Pleidooi voor lokale elektriciteitsopwekking

Civis Mundi Digitaal #142

door Erik Jansen

Bespreking van Aviel Verbruggen, Energie- en klimaatbeleid ontluisterd, democratische omwenteling tegen neoliberale doorbraak. Antwerpen, Uitg. Garant, 2023.

 

Aviel Verbruggen pleit in dit boek voor een centrale rol van lokale energiecoöperaties bij de winning van zonne- en windenergie. Zelfgeorganiseerde energiecoöperaties kunnen de macht breken van de grotere energieconcerns, zowel in de olie- en gassector als in de elektriciteitssector, die hun kosten voor de grootschalige infrastructuur afwentelen op de burger, terwijl de lokale burgers prima zonder kunnen. Door de dalende kosten van lokale opwekking van zonne- en windenergie kunnen de burgers nu geheel zelfvoorzienend worden tegen een lage kostprijs. Wel moet men bezwaren over ruimtegebruik, lawaai en horizonhinder daarbij voor lief nemen.

In dit boek schetst Verbruggen de langzame maar niet te stuiten opmars van de alternatieve energiebronnen, die het monopolie kunnen breken van de grote energiebedrijven, die er alles aan doen om de burger over te leveren aan de grillen van de markt, terwijl ze hun aandeelhouders spekken met grote winsten. Veertig jaar lang hebben de grote energiemaatschappij (Shell, etc.) de opkomst van zonne- en windenergie genegeerd of moedwillig tegengewerkt en pas in 2014 zijn de elektriciteitsmaatschappijen op de rijdende trein van grootschalige windenergie op zee gestapt. Dat is mooi voor het bedrijfsleven, maar de individuele burger heeft daar niet zoveel aan als hij vast geklonken blijft zitten aan een kostbare infrastructuur, die niet nodig is voor lokale opwekking.

Ondertussen investeren de olie- en gasmaatschappijen – al dan niet gesteund door subsidies en belastingkorting – nog steeds in de winning van fossiele energie, terwijl de samenleving prima over zou kunnen gaan op een volledige elektrische energievoorziening op basis van duurzame energie. Van de politiek moet Verbruggen het niet hebben, want dat is allemaal neoliberalisme dat de klok slaat en die de markt zijn vernietigende werking laat doen. Het moet volgens hem komen van kleinschalige lokale initiatieven om de macht van de grote concerns en hun aandeelhouders te breken.

Aviel Verbruggen is emeritus-hoogleraar elektriciteitseconomie aan de Universiteit van Antwerpen. Hij heeft in de periode 1980 - 2020 diverse functies vervuld ter advisering van de Vlaamse overheid op het gebied van het Energiebeleid [1] en toont zich in dit pamflet behoorlijk strijdvaardig.

 

Energiemaatschappijen geven niet thuis
Na het rapport Grenzen aan de Groei (1972) en de twee oliecrises wordt mede door de stijgende olie en gasprijzen de noodzaak om te besparen op energie sterk gevoeld, maar dat vertaalde zich in eerste instantie alleen in grotere aandacht voor energiebesparing, m.n. woningisolatie. De eerste pilots met windenergie en zonnecollectoren (voor warmtewinning) worden niet opgepakt door de energiemaatschappijen. Met de economische crisis in de jaren tachtig en de dalende energieprijzen, verdwijnen de alternatieve energiebronnen weer voor even achter de horizon. Alleen wat kleinere bedrijven beginnen met de seriematige bouw en verkoop van (nog relatief) kleine windmolens. Fotovoltaïsche zonnepanelen (PV) zijn op dat moment nog onbetaalbaar en worden alleen toegepast bij kleine standalone systemen.

De grote oliemaatschappijen zijn passief en vooral bezorgd om hun geïnvesteerde vermogen in de winning en exploitatie van olievelden. Alvorens olie vrijwel kosteloos uit de grond komt, moeten eerst miljarden worden geïnvesteerd. Dat geldt vooral bij de ontginning van olievelden op zee. Als er eenmaal geïnvesteerd is in olieputten dan moet die olie ook blijven vloeien om het geïnvesteerde kapitaal weer terug te verdienen. Echter als er mondiaal te veel geïnvesteerd is en de wereldeconomie blijft wat achter dan wordt de wereld plotseling overspoeld met te veel olie, waardoor de prijs keldert. Om die situatie te voorkomen is de OPEC opgericht, om afhankelijk van de marktsituatie, de oliekraan bewust wat dicht te draaien om de olieprijs op peil te houden. Naast deze vorm van overleg tussen producenten, komt het de oliemaatschappijen ook wel goed uit als olierijke landen, zoals Iran of Rusland, worden geboycot. Ook een oorlog zoals in Irak of Tunesië is gunstig, want daardoor valt een deel van de productiecapaciteit weg en stijgt de olieprijs. Oorlog is kassa. Zie ook de olie en gasprijzen na de Russische inval in Oekraïne waardoor de oliemaatschappijen megawinsten hebben gemaakt.

De Amerikaanse regering is vooral bezorgd over de rentabiliteit van haar eigen productie van schalieolie, die onder de 60 dollar niet rendabel is. Vandaar dat de regering Trump expliciet gekeerd was tegen de Nordstream gaspijpleidingen voor goedkoop gas uit Rusland. Met de oorlog in Oekraïne en de boycot van Rusland krijgen de Amerikaanse oliemaatschappijen nu hun zin en is de uitvoer van olie en LNG-gas weer lucratief.

 

Duurzame ontwikkeling
Eind jaren tachtig dringt de ernst van de klimaatopwarming door en in 1987 verschijnt het WCED ‘Brundlandt’ rapport [2] waarin gepleit wordt voor ‘duurzame’ ontwikkeling. Bij de eerste klimaatconferentie in 1992 in Rio de Janeiro ligt het eerste IPCC-rapport ter tafel en dringt de noodzaak van beperking van de fossiele energie en de beperking van de CO2 uitstoot tot de wereld door. Echter de reactie is niet om kleinschaliger alternatieve bronnen te ontwikkelen en te stimuleren, maar om de “markt haar werk te laten doen”. Hiervoor wordt door de VS een ‘cap-and-trade’ systeem voorgesteld, waarbij bedrijven hun CO2-uitstoot moeten legitimeren door emissierechten te kopen. De totale hoeveelheid emissierechten zou dan op termijn worden teruggebracht om de bedrijven te dwingen de energietransitie door te zetten.

Dit systeem treedt met het Kyoto-protocol in 1997 in werking. Bedrijven ontvangen voor hun huidige uitstoot in eerste termijn gratis rechten, want anders moeten ze betalen voor de huidige uitstoot én gelijktijdig investeren in duurzaamheid die pas op termijn door verlaging van CO2-uitstoot wordt terugverdiend. Er worden echter vanaf 2008 zoveel gratis rechten uitgegeven dat van een “cap” in de eerste twee decennia geen sprake is. Overgebleven uitstootrechten mogen ook nog eens worden meegenomen naar een nieuwe termijn waardoor van beperking vrijwel helemaal geen sprake meer is. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de prijs van de uitstootrechten naar nul zakt en alleen nog enige waarde heeft voor speculatieve beleggers zoals het Noorse oliefonds dat het overschot aan goedkope uitstootrechten opkoopt als belegging. Ondertussen gebeurt er niets aan het terugdringen van de fossiele energie.

De Nederlandse overheid maakt het helemaal bont door in 2005 nog drie vergunningen af te geven voor nieuwe kolencentrales die de goedkope elektriciteit moeten veiligstellen voor bedrijven die gewend waren aan het goedkope Groningse aardgas. De CO2 uitstoot zou worden opgeslagen in de Noordzee wat betaald zou worden uit het besparen op de emissierechten. Maar omdat die emissierechten niets waard bleken te zijn, is er ook geen stimulans voor de CO2 opslag. Die kolencentrales moeten nu met belastinggeld alsnog voortijdig uit gebruik worden genomen. Ondertussen worden de burgers wel opgezadeld met een energiebelasting die de burger tot woningisolatie moet stimuleren, terwijl de kassen en de industrie tegen gereduceerd tarief het laatste aardgas verstoken.

 

Zon- en windenergie
In de marge ontwikkelt zich echter toch een windmolenindustrie die grotere windmolens gaat bouwen en het zijn Denemarken en Duitsland die effectief hun eigen industrie stimuleren met opdrachten. Nederland laat zijn bouwers failliet gaan, alleen Lagerweij weet in de moeilijke eerste jaren de dans te ontspringen. Parallel maken ook (Photo-Voltaïsche) PV-zonnepanelen een stormachtige ontwikkeling door, zowel in opbrengst als in kostprijs. Door de terugleverantie van de Duitse overheid (op instignatie van de Groenen) groeit het aantal geïnstalleerde zonnepanelen op de Duitse daken explosief. Helaas gaat de eigen industrie in Europa ten onder aan de import van goedkope zonnepanelen uit China.

Ondertussen blijft Europa en ook Nederland gokken op marktconforme regelingen. Zo worden er groencertificaten geïntroduceerd die het elektriciteitsmaatschappijen mogelijk maken om “groene” elektriciteit aan de burgers te verkopen tegen meerprijs. De opbrengst wordt echter niet besteed aan de ontwikkeling van zonne- en windparken maar gaat voornamelijk naar biomassa die in de kolencentrales wordt mee gestookt.

Vanaf 2010 krijgt de windenergiesector vleugels door het aanleggen van grote windparken op zee. Op dat moment worden de grote elektriciteitsmaatschappijen wakker en zien nieuwe kansen om hun monopoliepositie in de elektriciteitsproductie en distributie te behouden. Zij tekenen massaal in op de nieuwe windparken op de Noordzee (zie ook het verhaal over de windenergie naar aanleiding van het boek van Frans van de Loo in CM#132). Dat is dan mooi om waterstof mee te produceren en grote datacenters mee te voeden, maar de gewone burger betaalt nog steeds de hoofdprijs.

 

Europa
Zoals gemeld wordt op instignatie van de VS in 1997 het Kyoto-protocol afgesproken waarbij een groot deel van de industriële uitstoot van CO2 ondereen ‘cap-and-trade’ emissieregeling wordt gebracht. De EU is aanvankelijk tegen dit systeem maar gaat in de jaren daarna om en introduceert het Europese ETS (Emission Trade System).  Het duurt een paar jaar voordat het in werking treedt en zoals gezegd ontvangen de grote uitstoters emissierechten voor de huidige uitstoot met het idee dat ze dan niet dubbel betalen voor én de emissierechten én de kosten om de toekomstige emissies te reduceren.

Figuur 5 laat zien dat ondanks dat de hoeveelheid emissierechten structureel afneemt, de werkelijke emissiereductie nog veel groter is. Dat lijkt een mooi resultaat maar bij nader bezien is de teruggang in de werkelijke uitstoot alleen maar te danken aan de toegenomen vervanging van fossiele energie bij de elektriciteitsproductie door zonne- en windenergie. De uitstoot van de industriële bedrijven zelf is in de afgelopen twee decennia vrijwel niet teruggelopen. Het ETS heeft dus totaal niets uitgehaald. Het succes van de windenergie heeft de zware industrie dus twee decennia “uit de wind” gehouden.

De EU heeft nu een vervolg op het ETS voorgesteld, ETS-2, dat ook het transport, gebouwen en benzine omvat. Het is onderdeel van “Fit-for55” dat ook regelt dat import van producten die zonder emissierechten zijn vervaardigd bij de grens van de EU worden belast om de eigen industrie niet te benadelen. Doelstelling is om de CO2 uitstoot met 55% terug te brengen in 2030 ten opzichte van 1990. Voor de luchtvaart geldt dat alles boven 85% van het verbruiksniveau van 2019 moet worden gecompenseerd met ‘carbon credits’ te besteden onder de CORSIA-offsetting overeenkomst (vnl. hernieuwbare energie en bebossing).

 

Marktwerking
Al vanaf de eerste bladzijde is duidelijk dat Aviel Verbruggen helemaal niets op heeft met alle marktconforme regelingen. De enige manier om vooruit te komen is volgens hem het energieverbruik direct te belasten en gerichte innovatie financieel te steunen in de opstartfase. Duitsland en Denemarken hebben veel meer bereikt dan het ETS-systeem. De ontwikkeling van duurzame energie is zo snel gegaan dat het hele ETS-systeem gestrand is en de emissierechten vrijwel gratis zijn. Het is zeer de vraag of het ooit zal werken, ook als de totale emissieruimte stelselmatig gereduceerd wordt. De geringe kostprijs van de duurzame energie maakt ieder gebruik van fossiele energie feitelijk overbodig.

Verbruggen toont met figuur 3 aan dat in tijden van oorlogen en crises, de superwinsten voor de energiemaatschappijen door het dak gaan. Alleen de Covid-pandemie in 2020 doet de vraag naar olie en gas even dalen, waardoor de winsten wat inzakken. Er blijven echter nog steeds reusachtige bedragen over voor ‘winsten zonder moeite’ (p. 52).

Verbruggen: “Terwijl Europese huishoudens en bedrijven kraken onder de financiële lasten, rijven de energiemultinationals reuzenwinsten binnen. Niet alleen de olie- en gasbedrijven, maar ook producenten van elektriciteit weten extra winsten te innen met behulp van kromme redeneringen” zoals “via de aankoop van emissievergunningen om koolstoftoeslagen te heffen op verbruikte elektriciteit (bij de burger)” (p. 100).

Toch is wat Verbruggen beschrijft niet terug te vinden in de beurskoersen van de grote energiemaatschappijen. De beurswaarde geeft een licht-fluctuerend, maar redelijk stabiel beeld. De beurswaarde is in 20 jaar verviervoudigd, wat vooral komt door het dalen van de rente waardoor beleggen aantrekkelijker wordt. Dat is de algemene tendens op de beurs over de laatste twee decennia. Alle waarden zijn gestegen, maar ze kunnen net zo makkelijk weer dalen bij een stijging van de rente. In de iShares Gobal Energy ETF (zie bijgaande grafiek) blijven de beurswaarden enigszins achter bij het gemiddelde van de beurswaarden. De Nasdaq laat bijvoorbeeld een achtvoudige groei zien over dezelfde periode.

 

Ishares Global Energy ETF (USD) periode 2002 – 2022.

 

Groot- versus kleinschalig
Naast de filippica’s tegen de marktconforme maatregelen is Verbruggen ook fel tegenstander van de grote kapitaalkrachtige concerns die hun (super)winsten veiligstellen, de regeringen stimuleren in het opleggen van sancties aan concurrerende olie- en gasproducenten, en lobbyen tegen de uitfasering van fossiele energie, terwijl ze de gewone burger dik laten betalen voor de grootschalige infrastructuur en leveringszekerheid, die de burger eigenlijk helemaal niet nodig heeft. Met kleinschalige lokale opwekking en distributie zou ieder particulier veel goedkoper uit zijn en zijn eigen elektriciteitsvoorziening op een betrouwbare wijze veilig kunnen stellen.

Om lokale opwekking en distributie mogelijk te maken, moeten echter nog wel een paar politieke beslissingen genomen worden, zoals wat te doen met een overschot aan energie. Vroeger was dat geen probleem, alles werd centraal geproduceerd en geregeld. Maar als er veel zon en wind tegelijkertijd is en er (te) veel duurzame energie wordt opgewekt, wie wordt er dan afgeschakeld? Worden de windmolens uit de wind gedraaid, wordt de omvormer van de PV-panelen uitgeschakeld, of wordt de centrale back-up productie (bv. kernenergie of gascentrales) uitgeschakeld? Daar is nu nog geen strategie voor.

Een deel van de fluctuaties kan worden ondervangen door de vraag te “sturen”. Er kunnen drie urgentieklassen worden onderscheiden in de vereiste leveringsbetrouwbaarheid:

-          Hoog voor licht, communicatie, elektronische apparatuur, persoonlijke hygiëne, ventilatie

-          Midden voor warmteprocessen zoals verarming, koelkast, diepvries, airco

-          Laag voor warmwaterboilers, vaatwasmachine wasmachines, wasdrogers.

Voor het opladen van batterijen (zoals elektrische auto’s) maar ook voor een eigen zonne-energie opslagsysteem kan dan de piek (en de lage prijs) benut worden. De vraagsturing vraagt wel een andere houding van de burger dan louter de stekker in het stopcontact steken.

Helaas gaat Verbruggen niet in op de mogelijkheden van opslag. Hij wil liever geografisch spreiden (elektriciteit uit buurlanden als er bij ons een dip is en omgekeerd). Toch is het waarschijnlijk onontkoombaar om op enige vorm van opslag te moeten terugvallen. Zie ook de discussie in de bespreking van het boek Donkerluwte van Henk Tolsma in CM#132.

 

Lokaal beheer
Verbruggen geeft voldoende argumenten voor een kleinschalig en decentraliseerde elektriciteitsopwekking. Helaas gaat hij niet concreet in op hoe we ons die kleinschalige opwekking en distributie moeten voorstellen. Natuurlijk zijn er nu al kleine coöperaties die windmolens of zonne-energie op daken succesvol exploiteren, maar het vraagt een enorme inzet aan man- en denkkracht om dit soort lokale initiatieven van de grond te trekken en draaiende te houden. En dan nog gaat de distributie toch voornamelijk via het openbare net. Eigen administratie, eigen incasso, eigen kabels en schakelkasten? Het klinkt niet erg realistisch. De overheid (gemeentes, regio’s, provincies) zouden meer kunnen doen, maar die hebben net hun elektriciteit- en gasnetten verkocht aan de grote commerciële partijen, en de opbrengst hebben ze gebruikt om de gaten in hun begroting te dichten. Niet logisch om nu weer fors te investeren in lokale opwekking en distributie. Het geld is er niet meer.

Eenzelfde verhaal zien we bij de lokale warmtenetten. De nieuwe wet op de warmtenetten is erop gericht om de lokale overheid eigenaar te maken van de lokale warmtedistributienetten en niet de commerciële marktpartijen. Helaas, op basis van vrijwilligheid kiest maar een beperkt deel van de bewoners voor een aansluiting (het gas is nog te goedkoop en bij tijdelijk pieken compenseert de overheid), en daarmee is het plaatje financieel niet rond en wordt het risico voor de gemeentes te groot. Dus gebeurt er niets.

 

Neoliberalisme
Aviel Verbruggen heeft een overtuigend pamflet geschreven tegen de “fossiele” energieconcerns en elektriciteitsmaatschappijen, die zijn blijven vasthouden aan een centrale,  grootschalige structuur en  veertig jaar lang de duurzame alternatieven hebben genegeerd. Helaas koppelt hij dit beleid aan de marktwerking en het neoliberalisme in het algemeen. Zo verwijt hij het inzakken van de animo voor energiebesparing en duurzame energieopwekking in de jaren tachtig volledig aan de opkomst van het neoliberalisme in die jaren en niet aan de economische crisis, noch aan de lage olieprijs die de alternatieven een tijdlang uit de markt hebben gedrukt. Terwijl hij eerder (p. 46) juist meldde dat “in het midden van de jaren tachtig het overaanbod aan energiesystemen uitermate groot was, terwijl de vraag naar energie aan het dalen was”.

Er zijn ook genoeg voorstellen gedaan begin jaren tachtig voor een energiebelasting of een lastenverschuiving van arbeid naar energie om energie duurder te maken en energiebesparing te stimuleren [3]. Maar helaas ook de linkse partijen wilden daar niet aan. Want je belast mensen die het niet kunnen betalen om hun huis te verduurzamen. Hetzelfde geldt voor de woningbouwverenigingen. Die mogen de huren niet verhogen want het wonen wordt door de mensen gezien als een recht en dient dus betaalbaar te blijven voor de kleine beurs, en het is zeker niet iets wat economische rendabel moet zijn, want dat is neoliberalistisch gedacht. Dus gebeurt er niets want de overheid en de woningbouwverenigingen kunnen niet voor iedereen de verduurzaming betalen zonder dat er een terugverdienmodel aan gekoppeld is.

Dit probleem van initiële investeringen noemt Aviel Verbruggen overigens eerder zelf wel bij de vraag of de “superwinsten door hoge olie- en gasprijzen en door zwendel in de elektriciteitssector ook positieve effecten hebben?”. Verbruggen: ‘Geven dit soort hoge prijzen ook een duw aan energiebehoud, efficiëntie en meer hernieuwbare energie? Het antwoord is ja en neen. Ja, voor het koopkrachtige deel van de bevolking, dat naast het betalen van de verhoogde energiefacturen nog voldoende middelen kan investeren in het energiezuiniger maken van de woning en ze maximaal toerusten met zonnepanelen voor warmwater en elektriciteit, in een thuisbatterij, geautomatiseerde beheersystemen, een elektrische auto van de protserige soort, enzovoort. Neen, voor de huishoudens met een tekort aan geld. De hoge energiefacturen verbranden hun laatste spaarcenten. De middelen ontbreken om te investeren. Het energiebehoud in deze huishoudens is niet het resultaat van knippen in futiele consumptie, maar van oncomfortabel, zelfs pijnlijk snijden in de levensstandaard.’ (p. 68) ‘De ongelijkheid van bezit en inkomen is verweven met de moeilijkheden en mogelijkheden om de energietransformatie vaart te geven. Beleid zonder gedetailleerde en gedurfde oplossingen om de ongelijkheid op te heffen, kan het klimaatvraagstuk niet degelijk aanpakken.’ (p. 69)

Verbruggen is dus nog niet veel verder dan de discussie van veertig jaar geleden. Goed, het boekje gaat niet over inkomensongelijkheid en hoe dat op te heffen, maar veel van de ongewenste uitkomsten zijn niet het resultaat van marktwerking of van het neoliberalisme, maar van het ontbreken van een goede vorm van belastingheffing op winsten en vermogens. Het is de internationale belastingconcurrentie van nationale regeringen die de belastingheffing op winst van bedrijven op een kortzichtige manier van zeg 30% naar 15% heeft teruggedraaid, alles met de wens om grote internationale bedrijven binnen te halen. Daarnaast is in Nederland het belasten van de eigen woning boven een futiel huurwaardeforfait ook nog steeds onbespreekbaar.

 

Tirades tegen het neoliberalisme
Je kunt al dit soort dilemma’s heel goed aan de orde stellen zonder de hoge toon die Aviel Verbruggen voortdurend aanslaat en die doorklinkt in tientallen passages zoals: ‘Het slijk der aarde, het grote geld als belangrijke factor komt weinig ter sprake. Geld speelt een toonaangevende rol in de neoliberale regimes, en in alle regimes waar oligarchen, plutocraten, kortom superrijke de plak zwaaien’ (p. 38). ‘In de EU-emissiehandel is de schijnwaarheid een bewuste constructie van EU-ambtenaren, consultants en lobbyisten.’ (p. 76). ‘Europees ‘Fit-voor-55’-pakket is neoliberalisme pur sang’ (p. 164). ‘Het bekrompen egoïsme van superrijke, en minder rijken die hen na-apen met ‘Ik wil alles, hier, nu’.’ (p. 180). ‘De visies, belangen en strategieën van grote groepen in de samenleving staan frontaal tegenover mekaar, en op al die fronten is politieke strijd onvermijdelijk. De 10% van profiterende neoliberale belangen en hun hofhoudingen tegenover de 90% van het volk. (…). De som van de miljoenen van onderop verspreide machtscentra zal sterker zijn dan de neoliberale centrale bastions.’ (p. 190). ‘Maar de enorme neoliberale rommel verspert nog het zicht op de weg, en dient te verdwijnen. (…). De hoofdkwartieren van het neoliberalisme, de grote energiebedrijven en de wapenindustrie, zijn concentraties van geld, macht, aanzien en invloed. Ze verlammen of corrumperen een deel van het volk, afgestudeerden en mandarijnen van het systeem. Realisme voor hen is: aanvaard de overmacht van het neoliberalisme, en breng kleine koerswijzigingen aan. Nu ook de superrijken de ernst van klimaatverandering niet langer kunnen ontkennen, volgen ze een trage verschuiving naar klimaat-neutraliteit in een laag-koolstof-neoliberalisme. Het EU ‘Fit-for-55’ is de uitvoering van dit neoliberale programma. Dit is aanmodderen zoals in de dertig jaar van 1992 tot 2022.’ (p. 191). ‘De neoliberale verstrikking is een piramidespel. De organisatoren van het spel winnen massaal, hun medestanders een deel, alle anderen verliezen. Het reflecteert de opdeling via rijkdom van de 1% superrijke, 10% rijken, en 90% anderen waaronder 50% van de wereldbevolking, echt arm is in bezit en inkomen. Individueel uit het piramidespel stappen lijkt gevaarlijk, zodat kleine belangen van miljarden mensen zich schikken naar de grote belangen van superrijken en hun handlangers.’ (p. 218).

Enige redactie had hier wonderen gedaan.

 

Tot slot
Volgens Verbruggen kent deze tijd twee grote uitdagingen: het neoliberalisme en de klimaatverandering. Zijn stelling is dat beide nauw met elkaar samenhangen. Helaas komt hij in het boek niet tot een serieuze analyse en discussie over de dilemma’s die lokale opwekking opwerpt, want al het falen wordt bij voorbaat afgedaan als neoliberaal marktdenken. Als Verbruggen even zou doordenken dan zou hij zien dat achter alle dilemma’s echte problemen schuilen. In het huidige populistische klimaat zal het ook niet makkelijk zijn om voldoende investeringsmiddelen bijeen te brengen voor de energietransitie, ook al zou dat op termijn rendabel zijn voor de burger en beter voor de aarde.

Het alternatief van Verbruggen, een duurzame lokale energieopwekking, is een goede strategie, maar een dergelijke transitie vraagt investeringen, instemming van burgers om hun woonomgeving beschikbaar te stellen, en toch ook samenwerking met de huidige elektriciteitsmaatschappijen, al was het maar voor spreiding en buffering.

Verder zou het van belang zijn te weten waarom bijvoorbeeld ‘Fit-for-55’ voor de industrie niet zou werken en wat er politiek dan wel gedaan zou moeten worden (behalve kostbaar maatwerk). Helaas vinden we die analyses niet in dit boek.

 

[1] Thijs van de graaf, Erik Laes, en Aviel Verbruggen, Energy Governance in Belgium, 2019. Zie www.avielverbruggen.be

[2] WCED-rapport Our Common Future, 1987. Rapport van de Brundtland World Commission on Environment and Develpment.

[3] Erik Jansen en Piet Iedema, Lastenverschuiving over arbeid, kapitaal en milieu, PPR-schrift nr. 9, 1982. Pdf.