Ons bewustzijn in de wereld

Civis Mundi Digitaal #142

door Erik Jansen

Bespreking van Kirsten Poortier, Erik Myin, Peter-Paul Verbeek, Wat maakt de mens? Onze lichamelijkheid in relatie tot techniek en wetenschap. Boom, 2022.

 

De vraag naar de mens staat centraal in dit nieuwe lesboek dat als examenstof zal dienen voor het VWO-keuzevak filosofie voor de komende vier jaar. Het hoofdonderwerp is hoe het brein werkt, waar ons bewustzijn is gesitueerd, en wat recente ontwikkelingen in de AI kunnen betekenen voor onze relatie met de wereld. De benadering die gehanteerd wordt is de fenomenologie, de filosofische stroming die de wereld beschouwt vanuit het eigen eerste-persoons perspectief. Daarbij wil het wel de connectie maken tussen wat wij zelf subjectief ervaren via waarneming en bewustzijn, en hoe de wereld gekend kan worden via de standaard wetenschappelijke methode, het objectieve derde-persoons perspectief.

In de fenomenologie wordt een strikt dualisme vermeden, zoals Descartes, dit ooit een duidelijke scheiding tussen geest en materie poneerde. Nu wordt juist verondersteld dat onze intelligentie op velerlei manieren is ‘ingebed’ in onze lichamelijkheid én binnen de werkelijkheid. Dat begint bij het gevoel van ons eigen lichaam, maar komt ook tot uiting in het gebruik van taal en andere representaties waarmee gedachtenprocessen worden ondersteund, en in allerlei vormen van interactie en handelingen binnen en met de werkelijkheid. Dat die fysieke werkelijkheid belangrijk is zien we aan handelingen die niet geleerd kunnen worden binnen het ‘mentale’ alleen, zoals lopen, fietsen, vioolspelen, allemaal activiteiten die we alleen leren door te doen. Het zijn activiteiten die we zelfs na enige oefening ook op ‘de automatische piloot’ kunnen doen. Dus wat is de rol van ons bewustzijn?

Dit leidt uiteindelijk tot de vraag of hetgeen ons brein doet ‘berekenbaar’ is en als zodanig nagebouwd kan worden op computers, waarmee we dan vervolgens apparaten kunnen uitrusten met ‘intelligentie’. Of is onze lichamelijkheid zo van wezenlijk belang en onderdeel van onze intelligentie en bewustzijn dat een computer dat niet kan simuleren? En wat is dan de specifieke rol van emotie, en is nodig voor een moreel oordeel?

 

Filosofische antropologie
Het eerste hoofdstuk begint met de observatie dat de mens een dier is ‘van zichzelf bewust’ en die de grens kent tussen het ‘ik’ en de buitenwereld. Er wordt algemeen van uitgegaan dat (andere) dieren dat bewustzijn niet hebben en ook niet het gevoel van vrijheid kennen waar wij over beschikken, dat wij ons leven op onze eigen manier kunnen inrichten. Dit is wat Helmut Plessner de excentrische positionaliteit van de mens noemt. Wij kunnen onze positie in de wereld en ons eigen lichaam van enige afstand bekijken en beoordelen, zonder dat er sprake is van een fysieke scheiding tussen ons bewustzijn en ons lichaam. Uit processen als lachen en huilen blijkt ook dat we over het lichaam maar beperkte controle hebben.

Een tweede kenmerk volgens Plessner is onze kunstmatigheid, dat we leven in symbiose met technische verworvenheden zoals vuur, gereedschap, woningen. Het idee van de mens als Mängelwesen (gebrekswezen) is eerder al naar voren gebracht door Arnold Gehlen in zijn De mens: zijn natuur en zijn positie in de wereld (1940), en door Andy Clark en Bernard Stiegler. De mens, die geen specifieke verdedigingsmechanismes kent, anders dan zijn slimheid, wordt gekenmerkt door een Weltoffenheit, een vermogen om de omgeving aan te passen naar zijn eigen wensen, zoals Max Scheler dat noemde. Onze interactie met de omgeving is een vorm van bemiddelde onmiddellijkheid. Wij nemen de wereld waar via onze instrumenten en wij kunnen redeneren over onze wereld in taal. Die interactie met de wereld vernieuwt zich door technologische ontwikkelingen. Aanvankelijk vooral analoge technieken, recent meer digitale methoden. Door het culturele spoor dat wij achterlaten maken wij geschiedenis. Ook hier benadrukt Plessner dat we geen scheiding kunnen maken tussen ons ervaren van de omgeving en ons zelfbesef als gepositioneerd in de wereld.

Het derde kenmerk van de mens is het ontbreken van een vaste positie. Onze positie is tijdelijk, het utopische standpunt. Daardoor zijn we in staat om ons in de ander te verplaatsen, wat de basis is van iedere gemeenschap. Ook hier speelt het lachen en het huilen een rol, het is uitdrukking van gevoelens binnen een sociale context. In het boek wordt ook aandacht besteed aan hoe we genderdiscriminatie (‘the male gaze’) en racisme (‘de witte blik’) ervaren door de ogen van de ander.

 

Metaforen voor de mens
In het tweede hoofdstuk wordt ingegaan op de verschillende metaforen van ons mensbeeld die geïnspireerd zijn door de techniek. Zo wordt het lichaam sinds de 17e eeuw gezien als een mechanisme. Ook het psychische leven wordt vaak met mechanische metaforen beschreven, zoals: “de stoom kwam uit zijn oren”, en “hij kan zijn driften niet beteugelen”. Ook metaforen als “neerslachtig” en “opgewekt” hebben een fysieke oriëntatie.

Recent zijn we het menselijk brein gaan zien als een computer met een geheugen en processor die in staat is tot het manipuleren van symbolen (talige beschrijvingen) die algoritmisch bewerkt kunnen worden tot gewenste resultaten. Dit besef leidde binnen het cognitivisme tot de stroming die wordt aangeduid als computationalisme, het berekenenvan logische gevolgtrekkingen op basis van kennisregels.

Of deze ‘rule-based’ systemen er werkelijk in slagen menselijke intelligentie na te bootsen, zou men kunnen bepalen met de Turing test. De computer is intelligent als we uit de antwoorden op onze vragen niet kunnen opmaken of we met een computer of met een echte persoon te maken hebben.

Er wordt door velen getwijfeld of de computer op termijn wel kan slagen voor deze Turing test. Volgens de filosoof Hubert Dreyfus worden vaardigheden te vaak verward met theoretische kennis. Veel intelligentie is “belichaamd” (zoals we al eerder zagen) en het vraagt een leerproces om bijvoorbeeld een gebruiksaanwijzing te snappen en in de praktijk toe te passen. Het is niet alleen maar het toepassen van kennis vervat in regeltjes.

Ook spreken en redeneren zijn vaardigheden die geleerd moeten worden. Niemand voert in een normale gespreksituatie bewust grammaticaregels uit. Dat kan alleen als je bewust een nieuwe taal leert. Het puur regel-gebaseerde computationalisme is waarschijnlijk niet voldoende om menselijke intelligentie te simuleren.

Een andere vorm van cognitivisme is het connectionisme dat werkt met impliciete kennis opgeslagen in neurale netwerken, die getraind worden aan de hand van voorbeelden. Deze (op de computer gesimuleerde) netwerken kunnen behoorlijk intelligent gedrag vertonen, en de kennis hoeft niet expliciet gespecificeerd te worden, maar wordt aan de hand van de training set, dwz. aan de hand van kenmerkende voorbeelden uit de praktijk “geleerd”. De computer simulatie van neurale netwerken biedt omgekeerd ook inzicht in de werking van de hersenen, want het is goed mogelijk dat het brein met zijn neuronen op vergelijkbare wijze werkt.

Een open vraag is of het lerende connectionisme wél de Turing test zal passeren. Mogelijk stuit dit ook op grenzen. De mens kan bijvoorbeeld goed omgaan met ‘humor’, die vaak gebaseerd is op empathische inschattingen, een vaardigheid verkregen door veel sociale interactie. Ook spelen verwachtingen bij ons een rol op basis van ervaringen die moeilijk te berekenen of te achterhalen zijn. Intelligentie is dus ‘embodied’.

 

Embedded en enacted intelligentie
Het is verder niet te verwachten dat het oneindige opschalen van de rekencapaciteit of van het geheugen van computers of van de hoeveelheid datatraining – zoals bij de generatieve taalmodellen van ChatGPT – ooit de drempel naar bewustzijn zal overschrijden. Natuurlijk kun je zeggen dat als een computer slaagt voor de Turing test, dat dan bewezen is dat de computer een bewustzijn heeft, maar dat is de vraag omdraaien. Dus, wat is bewustzijn?

We kunnen een stap zetten door het ‘embodied’ karakter van intelligentie te verbreden tot ‘embedded’, dwz. gesitueerde cognitie binnen interactie. Kijk hoe een kleuter afzonderlijke vaardigheden nodig heeft voor het leggen van een puzzel. Herkent hij de gelijkenis tussen de vorm van het puzzelstukje en de positie waar het stukje past? Of probeert hij het stukje overal willekeurig te plaatsen? Als de kleuter alleen het puzzelstukje uitprobeert zonder de specifieke vorm te herkennen dan werkt wel het ‘handelings’ systeem (het dorsale systeem), maar niet de ‘herkenning’ van de vorm van het puzzelstukje (het ventrale systeem, de planningsvaardigheden in de frontale hersenen). Voor het verrichten van complexe taken binnen een gegeven situatie zijn velerlei vaardigheden nodig en het vraagt complexe planningsvaardigheden om die op de juiste wijze in combinatie toe te passen.

Als mens hebben we ook geleerd hulpmiddelen te gebruiken als ‘extern geheugen’. Zo kunnen we berekeningen maken met behulp van potlood en papier. Het denkproces wordt als vanzelf ondersteund door de visualisatie op papier en het papier werkt als een ‘extended’ deel van ons geheugen. Het is moeilijker om het rekenen ‘blind’ te doen (“uit het hoofd”, dwz. binnen (!) het hoofd). Blindschaken is ook in velerlei opzichten moeilijker dan schaken met een bord en stukken.

Ten slotte kunnen we opmerken dat, als we al handelend de omgeving actief exploreren en bepaalde werkzaamheden uitvoeren, we een gevoel van ‘zelf’ ontwikkelen. We zijn ‘enacted’. Dit is vergelijkbaar met de fysische notie van ‘autopoiesis’, de intelligentie die het leven bezit om zichzelf te handhaven in een vijandig milieu. Het lichaam weet wat zijn grens is en kan gericht stoffen, die nodig zijn voor de spijsvertering, met zijn omgeving uit wisselen om te blijven bestaan.

We kunnen nog een stapje verder gaan (wat niet genoemd wordt in dit boek): als we voetballen of pianospelen, kunnen we “in” die activiteit geraken en zelf niet meer bewust zijn van alle handelingen die we verrichten en van alle sensorische informatie die we binnenkrijgen. We zijn in een ‘flow’, het begrip dat deze concentratie en vervoering probeert te beschrijven. In de ‘flow’ verliezen we het contact met de wereld en vergeten de tijd. Een heel specifieke vorm van fenomenaal bewustzijn.

 

Onze relatie met de techniek
In het derde hoofdstuk komt de vraag naar voren in hoeverre het wezen van de mens verandert door onze omgang met techniek. We hebben al eerder vastgesteld dat er na een leerproces een ‘versmelting’ kan optreden tussen de mens en zijn gereedschappen. Ook zijn er aanwijzingen dat de hersenen na enige lering heel gericht en opportunistisch alleen die mentale operaties uitvoeren die nuttig zijn in een gegeven context. Dat heeft echter ook zijn consequenties. De eerste treinreizigers rond 1850 klaagden over misselijkheid. Ze waren niet gewend aan de snelheid van het voorbijschietende landschap. Jongeren die vroeg leren autorijden en in korte tijd veel ervaring opdoen krijgen een andere perceptie van gevaar dan een oudere weggebruiker of voetganger. We kunnen ons dus aanpassen, en als het nodig is iets nader bekijken.

Helemaal één-op-één wordt de bemiddelde interactie echter nooit. Zo wekt het op afstand besturen van een militaire drone waarschijnlijk niet dezelfde emoties op, en geeft ook niet het bijbehorende morele gevoel als bij een piloot die zelf zijn vliegtuig dicht bij het doel moet brengen en gevaar loopt neergeschoten te worden.

Technische objecten hebben een ‘script’, zo is de klink van een deur bedoeld om vast te pakken en de deur te openen met een draaibeweging. Je kunt als ontwerper bewust een ‘script’ programmeren in het object. Zo is een verkeersdrempel een geschikte vorm om de eerdergenoemde “coureurs” binnen de bebouwde kom wat af te remmen.

De versmelting van techniek en ons lichaam kan ook verder gaan dan de spreekwoordelijke leesbril, gehoorapparaat, pacemaker, of deep-brain stimulation. Welke mogelijkheden gaan zich voordoen als we externe geheugens kunnen aansluiten op ons brein? Geneesmiddelen en drugs werken nog heel globaal al slaagt men er steeds meer in specifieke ‘target-delivery’ methoden te ontwerpen. Wanneer kruisen we de lijn van mens naar cyborg?

 

Dataïsme
Het laatste hoofdstuk gaat over vervagende grenzen, enerzijds tussen ons en de natuur, en anderzijds tussen ons en de samenleving. Uit de evolutieleer maken we op dat er wellicht niet zo veel verschil is tussen ons en de overige natuur waarbinnen we zijn ingebed. Hebben dieren niet ook een bewustzijn en hebben planten als ze naar het licht buigen niet ook een ‘enacted’ intelligentie? Is ons standpunt tot nu toe niet erg antropocentrisch geweest? Moeten we ons niet bezinnen over hoe we omgaan met de dieren in de agrarische industrie? Als ander leven en ook de niet-levende materie handelingsvermogen heeft, moeten we dan niet alleen rekening houden met mensen- en dierenwelzijn, maar ook met het welzijn van rivieren en bergen? Zijn wij niet onderdeel van een fijn afgestemd ecosysteem? We zijn meer dan ooit afhankelijk van de aarde, maar kan de informatie die we ontvangen over de dreigende klimaatcrisis door ons wel geplaatst worden? Denk aan onze relatieve positionering, wij zijn in staat om te reflecteren over onze situatie en moeten dus onze verantwoordelijkheid nemen.

Gelijktijdig zijn we omringd door media die een beeld van de wereld bieden waarvan je de realiteitswaarde moeilijk kunt inschatten. Sociale media en zoekmachines registreren ons gedrag en maken een ‘user profile’ van ons aan, en stemmen het aanbod weer op ons af. Er komt een moment dat ons gedrag niet meer gebaseerd zal zijn op zelfreflectie maar dat al onze aandacht volledig gestuurd wordt door AI-technieken en we minder in staat zullen zijn te bepalen welke informatie relevant en zinnig is, en we dus steeds minder kunnen vertrouwen op ons eigen vermogen om beslissingen te nemen en te handelen. Data, informatie en algoritmes hebben dus ook handelingsvermogen.

Gelijktijdig weten we dat onze persoonlijkheid niet geheel gevat kan worden in een dataset. Er is altijd nog het andere, het vreemde, het spontane. De menselijke bestaanservaring kenmerkt zich door een onherleidbare openheid, die we ons niet moeten laten afpakken. Er kiert altijd licht tussen het woord en het ding, met ruimte voor interpretatie en discussie, voor poëzie en zelfreflectie (Miriam Rasch, in haar boek Frictie, 2020).

 

Het bewustzijn
Het onderwerp ‘bewustzijn’ en de fenomenologische analyses zijn bijzonder interessant, en het boek is ook goed geschreven, al is het omvangrijk en kent de nodige herhalingen. Helaas blijft de uitleg over ons ‘bewustzijn’ halverwege het boek in het vage steken en wordt in het vervolg niet meer hernomen. Als lesboek is het ook beperkt in scope en blijft het dicht bij huis, dicht bij het onderzoek van de schrijvers zelf, en bij de actualiteit van de kunstmatige intelligentie.

Het onderwerp ‘bewustzijn’ had nog verder geëxploreerd kunnen worden. Zo concludeert Thomas Metzinger [1] op basis van de ‘rubber-hand illusie’ dat het zelfbeeld dat we van ons lichaam hebben niet hoeft samen te vallen met waar we wat voelen. De rubber-hand illusie ontstaat als we één van onze handen uit zicht houden en door een ander persoon laten aanraken die tegelijk ook een kunsthand aanraakt, die we wel zien. Na enige tijd koppelt het brein het gevoel van onze eigen onzichtbare hand aan de zichtbare kunsthand, en voelt het alsof de kunsthand onderdeel is van ons lichaam. We ervaren zelfs een arm als verbinding met de kunsthand. Zie figuur uit Botvinick en Cohen, 1998.

 

 

Uit die mismatch trekt Metzinger de conclusie dat zowel ons beeld van ons lichaam, net als ons beeld van de wereld, “geconstrueerd” is, en dat ons fenomenaal bewustzijn voortkomt uit de fusie van (of de spanning tussen) de sensorische en neurale informatie van ons lichaam en het ‘wereldmodel’ in ons geheugen, waarbij het wereldmodel ook onze persoonlijke ervaring en herinneringen, ons ‘zelfmodel’, omvat. Op basis van deze theorie concludeert Metzinger dat we geen ‘zelf’ hebben. Wat wij gewoonlijk het ‘zelf’ noemen zit als informatie in het zelfmodel dat is ingebed in het wereldmodel. Het bewustzijn is (alleen) de momentane spanning tussen het directe fysieke gevoel en het zelfmodel. In slaap en droom dwalen in dit zelfmodel rond zonder de fysieke koppeling met het lichaam (of maar heel beperkt).

 

Tot slot
Techniekfilosofie heeft zich decennialang gericht op de impact van technologie op onze samenleving, op onze cultuur, en op onze manier van denken, zoals verwoord door Heidegger, Jaspers, Ellul, Gehlen, Jonas, Horkheimer, Adorno, Marcuse en Habermas. Veelal ging het over het ‘instrumentele technische denken’ dat onze maatschappij heeft vervreemd van menselijke waarden en eerbied voor de natuur. Het vorige lesboek voor het VWO [2] sloot daar goed bij aan en ging in op de historische ontwikkelingen binnen de samenleving (moderniteit, markt) en de filosofische ideeëngeschiedenis als reflectie. Het nieuwe lesboek beperkt zich tot de “empirische wending” in de techniekfilosofie, die puur kijkt naar de relatie tussen de individuele mens en de techniek, zeg maar de mens-machine interactie. Daarmee wordt de doelgroep van middelbare-school leerlingen wel een breder maatschappelijk perspectief en kennis van de filosofische traditie onthouden. Ik zou iedereen dan ook aanraden om ook het vorige lesboek te lezen. De boeken vullen elkaar bijzonder goed aan.

 

[1] Thomas Metzinger, The Eco Tunnel, Basic Books, 2009.

[2] Ad Verbrugge, Govert Buijs, Jelle van Baardewijk, Het goede leven & de vrije markt een cultuurfilosofische analyse, Lemniscaat, 2018.