Radicale vrijheid in een zinloze wereld: de mensvisie van Sartre
Deel 1: Het bewustzijn en de dingen: het zijn-voor-zich en het zijn-op-zich

Civis Mundi Digitaal #142

door Piet Ransijn

Bespreking van Simon Gusman, Diep van buiten. De mens volgens Sartre. Boom, 2022.

 

Sartre (1905-1989) behoorde in de vorige eeuw tot de populairste filosofen en zijn existentialistische filosofie hield velen bezig. Maar wat deze nu precies inhoudt is vaak niet duidelijk. De verdienste van Gusman is dat zijn boek een grondige uiteenzetting daarvan biedt. Het boek is gebaseerd op zijn proefschrift aan de Radboud Universiteit van Nijmegen, waar hij als filosoof aan verbonden is. De literatuurlijst vermeldt zijn boek Sartre on  Subjectivity and Selfhood (2020), dat waarschijnlijk zijn dissertatie betreft. Hij weet de omvangrijke moeilijke filosofische werken van Sartre inzichtelijk te maken als geen ander. 

Het existentialisme markeerde de naoorlogse tijdsgeest, die ons confronteerde met een rauwe absurde werkelijkheid en de taak daar zelf een toekomst aan te geven na een jarenlange gewelddadige breuk met het verleden. Als het ware vanuit het niets vroeg de wereld om een toekomstperspectief, want oude waarden en waarheden leken vaak te hebben afgedaan. Na jarenlange onderdrukking en vrijheidsberoving wilde men vrij zijn en zelf iets van het leven maken. Het existentialisme van Sartre sluit aan bij deze tijdsgeest. Het verdrong de visie van oudere existentiefilosofen zoals Kierkegaard, Jaspers en Heidegger, waarop het voortbouwde, en werd tegen zijn zin geassocieerd met Albert Camus (1913-1960). 

Gusman heeft een verhelderend en genuanceerd boek geschreven over de mensvisie van Sartre. Zijn achterhaalde en omstreden revolutionaire politieke visie komt echter niet aan de orde, en lijkt inhoudelijk ook niet meer relevant. Dat lijkt geen goede reden om er geen aandacht aan te besteden. Maar zijn engagement en strijdbaarheid voor onderdrukten en het opkomen voor onze vrijheid blijven relevant gezien de vrijheidsbedreigende tendensen, die ook tegenwoordig onheilspellend aanwezig zijn in de vorm van Al, Big Tech en sociale media. Reserve ten opzichte zijn politieke visie en zijn onenigheid met Camus, zijn geen redenen die zijn mensvisie èn zijn geëngageerde politieke visie niet de moeite van het bespreken waard maken, omdat deze ons mogelijk nog steeds iets te zeggen heeft dat in onze tijd van belang is. 

Hoewel Sartres visie grondig onderbouwd wordt, had het kritischer gekund. Kritiek wordt wel genoemd, maar niet besproken, uitgediept en weerlegt of overgenomen. Sartre stond daar zelf niet voor open, maar dat is geen reden voor Gusman om hem daarin te volgen. Hij gaat slechts summier in op de bezwaren van andere filosofen tegen Sartre (p26), maar gaat niet in op die van Camus in De mens in opstand. Daarom krijgt aanvullende kritiek enige aandacht in het commentaar in deel 3 Het spitst zich toe op Camus en de Indiase vedantafilosofie. Sartres visie, schuurt aan tegen deze uitheemse filosofie die in de vorige eeuw weer tot een herleving kwam en een contrasterend licht werpt op zijn visie.

Sartre (1905-1989) en Camus (1913-1960) worden vaak met elkaar geassocieerd, terwijl zij ondanks een zekere verwantschap na acht jaar vriendschap diametraal tegenover elkaar kwamen te staan, vooral wat betreft hun politieke filosofie en stellingname.1 In 2023 verschenen er in Nederland drie boeken over Camus en één over Sartre in 2022, het boek van Gusman. Beiden worden beschouwd als vertegenwoordigers van het existentialisme, de naam die Sartre gaf aan zijn filosofie, die hij later probeerde te verzoenen met het marxisme. Camus beschouwde zich echter niet als existentialist en had van meet af aan een andere visie dan Sartre en andere existentiefilosofen, zoals bij in De mythe van Sisyphus (1942) te kennen geeft, dat is geschreven voordat hij Sartre leerde kennen en bevriend met hem raakte. Sartre publiceerde Sartre zijn filosofische hoofdwerk L’Être et le Néant (Het zijn en het niet) in 1943. Dergelijke biografische gegevens ontbreken bij Gusman. In CM 118 komen deze beknopt naar voren in een artikel over het existentialisme van Sartre.

Mede vanwege de popularisering in Sartres toneelstukken kreeg zijn filosofie een grote aanhang. “Het  existentialisme als mode was niet alleen een filosofische stroming, maar werd geassocieerd met een non-conformistische levenswijze zonder veel illusies die openstond voor alles wat kon doorgaan voor afwijkend, marginaal, provocerend en anarchistisch. Zelfs Sartre distantieerde zich van deze hype,” hoewel hij zelf daarvan het centrum was. (Annie Cohen Solal, Jean-Paul Sartre. Zijn biografie, p288,289) 

 

Existentie gaat vooraf aan essentie

“De kern van het existentialisme waar Sartre beroemd mee is geworden [...is] het idee dat voor de mens existentie vooraf gaat aan essentie... Er is niet zoiets als wie je ‘diep van binnen’ bent, maar je bevindt jezelf in een wereld waarin je je eigen identiteit vorm moet geven. De wisselwerking tussen mens en wereld staat daarbij centraal. Het existentialisme breekt met het idee dat zin en betekenis vooraf vastliggen, maar stelt de mens in staat om zelf in vrijheid betekenis aan het leven te geven... Je hebt geen vaste kern om op terug te vallen, je bent nooit echt ‘iets’ maar altijd in wording, en nooit af. Klassieke ideeën over de mens gaan bij Sartre op de schop.” (p10,11)

Ook Camus ziet de zin van het leven als iets dat een mens zelf vorm geeft, niet als iets dat vastligt. Maar hij gaat wel uit van een menselijke kern, die hij ziet als bron van waarden, zoals vrijheid, solidariteit en rechtvaardigheid, waarden die ook bij Sartre prominent aanwezig zijn. Camus onderschrijft niet het idee dat onze existentie vooraf gaat aan onze essentie en laat de mogelijkheid open dat we onze existentie vormgeven vanuit onze essentie. Wat nu deze essentie is, blijft bij hem onduidelijk. Hij wil de mens niet vastleggen. Dat kan ten koste van zijn vrijheid gaan. Onze ‘wezenskern’ komt overeen met het bewustzijn, waarmee wij open staan voor de wereld. 

Anders dan Camus heeft Sartre zijn bewustzijnsfilosofie wel uitgewerkt. Hij was veel meer filosoof dan Camus, die zich geen filosoof noemde en meer een filosofisch schrijver en essayist was, die existentiële vragen aan de orde stelde. Beide schrijvers vullen elkaar aan en tonen ondanks hun latere polemische geschillen en verschillen een opmerkelijke verwantschap, zoals in Deel 3 naar voren komt. Beide schrijvers kunnen het er wellicht over eens zijn dat openheid en vrijheid de essentie vormen van de menselijke existentie en het bewustzijn. 

 

Objectivisme en subjectivisme

Gusman beperkt zich tot de mensvisie van Sartre, die hij uiteenzet aan de hand van de kernbegrippen subjectiviteit, objectiviteit en identiteit. Hij beschrijft eerst twee tegengestelde visies daaromtrent van extreem objectivisme en subjectivisme, om daarna terug te komen op de visie van Sartre. Wij mensen zijn bewuste wezens. Ons bewustzijn is subjectief, persoonlijk en heeft een persoonlijke, subjectief gevoelde identiteit naast (een onpersoonlijke) openheid. Identiteit houdt in dat een persoon identiek blijft met zichzelf en hetzelfde zelf blijft. 

“Wat maakt dat iemand dezelfde persoon is door de tijd heen? Wat maakt dat ik iemand anders ben dan jij?... Wie ben ik nu eigenlijk echt?... [Dit is] het vraagstuk naar identiteit, oftewel de vraag naar het Zelf.” (p13,16)

Mensen hebben een subjectief perspectief, dat per persoon verschillend kan zijn en dat samenhangt met hun subjectieve bewustzijn. Daarbij hebben ze een zekere keuzevrijheid. Dit “gaat samen met handelingsvrijheid of autonomie”. Gusman onderscheidt het subjectieve Zelf, dat “beleefd wordt door een subjectief wezen” van het objectieve Zelf, dat “te maken heeft met objectieve beschrijvingen, met labels". Ik ben een Nederlandse man van 1.92 meter lang, bijvoorbeeld... We kunnen onszelf beschrijven van binnenuit... en we kunnen onszelf [laten] beschrijven als ware het van buitenaf... Ons objectieve Zelf is ook hoe anderen ons zien en beschrijven.” (p16-18) 

Met andere woorden: subjectief en objectief zijn twee verschillende perspectieven, die in wisselwerking met elkaar zijn. Daarbij is sprake van intersubjectiviteit en een gedeeltelijke overeenstemming van perspectieven. Verder onderscheidt Gusman de “narratieve identiteit... die samenhangt met een levensverhaal.” Deze heeft subjectieve en objectieve aspecten en wordt beschreven door een persoonlijke geschiedenis en achtergrond, en heeft een objectief, feitelijk karakter. Maar de verteller daarvan is subjectief en kleurt de feiten naar zijn perspectief. 

De opzet van het boek is de uitwerking van deze vier vormen van identiteit, namelijk subjectieve, objectieve, intersubjectieve en narratieve identiteit, aan de hand van de mensvisie van Sartre. Critici noemen deze visie subjectivistisch en individualistisch. Maar Gusman laat zien hoe subjectiviteit en objectiviteit bij Sartre steeds in wisselwerking met elkaar zijn. 

Gusman noemt Sartres filosofie een middenweg en schrijft in zijn conclusie: “Objectiviteit en subjectiviteit bestaan alleen in samenhang met elkaar... Hoewel hij de subjectiviteit als uitgangspunt neemt, gaat het hem van meet af aan om de brug naar de objectiviteit.” (p174,180) Met andere woorden: een brug tussen mens en wereld. Onze subjectieve identiteit vormen we in onze verhouding tot de objectieve werkelijkheid. 

Bij Heidegger, wiens filosofie Sartre grondig heeft bestudeerd, is existentie “in de wereld zijn”. Sartre werkt dat op zijn manier uit. Onze subjectieve ervaring is altijd verbonden met de objectieve werkelijkheid, ook als we onze subjectiviteit zelf vormgeven in onze levensprojecten, die ook de wereld vormgeven.

 

Reductionisme

Sommige filosofen hebben de neiging subjectiviteit tot objectiviteit te willen reduceren of omgekeerd. Dit wordt reductionisme genoemd. Maar ze kunnen ook beide perspectieven accepteren. Als men subjectiviteit verklaart vanuit de objective fysisch opgevatte werkelijkheid spreekt men van naturalisme, materialisme of fysicalisme. De laatste term wordt vooral gebruikt als perspectief in de bewustzijnsfilosofie en neurowetenschap (zie CM 109 en 130). “Iets subjectiefs... een gevoel van liefde... verklaren we aan de hand van iets objectiefs, namelijk de chemische processen in onze hersenen... Reductionisme gaat ook slecht samen met ideeën over de vrije wil... Handelen wordt bepaald door de natuurkundige wetten van oorzaak en gevolg... De reductionistische benadering is zielloos. (p20,24)

Het idealisme daarentegen gaat uit van het subject, het bewustzijn waarin de werkelijkheid verschijnt. Gusman beschrijft alleen de extreme positie van George Berkeley, volgens wie alleen de subjectieve belevingswereld zou bestaan, en de dualistische visie van René Descartes, die een scherp onderscheid maakt tussen de geest en de fysische wereld die de geest waarneemt. Hoe beide samenhangen blijft raadselachtig, ook bij de moderne neurowetenschap en bewustzijnsfilosofie, want “hoe kan iets geestelijks iets materieels beïnvloeden en vice versa?” (p23) Het invloedrijke meer gematigde Duitse idealisme van Fichte, Schelling en Hegel en Kant als voorloper komt niet aan de orde. Om posities scherp te stellen beperkt Gusman zich tot de extreme visies en gaat niet in op tussenliggende visies, met uitzondering van die van Sartre, waar het hem om begonnen is, om te laten zien hoe Sartre zich beweegt tussen beide extremen.

Het subjectivisme van Sartre

Het menselijk bestaan is subjectief. Sartre gaat uit van een vrij en autonoom subject, tegen de tendens van de laattwintigste eeuwse filosofie in, die probeert de positie van het subject te ondergraven. Vandaar dat zijn subjectivistische vrijheidslievende visie door diverse filosofen werd bekritiseerd. “Het idee van een universeel menselijke essentie en conditie wordt ondergraven als we inzien dat opvattingen daarover altijd producten zijn van de veranderlijke wereld buiten ons.” Sartres visie sluit daarbij aan. Maar “ieder mens is vrij om zelf betekenis aan het leven te geven [...en] waarde te scheppen.” Hij poneert een “radicale vrijheid... Hij gaat erg ver in het toekennen van autonomie aan de subjectiviteit.” (p27)

[Later] heeft hij geprobeerd zijn denken over de rol van onze [objectieve] omstandigheden te nuanceren. Er is tegenwoordig inderdaad “een overvloed aan keuzemogelijkheden [...die] heeft bijgedragen aan keuzestress en een daarmee samenhangende zingevingscrisis”. (p28) Deze hangt samen met een onoverzichtelijke wereld, waarin een mens zich staande moet zien te houden. Zijn subjectiviteit staat onder druk. Het menselijk subject is van zijn troon gestoten en wordt beschouwd als “product van macht, taal en tijdsgeest” of “wij zijn ons brein”. 

Sartre echter komt op voor het subject, dat hij een radicale vrijheid toekent, om het vervolgens “tot bijna niets te reduceren”. (p29) “Een mens heeft immers geen vaststaande identiteit: er is niet zoiets als wat we diep van binnen zijn. We zijn altijd in wording, en wie we zijn kan niet los worden gedacht van de omstandigheden buiten ons.” Bij gebrek aan een essentie hebben we ook geen houvast en “we kampen met existentiële problemen. Wie ben ik nou echt en wat moet ik aan met mijn leven? Wat is mijn plek in de [wan]orde der dingen?” Hoe kunnen we in deze situatie “ons eigen bestaan vormgeven als er niet zoiets is als wie we diep van binnen zijn”? (p30) Het is geen eenvoudige opgave die Sartre ons heeft nagelaten. Enerzijds een radicale, normloze vrijheid, anderzijds geen enkele zekerheid en geen essentie. Hij gaat uit van het subject, maar dit subject blijkt leeg te zijn, veeleer niets dan iets.

‘Leeg van binnen’

Bewustzijn, subjectiviteit, heeft geen inhoud en is leeg, want het is een verhouding tot een object, een gerichtheid, die Sartre in navolging van de Duitse fenomenoloog Edmund Husserl ‘intentionaliteit’ noemt. Dat betekent dat “alle bewustzijn bewustzijn is van iets... Bewustzijn is altijd in relatie tot iets anders.” (p33,34) Het is gericht op iets. 

Bewustzijn is geen plek waar ervaringen zijn opgeslagen, maar een gerichtheid, “een activiteit gericht op de buitenwereld... een verhouding is niet te begrijpen zonder datgene waar ze zich toe verhoudt. Als subjectiviteit niets anders is dan een perspectief op de wereld, dan kunnen we het niet los van de wereld begrijpen. De wereld... kunnen we niet begrijpen zonder perspectief... We kunnen subjectiviteit en objectiviteit niet los van elkaar begrijpen” (p34) Maar wie of wat verhoudt zich dan? Deze vraag wordt overgeslagen. Er lijkt geen wie of wat te zijn. 

Als het bewustzijn leeg is, “als er geen binnenwereld is, behoort alles toe aan de buitenwereld... Het idee dat wij leeg zijn maakt de buitenwereld juist vol, een plek vol betekenis... We zijn bevrijd van het ‘innerlijk leven’... omdat alles uiteindelijk buiten is, alles, tot onszelf aan toe, buiten, in de wereld, tussen de anderen," schrijft Sartre. Ook “een emotie is... een verhouding tot de buitenwereld”. (p37) 

Dat geldt ook voor betekenisgeving. De wereld heeft geen ‘goddelijke’ betekenis en wordt daardoor onttoverd en geseculariseerd. Maar kan ook weer een zekere betovering en magie krijgen door onze emoties, die het rationele wetenschappelijke wereldbeeld doorbreken. Want wetenschap probeert de wereld zo objectief mogelijk beschrijven, zonder gevoel en subjectieve zingeving. Onze betekenisgeving en verhouding tot de wereld is echter subjectief. 

“Gedachten, emoties, een hele belevingswereld... al deze subjectieve ervaringen zitten niet alleen niet in ons, maar zijn verhoudingen tot iets buiten ons. Vandaar dat we leeg van binnen zijn.” (p40)

Een andere term daarvoor is open, open voor de wereld. ‘Wereldopenheid’ is een term van de Duitse filosoof Max Scheler die door Arnold Gehlen en Helmuth Plessner in hun filosofische antropologie is overgenomen en later door Heidegger en door Sartre in diens voetspoor. Het is dus geen origineel idee van Sartre. Zoals de Duitse filosofen plaatst hij het wel in zijn eigen filosofische kader van het lege bewustzijn dat gericht is op objecten buiten zich.

 

Enkele boeken van Sartre

Descartes’ cogito ergo sum en Sartres prereflexieve bewustzijn

Behalve door de existentiefilosofie van Heidegger en Jaspers en de fenomenologie van Husserl werd Sartre diepgaand beïnvloed door Descartes, die uitgaat van het cogito ergo sum, ik denk dus ik ben, als “onbetwijfelbaar fundament van kennis” (p41) Eigenlijk betreft het ‘ik denk’ niet zozeer het denken, maar het zelfbewustzijn, dat volgens Sartre als inhoudsloos bewustzijn los van het denken aanwezig is bij het bewustzijn van een object. Want als je je van iets bewust bent ben je je er ook van bewust dat je daarvan bewust bent. Hij noemt dit ‘prereflexief aanwezig zijn’, het gaat vooraf aan het denken en het bewustzijn van iets of is daarbij tegelijk latent aanwezig is. Er is dus een vorm van prereflexief zelfbewustzijn als begeleidend bewustzijn aanwezig bij het bewustzijn van iets. Sartre noemt het bewustzijn het ‘zijn-voor-zich’. 

“Het verschijnt voor zichzelf. Dit doet geen afbreuk aan het idee dat het bewustzijn leeg is. 

Iedere bewustzijnstoestand is zowel bewust van het object als van zichzelf. Juist daardoor is het volledig bewust... Iedere subjectieve ervaring is niet alleen bewustzijn van iets, maar ook bewustzijn van zichzelf. Bewustzijn is bewustzijn door en door en niet afhankelijk van iets buiten zichzelf... Iedere bewuste ervaring is simpelweg bewust van zichzelf... Het bewustzijn bestaat onafhankelijk van iets anders en zo heeft Sartre het absolute fundament van het bewustzijn gevonden: het zijn-voor-zich...  Het betekent dus niet dat er een ‘Zelf’ of ik in de stroom van bewustzijn zit dat [de]ze tot een eenheid maakt... Het overstijgt iedere losse ervaring, maar is iets waarvan we kunnen afleiden dat het in principe voor alle ervaringen zo [aanwezig] is... Sartre verwijst naar dit idee van zelfbewustzijn als het cogito.” (p43,44) 

 

Het bewustzijn als verhouding tot de objectieve werkelijkheid 

Dit komt dichtbij het autonome subject van Descartes, dat “onafhankelijk van iets anders bestaat... onherleidbaar tot iets anders.” (p45) Ook bij Kant en in het Duitse idealisme van Fichte, Schelling en Hegel is dit autonome subject prominent aanwezig. Met name van Hegels filosofie heeft Sartre kennisgenomen. Sartres systematische benadering sluit aan bij de filosofische traditie vanaf Descartes maar komt tot andere gezichtspunten. 

Sartres filosofie is evenals die van Descartes dualistisch. Naast het ‘zijn-voor-zich’ van het bewustzijn bestaan ook de dingen (en het Niet), die ook bij Descartes werkelijk bestaan en niet worden afgeleid uit het bewustzijn. Sartres filosofie is niet zo subjectivistisch dat er geen objectieve werkelijkheid meer bestaat. Hij erkent de objectiviteit van de werkelijkheid.

Anders dan bij Descartes is het bewustzijn geen “denkend ding”, dat Sartre de "substantialistische illusie van Descartes” noemt. “Bewustzijn is geen ding, het is een intentionele verhouding tot een object... Het kan niet bestaan zonder een object waartoe het zich kan verhouden. Echter het valt ook niet samen met dat object. Het valt er niet toe te reduceren... Het heeft wel zijn eigen manier van bestaan.” (p45,46). 

Is dit niet strijdig met de notie van het ‘zijn-voor-zich’ dat voor zichzelf bestaat, onafhankelijk van en onherleidbaar tot een object? Ook voor zichzelf is het bewustzijn een verhouding tot zichzelf. Het is dan object van zichzelf. Sartre leidt het bewustzijn niet af uit objecten of hersenwerking zoals bij neurowetenschappers (zie CM 109 en 130). 

Omdat bewustzijn een verhouding is, (be)staat het niet los van objecten waarvan het zich bewust is en ook niet los van anderen. Het is in die zin niet zo autonoom als bij Descartes, Berkeley en andere filosofen. “Het grondidee is dat bewustzijn een inhoudsloze verhouding is tot objecten.” Dit kunnen ook andere mensen zijn. Het is daarbij tegelijk (een prereflexief) bewustzijn van zichzelf. Prereflexief betekent dat het geen denken over zichzelf is. Veeleer aanwezig zijn bij zichzelf of zelfbesef. Maar “er is niet zoiets als een binnenwereld, want subjectiviteit is niet een ruimte of ding, maar een activiteit, gericht op en object buiten zichzelf. Dit object kan van alles zijn, maar het bewustzijn valt er nooit mee samen.” (p47)

Kenmerkend voor Sartre is het grondidee dat “bewustzijn een lege intentionele relatie is [en...] op zichzelf geen inhoud heeft... Op zoek naar onze identiteit vinden we ‘diep van binnen’... niets.” Origineel is dit niet. Iets dergelijks staat ook al in de Indiase Oepanishaden en ook in het boeddhisme zijn dergelijke noties bekend. (J.A. Blok, Oepanisjads, in de Brihadaranyaka en de Chandogya Oepanishad, p21, e.v en 44, zie het slot van deze bespreking). De Indiase vedantafilosofie en het boeddhisme trekken echter andere conclusies dan Sartre en overstijgen het dualisme, dat Sartre ook probeert te overbruggen in zijn filosofie. 

Het objectieve zijn-op-zich van de dingen

Het lege bewustzijn dat gericht is op objecten, overbrugt de kloof tussen subjectiviteit en objectiviteit. “Als bewustzijn slechts gericht is op iets buiten zichzelf, dan moeten er dingen bestaan buiten ons bewustzijn... Omdat subjectiviteit intentioneel is... heeft ze een object nodig. Daarin spiegelen de twee zijnswijzen elkaar. Subjectiviteit is een verhouding en heeft dus een object nodig om zich toe te verhouden. Objectiviteit is betekenisloos en heeft dus subjectiviteit nodig om haar betekenis te verlenen.” (p49,60)

Er bestaat dus een objectieve werkelijkheid. Hoe deze echt is en hoe de dingen echt zijn is voor ons ongrijpbaar, het “ontglipt ons wat ze écht zijn”. Verder zijn ze contingent, “dat wil zeggen dat er geen noodzakelijke beweegredenen zijn waarom de dingen zijn zoals ze zijn. Er is geen plan achter de schermen.” (p49,51) 

De visie van Sartre wijkt af van die van de wetenschap, die wetmatigheden onderkent, in kaart brengt en een vorm van orde in de wereld veronderstelt, welke deels kenbaar is. Het bestaan van de dingen betekent niet dat ze een betekenis hebben onafhankelijk van de betekenis die het menselijk subject erin ziet. 

“Een ding is altijd meer dan hoe het aan mij verschijnt.” (p57) Het is een zijn-op-zich, dat “onreduceerbaar op zichzelf bestaat”, buiten ons bewustzijn ligt en het tweede fundament vormt van de filosofie van Sartre. (p60)

 

Het ‘practico-inerte veld’

In zijn latere werk, zoals de Kritiek van de dialectische rede, benadrukt Sartre onder invloed van het marxisme de invloed van de omgeving en de praxis, die mede bepalend zijn voor de betekenis die mensen aan hun bestaan geven. “De praxis... betekent zoiets als de praktische verhouding tussen een individu en de omgeving... het herorganiseren van de wereld om ons heen.” (p61,62) Zoals er een wisselwerking is tussen objectiviteit en subjectiviteit, geldt dat ook voor individu en omgeving. Dingen hebben niet alleen invloed op mensen maar ook op andere dingen. 

“De laag van de werkelijkheid waarin dingen andere dingen beïnvloeden door handelende mensen... noemt Sartre het ‘practico-inerte veld’.” Vrij vertaald: het levenloze praktische gebied. Bijv. een fabriek, waarin mensen een plek en functie hebben, hetzij manager of fabrieksarbeider. “Daarmee zijn wij mensen een speelbal van de dingen geworden. Wij maken deel uit van het practico-inerte veld. Zoals wij dingen functies geven, kunnen de dingen ons functies geven. Sartre noemt dat ‘buiten-jezelf-zijn’... omdat je handelingen en doelen niet meer bepaald worden door jezelf maar door de dingen... In ons dagelijks leven worden we voortdurend bestuurd door dingen.” (p64,65) Door kunstmatige intelligentie kan dat nog meer het geval gaan worden.

Kortom, “in zijn latere werk staat de macht van de omstandigheden meer centraal.” Deze zijn ondoorgrondelijk, evenals de dingen en ons bestaan. “We vinden geen ordelijke werkelijkheid die wij als mensen kunnen bevatten, maar juist een contingente en onuitputtelijke verzameling van dingen... Geen groot plan... waarin dingen een ware betekenis hebben. [...Ook] ons leven heeft in wezenlijke zin geen ultieme betekenis.” (p66-68)

 

Het Niet, de verbeelding en de vrijheid’

Het Niet of negativiteit is het derde fundament naast subjectiviteit en objectiviteit. Het Niet bestaat uit dingen die er niet zijn, “dat wat niet is”. Dat zijn bijv. fantasieën, de verbeelding. Daar valt tegenin te brengen dat deze een andere dan materiële werkelijkheid kennen. Ze zijn denkbeeldig. Maar is een denkbeeld ook niet iets?

Volgens Sartre kan de verbeelding geen betrekking hebben op een ding in de binnenwereld, want “bewustzijn is louter activiteit en kan geen inhoud bevatten”. (p70) Hij komt tot het poneren van het bestaan van het Niet via de verbeelding van objecten die er niet zijn. In Het imaginaire (1940) noemt hij vier kenmerken van verbeelding: 

  1. Het is een mentaal beeld dat geen ding is maar een activiteit of verhouding tot iets. Dit beeld zit niet in ons hoofd of onze binnenwereld, want die is er niet. 
  2. Het is een ingebeeld bewustzijn van iets, een “quasi-observatie” (p71). Verbeelding zit tussen waarnemen en denken in. Er is een bepaald perspectief op een beeld dat tevens als geheel denkbeeldig aanwezig is.
  3. Het verbeelde object is er niet, het is een ‘niets’. Het kan niet-bestaand zijn, afwezig, elders aanwezig of niet nader te bepalen. Het zit ook niet in ons hoofd of onze binnenwereld. Sartre gaat voorbij aan wat herinneringen zijn en waar deze zijn opgeslagen. Ook aan het gegeven dat een beeld iets is en niet niets, nl. een denkbeeld. 
  4. Verbeelding is spontaan, we kunnen ons iets inbeelden, los en vrij van de omstandigheden, die wel een (denk)beeld kunnen oproepen.

Voorlopige conclusie: “Verbeelding is een negatie van de wereld... een negatieve verhouding... Bewustzijn... heeft het vermogen de wereld te negeren... valt er niet mee samen... heeft het vermogen... het loutere bestaan van de dingen te overstijgen, “En dit overstijgen van de wereld is de vrijheid zelf, want wanneer het bewustzijn niet vrij was, zou dit overstijgen niet kunnen plaatsvinden.” (p74) Hij gebruikte eerder de term ‘leeg bewustzijn’. ‘Open bewustzijn’ of ‘openheid’ is een verwante term bij advaita vedantafilosoof Douwe Tiemersma, aan wie in Civis Mundi al diverse artikelen zijn gewijd (Zie CM 88 en Deel 4). 

Ook God is voor Sartre een negatiteit

Negatiteiten

Niet feitelijk bestaande dingen of negatiteiten (negatieve entiteiten) zijn objectief afwezig en niet bestaand. Daarom zijn ze niet onder te brengen in het bewustzijn, mede omdat het bewustzijn volgens Sartre leeg is en geen inhouden heeft. Negatiteiten zijn volgens hem deel van de werkelijkheid. Het bewustzijn kan er wel op gericht zijn, bijv. op de afwezigheid van iets of iemand. Maar “deze negatiteit is niet te reduceren tot mijn bewustzijn.... is geen kwestie van louter subjectieve ervaring”. (p78) Maar de (objectieve) afwezigheid heeft wel te maken met subjectiviteit, bijv. met een verwachting. Subjectiviteit, bewustzijn, is een verhouding tot een object, dat kan ook een object zijn dat er niet is. 

“Subjectiviteit is wezenlijk anders dan het object waar het op gericht is... Het is een relatie tot iets anders, maar valt daar niet mee samen. Wat is dan datgene wat het bewustzijn scheidt van het object? Dat kan eigenlijk helemaal niet iets zijn. Bewustzijn is leeg, dus er kan niets in zitten wat deze scheiding teweegbrengt. Wat blijft er dan over? Niets. Er is niets wat het bewustzijn scheidt van het object waar het op gericht is... Het [niets] ligt verankerd in de bestaanswijze van het voor-zich [het bewustzijn]. Subjectiviteit is zelf een soort mengeling van bestaan en niet-bestaan, van Zijn en Niet. Dit niet samenvallen is het fundament voor negativiteit... Omdat het bewustzijn het Niet in zich draagt, kunnen er negatiteiten in de wereld plaatsvinden,” in de zin van niet bestaande dingen, die zich afspelen in een leeg bewustzijn. (p78-79)

“De werkelijkheid... bestaat uit bewustzijn, dingen en negatiteiten... Dit zijn de drie meest fundamentele categorieën... De werkelijkheid bestaat uit een samenspel tussen twee vormen van zijn. Eén van die vormen van zijn brengt het Niet teweeg.” 

‘Vrijheid in situatie’

Van deze hoogst abstracte redenering begeeft Sartre zich naar de (concrete) situatie, die hij kenmerkt met het begrip ‘radicale vrijheid’. Radicaal roept associaties op met radicaal protest e.d. Maar Sartre doelt op wezenlijke of fundamentele vrijheid, die voortvloeit uit het lege, open en onbepaalde bewustzijn, dat open staat voor keuzemogelijkheden. “Deze vrijheid is radicaal omdat de mens geen vrijheid heeft, maar vrijheid is.” (p84) Namelijk een vrij en open bewustzijn.

Deze vrijheid is tevens een “gesitueerde vrijheid” die zich in de wereld afspeelt, waarin we een zekere (keuze)vrijheid hebben om te handelen. Wij zijn in staat tot handelingsmogelijkheden. Daarmee ”overschrijdt het ik de wereld zoals zij is naar zoals zij nog niet is”. 

“Een doel is een negatiteit: een objectief gemis in de werkelijkheid waar wij naar toe kunnen werken.” Het vermogen om doelen te stellen hangt samen met de onbepaaldheid van het lege bewustzijn. Omstandigheden hebben ook een invloed, maar sluiten keuzemogelijkheden niet uit. Wij hebben zelf ook invloed. "Natuurlijk is het zo dat de wereld om ons heen onze keuzemogelijkheden bepaalt en beperkt... We kunnen [echter] niet stellen dat wij onvrij zijn doordat de dingen ons beperken, als die beperkingen hun betekenis ontlenen aan onze doelen... Het vrij gestelde doel maakt de beperking mogelijk. Vrijheid en beperking zijn niet los van elkaar te denken.” 

Beperking is beperking van vrijheid. Zonder vrijheid geen beperking. “Bewustzijn brengt vrijheid met zich mee... de dingen brengen beperkingen met zich mee. Dat is gesitueerde vrijheid... Deze vervlechting van subjectiviteit, objectiviteit en negativiteit [bijv. doelen die nog niet zijn gerealiseerd] is precies wat Sartre de situatie noemt... Er is slechts vrijheid in situatie... weerstanden en obstakels hebben slechts betekenis in en door de vrije keuze die de menselijke werkelijkheid is,’ d.w.z. de menselijke situatie. “De mens is dus een vrij én een gesitueerd project.” (p83,84)

“Er is geen essentie die ons bepaalt... Subjectiviteit behelst een lege verhouding tot objecten... geen vaststaande identiteit... geen vaststaande zin van het leven... Het universum is contingent en we bestaan zonder dat er een reden voor is... Het stelt ons in staat om zelf een zin aan het leven te geven. Hoewel er geen sprake is van een menselijke natuur, is er wel sprake van een menselijke conditie... We zijn vrij om ons leven betekenis te geven... Onze vrijheid betekent dat we zelf ten volle verantwoordelijk zijn voor onze daden... Het gaat gepaard met gebrek aan houvast in het maken van onze keuzes...’verlatenheid’.” (p85,86).

Het is een ander vrijheidsbegrip dan het klassieke beeld van autonomie. Het vloeit niet voort uit een menselijke essentie, maar is zijn essentie, “doordat Sartre het vrijheidsbegrip... verheft tot de kern van de mens.” Je zou deze kern een lege, open essentie kunnen noemen, die eigen is aan het bewustzijn. 

De invloed van omstandigheden krijgt gaandeweg een grotere rol in de visie van Sartre onder invloed van zijn marxistische visie. Maar er blijft een marge van vrijheid van keuze binnen beperkende omstandigheden. “Het bewustzijn valt niet samen met de wereld en daarom is het volgens Sartre vrij.” Het is er vrij van en daarom in staat doelen te stellen, die nog geen werkelijkheid zijn, maar het kunnen worden. Ze zijn er nog niet. Het zijn negatiteiten.

“Vrijheid wordt daarmee het sluitstuk op Sartres denken. Dat betekent dat iedere persoon radicaal vrij is, maar ook radicaal gesitueerd en daarmee beperkt in keuzemogelijkheden.” Deze vrijheid hangt samen met het gegeven “dat bewustzijn volledig leeg is”... Vrijheid is de manier waarop de mens de wereld betekenis geeft... Het zijn menselijke projecten die de wereld betekenis geven en die projecten bestaan bij de gratie van het Niet.” (p89) Ze zijn er nog niet. Het zijn projecties vanuit het bewustzijn zonder vooropgezette betekenis vanuit een vooropgezet plan, anders dan ons eigen levensplan en project. 

“De mens is... een ervarend niets. Vrijheid... duidt op onbepaaldheid van de mens.” (p90-91) Hij heeft geen identiteit maar geeft zelf deze identiteit vorm. Dit is het onderwerp van Deel 2 van dit artikel

Sartre is schatplichtig aan de eerdere existentiefilosofie van Kierkegaard, Jaspers en Heidegger, maar formuleert zijn eigen existentialistische filosofie. Ook De mythe van Sisyphus van Camus dat een jaar voor L’Être et le Néant verscheen, is verwant met zijn denken, maar minder omvattend en systematisch, meer essayistisch en poëtisch. Niet het bewustzijn is leeg en zinloos bij Camus, maar de zwijgende wereld die geen antwoord geeft op onze existentiële vragen. De confrontatie van ons bewustzijn met de wereld roept de absurditeit op die het kernthema vormt van dit essay over het absurde, dat in het vorige nummer is besproken. Ons bewustzijn kan een vorm van zin geven aan ons bestaan, zoals ook bij Sartre. Niet zozeer als toekomstig doel of project, maar meer door het leven zelf als zinvol, impliciet de moeite waard en als gelukkig te ervaren, ook al is het absurd.2

Recapitulatie: uit zijn nauwlettende observatie en analyse ven de menselijk ervaring blijkt volgens Sartre dat het bewustzijn, het subject, een eigen werkelijkheid kent, die niet is af te leiden uit of te reduceren is tot de objectieve werkelijkheid zoals bij het reductionistische materialisme en fysicalisme. Dit bewustzijn heeft echter geen substantie of essentie en is een leeg en onbepaald gegeven dat bestaat uit een verhouding tot objecten en daarvan niet los beschouwd kan worden, ook al heeft het een eigen werkelijkheid.

De objectieve werkelijkheid kan niet uit het bewustzijn worden afgeleid, waartoe het idealisme geneigd is, en heeft evenals het bewustzijn een eigen onafhankelijk bestaan, waarin het bewustzijn is gesitueerd. Zoals veel andere filosofen probeert Sartre het verband tussen ons subjectieve bewustzijn dat van ons is, en de objectieve werkelijkheid te verklaren. Hij ziet het bewustzijn als een lege verhouding tot de werkelijkheid. Het vult zich dan als het ware met (verhoudingen tot) objecten, waardoor onze subjectieve identiteit vorm krijgt in interactie met de objectieve wereld.

Die interactie neemt bij Sartre de vorm aan van levensprojecten waarin de identiteit zich vormt en het lege bewustzijn inhoud krijgt in zijn relatie met de wereld van objecten en andere mensen. Onder invloed van het marxisme wordt in zijn latere filosofie de radicale vrijheid van het subject steeds meer bepaald door objectieve omstandigheden.

Noten

  1. In P. Ransijn, Herontdekking van Albert Camus komt de relatie tussen beide schrijvers vooral aan de orde in het voorlaatste hoofdstuk ‘Camus en Sartre’.
  2. Zie noot 1 hoofdstuk 10: ‘Een absurd leven kan gelukkig zijn’. Daar komt ook het existentialisme ter sprake