Economie

Civis Mundi Digitaal #142

door Jan de Boer

De verborgen kosten van de voedselproductie
Economie en de ongelijkheid die aboriginals en indianen ervaren
De legende van de joodse bankier doorgeprikt

De verborgen kosten van de voedselproductie

 

Impact op de gezondheid, ondervoeding, armoede, verlies van productiviteit, ontbossing, watergebruik, uitstoot van broeikasgassen… Voeding brengt wereldwijd aanzienlijke verborgen kosten met zich mee, die de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) in een rapport op 6 november vorig jaar heeft becijferd op 10.000 miljard dollar per jaar, oftewel 10% van het bruto binnenlands product (BBP).

Om onze voedselsystemen te veranderen naar rechtvaardiger en duurzame productiewijzen is het essentieel om rekening te houden met het geheel van deze externaliteiten. Sinds verscheidene jaren hebben wetenschappelijke studies zich gewijd aan het kwantificeren van deze verborgen kosten middels het zogeheten « True Cost Accounting ». In dit rapport hanteert de FAO deze methodologie, en evalueert zij het gewicht van deze kosten in de nationale economieën van 154 landen.

David Laborde, econoom van de FAO: « Wij hebben ons gewijd aan drie grote dimensies van voedselsystemen: de sociale gevolgen, die voor het milieu en die voor de gezondheid ». De belangrijkste lering van dit rapport, behalve de zeer hoge globale waarde van deze verborgen kosten: zij wegen bovenmatig zwaar op de economieën van landen met een laag inkomen, waar zij 27% van het gemiddelde BBP vertegenwoordigen, tegen 11% van de landen met een gemiddeld inkomen en 8% van landen met een hoog inkomen. Op Madagaskar bijvoorbeeld is het gewicht van de verborgen kosten van de landbouwvoedselproductie 59% van het BBP, een immense last, die de ontwikkelingscapaciteiten van het land ondermijnt en die een verklaring geeft voor de zeer ernstige sociale en ondervoedingsproblemen op het eiland.

In tegenstelling daarmee zijn de landen die de laagste verborgen kosten hebben Zuid-Korea en Japan (respectievelijk 4% en 5%). Laborde: « Het zijn rijke landen die geen belangrijke landbouwactiviteiten hebben en die erin gelaagd zijn obesitas, zwaarlijvigheid, te beperken. »

Een verdere analyse van de oorsprong van deze kosten maakt de zwakheden van elk land duidelijk. Bij landen met een gemiddeld inkomen zijn de situaties zeer gevarieerd. In Brazilië vertegenwoordigen de verborgen kosten 16% van het BBP, maar bijna de helft ervan houdt direct verband met de landbouwproductie, met name met de ontbossing. In Irak gaat het om 18% van het BBP, maar de analyse daarvan is totaal verschillend: de milieukosten zijn daarvan niet meer dan 12%, met name gerelateerd aan de consumptie van water; de overgrote meerderheid van deze last betreft de gezondheid in dit land, met zijn hoge percentages overgewicht en obesitas. Zuid-Afrika, waar de verborgen kosten van voedsel 12% van het BBP bedragen, staat tegenover een verstrengeling van problemen: een hoog niveau van armoede en ondervoeding, een sterke toename van niet-overdraagbare ziektes en hoge milieukosten.

Ondanks de door de FAO geleverde methodologische inspanning heeft men niet alle verborgen kosten kunnen evalueren, doordat het op een geharmoniseerde manier becijferen van de impact voor ieder land niet mogelijk was. Zo kon de impact van het gebruik van pesticiden niet in de berekeningen meegenomen worden, net als de kosten van weerstand tegen antibiotica en die van bodemverslechtering. Om de effecten van deze methodologische beperking te verminderen, wil de FAO zijn onderzoeken voortzetten en in 2024 meer precieze studies per land of specifieke culturen publiceren. Laborde: « De allerbelangrijkste boodschap is dat, zelfs als we weten dat we niet alle verborgen kosten kennen, we er zeker van kunnen zijn dat zij ten minste 10% van het mondiale BBP bedragen. En dat moet toch echt voldoende zijn om een bewustwordingsproces te ontketenen. »

Volgens de FAO moet allereerst de vermindering van ongelijkheden aangepakt worden, met name voor landbouwvolkeren waarvan het inkomen beneden de armoedegrens ligt. De FAO laat duidelijk weten dat als er rekening gehouden wordt met verborgen kosten, dat dat niet noodzakelijkerwijs betekent dat de door prijzen voor consumenten verhoogd moeten worden. De algemeen directeur van de FAO, Qu Dongyu, schrijft in het voorwoord van het rapport: « Sommige voedselprijzen kunnen wellicht verhoogd worden, andere daarentegen kunnen lager uitvallen. Maar deze veranderingen maken slechts een deel uit van een veel groter transformatieproces van voedselsystemen. »

De FAO roept in zijn berichten aan de beslissers op om direct preventief te handelen om de kosten terug te brengen. « Het doel is niet om alle verborgen kosten in prijzen te internaliseren, maar om veranderingen aan te brengen in reglementering, subsidies, investeringen… op zo’n manier dat de toegang tot een gezond regime heel wat betaalbaarder wordt voor arme huishoudens, » vervolgt Laborde, die eraan herinnert dat kosten, prijzen en waarden drie duidelijk te onderscheiden begrippen zijn. « Alle opties dienen bestudeerd te worden: in een aantal gevallen wil men dat de kosten in de prijzen meegenomen worden, en in andere gevallen wil men deze verborgen kosten terugbrengen. ». De genomen maatregelen kunnen gevarieerd zijn (handelen inzake fiscaliteit, subsidiëren van milieudiensten, het begeleiden van marketing…) en zo de eerste stappen zijn van een transitie naar een rechtvaardigere, gezondere en duurzamere voedselproductie.

Uiteraard een zeer interessant rapport van de FAO, maar je kunt je wel de vraag stellen in hoeverre voor het vervolg rekening is gehouden met de gevolgen van de versnelde klimaatopwarming, oorlogen, etc., die de besproken problematiek ten zeerste beïnvloeden.

 

Geschreven in januari 2024

 

 

Economie en de ongelijkheid die aboriginals en indianen ervaren

 

Op 14 oktober vorig jaar hebben de Australiërs via een referendum de erkenning in de Grondwet van de Aboriginals en de eilandbewoners in de zeestraat van Torres als Eerste Naties van Australië, en de oprichting door deze volkeren van een representatieve volksvertegenwoordiging (« The Voice ») die het Australische parlement moet informeren over de overheidspolitiek die hun direct aangaat, afgewezen. De oppositiepartijen tegen de centrum-linkse regering besloten dit initiatief, dat de Australiërs « tot op het bot zou verdelen », af te kraken. Het « nee » verwierp het initiatief met 60% van de stemmen; bestaand racisme in Australië heeft daarbij een fikse rol gespeeld. De Aboriginals en de eilandbewoners kondigden vervolgens een week van rouw en stilte af.

Deze verwerping door de meerderheid van de Australiërs is deels een weerspiegeling van de ontkenning van de historie. De Aboriginals, erfgenamen van één van de oudste culturen op deze wereld, staan tegenover een gigantische kloof die hen van de rest van de bevolking scheidt: armoede, scholing, veroordeelden… De mannen leven gemiddeld 8,6 jaar dan de rest van de bevolking, de vrouwen 7,8 jaar. Kunnen we deze ellende volledig verklaren door het beleid van systematische discriminatie? Of door de historische misdaden tegen deze volkeren, waarop op grote schaal jacht gemaakt werd en die in talloze bloedbaden vermoord werden?

Een recente studie draagt bij aan een verheldering van deze kwestie in een beslist andere context, maar niet minder interessant: een studie over de Eerste Naties van Noord-Amerika: « The Slaughter of the Bizon and Reversal of Fortunes on the Great Plains » van Donn Feir, Rob Gillezeau en Maggie Jones van het National Bureau of Economic Research (NBER), onlangs gepubliceerd in « The Review of Economic Studies ». Het economische nadeel dat voortduurt, houdt direct verband met de uitroeiing van de bizons door de Europese kolonisten. Om dat aan te tonen, vergelijken de auteurs de wording op korte en lange termijn van de Eerste Naties, waarin de levenswijze bepaald werd door de bizon in verhouding tot anderen die, hoewel ook slachtoffer van de kolonisatie, niet de totale verdwijning van hun levenswijze en bestaansmiddelen ondergingen.

De auteurs hebben gegevens verzameld over de lengte van mensen tussen 1889 en 1903 als maatstaf voor armoede (ondervoeding kan groeivertraging tot gevolg hebben), over kindersterfte, over het relatieve aantal jongens en meisjes bij kinderen (foetussen en mannelijke baby’s zijn gevoeliger voor ondervoedingsschokken).

Van de kuddes in Noord-Amerika van in totaal 10 tot 30 miljoen bizons voorafgaand de Europese kolonisatie verdween tegen het einde van de negentiende eeuw de hele populatie binnen tien jaar.De bizons werden gedood voor hun leer, maar ook vanwege een weloverwogen beleid om de lokale bevolkingen te verzwakken. De Eerste Naties, afhankelijk van de bizons, zagen hun levensvoorwaarden in elkaar storten. Deze Naties waren voor de kolonisatie in omvang veel groter dan andere Naties, maar dit voordeel verdween volledig.

In het begin van de twintigste eeuw was de kindersterfte 16% hoger dan in landen waar nog bizons leefden of waar men nooit van deze dieren afhankelijk was, en het werkloosheidspercentage was er met 29,7% ook veel hoger. De volkeren zijn deze schok nooit te boven gekomen.

In de tweede helft van de twintigste eeuw tot aan vandaag bleef hun inkomen per hoofd gemiddeld 28% lager dan dat in andere Eerste Naties. Dit voortduren verklaart zich door het gebrek aan toegang tot bankkredieten en doordat het Bureau van indiaanse aangelegenheden vasthoudt aan een beleid gefocust op weinig rendabele agrarische activiteiten voor deze volkeren. Dat verhindert ze om over te schakelen op veeteelt, dat heel wat rendabeler zou zijn dan landbouw in de afgelegen regio’s waar deze volkeren destijds naar toe gebracht zijn. Het is een in mijn ogen nog steeds racistische overheidspolitiek die de historische omstandigheden van deze volkeren negeert en daardoor hun economische nadelen versterkt.

 

Geschreven in januari 2024

 

 

De legende van de joodse bankier doorgeprikt

 

De tragedie Israël-Palestina leidt, te midden van alle ellende, ook tot de ergste uitingen van racisme en antisemitisme. De associatie van joden met financiële activiteiten is daarvan één van de oudste en meest achterbakse. Een recent boek stelt ons in staat om ons bewust te worden van het heel lange bestaan van deze vooroordelen en om de mechanismes van hun overdracht te begrijpen: twee noodzakelijke voorwaarden om er ons van te bevrijden en tegelijkertijd na te denken over financiële activiteiten en hun plaats in de economie van vandaag de dag.

In « Juifs et capitalisme. Aux origines d’une légende » (uitgeverij Seuil) beschrijft de historica Francesca Trivelllato de geschiedenis van een legende volgens welke de joden de wisselbrieven en de maritieme verzekering zouden hebben uitgevonden toen ze op het einde van de middeleeuwen uit Frankrijk werden verjaagd. Deze middelen zouden hen in staat hebben gesteld om hun gigantische kapitalen stiekem naar nieuwe verblijven in Italië over te brengen. Francesca Trivellato beschrijft tot in detail hoe deze legende werd verbreid, terwijl al vanaf de achttiende eeuw bekend was dat deze nergens op berustte. Zij werd in de zeventiende en achttiende eeuw vermeld in een groot aantal geschriften door heel Europa, tot aan Karl Marx, Werner Sombart en Max Weber.

Met haar boek vult zij de vele werken aan die recentelijk het begrip van politiek-religieuze conceptualisering van de economie hebben vernieuwd, en dat in de lijn van haar collega Giacomo Todeschini. Hij legt uit dat de joden werden beschouwd als de symbolische figuur van het kwaad en dus noodzakelijkerwijs in de christelijke middeleeuwse gemeenschap werden buitengesloten. Vanuit dit perspectief verschaft Trivellato ons de dikwijls ontbrekende schakel tussen het middeleeuwse denken en het huidige antisemitisme.

Zij laat vooral zien dat men de verbreiding van het economisch antisemitisme niet goed kan begrijpen zonder de wereld van de handel en zijn praktijken concreet te bestuderen. Haar vertrekpunt: de sociale afstand die bestaat tussen kleine lokale joodse woekeraars in de westerse middeleeuwen en de grote kooplieden die de geavanceerde technieken van wisselbrieven en maritieme verzekeringen gebruikten.

Het is geen toeval dat de eerste vermelding van deze legende komt van een in het zeerecht gespecialiseerde jurist in Bordeaux, Etienne Cleirac, die in 1647 zijn « Us et coutumes de la mer » publiceerde. Dit geschrift werd verspreid door professionele handboeken ten behoeve van handelaren/kooplieden, zoals het bekende « Parfait négociant » van Jacques Savary (1675), en door de Bordelese Montesquieu, die de joden positief beoordeelde en hen presenteerde als voorlopers van een moderne, door de « doux commerce » vreedzaam geworden maatschappij.

Trivellato herinnert ons aan de belangrijkheid van Bordeaux, een grote handelshaven van de gemeenschap van « nieuwe christelijke » kooplieden: Portugese joden, verjaagd door de inquisitie en aangetrokken door een aankondiging van Henri II, die hun in 1550 rechten en bescherming verleende. Welkom geheten, maar altijd ervan verdacht hun joodse geloof te hebben gehouden – ondanks hun aanwezigheid op de kerkbanken – integreerden deze kooplieden nooit echt in de commerciële instituties van de stad. Zij werden altijd verdacht van twijfelachtige financiële praktijken, zonder dat er daarvan ooit bewijs werd geleverd. Het is deze verdachtmaking die zich verbreidde binnen de handelswereld, en die ook niet verdween met de formele emancipatie van de joden bij de Franse Revolutie.

Dit, zegt Trivellato, symboliseert de joden in een internationale economische wereld, die geacht wordt anoniem en neutraal jegens personen te zijn: onbetrouwbare financiers met te ingewikkelde operaties om niet verdacht te zijn, en die men zo bij elke crisis nog altijd heel gemakkelijk aanklaagt. Als men wil vermijden dat bepaalde praktijken in de financiële wereld een samenraapsel van vijandigheden tot gevolg heeft op zoek naar zondebokken, moet men zowel deze praktijken alsook de modaliteiten van deze stigmatisering begrijpen en doen laten begrijpen.

 

Geschreven in januari 2024