De fascinerende persoon van Albert Camus komt tot leven

Civis Mundi Digitaal #142

door Patricia van Bosse

Bespreking van Piet Ransijn, Herontdekking van Albert Camus. Hij blijft inspireren. Uitgeverij Aspekt, 2023.

 

 

 

Velen van ons hebben waarschijnlijk enkele van de boeken van Camus gelezen op de middelbare school of tijdens de studietijd, al dan niet in het Frans.  Vooral De Pest en De Vreemdeling zijn titels die velen zich herinneren. Vaak is het daarbij gebleven. Tijdens de coronapandemie kon De Pest zich opnieuw in grote belangstelling verheugen. Vrijwel al zijn boeken, zij het sommige tweedehands, zijn nog steeds te krijgen. In Frankrijk worden zijn boeken nog steeds veel gelezen.

In het afgelopen jaar zijn er in Nederland maar liefst drie boeken over Camus verschenen, waarvan er twee al besproken zijn in Civis Mundi. In nr 141 staat de bespreking van Roel Meijvis, De glimlach van de aarde: Het voelende denken van Albert Camus. Enkele maanden geleden verscheen een boek van Waanders, Absurditeit en revolte: Van eenzaamheid naar solidariteit in de filosofie van Albert Camus (besproken in CM 134). Het derde boek is het bovengenoemde boek geschreven door onze redacteur Piet Ransijn. In 2020 heeft hij een serie artikelen over Camus gepubliceerd in Civis Mundi. Deze vormen de basis van het boek in een bewerkte, op elkaar afgestemde en aangevulde versie. 

In het vorige nummer is reeds het voorwoord, geschreven door Koo van der Wal, en de inleiding van Ransijn opgenomen. Daar hebben we kunnen lezen wat hem raakte bij Camus. Ransijn maakt duidelijk dat hij de morele houding van Camus waardeert, hij bekommerde zich om zijn medemensen.  Ondanks de absurditeit van het leven die er onontkomelijk is, kan de mens daardoor een zin in het leven ervaren. De ervaringen van mystieke eenheid, vooral beschreven naar aanleiding van de zon en de zee, de schoonheid van de natuur en de ervaren volheid van het leven, zijn een essentiële en blijvende ondertoon in het werk van Camus. Wellicht kon daardoor de absurditeit geen blijvende voet aan de grond krijgen in zijn levensgevoel. Die mystieke ondertoon spreekt Ransijn ook sterk aan en heeft hem mede gemotiveerd zich grondig in het leven en werk van Camus te verdiepen. Een veelzijdige figuur zoals Camus, die tegenstrijdige karaktertrekken in zich verenigde, wordt steeds opnieuw geïnterpreteerd. Ook zal iedere auteur die over Camus schrijft, vooral geraakt worden door zijn woorden als deze resoneren met eigen inzichten en achtergrond.

 

Algemene indruk

Het is een prettig leesbaar boek geworden, soepel geschreven. Er is veel aandacht voor de levensloop van Camus, die veel dramatische elementen bevat. Dat alleen al maakt het boek boeiend, daarnaast geeft het een achtergrond aan de geschriften, er ontvouwen zich lijnen en ontwikkelingen. Het bevat samenvattingen van de essays, van zijn afstudeerscriptie en van de romans en verhalen waarvan ruimschoots citaten zijn opgenomen. Ook worden de invloeden van filosofen, schrijvers, docenten en vrienden  beschreven. De uitvoerige bespreking van met name Plotinus en Augustinus als de belangrijkste filosofen die Camus in zijn studietijd bestudeerde, horen tot de meer beschouwende delen van het boek.

Niet alleen leest het boek prettig, Camus komt erin tot leven als een veelzijdig mens die tegenstellingen in zich verenigde, maar vooral gekenmerkt werd door een grote liefde voor het leven. De korte persoonlijke indruk van de ontmoetingen van de ons van Civis Mundi welbekende auteur Jan de Boer met Camus aan het begin van het boek, geven daaraan een ontroerende bijdrage. Aan het einde en aan het begin van ieder hoofdstuk zijn gedichten van Ransijn opgenomen, die soms als een korte eenvoudige samenvatting gelezen kunnen worden, maar vaker verwoorden hoe Camus de auteur heeft geraakt. 

 

Volledig beeld

Het boek geeft een bijna volledig overzicht van het oeuvre van Camus, inclusief zijn afstudeerscriptie en de vooroorlogse lyrische essays die vaak overgeslagen worden. Alleen de toneelstukken ontbreken. Daarvan zijn slechts korte samenvattingen van de inhoud opgenomen. Hoewel Camus  een aantal romans van schrijvers die hij bewonderde tot toneelstuk heeft bewerkt, hij zelf vier toneelstukken schreef en er een aantal regisseerde, lijkt me dat aspect van zijn schrijverschap voor een werkelijk volledig beeld ook niet te verwaarlozen.

Camus heeft na zijn studie als journalist gewerkt, een aantal artikelen zijn gebundeld, deze worden slechts aangestipt, vooral in het kader van zijn levensbeschrijving. Uit zijn dagboeken die zijn gepubliceerd worden op veel plaatsen citaten overgenomen. Ook naar andere publicaties over Camus wordt vaak verwezen, zoals naar de proefschriften van Achterhuis,  Van Gennep en de biografieën van Todd en Verrips.  Maar zoals gezegd, iedereen die over een zo veelzijdig mens en oeuvre als dat van Camus schrijft, zal altijd zijn eigen interpretatie en nadruk tegenkomen. In deze bespreking zal ik een aantal kenmerkende aspecten zoals die in het boek van Ransijn naar voren komen aanduiden, vooral door middel van een aantal citaten. Daarnaast ontkom ik er niet aan om door deze veelzijdige figuur geraakt te worden en een eigen accent te formuleren. 

 

 

De jeugd van Camus

Het eerste boek van Camus dat besproken wordt is ‘De eerste man’, een autobiografisch niet voltooid verhaal over zijn jeugd in romanvorm. Het manuscript van het boek is gevonden in de auto waarin Camus is verongelukt op 3 januari 1960. Het is het laatste boek dat hij heeft geschreven, maar omdat het zijn jeugd beschrijft, is het logisch dat het aan het begin van Ransijns boek is geplaatst. Het is een ontroerend verhaal over de op meerdere gebieden zeer getalenteerde jongeman, die opgroeide bij een moeder die doof en analfabeet was en een dominante grootmoeder. Zijn vader was nog voor zijn eerste verjaardag gesneuveld op het slagveld in de Eerste Wereldoorlog. Hij leefde onder armoedige omstandigheden, maar ervoer ‘het koninkrijk van de armen’, de natuur, op een intense manier.

Camus had ongetwijfeld een talent voor diepgaande sensuele ervaringen. Het licht, de zon en de zee hebben de grondtoon van zijn leven gevormd. Deze wordt gekenmerkt door een grote liefde voor het leven en zijn de opmaat voor zijn latere ervaringen van wat Ransijn natuurmystiek noemt. Levensdrang en streven naar intensiteit, oprechtheid en gerechtigheid zijn woorden die zijn levensgevoel uitdrukken (p102) Er was ook de ervaring van een duisterder deel van de mens. ‘Aan die duisternis in zijn binnenste ontsproot die hongerige levensgloed, die levenswoede waarvan hij altijd vervuld was…’ (p97)

 

Vader en moeder

Er waren vervangende vaderfiguren in zijn leven die een positieve invloed op hem hebben gehad. Daaronder zijn Louis Germain, zijn onderwijzer op de basisschool, die ervoor heeft gezorgd dat hij naar het vervolgonderwijs op het Lyceum kon gaan. Toen Camus de Nobelprijs ontving in 1957 heeft hij  zijn onderwijzer daarvoor bedankt met een ontroerende brief.  Op de middelbare school ontdekte Camus zijn talent voor schrijven en voor voetballen. Op zijn 17e ging hij naar de universiteit. Met zijn docent filosofie op de universiteit Jean Grenier is een levenslange vriendschap ontstaan. Later in dat eerste studiejaar, kreeg hij tuberculose en was gedwongen de dood in de ogen te kijken. Om te herstellen kwam hij in huis bij een oom, die hem in contact bracht met veel literatuur en ook een mannelijk rolmodel vormde. De ziekte zou in zijn latere leven nog een aantal keren terugkomen en hem dwingen tot teruggetrokken periodes om te herstellen.

De eerste man is geschreven toen hij ruim veertig jaar was en veel levenservaring had opgedaan, onder andere in de oorlog en in het verzet. Hij had al een enorme ontwikkeling meegemaakt. Hij kijkt terug op de invloed van zijn moeder die hij bespreekt in verband met de duistere onbekende kant van de mens.  ‘Zij had een waarheid in stand gehouden die hij was kwijt geraakt en die de enige rechtvaardiging voor het leven was …o moeder, o zachtmoedige, … groter dan mijn tijd, groter dan de geschiedenis, waarachtiger dan alles waarvan ik heb gehouden op deze wereld, o moeder, vergeef je zoon dat hij de nacht van jouw waarheid is ontvlucht.’ (p100) 

Het is moeilijk voor te stellen hoe het is om op te groeien met een dove moeder met heel kleine woordenschat. Het kan haast niet anders dan dat de ervaring van de stille moeder, die alles aandachtig en liefdevol volgde, maar vrijwel geen fysieke affectie gaf, een existentiële diepte in zijn leven heeft gegeven om aanwezig te zijn beneden de lagen van het denken en persoonlijke voelen. 

Ransijn onderscheidt vier perioden in het werk van Camus. De eerste is de vooroorlogse periode, waarin hij naast de bewerking van toneelstukken essays schreef. Ook schreef hij een roman De gelukkige dood, maar die werd pas postuum uitgegeven. Deze wordt beschouwd als een voorloper op De vreemdeling, waarmee hij later bekend is geworden.

 

De lyrische essays

Gestimuleerd door zijn docent filosofie Jean Grenier ging Camus zelf ook schrijven. Grenier was  een productieve schrijver en had belangstelling voor filosofie, politiek en mystiek. Van huis uit had Camus geen religieuze opvoeding gekregen, nu maakte hij kennis met de verwoording van filosofische en religieuze tradities. De lyrische essaybundels Keer en Tegenkeer en Bruiloft zijn geschreven aan het eind van zijn universitaire studie en kort daarna. Thema’s zijn de liefde voor het leven en opgaan in de natuur, maar als keerzijde horen bij het leven ook de absurditeit en de onvermijdelijke dood. Een thema dat steeds terug zal keren in zijn werk, ook later, is de synthese van tegenstrijdigheden. Met name in deze essays geeft hij uitdrukking aan zijn diepe ervaringen van opgaan in de natuur en overweldigende liefde, maar ook zijn ervaringen rond overlijden en de dood.

In een voorwoord van een heruitgave van deze essays in 1958 benadrukt hij dat hij een oneindige kracht in hemzelf ervoer. ‘Ik wilde dat het leven van iedereen kon baden in het zonlicht’. (p111) Hij schrijft ook dat de armoede, naast de rijkdom van de zon en de zee, hem een zekere trouw en stille rebellie leerden. Ook dat zijn ziekte hem ‘vrijheid van het hart en een zekere onthechting die mij vrijwaarden van misnoegen en wrok’ (p112) gaven.  Zo geeft hij zelf sleutels om zijn positie in het leven en zijn werk te begrijpen.

 

 

Keer en tegenkeer

In het essay Ironie verhaalt hij over oude mensen die dicht bij de dood zijn en hoe de jongeren met hen omgaan. ‘Hij eindigt het essay met een verwijzing naar het zonlicht voorbij dood en leven waarin hij zich in zijn jeugd intuïtief geborgen voelde’. (p113) In een essay waarin hij zijn moeder beschrijft,  geeft hij uitdrukking aan de stilte van het eenvoudige zijn. ‘De absurde eenvoud van de wereld, die hem bevrijdt, een serene en primitieve indifferentie naar alles en naar mijzelf… Alles is eenvoudig, mensen maken dingen moeilijk’. (p115)

In het volgende essay schrijft hij over een reis naar Praag, waar hij zich niet thuis voelde en waar in een hotelkamer naast hem een man eenzaam is gestorven. Vervolgens beschrijft hij een mystieke ervaring als hij verder reist naar Italië. ‘Een vreugdeloze vrede die in mij woonde… een helder bewustzijn van wat mij tegenstond, van onthechting en gebrek aan interesse… De zon vulde me met iets dat ik niet kan uitdrukken. In dit bewustzijn van uitersten kwam alles samen… Ik kan mijn liefde voor het licht niet scheiden van de geheime hechting die ik heb, de ervaring van vertwijfeling die ik probeerde te beschrijven’. (p116)

In een ander essay waarin hij beschrijft dat hij opging in de geur van stilte en geen grenzen meer voelde, schrijft hij: ‘ik kreeg geen antwoord op mijn vragen, omdat die vragen er zinloos werden…’ (p117) ‘Bij het kleine klooster keek ik naar het voorbij vliegen van de duiven en ik vergat er mijn dorst door. Maar er kwam altijd weer een moment waarop ik de levensdorst opnieuw voelde.’ (p118) 

Uit het laatste essay Keer en tegenkeer dat ook de titel is van de bundel, komt het volgende citaat: ‘Ik verbind me met de wereld door al mijn gebaren, met de mensen met al mijn dankbaarheid en mededogen. Ik wil niet kiezen tussen de ene en de andere kant van de wereld en ik wil ook niet dat er een keuze gemaakt wordt… Grote moed bestaat in het standvastig kijken naar het licht en naar de dood.’(p119)

Ransijn haalt ook uit zijn dagboeken teksten aan die zulke inzichten beschrijven. ‘Waarom zou ik me verwonderen over de dood en het menselijk lijden als alles wordt geschreven in het raam waardoor de zon zijn volheid laat uitstromen? Wat telt is waarachtig te zijn, dan past alles erin, zowel menselijkheid als eenvoud. En wanneer ben ik waarachtiger en meer transparant dan wanneer ik de wereld ben? Ik weet dat ik niet meer kan verlangen dan deze zichzelf bevattende aanwezigheid van het zelf in zichzelf. Wat ik nu wil, is niet zozeer geluk maar bewustzijn… Iedere minuut van het leven draagt een wonderbaarlijke waarde met zich mee en een gezicht van eeuwige jeugd.’ (p121)

 

 

Bruiloft 

Ook in de essaybundel Bruiloft zijn de thema’s de uitbundige liefde voor het leven en de verzoening met de dood en de sterfelijkheid. Het gaat over de bruiloft van hemel en aarde, van zon en zee. Twee van de vier essays spelen rond Romeinse ruïnes in Algerije. Hij verwijst naar ‘mythen, mysteriën, goden en filosofen om zijn eigen ervaring van natuurmystiek te duiden.’ (p128) Toen hij deze essays schreef was hij werkzaam als journalist, ook had hij een nieuwe liefde - zijn latere vrouw - wat misschien bijdraagt aan de lyrische toon.

In het eerste essay schrijft hij: ‘de wereld wasemt vandaag haar schoonheid aan alle kanten uit. Waarom zou ik tegenover haar mijn levensvreugde ontkennen, al kan ik niet alles in die vreugde leggen?’ (p131) Het volgende essay geeft meer nadruk aan de donkere kant en bespreekt hij zijn houding tegenover de dood. ‘Voor mij is de dood een dichte deur... In de dood ligt geen enkele hoop besloten’. (p132) 

In het derde essay beschrijft hij weer de levensvreugde die hij in zijn jeugd ervoer en beschrijft hij zijn band met het Algerijnse volk, een gretig levend, op het fysieke gericht volk. ‘Dit volk dat helemaal in het heden is ondergedompeld, leeft zonder mythen en zonder troost… en is dus weerloos tegen de dood’. (p136) Ondanks zijn waardering voor hen verlangt hij naar een groter leven. Hij vraagt zich af: ‘Is het vreemd die eenheid waarnaar Plotinus verlangde op aarde te hervinden? …We kunnen het innerlijk ervaren door middel van een zekere lichamelijke gewaarwording.’ (p136)

In het laatste essay De woestijn behandelt hij het afstand nemen van het wereldse. ’De wereld is mooi en daarbuiten is geen heil. De grote waarheid die ze me geduldig onderwees , hield in dat de geest niets is… De wereld vernietigt mij. Ze brengt me tot het einde. Zonder woorden negeert ze mijn bestaan.’ (p139) In de bundel Bruiloft speelt de verbondenheid met de natuur én de onthechting in de woestijn een rol: de vereniging van hemel en aarde.

 

Plotinus en Augustinus

Ransijn bespreekt uitvoerig zijn afstudeerscriptie getiteld Christelijk denken en neoplatonisme: Plotinus en Augustinus, wat zelden is gedaan in boeken over Camus. Hij geeft niet alleen Camus’ tekst weer, maar ook een uiteenzetting van de belangrijkste stromingen en filosofen die daarin aan bod komen, de meer beschouwende delen van het boek.  Plotinus schrijft over het thuisland, het Ene waarvan alles een uitdrukking is. Het woord thuisland en noties van het thuisland komen vaak terug in het werk van Camus, hoewel hij ze meestal niet het Ene noemt, lijkt hij in de beschrijvingen op een overeenkomstige inhoud te doelen: zie de citaten uit de lyrische essays.

Camus had meer affiniteit met de Griekse filosofie dan met het christendom. Het ‘maat houden’ dat in de Griekse filosofen een grote plaats heeft, zal essentieel blijven in de levensvisie van Camus en in toenemende mate later in zijn leven. In zijn scriptie beschrijft Camus de vroegchristelijke stromingen, die Ransijn weergeeft in dit hoofdstuk. Met name Augustinus komt uitgebreid aan bod. Hij, maar ook het christendom in het algemeen, spreekt Camus aan in een aantal opzichten en begrippen als gerechtigheid en de bekommernis met zijn medemensen zijn belangrijk voor hem.

De medemenselijkheid zal zeker in de jaren die volgen steeds meer een kenmerkende eigenschap blijken voor Camus. Bovenaards heil, de erfzonde en predestinatie wijst hij echter af. Camus zal in latere werken blijk geven van sympathie voor het christendom, maar hij heeft steeds gezegd dat hij niet in God of een bovenaards bestaan gelooft. Een atheïst wilde hij zichzelf echter ook niet noemen.  ‘Hij voelde zich als een Griek in een christelijk universum en vraagt zich af hoe men religieus kan zijn zonder geloof in God en het bovenaardse.’ (p154) 

Aan zijn ethische visie geeft hij in deze periode een filosofische basis. Ongetwijfeld hebben de besproken filosofen zijn denken gevormd, maar ik vermoed dat hij door zijn verschillende existentiële ervaringen: de natuurmystiek, de ziekte die hem met de dood confronteerde, de stille moeder, ook al een grote zelfstandigheid in zijn denken had, die in dialoog met deze filosofen en later nog met andere filosofen zoals Nietzsche en Sartre een verdere vorm heeft gevonden. Hij wordt vooral aangesproken door de mystiek van Plotinus met de ethiek van Augustinus en de aardse gerichtheid van Nietzsche.

 

Mystieke ervaringen van Camus

In deze paragrafen vergelijkt Ransijn ook de mystieke ervaringen van Camus met die van Plotinus en Augustinus. Hij typeert Camus’ ervaringen evenals anderen als een aards gerichte natuurmystiek, die hem soms ook aan pantheïsme doet denken. Ransijn lijkt in zijn beoordeling Camus een mindere mysticus te vinden. Nu was Camus zeer sterk op het actieve leven gericht, ondanks de perioden dat hij zich terug moest trekken door zijn ziekte, maar de bijzondere ervaringen bleven op de achtergrond doorwerken.

Zowel Plotinus als Augustinus zijn onbetwistbare grootheden in de westerse cultuur, voor wie wel de existentiële ervaringen centraal stonden, in tegenstelling tot Camus. Die zag zichzelf vooral als schrijver die deelnam aan het leven en niet als filosoof; hij had weinig op met abstracte denkbeelden en -ismen. En hij is op vroege leeftijd overleden. We weten niet hoe zijn ontwikkeling verder zou zijn gegaan.

Naar aanleiding van de grote waardering voor Augustinus en Plotinus door Ransijn zou ik toch een aspect van de mystieke ervaringen van Camus willen benadrukken. Alles wat leidt tot ervaringen van licht, van een alomvattende liefde, van een ineenvloeien van zelf en ervaring tot een nonduale sfeer, is een toestand van mystieke eenheid ook al ontstaat die door sensuele ervaringen. Mensen verschillen en hun gerichtheid verschilt, ondanks de grote overeenkomsten in de ervaringen van mystici. De weg ernaartoe kan zeer uiteenlopen.

In de diverse tradities bestaan voorts richtingen die spreken over de directe weg, waarin benadrukt wordt dat alles, het hoogste en de gewone aardse werkelijkheid tegelijk op hetzelfde moment aanwezig zijn en dat men zich niet trapsgewijs hoeft te richten naar een hogere spirituele werkelijkheid. Dit vindt men in Advaita Vedanta, Zen Boeddhisme, Tibetaanse  Dzochen en bijvoorbeeld ook bij Meister Eckhart. Het lijkt me dat Camus’ existentiële ervaringen in dat licht gezien kunnen worden. Daarbij past dat hij geen behoefte had om te geloven in God of in een andere werkelijkheid. Alles was er in principe al in het hier en nu, hoewel het misschien niet steeds in dezelfde intensiteit ervaren werd.

Als we zijn mystiek typeren als natuurmystiek heeft dat vooral betrekking op wat leidde tot die ervaring, maar minder op de ervaring zelf. Hij was vooral een kunstenaar en heeft zich in zijn leven met zijn enorme levensdrang willen uitdrukken in de wereld en open blijven voor al de tegenstrijdigheden. Die drang was sterker in hem dan het centraal stellen van een nonduale eenheidservaring. Op diverse plaatsen in zijn latere werk zegt hij wel, bijvoorbeeld ook in Het raadsel dat die mystieke ervaringen zijn blijven doorwerken in zijn leven en zijn werk. 

 

De cyclus van het absurde

Al in 1937 had Camus zijn eerste roman De gelukkige dood geschreven, die echter pas werd gepubliceerd in 1971 na zijn dood. Het wordt beschouwd als een voorstudie van De vreemdeling, het boek waarmee hij bekendheid verwierf. De twee boeken hebben veel overeenkomsten.  ‘In beide moet de hoofdpersoon in het reine zien te komen met een naderende dood. In beide boeken is er vervreemding’ (p246). Beide hoofdpersonen doden iemand, in het tweede boek als een ongeluk, hoewel dat in de beschreven rechtszaak die daarop volgt niet zo wordt gezien. Ransijn schrijft: ’In de twee absurdistische werken beschrijft Camus hoe de hoofdpersoon aan het einde van zijn leven zonder de zin van het leven te begrijpen toch een betrekkelijk geluk vindt, al is het eindig.’ (p246)

De vreemdeling verscheen in 1942, midden in de oorlog en het daarin beschreven levensgevoel herkenden mensen kennelijk. Het leven was absurd en de dood niet te ontwijken. Het gaat over de ontwikkeling van een ogenschijnlijk zinloze onverschilligheid naar de acceptatie van een absurd bestaan, waardoor uiteindelijk het leven wordt ervaren als zinvol. Tegelijk publiceert Camus De mythe van Sisyphus, een filosofisch essay over het absurde. Van dit laatste boek is in het vorige nummer van CM nr 141 een boekbespreking opgenomen. 

In deze periode waren de filosofische stromingen van het absurdisme en het existentialisme, dat ook uitgaat van de absurditeit van het bestaan, in zwang. Camus was intussen verhuisd naar Parijs, waar hij werkte als redacteur van de verzetskrant Combat. Hij ging deel uitmaken van een groep intellectuelen en leerde ook Sartre kennen. Camus heeft zich verdiept in het absurdisme en existentialisme, voelde zich er in zekere zin door aangesproken, maar neemt er uiteindelijk afstand van. Hij beschouwt het absurde vooral als een uitgangspunt en uitdaging, die men recht in het gezicht moet kijken. Het leven blijft irrationeel, onbegrijpelijk en tegenstrijdig. Het meest wezenlijke filosofische probleem  waarmee hij het essay begint is voor hem het al of niet voortzetten van het leven, het al of niet  plegen van zelfmoord, hetgeen hij verwerpt… Maar ook de ‘sprong in het geloof van Kierkegaard met wiens denkbeelden hij in het genoemde essay in dialoog is, wijst hij af en noemt dat een filosofische zelfmoord. Hij gelooft niet aan enige heilsverwachting of dat de geschiedenis de plaats zou innemen van God, de illusie van bovenaardse bestemming of een toekomstig hemels of werelds heil of een ideologie.  We kunnen wel ons aardse bestaan omarmen met zijn mogelijkheden en beperkingen, zonder de toegevoegde illusoire zin die we eraan toe zouden kunnen kennen. Kunst hoewel ook absurd ‘kan laten zien dat het leven in zijn absurditeit en onbegrijpelijkheid niettemin mooi kan zijn en dat mensen ook gelukkig kunnen zijn doordat de kunstenaar een wereld schept die meer glans heeft’. (p271) Het leven is intrinsiek zinvol en daarom kan een absurd leven toch gelukkig zijn.

Tot de cyclus van het absurde horen voorts twee toneelstukken die Camus in deze periode schreef. In de mythe van Sisyphus zitten al aanzetten tot de volgende fase, die van de opstand.  

 

De cyclus van de opstand

De volgende publicatie van Camus was De mens in opstand, net als De mythe van Sisyphus een filosofisch werk. Tot deze cyclus horen ook de roman De pest en het toneelstuk De Rechtvaardigen. In het huidige nummer van CM treft u een bespreking aan van De mens in opstand. Belangrijke invloeden in deze boeken zijn Nietzsche en Dostojewski. Hij verwerpt revolutionaire opstanden, waarvan hij er vele bespreekt, omdat deze steeds tot overmatig geweld en onderdrukking leiden, wat hij gedurende zijn hele leven consequent afwijst.

Hij keert zich tegen alle abstracte idealen en heilsverwachtingen die de plaats van God innemen. Met deze stellingname leverde hij impliciet scherpe kritiek op het communisme, wat hem door de links georiënteerde sociale groep waarvan hij deel uitmaakte kwalijk werd genomen. Dit boek leidde tot de breuk met Sartre en zijn aanhang. Terwijl hij eerder waardering kreeg voor zijn werk, kreeg hij nu felle kritiek, die hem pijnlijk raakte. Wel blijft de vriendschap met zijn beste vrienden intact.

De boeken in deze cyclus geven een ontwikkeling aan die Camus doormaakte van de absurditeit die tijdens de oorlog door velen ervaren werd naar meer sociale verbondenheid. Een motto van Camus was: ‘ik verzet me, dus ik ben’. In dat verzet wordt ook voor anderen een weg gebaand, het is ook altijd gebaseerd op waarden. Het nee van het verzet impliceert dat er iets is dat het waard is om voor in opstand te komen. ‘Bij het verzet laat Camus zich leiden door onderlinge liefde en solidariteit.’ (p295)

 

De pest

In het wellicht meest bekende werk van Camus De pest worden deze inzichten in romanvorm uitgewerkt. De pest is een metafoor voor de oorlog, maar ook breder voor de donkere kanten in het leven. Het verhaal gaat over een epidemie in de Algerijnse stad Oran, die in een strenge lockdown gaat. In de verschillende hoofdpersonen worden thema’s uitgewerkt, onder andere over het dilemma hoe het persoonlijke geluk zich verhoudt tot dat van het grotere sociale belang.  Camus neigt ertoe dat laatste voorrang te geven, maar zoekt ook een synthese. ‘Het leed in de wereld is niet weg te werken, wel te verzachten.’ (p297)

In de menselijke empathie vindt de mens vreugde en een zin. Dokter Rieux, die zich volkomen inzet om de zieken te helpen is als een heilige zonder god, volgens Ransijn is hij wellicht het ego-ideaal van Camus. Ransijn verwijst naar aanleiding van dit boek naar de coronapandemie. Ook is een bijlage opgenomen met de maatregelen ten tijde van de pandemie. Het zou mij niet verbazen als in de komende jaren de herinnering aan de pandemie sterk vervaagt. Een verwijzing is op zijn plaats, ook omdat het boek weer populair werd tijdens de pandemie, maar al te uitvoerige parallellen lijken me enigszins tijdgebonden. 

Een thema in deze boeken is ook ‘het klare denken’, dat weet maat te houden, revolutionaire verdwazing en industriële mateloosheid weet te vermijden die tot vernietiging kunnen leiden. ‘Die maat leert ons dat alle werkelijkheid een moraal behoeft… ik heb de anderen nodig en zij hebben mij nodig.’ (p297) 

 

Laatste essays en novelle

De bundels De zomer, gepubliceerd in 1952 en Koninkrijk en Ballingschap in 1957 zijn de laatste die Camus heeft gepubliceerd.  Ook verscheen de novelle De val in 1956 als apart verhaal uit die tijd. De eerste essays in De zomer zijn vlak voor de oorlog geschreven, waarvan de dreiging al in de lucht hing, toen Camus nog in Algerije woonde. In de latere is de oorlog voorbij en de sfeer lichter. Een aantal gaan over Algerije, waarnaar hij begin jaren vijftig korte tijd terugkeert. Terug naar zijn wortels, mede omdat zijn ziekte weer was opgelaaid en hij aangeslagen was door het isolement dat hij in Parijs ervoer na de breuk met de linkse sociale groep waar hij eerder contact mee had. In de jaren daaraan voorafgaand was er veel gebeurd, zowel privé als in de wereld.

In deze essays komt het hervinden van de inspiratie die hij eerder in het zonovergoten Algerije had ervaren aan de orde. Op diverse plaatsen spreekt hij over de onuitputtelijke zon en het innerlijke licht. ‘Hier vond ik de schoonheid van vroeger terug, een jonge hemel, en ik besefte hoe groot mijn geluk was nu ik eindelijk begreep dat in de zwartste jaren van onze waanzin de herinnering aan die hemel mij altijd was bijgebleven. …Midden in de winter leerde ik eindelijk begrijpen dat ik in mij een onoverwinnelijke zomer meedroeg.’ (p348)  

In het essay Het raadsel, geschreven als reactie op het etiket ‘profeet van het absurde’ dat hem was toegedicht, schrijft hij: ‘in ons somberste nihilisme heb ik alleen redenen gezocht om boven dat nihilisme uit te stijgen. En dat niet uit deugd… maar uit instinctieve trouw aan het licht waarin ik ben geboren….. In het middelpunt van het universum vinden wij niet de onvruchtbare zinloosheid, maar het raadsel. Dat wil zeggen een betekenis die moeilijk te ontdekken valt omdat zij ons verblindt… In het hart van ons werk straalt een onuitputtelijke zon.’ (p412)

Een ander thema dat terugkomt in deze essays is het principe van het maat houden, dat hij ontleent aan de Griekse filosofie. In Helena’s ballingschap uit hij kritiek op de cultuur van Europa die ‘het toekomstige rijk van de rede’ heeft verheerlijkt. Hij mist gevoel voor maat en schoonheid dat hij toedicht aan de oude Grieken.

In De val lijkt Camus onder meer in het reine te willen komen met de breuk met zijn voormalige linkse vrienden en met de huwelijksproblemen die waarschijnlijk vooral zijn ontstaan door zijn veelvuldige overspel. Het is een soort zelfbeoordeling of zelfbekentenis van een voormalig rechter die eerder anderen berechtte en nu zichzelf beoordeelt en er niet gunstig vanaf komt. Wat hem van meet af aan dwarszit is vooral dat hij een vrouw die in de Seine sprong niet heeft gered. Hij heeft niet naar haar omgekeken en haar laten verdrinken. Camus heeft het zich erg aangetrokken dat zijn depressieve vrouw uit het raam sprong van de instelling waar zij was opgenomen. Zij overleefde dit met lichte verwondingen. De val wordt beschouwd als zijn meest duistere boek vol diepe symboliek. Een karikatuur van zichzelf zoals hij niet wilde zijn. In zekere zin een evenbeeld en een tegenbeeld.

 

Koninkrijk en Ballingschap

De titel van de bundel is een uitdrukking van de tegengestelde elementen in het leven, een thema dat bij Camus veelvuldig terugkomt. Koninkrijk slaat op de zonovergoten jeugd in Algerije, op de verbondenheid, saamhorigheid en het mededogen, in ruimere zin op Camus’ versie van het thuisland. Ballingschap op zijn emigratie naar Frankrijk aan het begin van de oorlog. In deze verhalen staan bevrijding, acceptatie van anderen en verbondenheid centraal.

Korte verhalen zijn een nieuw genre voor Camus. De personages zijn concrete mensen met universele problemen, en invoelende beschrijvingen van gewone mensen. Ook komt er landschapslyriek in voor. ‘De situatie in al zijn werken is vaak symbolisch, soms mythisch, waardoor zijn werk een ongekende diepte krijgt.’ (p357)

In De overspelige vrouw betreft het overspel een mystieke, kosmische verbondenheid en een gevoel van vrijheid in de natuur. ‘Toen begonnen de koele wateren van de nacht Janine met een welhaast ondraaglijke zoetheid te vervullen, overspoelden de koude, stegen langzaam in haar omhoog uit de diepste duisternis van haar bestaan en stroomden in ononderbroken golven over haar heen tot het water aan haar kreunende lippen kwam. Een moment later welfde de hele wereld zich boven haar, terwijl ze met haar hoofd achterover op de koude aarde stond.’ (p363)

In dit verhaal en ook in andere in de bundel is het thema de prioriteit van het betrokken zijn bij de ander, terwijl de hoofdpersonen tegelijk trouw blijven aan zichzelf en hun eigen drijfveren. In deze werken komen de verbondenheid met elkaar en de verbondenheid met de natuur met elkaar in evenwicht.

In De afvallige beschrijft hij op een macabere wijze een gewelddadige, totalitaire religie die verwijst naar het communisme, maar op een  bittere, spottende manier. Het verhaal De gast heeft te maken   met de onafhankelijkheidsstrijd in Algerije waar Camus zich sterk bij betrokken voelde. Omdat hij een compromis, een genuanceerde tussenweg poogde te vinden, werd hij echter door beide partijen verguisd. Het verhaal gaat over een gevangen  genomen Arabische Algerijn die berecht moet worden wegens nog niet bewezen doodslag, maar van zijn begeleider de vrijheid krijgt om zelf zijn weg te kiezen. Een symbool van de onafhankelijkheid van Algerije, die Camus zonder moord en doodslag wenste onder aanvankelijke Franse begeleiding.

De steen handelt over het helpen dragen van een zware steen, als symbool voor de schuldenlast van de mens en het menselijk leed. Het symbool van de steen komt meer voor in het werk van Camus. In De mythe van Sisyphus en in andere essays en verhalen en verwijst naar de bestaanslast en de schuld van de mensen. De hoofdpersoon uit dit verhaal vereffent zijn schuld door een ander te helpen.

Het verhaal Jonas handelt over een schilder die beroemd wordt, maar die door alle drukte en commentaren, de storm van de beroemdheid, met zijn gezin onder druk komt te staan. Jonas lijkt op een karikatuur van Camus zelf. Het verhaal eindigt dat hij beseft dat hij heel veel van zijn kinderen en  zijn vrouw en een goede vriend houdt. De verhalenbundel is evenals De val opgedragen aan zijn vrouw.

 

Nobelprijs

Als de Nobelprijs in 1957 aan Camus wordt toegekend is hij geschokt. In de Franse pers schreef men er vooral over met verbazing en afgunst. Hij nam zijn vrouw Francine mee naar de uitreiking van de prijs. In zijn lezingen spreekt hij over zijn schrijverschap. ‘Daarom minacht hij niets en is hij verplicht te begrijpen, veeleer dan te oordelen.’ (p400)  Zijn generatie heeft tot taak ...’in een waanzinnige race tegen de klok de vrede onder de naties te herstellen, die geen slaafsheid en volgzaamheid is…’ (p400)

In de lezingen die Camus geeft is hij openhartig over wat hem beweegt. Hij vertelt over zijn kwetsbaarheid, dat hij heen en weer getrokken wordt tussen leed en eergevoel, tussen droefheid en schoonheid. Ransijn vat de teneur van zijn lezingen zo samen: ‘Volledige oplossingen en een onberispelijke moraal zijn niet mogelijk. De waarheid is een ongrijpbaar mysterie dat ons voortdurend ontglipt. Vrijheid is gevaarlijk en bedreigend. We falen voortdurend als we op ons doel afgaan en vrijheid en waarachtigheid nastreven… Maar hij heeft nooit het licht, de levensvreugde en de vrijheid verloochend die hij in zijn jeugd gekend heeft, terwijl hij zijn beperkingen en moeilijkheden bij de taak die hij als schrijver op zich heeft genomen, openhartig deelt met zijn gehoor.’ (p402)

Ransijn eindigt het boek met portretten van Jean Grenier en André Malraux, de schrijvers die hij bewonderde en met wie hij bevriend was. Daarna volgt een relaas van de vriendschap en de breuk met Sartre.  Ook legt hij een verband tussen Camus, het einde van de Romantiek en de huidige tijd, waarin de actualiteit van Camus benadrukt wordt in verband met de psychische en maatschappelijke problemen die we nu het hoofd dienen te bieden. Vrijheid en rechtvaardigheid, verbinding met de natuur, verbondenheid met onze medemensen, maathouden en tegelijk voluit leven vanuit je hart zijn bij Camus kernthema’s die buitengewoon actueel zijn.

 

Camus blijft inspireren

In het boek van Ransijn komt Camus tot leven. Twee belangrijke kenmerken van deze veelzijdige schrijver die Ransijn hebben geïnspireerd om zich zo in hem te verdiepen, komen uitvoerig aan de orde. Ten eerste de maar zelden afwezige ondertoon van mystieke ervaringen en in samenhang daarmee ten tweede de nadruk op de ethische opstelling, gericht op zijn medemens, die zich steeds sterker manifesteerde in het leven van Camus. Daarnaast komt de veelzijdigheid van zijn persoon duidelijk naar voren en de tegenstrijdigheden in zijn karakter. Er worden veel achtergronden beschreven en verbanden gelegd met gebeurtenissen, zowel in Camus’ leven als in de wereld van die tijd. 

Ransijn is uitvoerig in zijn beschrijvingen, wat soms tot herhalingen leidt, zij het dat deze steeds in een andere context voorkomen. Over het geheel genomen leest het boek prettig. De veelvuldige citaten zijn zo mooi dat het boek ook inspireert om de originele werken van Camus (weer) te gaan lezen. Tot slot nog zo’n citaat uit zijn Dagboeken: ‘wat de wereld verheldert en haar dragelijk maakt, dat is ons ingewortelde gevoel dat wij met haar verbonden zijn en meer in het bijzonder wat ons verenigt met de mensheid. De relaties met deze mensen helpen ons voortdurend door te gaan… Omdat wij ook leven alsof het onze enige taak was juist relaties met mensen te hebben’. (p407)