’Daar hoorden zij engelen zingen’

Civis Mundi Digitaal #141

door Piet Ransijn

Bespreking van Peter L. Berger, A Rumor of Angels: Modern Society and the Rediscovery of the Supernatural. Doubleday, 1970.

A Rumor of Angels: Modern Society and the Rediscovery of the Supernatural  eBook : Berger, Peter L.: Amazon.co.uk: Kindle Store

‘Daar hoorden zij engelen zingen’

Piet Ransijn

Bespreking van Peter L. Berger, A Rumor of Angels: Modern Society and the Rediscovery of the Supernatural. New York Doubleday, 1969

 

De titel van het boek van Peter Berger (1929-2017) roept associaties op met Kerstmis. Met name met de eerste strofen van het kerstlied, dat we als kind zongen:

De herdertjes lagen bij nachte 

Zij lagen bij nacht in het veld

Zij hielden vol trouwe de wachte

Zij hadden hun schaapjes geteld 

 

Daar hoorden zij engelen zingen

Hun liederen vloeiend en klaar

Toen zij er naar Bethlehem gingen

Het liep tegen het nieuwe jaar

 

Het boek van Berger uit 1969 doet soms wat gedateerd aan. Er verscheen ook een gelijknamige film in 1990. Of de titel toevallig hetzelfde is, of geïnspireerd is op het boek, is onduidelijk. De fim is mogelijk gebaseerd, op een ander gelijknamig boek (zie onder). Gezien de onmiskenbare spirituele en religieuze belangstelling in bepaalde kringen is het nog volop actueel. Religie heeft sociale en psychische functies, die niet zomaar weggepoetst kunnen worden in de moderne geseculariseerde maatschappij.

Toen het boek verscheen studeerde ik sociologie, was ik zoekende en begonnen met transcendente meditatie en maakte ik kennis met andere publicaties van Berger, die uitvoerig wordt besproken in Mart-Jan de Jong, Grootmeesters van de sociologie. Ook andere vooraanstaande sociologen hadden grote belangstelling voor religie en spiritualiteit en het ogenschijnlijke verdwijnen ervan. 

Berger schreef verschillende boeken samen met zijn collega Thomas Luckmann, naar wie hij verwijst. Luckmann schreef een vergelijkbaar boek: The Invisible Religion: The Problem of Religion in Modern Society (1967). De oorspronkelijke ondertitel luidde: The Transformation of Symbols in Modern Society. Symbolen zijn geseculariseerd.

 A Rumor of Angels by Marjorie B. Kellogg | Goodreads

‘De veronderstelde neergang van het bovennatuurlijke’

Vele betrokkenen zijn het erover eens ”dat het bovennatuurlijke is vertrokken uit de moderne wereld... ‘God is dood’ [...in] de post-christelijke tijd,” zo begint Berger zijn boek. We leven in een goddeloze tijd.  “waarin het goddelijke, op zijn minst in zijn klassieke vormen, zich heeft teruggetrokken in de achtergrond van van de menselijke betrokkenheid en het bewustzijn.” (p1)

Religie omschrijft hij als “de opvatting dat er een andere werkelijkheid is, die een uiteindelijke betekenis voor mensen heeft, en die de werkelijkheid transcendeert waarin onze alledaagse ervaring zich ontvouwt.” Die andere werkelijkheid wordt vaak ‘bovennatuurlijk’ genoemd, vanwege het fundamenteel andere karakter ervan, waarvan het bestaan door moderne mensen ernstig betwijfeld wordt, begaan als zij zijn met de natuurlijke aardse werkelijkheid. Maar “de preoccupatie met het ‘natuurlijke’ bewustzijn is helemaal geen typisch kenmerk van de moderne tijd.” (p2,3) Het komt in alle tijden voor.

De boekbespreking over Afrikaanse filosofie in dit nummer laat zien dat ook zgn. ‘primitieve’ volken primair praktisch zijn georiënteerd op het aardse leven en overleven. Toch vormde een andere ‘bovennatuurlijke wereld’ de achtergrond van de ‘gewone’ wereld. Hun wereld was nog niet ‘onttoverd’ en geseculariseerd. (Zie CM 120 en 126 hierover)

Vervolgens nuanceert Berger de stelling van de neergang van de religie en het bovennatuurlijke. De kerkelijke religiositeit is onmiskenbaar afgenomen. Velen gaan hooguit één keer per jar naar de kerk, bij voorkeur met Kerstmis, of zelfs dat niet meer. In  de VS zou dit in mindere mate het geval zijn. Daar laten conservatieve christenen zich vaak nog nadrukkelijk horen. 

 Citaten.net | Mahatma Gandhi - Een samenleving moet worden beoordeeld naar  de behandeling van haar minderheden.

‘Cognitieve minderheden’

Er is volgens Berger en Luckmann enige evidentie dat “traditionele religieuze opvattingen betekenisloos zijn geworden bij grote delen van de bevolking... Het bovennatuurlijke is tegenwoordig als betekenisvolle werkelijkheid afwezig of ver verwijderd van de horizon van het dagelijks leven van grote aantallen mensen. Dit betekent dat degenen voor wie het bovennatuurlijke nog steeds een betekenisvolle werkelijkheid vormt, zich vinden in de status van een minderheid, om precies te zijn, een cognitieve minderheid” (p5,6)

Er zijn dus cognitieve minderheden bij wie religie en spiritualiteit nog een belangrijke rol speelt, namelijk behoudende of ‘herboren’ christenen, die hun geloof niet helemaal hebben laten varen, en zgn. nieuwe spirituele bewegingen. Het rumoer van de engelen laat zich daar nog horen. Met de geruchten van engelen doelt hij op ‘glimpen van transcendentie, die vele mensen ervaren. Ook in de jaren ’60 en ‘70, toen het boek uitkwam, was er grote belangstelling voor yoga, meditatie en andere vormen van spiritualiteit, die als trend gebleven is, zij het wellicht minder prominent dan toen.

 

Joods-christelijke theologische ontwikkelingen

Berger gaat in op ontwikkelingen die toen speelden in de protestantse, katholieke  en joodse kringen. Hij was zelf afkomstig uit bekeerde joodse kringen in Wenen en in 1946 vanuit Palestina geëmigreerd naar de VS. Hij heeft naast zijn sociologiestudie een vrijzinnige protestantse theologische en humanistische achtergrond. Dat verklaart zijn uitvoerige uiteenzettingen over theologische ontwikkelingen, zoals de geseculariseerde ‘God is dood’ theologie en over de belangstelling van theologen voor de existentiefilosofie. Zijn benadering van religie is echter vooral sociologisch. Hij beschouwt het als een veranderend en betekenisgevend sociaal verschijnsel. Wat sociologie betreft werd hij vooral beïnvloed door Max Weber, die eveneens een protestantse achtergrond had en zich bekommerde om de toenemende ‘onttovering’ en secularisatie (zie CM 71) Ook Weber had oog en oor voor religieuze en bovennatuurlijke geruchten, ook al bleven deze vaak ondergronds doorwerken. 

Het marxisme met zijn postrevolutionaire utopia noemt Berger een voorbeeld van een seculiere religieuze rechtvaardiging (theodicee), die een zekere zin geeft aan het leven en de toekomst. Daarnaast onderscheidt hij, zoals vermeld, traditionele en nieuwe spirituele groeperingen wat betreft “de herontdekking van het bovennatuurlijke”, die soms een neiging hebben tot "sektarische sociale vormen”.  (p26)

Het afzwakken van het belang van religie en de nadruk op secularisatie, die voornamelijk in West-Europa voorkomt, en vooral door atheïstische intellectuelen wordt geponeerd, van wie Feuerbach, Marx en Freud het meest invloedrijk waren. Hij relativeert hun relativering vanuit een kennissociologisch perspectief, waarbij kennis in verband met de sociale positie van de kenner wordt beschouwd, en hun kennis dus afhankelijk is van hun positie en perspectief.

Feuerbach en Marx in zijn voetspoor zagen religie als projectie van menselijke  wensen en mogelijkheden. “Als de religieuze projecties van de mens corresponderen met een werkelijkheid die bovenmenselijk en bovennatuurlijk is, dan lijkt het logisch om te kijken naar sporen van deze realiteit in de projector zelf.” (p47). Met andere woorden naar wat filosoof Karl Jaspers Sporen van transcendentie noemt in het gelijknamige boek van Jozef Waanders, besproken in CM 117.

Bergers kennissociologische gezichtpunt gaat samen met dialoog, eocumene en pluralisme, waarbij geen van de verschillende visies de wijsheid in pacht heeft, ook de moderne geseculariseerde visie niet. Religieuze visies hebben net zo goed recht van spreken en ook minderheidsvisies.

 

Theologie en filosofische antropologie

Theologische visies ziet Berger als menselijke visies, zoals Feuerbach religieuze visies zag als menselijke projecties, vanuit een bepaalde mensvisie of antropologie. Zo verbindt hij theologie, godgeleerdheid, met antropologie, menswetenschap, kennissociologie, godsdienstsociologie en religiewetenschap. De antroplogie van het 19e eeuwse vrijzinnige protestantisme, dat de achtergrond vormde van Feuerbach en Schleiermacher, “werd  gekenmerkt door een diep vertrouwen in de de rationaliteit en perfectioneerbaarheid van de mens door zowel het geloof als door de vooruitgang in de geschiedenis.” Deze visie was kenmerkend was voor de Verlichting. (p49) 

Marx verving in het voetspoor van Hegel het geloof in God voor het geloof in (het eind van) de geschiedenis, zoals Albert Camus uitlegt in De mens in opstand. De christelijke eschatologie omtrent de eindtijd werd vervangen door een seculier opgevatte eindtijd, die na de revolutie in de toekomst werd geprojecteerd. Bij de existentiefilosofie, behalve bij het existentialistische communisme van Sartre, ontbreken dergelijke toekomstprojecties en werd de mens beschouwd als een in een zinloze wereld geworpen wezen.Zo zag met name het gnostische christendom de mens in een aards tranendal geworpen, waaruit alleen de goddelijke genade en goddelijke gnosis hem kon redden, die bij het existentiefilosfie ontbreken. (Zie Hans Jonas, Gnosticisme en mijn onlangs verschenen boek Herontdekking van Albert Camus, hoofdstuk 5 Camus en het gnosticisme) Berger verwijst naar De pest van Camus dat volgens hem te maken heeft met de “apocalyptische jaren tussen 1933 en 1945”. (p51) Vanwege de volgende bijdragen over Camus is het interessant om parallellen tussen Berger en Camus naar voren te brengen. 

 De Gateway Experience: Hoe een geheim CIA-programma je kan helpen je  bewustzijn te verruimen

Glimpen van transcendentie zijn als deuren die opengaan

Tekenen van transcendentie

Berger ziet als vrijzinnig protestants socioloog weinig heil in de orthodoxe op god gerichte theologie en verwijst vooral naar meer vrijzinnige theologen. “Ik stel voor dat theologisch denken zoekt naar wat signalen van transcendentie genoemd kunnen worden, binnen de empirisch gegeven menselijke situatie. En... dat er prototypische menselijke gebaren zijn die degelijke signalen weergeven. Wat betekent dat?” (p52-53)

Hij doelt op verschijnselen binnen onze ‘natuurlijke’ werkelijkheid die voorbij deze werkelijkheid wijzen naar het ‘bovennatuurlijke’. Zijn uitgangspunt is empirisch, dus de menselijkke ervaring. Als socioloog gaat hij uit van menselijk gedrag. Dus niet van onderbewuste archetypische symbolen zoals Carl Jung, maar “het gewone dagelijkse bewustzijn”.

 

TODO-RESPONDE-A-UN-ORDEN-CÓSMICO | Sanación a través de Reiki y Tarot  Evolutivo

De mens als ondedeel van een kosmische orde

Orde scheppen

In de geschiedenis en in het dagelijks leven proberen mensen orde te vinden. Hij verwijst naar geschiedfilosoof Eric Voegelin, Order and History: “Iedere  samenleving is belast met de taak... een orde te scheppen die het feit van haar bestaan betekenis verschaft in termen van goddelijke en menselijke doelen.” Berger voegt daaraan toe: “iedere historische samenleving is een orde(ning), een beschermende structuur van betekenis, die opgetrokken is tegenover de chaos. Binnen die orde krijgt zowel het leven van de groep als van het individu betekenis. Verstoken van zulke orde, worden zowel groep als individu bedreigd met de terreur van chaos, die Emile Durkheim anomie noemde (letterlijk een orde-loze toestand). Gedurende de hele menselijke geschiedenis meenden mensen dat de gecreëerde orde in de samenleving op een of andere manier overeenkwam met de orde in het universum, een goddelijke orde, die menselijke pogingen tot ordening ondersteunde en rechtvaardigde.” (p53)

Religie is bij uitstek een ordenende bezigheid die zin, betekenis en oriëntatie aan het leven en samenleven geeft, zoals Berger laat uitkomen in de volgende definitie: “Religie is de menselijke houding ten opzichte van een heilige orde, die al het zijn insluit – menselijk en anders. M.a.w het geloof in een kosmos, waarvan de betekenis de mens transcendeert en omvat… Het betreft de verbinding van de kosmische orde en de menselijke orde… Deze is ‘juist’ voor zover zij in overeenstemming is met de uiteindelijke ‘juiste’ orde van het universum.” (Berger, ‘Religious Institutions’ in Neil Smelser, Sociology, p 337-38, zie ook zijn boek Het hemels baldakijn / The Sacred Canopy, p 37). Hij verwijst daarbij naar godsdienstwetenschappers als Mircea Eliade en Gerald van der Leeuw. 

Mensen zoeken naar orde en betekenis. Mensen zijn betekenis-scheppende wezens, schreef Ernest Becker in Beyond Alienation. Zij geloven daarbij in een onderliggende orde in het universum, een kosmos, zoals bij de oude Grieken. Niet alleen religie maar ook wetenschap poogt deze ode in kaart te brengen met relatief succes. “Er is geen empirische methode waarmee dit geloof [in een juiste orde] getoetst kan worden.” (p54) Mensen willen geloven en erop vertrouwen dat alles “in orde” is en zich afstemmen op deze orde. Maar ze zien ook dat de wereld in vele opzichten “niet in orde is”. De onoverkomelijkke menselijke situatie is dat iedereen uiteindelijk sterft.

“In de observeerbare menselijke geneigdheid tot orde(ning) is er een intrinsieke impuls om een kosmische reikwijdte te geven aan deze orde... een orde die die de menselijke [wan]orde transcendeert... waaraan een mens zichzelf en zijn bestemming kan toevertrouwen.” (p56) Deze orde heeft als het ware de ouderlijke rol van geruststelling. Het universum is dan uiteindelijk te vertrouwen, ondanks de ogenschijnlijk bedreigende wanorde. “De ordeningsneiging van de mensen impliceert een [veronderstelde] transcendente orde. Elk ordenend gebaar is een signaal van transcendentie... Religie is een projectie van menselijke orde... en uiteindelijk een overwinning van de menselijke orde(ning).” (p57) 

 Doet hoop écht leven? - Technopolis

https://www.technopolis.be/nl/blog/doet-hoop-echt-leven/ 

Hoop brengt licht in ons leven

Hoop 

Een andere menselijke geneigdheid is hoop, “een essentieel element in de menselijke situatie,” zoals ook Camus en anderen benadrukken (zie de inleding van Herontdekking van Albert Camus). "Het menselijk bestaan is altijd georiënteerd op [hoop in] de toekomst. Camus waarschuwt ervoor om de zin van het leven niet in een toekomstig utopia te projecteren, zoals in religie en revolutionaire actie, zoals bij Marx en Sartre.

“Er zijn in een mens meer dingen te bewonderen dan te verachten,” citeert Berger de eindconclusie van De pest (p51). Een hoopgevende visie van menselijke mogelijkheden. “Een ‘nee’ tegen  de dood is diep geworteld in het eigenlijke zijn van een mens.” Het leven zelf, het in leven blijven en het continueren van het leven, ervaren mensen als intrinsiek zinvol, zoals Berger en Camus te kennen geven. Ook Karl Jaspers laat zien dat mensen in zgn. levensbedreigende grenssituaties “weigeren te capituleren voor de onvermijdelijkheid van de dood”. (p63) En ook niet voor het leed, een kernthema in het werk van Camus is dat hij zich daartegen verzet, onder meer in De mens in opstand, dat in volgend nummer wordt besproken. 

Berger beschouwt ook hoop als een signaal van een transcendente gerichtheid, die voorbij gaat aan een mogelijk bestaande hopeloze situatie en hoop projecteert, hoop op een mogelijke andere werkelijkheid. “Onze ‘natuurlijke’ ervaring van hoop wijst naar een ‘bovennatuurlijke’ vervulling ervan... Religie rechtvaardigt deze herinterpretatie van onze ervaring.” (p62,63)

 Gerechtigheid voor slachtoffers van geweldsmisdrijven | Geweld tegen vrouwen

Gerechtigheid verwijst naar de godin Justitia en is gerelateerd aan religie

Gerechtigheid

Berger ziet ook in het menselijk gevoel voor rechtvaardigheid een signaal van transcendentie, een verwijzing naar een rechtvaardige orde, die voorbij gaat aan de vaak onrechtvaardige dagelijkse werkelijkheid. Ook dit is een kernthema bij Camus. Het summum van onrechtvaardigheid noemen beiden het vermoorden van onschuldige kinderen, zoals nu in de Gazastrook plaatsvindt en eerder door Hamas werd bedreven. De kindermoord van koning Herodus komt nu met Kerstmis weer aan de orde. Camus verwijst ernaar in zijn novelle De val.

“Wij geven onze nadrukkelijke veroordeling [daarvan] de status van een noodzakelijke universele waarheid.” Camus verwijst naar gerechtigheid als een universele waarde, die grenzen stelt aan het menselijk geweld. Deze waarheid en waarde verwijzen naar een onacceptabele realiteit en een “morele orde die de menselijke gemeenschap transendeert... Hoop en veroordeling zijn twee aspecten van hetzelfde en omvatten een overwinning... Religie veroordeelt... onmenselijkheid” (p68, hoewel zij daarvan zelf niet vrij is gebleven) Camus spreekt aan het eind van De mens in opstand van een “overwinning van het nihilisme", dat waardenrelativisme behelst en ontkennen van uiteindelijke waarden, die verwijzen naar ‘iets heiligs in de mens’. 

Berger noemt nog meer tekenen van transcendentie, zoals in spel en humor, waarbij hij verwijst naar Homo ludens van Johan Huizinga en Don Quichot van Cervantes (zie CM 140, Michel de Unamuno). Vooral de eerder genoemde signalen zijn al overtuigend genoeg. “Zij verwijzen naar fundamentele menselijke ervaringen... Ik heb weloverwogen de bespreking van directe religieuze ervaringen weggelaten (... van het bovennatuurlijke). Zeker niet om de bestudering en het begrip daarvan af te wijzen [maar...] omdat dergelijke  veronderstelde mystieke en andere ervaringen niet toegankelijk zijn voor iedereen.” (p72)

Dichotomie - spelen met tegenstellingen - De WonderWerkplaats

https://dewonderwerkplaats.nl/2021/05/dichotomie/ De nachtszijde en de dagzijde

Dichotomie van de menselijke situatie

Ook menselijke ervaringen die iedereen kan hebben, wijzen volgens Berger op een dichtomie in de menselijke situatie, die ook volgens Camus vaak gekenmerkt wordt door tegenstrijdigheden, zonder daarbij een dichotomie tussen het natuurlijke en bovennatuurlijke te veronderstellen. Het gaat volgens Berger om “marginale ervaringen” die naar grensgebieden verwijzen en in iedere samenleving voorkomen bijv. in de vorm van afscheidsrituelen bij overledenen. 

“De meeste historische samenlevingen bleven open staan voor het metafysische. Het menselijk leven heeft alttijd een dagzijde en een nachtzijde... De dagzijde kreeg onvermijdelijk om praktische redenen de meeste nadruk.” Ook Paul Radin en Placied Tempels wijzen erop dat natuurvolken eveneens primair praktisch georiënteerd zijn, zie elders in dit nummer. “De nachtzijde werd echter zelden ontkend.” 

“Een van de meest verbazingwekkende consequenties van de secularisatie is juist deze ontkenning. De moderne maatschappij heeft de nacht zoveel mogelijk uit het bewustzijn gebannen. De Angelsaksische filosofie beschouwt bijv. vragen als de volgende als betekenisloos en niet zinvol, want al dergelijke vragen komen niet overeen met een toegankelijke realiteit: ‘Wat is het doel van mijn leven?’, ‘Waarom moet ik sterven?’, ‘Waar kom ik vandaan en waar ga ik heen?’, ‘Wie ben ik?’.

“Het ontkennen van metafysica kan hier worden vereenzelvigd met de triomf van de trivialiteit.” Het vormt een ernstige beperking een grote verarming van het bereik van de menselijke ervaring ten opzichte van “het mysterie dat ons aan alle kanten omhult”. De benadering van Berger opent zich voor “de herontdekkiing van [mystieke] extase en metafysica als cruciale dimensies van het menselijk leven en....verloren schatten van ervaring en denken.” (p74,75)

 Wereldreligies Negen Gekleurde Symbolen Van Grote Religieuze Groepen  Religies Islam stockvector door ©Furian 482337948

Belangrijke religieuze tradities

De historische menselijke ervaring

In het laatste hoofdstuk ’Confronting the traditions’ beschouwt Berger “de historische dimensie  van alle menselijke ervaring... Alle religieuze groepen worden geconfronteerd met de massieve aanwezigheid van een geseculariseerde wereld.”

Bovendien zijn zij in een “pluralistische situatie” genoodzaakt tot dialoog en discussie met andere groepen. (p78-80) Hij wijst op de oecumenische dialoog die zich uitstrekt naar niet-christelijke religies. Er groeit een openheid voor de “volheid van menselijke ervaring... Alle tradities moeten worden geconfronteerd met welke signalen van transcendentie er ook maar in zijn neergelegd. Dit betekent een benadering die gegrond is in empirische onderzoeksmethoden... en vrij van dogmatische aannamen.” Het gaat om empirische analyse van ervaringen [en...] transcendente intenties van menselijke ervaringen, die als realiteiten in plaats van veronderstelde realiteiten worden behandeld.” (p82,83)

Dit impliceert ook een afstand nemen van de centrale plaats van Jezus en openheid voor andere tradities in een “veel-zijdige conversatie” en dialoog, eigenlijk een “polyloog”. Ook met “cognitieve minderheden”, en ook als deze geneigd zijn tot sektarisme. (p85-87)

Het godsbegrip, zoals dat in de joods-christelijke en islamitische tradities persoonlijk wordt opgevat, is een anderen te nemen ‘hobbel’. Terwijl oosterse visies neigen naar mystiek in de brede zin van “iedere religieuze praktijk of leer die de uiteindelijke eenheid van de mens met het goddelijke bevestigt [...zoals] in het hindoeïsme bij de formule Tat tvam asi – Jij bent Dat, dat betekent dat de de diepten van de menselijke ziel hetzelfde zijn als de goddelijke diepten van het universum. Mystieke religie ziet uit naar bevrijding in de diepten van het menselijk bewustzijn.’’ 

“Deze bevrijding van binnenuit staat diametraal tegenover de bijbelse conceptie van God als iemand die buiten en tegenover de mens staat... De polaire antithese van de grote identiteit die door de mystici wordt geproclameerd in alle mogelijke variaties... Dit kan ons noodzaken tot de formulering van nieuwe opvattingen.” (p89) Ook andere opvattingen van verlossing en bevrijding dan de joodse, christelijke en islamistische visies. Als gemeenschappelijk ziet Berger het streven naar en de mogelijkheid van bevrijding, alsmede de menselijke realiteit van het lijden, waarvoor mensen een antwoord en uitweg zoeken. De benadering ervan en de dialoog daarover vraagt enige aanpassing van de theologie, die hij inductieve (empirische) theologie noemt vanuit algemeen vorkomende menselijke ervaringen. 

Rumours Of Angels - Graham Kendrick - Worship LeaderConclusie

Engelen zijn boodschappers (angeloi) van God, die wijzen op diens transcendentie en aanwezigheid in de wereld van mensen. De secularisatie heeft dit veranderd. De mens kwam alleen te staan. Maar de geruchten van God lijken nog niet volledig verdwenen, ook al lijken deze geruchten niet meer in aanzien te staan. “Transcendentie is gereduceerd tot gerucht... Een herontdekking van het bovennatuurlijke zal bovenal een terugkrijgen van openheid in onze ervaring van de werkelijkheid betekenen. Niet alleen... een overwinning van tragedie... ook een overwinnen van trivialiteit... In de openheid voor signalen van transcendentie  worden de ware proporties van onze ervaring herontdekt... Dit betekent geenszins een verwijdering van de morele uitdagingen van dit moment, maar veeleer...  een zorgvuldige aandacht... een ‘oneindige zorg’ voor de menselijke aangelegenheden” (p95)

Religie en moraal liggen dicht bij elkaar. Religie kan een moreel perspectief geven dat de huidige tijd transcendeert, en verder gaat dan “de grimmige revolutionaire ideologieën” die in de tijd van Berger en Camus vigeerden, maar nu zijn teruggetreden. Hun prognoses zijn niet uitgekomen, zoals Camus voorzag. 

Het is onmogelijk om zeker te weten of de herontdekking beperkt blijft tot cognitieve minderheden of een bredere impact zal hebben. We zullen zien waar we heengaan. We blijven leven in spannende tijden, waarop we zelf enige invloed kunnen hebben, al is deze maar klein. Maar tezamen genomen kan deze invloed significant zijn.

Slotwoord: over de menselijke essentie

Volgens Camus is er een menselijke essentie die het waard is om verdedigd te worden tegen onrecht, geweld en onmenselijkheid. Wij delen die essentie met andere mensen, die het dus ook waard zijn verdedigd te worden als zij worden bedreigd. Als we ons onmenselijk gedragen doen we deze essentie geweld aan. Het woord ‘onmenselijk’ zegt dat we ons niet gedragen volgens onze menselijke  essentie, niet zoals het mensen betaamt, ‘wezensvreemd’.

Wat is dan die menselijke essentie? Camus hult zich daarover in zwijgen. Hij liet deze essentie open en gehuld in mysterie. Dat kan dogmatische gedragsvoorschriften voorkomen om ons volgens onze essentie te moeten gedragen, die dan in normen wordt vastgelegd, die dan voor je er erg in hebt dwingend kunnen worden opgelegd. Maar hij geeft ook aan dat deze essentie een bron van waarden is. Waarden als vrijheid, rechtvaardigheid en medemenselijkheid verwijzen naar een essentie die het waard is om verdedigd te worden. Hij licht dit toe aan het begin van De mens in opstand en in het essay Het Raadsel in de bundel De zomer, dat een raadselachtig open einde heeft. Maar tegelijk werpt hij er een mysterieus licht op. “Het licht waarin ik ben geboren,” zoals hij dat beschrijft in zijn daaropvolgende essay. 

 

Licht dat ieder mens verlicht

Zou dit licht hetzelfde zijn als “het licht dat ieder mens verlicht” in de Proloog van het Evanglie van Johannes? (I:9) Het licht van de Logos, de ‘kosmische intelligentie’, die zich volgens Johannes in Christus incarneert. Maar eigenlijk ook in ieder mens aanweig is als het licht van een dieper bewustzijn, waarin de wereld kan oplichten, ook al leven we in duistere en onzekere tijden.(1)

Dit licht van het bewustzijn komt bij Camus naar voren als een bron van waarden. Aan het eind van De mens in opstand spreekt hij van “het klaarlichte denken”, een begrip dat tevens vaag en mysterieus blijft, zoals ook onze menselijke essentie. In termen van Peter Berger lijkt het op een “signaal van transcendentie”, dat zich niet concreet laat vatten. Zoals ook bewustzijnsonderzoekers en neurowetenschppers nog steeds niet goed weten wat bewustzijn is, de kwaliteit of de essentie die ons tot mens maakt.

Noem het een licht dat ons verlicht. Dat oplicht in ons geweten, in onderscheid in goed en kwaad. Dat weet wat onrecht is en ons aanzet tot het goede om het waardevolle te verdedigen. Dat is hard nodig in een wereld die wordt geteistert door uitstervende soorten en andere apocalyptische bedreigingen, en die niet met geweld zijn te keren. Noch met technologie, die vaak voor dit geweld wordt gebruikt. Het keren van rampen en dreigingen vraagt een helder bewustzijn van menselijke waarden om ons naar te gedragen en ons technisch potentieel naar te voegen, dat nu wordt uitgebreid met kunstmatige intelligentie als een zoveelste bedreiging.

Dit is te beschouwen als een boodschap van Kerstmis: de geboorte van het licht in ons. Het oeroude winterfeest was vanouds de viering van het toenemende licht na de donkerste dagen van het jaar van 21-25 december. Een kosmische gebeurtenis, die we ook in onszelf kunnen laten gebeuren als we ons openstellen door het licht dat eigen is aan onze menselijke essentie.

Tot slot een toepasselijk citaat van de grote christelijke filosoof en kerkvader Augustinus: "Keer in tot jezelf. In het innerlijk woont de waarheid. En als je veranderlijke aard vindt, ga dan ook voorbij jezelf... Je moet ook jezelf transcenderen als redelijke ziel. Reik uit naar dat vanwaar het licht van de rede wordt ontstoken." (Augustinus. De vera religione, Over de ware religie, 39.72)

Noot

1. Bij Augustinus komt God overeen met het goddelijke licht van het Hoogste Goede bij Plato en het Ene bij Plotinus. Via de neoplatoonse filosofie als een soort tussenstation heeft Augustinus zich bekeerd tot het christendom. "Hun filosofie komt het christendom het meest nabij... In de werken van de neoplatonisten werden op allerlei manieren God en het woord van God te verstaan gegeven... De platonisten, die tot kennis van God komen, hebben [in God] de oorzaak van het georganiseerde universum gevonden, het licht waarmee de waarheid wordt waargenomen... Alle filosofen die deze opvatting hebben, zijn in overeenstemming met ons idee van Hem." (Augustinus, Belijdenissen, VIII 2,3; De civitate Dei, ’Christendom en filosofie’, VIII.9,10, X.2, XIX,17)

Augustinus verwijst naar de Proloog van het Evangelie van Johannes, waarin Chistus de belichaming is van het licht van de Logos, vrij vertaald als ’kosmische intelligentie’ of ’wereldrede’ bij de Stoïcijnen, door wie Augustinus ook werd beïnvloed. Bij Plotinus komt deze intelligentie voor als de Nous, de Geest (van het Al), de eerste manifestatie of hypostase van het goddelijke Ene, dat zich manifesteert in het georganiseerde universum. De terminologie is anders, maar Augustinus herkent daarin de christelijke visie van het  Johannesevangelie. Camus is afgestudeerd op een scriptie over het Griekse en christelijke denken van Plotinus en Augustinus. Deze scriptie wordt uitvoerig toegelicht in Ransijn, Herontdekking van Albert Camus, hoofdstuk 6-9, waarin bovengenoemde filosofie uitvoerig aan de orde komt)

Augustinus beschouwt het goddelijke als "een waarachtig licht dat ieder mens verlicht" en verwijst naar het Evangelie van Johannes. Hij heeft dit innerlijke licht zelf ervaren en beschreven. "Boven het eigen oog van mijn ziel, boven mijn geest, zag ik een onveranderlijk licht... Heel anders dan de dingen van hier... Het poogde te ontdekken hoe het dat onveranderlijke Zelf kende... Het licht waarin wij weten... is het licht van God... het licht in ons hart... het vermogen dat de geest en de bron van het denken voedt." (Augustinus, Belijdenissen VII 10-23, I.13,21. Zie ook De vera religione, Over de ware religie, 39.73, 49.97)

"Augustinus zegt dat het goddelijk licht voor alle mensen schijnt, zowel zondaars als heiligen. Het is aanwezig in ieder mens en nooit bij ons afwezig. Voor zover een mens is toegerust met een intellect wordt hij van nature verlicht door God." (Etienne Gilson, The Christian Philosophy of Saint Augustine, 1961, p79,80; Peter Koornstra, Het noëtisch primaat van  het Zelf bij Augustinus. Scriptie filosofie, Vrije Universiteit, p28. Zie Ransijn, Herontdekking van Albert Camus, p218-220)