid te geloven. Dat heet aanvaarden, maar die term staat hem tegen. Hij weet dat hij geen heilstaat moet nastreven, maar intussen kan hij goed doen, zijn naasten helpen, solidair zijn. Veroveraars weten dat de daad op zichzelf nutteloos is. Er is maar één daad nuttig, de daad die de mens en de aarde zou vernieuwen, en de dood zou overwinnen. Hij accepteert zijn nederlagen wetende dat de dood zijn definitieve nederlaag is. De absurde mens moet sterk zijn en niet vervallen in routine, want de verleiding is groot om toch maar wat geld bij te verdienen, om als Don Juan naar een warm en gastvrij huis te verlangen, of om als veroveraar de roem en eer binnen te halen die voor het grijpen ligt. Er zijn zo veel verleidingen. De mens die het meest van alles beroofd is, neemt ten einde raad genoegen met een illusie.

 

De kunstenaar
De vierde persona is de kunstenaar, die verbeeldt wat hij niet kan zeggen. Het kunstwerk staat tussen zijn verbeelding en de werkelijkheid. In die rusteloze wereld is het kunstwerk dan de enige kans om het bewustzijn helder te houden en de belevenissen ervan vast te leggen. Het kunstwerk markeert zowel het einde van de ervaring als de vermenigvuldiging ervan: de gepassioneerde herhaling van de thema’s die al door de wereld zijn georkestreerd: het lichaam als decoratie in tempels, vormen en kleuren, het getal of de radeloosheid. Iets scheppen betekent tweemaal leven. In de ervaringen die de kunstenaar tracht te beschrijven en op verschillende manieren voelbaar te maken, kun je erop rekenen dat, als de ene kwelling voorbij is, de andere al klaarstaat.

“De verovering of het spel, de veelvuldige liefdes, de absurde opstand, dat zijn de eerbewijzen die de mens betoont aan zijn waardigheid in de veldslag waarin hij al bij voorbaat is verslagen. Het gaat er maar om dat je trouw blijft aan de regels van het gevecht. Die gedachte kan voldoende zijn als geestelijk voedsel voor de mens: ze heeft hele beschavingen in stand gehouden en doet dat nog steeds. Je wijst de oorlog niet af. Je moet erin sterven of ermee leven. Zo is het ook met het absurde: je moet leven met de adem van het absurde; je moet zijn wetten erkennen en hun fysieke realiteit terugvinden. In dat opzicht is het scheppen van een kunstwerk het absurde geluk bij uitstek.” (p. 133)

“Het is dus niet onbelangrijk om tot slot de voornaamste thema’s van dit essay terug te vinden in het prachtige en kinderlijke universum van de kunstenaar. Het zou onterecht zijn om daarin een symbool te zien en te denken dat het kunstwerk uiteindelijk kan worden beschouwd als een plek om te schuilen voor het absurde. Het is zelf een absurd verschijnsel en het gaat er slechts om het te beschrijven. [...]. In het tijdperk van de absurde logica richt het kunstwerk zich op de onverschilligheid en de ontdekking. Het geeft het punt aan waarop de absurde passies zich in de strijd werpen en waar het argumenteren ophoudt. En dus is zijn plaats in dit essay gerechtvaardigd.” (p. 136).

 

Schrijver-filosoof
De kunstenaar en de filosoof hebben veel gemeen en er zijn verschillende thema’s die de schrijver en de denker delen. De filosofie zit in het hoofd van de kunstenaar en het beeld of de tekst staat of ligt voor hem. De filosofie is in dit geval geen gesloten verhaal, geen verhaal buiten de kunstenaar, maar is zijn persoonlijke verhaal, dat als abstracte verbeelding samenvalt met het fysieke, en met de kunst.

“Men kan niet genoeg de nadruk leggen op de willekeur van de oude tegenstelling tussen kunst en filosofie. Als je die te letterlijk neemt, is ze zonder meer onterecht. Als men er alleen mee bedoelt dat die twee disciplines elk haar eigen specifieke klimaat hebben, dan bestaat die tegenstelling inderdaad, maar in het vage.” (p. 137).

“Voor de absurdistische kunstenaar is het probleem dat hij de levenskunst machtig moet worden die het vakmanschap overstijgt. En tot slot, de grote kunstenaar is in dat geval allereerst iemand die weet te leven, met dien verstande dat leven hier zowel ervaren betekent als nadenken.” (p. 140).

De grote romanschrijvers zijn schrijver en filosoof tegelijk. Juist de keuze die ze hebben gemaakt om in beelden te schrijven en zich niet van argumenten te bedienen wijst op de zekerheid dat elke vorm van uitleg nutteloos is. Er worden “geen verhalen” meer verteld, er wordt een wereld geschapen. Het kunstwerk is zowel het begin als het eindpunt van een onuitgesproken filosofie, haar illustratie en bekroning. Het kunstwerk zelf is niet meer dan een oefening in schoonheid of het weergeven van wat dramatiek in een mensenleven. Het is de opgave van de kunstenaar in zijn fictieve wereld om vrijblijvend en trouw te blijven aan het absurde, zonder conclusies te trekken. Het scheppen van een kunstwerk is het absurde geluk bij uitstek. De absurde kunstenaar is dus iemand die weet, om vervolgens te beschrijven, en in plaats van te vluchten voor het absurde, accepteert hij het lijden.

Zo verkeren in de romans van Dostojevski de hoofdpersonen in twijfel tussen zelfmoord en hoop, waarbij de absurditeit zit in de vermenging van opstand en vrijheid. Kirilov, een personage uit Boze geesten offert zich op uit wraak en kiest voor zelfmoord als bevestiging van zijn nieuwe angstaanjagende vrijheid, en – via de nodige tegenstrijdige redeneringen – uit liefde voor de mensheid.

Camus waardeert Dostojevski als schrijver zeer omdat hij het kunstwerk (de roman) gebruikt om de consequenties van het absurde voor het leven van de mens uit te beelden. Ook Camus ziet zichzelf veeleer als schrijver dan als filosoof en houdt zich liever bezig met de vraag hoe existentiële dilemma’s invloed hebben op iemands leven, in plaats van ze te benaderen als abstracte concepten. Hij betreurt alleen dat zelfs bij Dostojevski de deur naar het oneindige op een kier blijft staan, er blijft altijd een schim van geloof en hoop, wat laat zien hoe moeilijk het is om echt in het absurde te leven.

“Die mensen zijn eerst tot weten gekomen, en daarna is al hun inspanning erop gericht dat eiland zonder toekomst waar ze zojuist aan land zijn gekomen, te doorkruisen, te vergroten en te verrijken. Maar eerst moet je weten. Want de ontdekking van het absurde valt samen met een periode van stilstand waarin de komende passies vorm krijgen en zich legitimeren. Zelfs mensen zonder evangelie hebben hun Olijfberg. En ook op die van hen mag je niet in slaap vallen. Voor de absurde mens gaat het niet meer om uitleggen en oplossen, maar om ondervinden en beschrijven.” (p. 134)

 

De mythe van Sisyphus
Via de keuzes voor het leven in het absurde en de afwijzing van de zelfmoord in alle gedaantes, komt Camus uit bij de betekenis van het kunstwerk, al is het vergankelijk. Hij sluit af met de mythe als de absurde kunstvorm bij uitstek. Het verhaal van Sisyphus is bekend. Door de goden gestraft voor zijn hoogmoed krijgt hij als taak om een zware steen tegen de berg op te rollen en als hij boven is, rolt de steen telkens weer naar beneden. Als hij zelf de heuvel afloopt terug naar de steen, beseft hij zijn situatie en herneemt zijn ‘zinloze’ taak.

“Men heeft al wel begrepen dat Sisyphus de held van het absurde is. Hij is het evenzeer vanwege zijn passies als vanwege zijn martelgang. Aan zijn minachting voor de goden, zijn afkeer van de dood en zijn passie voor het leven heeft hij die onbeschrijflijke kwelling te danken waarin heel het wezen zich erop toelegt om te bereiken. Het is de prijs die bepaald moet worden voor de passies van deze aarde. Er wordt ons niets verteld over Sisyphus in de onderwereld. Mythen zijn er om door de fantasie tot leven gebracht te worden.” (p. 168-169)

“Zijn lot is van hem. Zijn rotsblok is zijn ding. Zo ook doet de absurde mens, als hij zijn lijden overziet, alle afgoden zwijgen. In de wereld die plotseling weer stil is geworden, verheffen zich de talloze verrukte stemmetjes van de aarde. Geheime roepstemmen uit het onbewuste, uitnodigingen van alle gezichten zijn de noodzakelijke keerzijde en de prijs voor de triomf. Er is geen zon zonder schaduw en ook de nacht moet gekend worden. De absurde mens zegt ja en aan zijn moeite zal geen einde meer komen. Er mag dan wel een persoonlijk lot zijn, maar er bestaat geen hogere lotsbestemming, of althans, er is er maar een en die vindt hij fataal en verachtelijk. Voor de rest weet hij dat hij heer en meester is over zijn leven. Op dat subtiele moment waarop de mens terugkijkt op zijn leven, laat Sisyphus, die terugloopt naar zijn rotsblok, zijn oog glijden over die reeks handelingen zonder verband die zijn lot wordt, een lot dat hij zelf heeft geschapen, dat onder zijn blik tot eenheid wordt en weldra zal worden bezegeld door zijn dood.” (p. 172)

“De strijd zelf om de top te bereiken is genoeg om een mensenhart te vervullen. We moeten ons Sisyphus voorstellen als een gelukkig mens.” (p. 173)

Het is de schrijver die zijn kunstwerk maakt en als hij klaar is weet dat het kunstwerk niet blijvend of definitief is. Vanuit Sirius bekeken heeft het allemaal geen betekenis en na duizend jaar is iedereen het vergeten. De schrijver moet het ook niet doen voor geld of roem. Hij moet de “talloze verrukte stemmetjes van de aarde” en de “geheime roepstemmen uit het onderbewuste” negeren. Het is zijn eenzame gevecht met de materie. Hij bezint zich en start een nieuw boek.

 

Nawoord
De tekst van dit prachtige essay is zeer beeldend, maar meerdere interpretaties blijven mogelijk, want Camus hanteert een dialectische schrijfstijl waarbij een enkele zin vele tegenstellingen oproept om de absurde werkelijkheid te duiden. De taal is krachtig en beeldend. Zeventig jaar na dato is het voor ons moeilijk te ervaren hoe modern de taal was in die dagen. Wel is het levensgevoel dat de tekst oproept donker en dreigend. Men moet volhardend zijn. In zijn andere werk en romans zijn er wel momenten van kortstondige genade in het ondergaan van het vreemde, het ongerijmde, de overweldigende natuur, het zonlicht, de warmte, het fysieke, het sensuele genot. Deze positieve duidingen ontbreken in dit essay.

Hij noemt het hoofdthema van het essay de ‘zelfmoord’ en hij begint het essay met het aansnijden van dit thema. Maar het essay zelf behandelt de zelfmoord echter alleen als één van de opties die men heeft om het absurde bestaan te ontvluchten, naast de tegenpolen van de ‘filosofische’ zelfmoord in de vorm van de religieuze hoop op een hiernamaals of de hoop op een heilstaat hier op aarde. De laatste zin van het essay geeft aan dat zelfmoord voor de absurde mens eigenlijk geen optie is. Hij zal alleen gelukkig worden door het verrichten van zijn zinloze taak, niet om roem en eer, maar om het werk zelf. Juist omdat het leven geen zin heeft, is het de moeite waard. De uitdaging van het absurde is de eigen individuele en met name artistieke opgave.

Het essay is een grote ode aan het werk van Søren Kierkegaard en Friedrich Nietzsche, terwijl het kritisch is op hun existentialistische navolgers, met name Heidegger, Jaspers en de fenomenoloog Husserl. Hoewel Sartre nergens expliciet genoemd wordt, omdat hij zijn belangrijkste filosofische werk nog niet had geschreven toen Camus dit essay schreef, kunnen we hem waarschijnlijk ook in dit rijtje scharen.

Wat betreft de maatschappelijke positie van de schrijver-filosoof volgt tot op zekere hoogte Camus het ideaal van Kierkegaard, die zich niet wilde voegen naar een regulier maatschappelijke bestaan als wetenschapper of als echtgenoot, hoewel Camus daaraan wel concessies deed. Hij was niet alleen solitair maar ook solidair. Hij heeft het in zijn latere werk De mens in opstand voortdurend over het niet met geweld bestrijden van anderen en het rekening houden met menselijke waarden die ons met de anderen verbinden.

Van de drieslag van het absurde, komt in dit essay alleen de ‘vrijheid’ en de ‘passie’ aanbod, het thema van de ‘opstand’ en de houding ten opzichte van de maatschappelijke context zal hij adresseren in zijn tweede filosofische essay De mens in opstand.