Het wonder van het bewustzijn

Civis Mundi Digitaal #143

door Erik Jansen

Bespreking van Marjan Slob, Hersenbeest, essay, Lemniscaat, 2016.

 

In Hersenbeest [1], winnaar van de Socrates wisselbeker voor het beste filosofieboek 2016, doet Marjan Slob een poging om de resultaten van recent neurowetenschappelijk onderzoek over het bewustzijn te matchen met bevindingen vanuit de geesteswetenschappen. Zij gaat daarbij uit van de theorieën zoals verwoord door Thomas Metzinger in de Egotunnel [2], die stelt dat het ‘bewustzijn’ een subjectieve ‘filmische’ weergave is van de wereld om ons heen, opgebouwd uit lichamelijke indrukken, sensorische input, eerdere ervaringen, en gedachten. Volgens Metzinger is er geen ‘zelf’ – tenzij we het hele hersensysteem zo noemen – dat ons gevoel ondersteunt van autonomie en vrije wil, dat we gevoelsmatig zeker hebben.

Volgens Marjan Slob is de kracht van de geesteswetenschappen dat ze het domein van de taal beheersen en vertrouwd zijn met introspectieve gedachten. Reden voor haar om te pleiten voor een nauwe samenwerking tussen geesteswetenschappen en natuurwetenschappen. In haar boek gaat ze daarom in gesprek met diverse hersenonderzoekers en filosofen, en probeert aan de hand van haar eigen (jeugd)herinneringen, romanfragmenten, en filosofische traktaten, de verschillende bewustzijnstoestanden inzichtelijk te maken en zo een brug te slaan naar de theorieën van Thomas Metzinger, die overigens zelf filosoof van oorsprong is, maar zich grondig verdiept heeft in de neurowetenschappen, en dus zelf al een tussenpositie inneemt.

 

Vrije wil
De meeste hersenonderzoekers gaan ervan uit dat er geen dualiteit bestaat tussen materie (het brein) en de geest (het bewustzijn), dwz. er is geen vrij zwevende geest, maar alle bewustzijn komt voort uit neurale processen, oftewel “wij zijn ons brein”. Dat roept de vraag op of er nog sprake kan zijn van een vrije wil. Wordt al ons gedrag volledig gedetermineerd door neurale processen, het ‘NCC’, het ‘neural correlates of consciousness’? Bij het onderzoeken van die vraag stuiten we op het probleem dat de resultaten van die denkprocessen alleen via het eerste persoonsperspectief waarneembaar zijn, terwijl de neurowetenschappers dezelfde ervaringen hoogstens zien op MRI’s als lichte verkleuringen die een extra activiteit aangeven, dwz. een verhoogde opname van zuurstof in bepaalde delen van de hersenen.

Voor het vraagstuk van de vrije wil richt Marjan Slob zich tot Marc Slors, cognitiefilosoof van de Radboud Universiteit Nijmegen [3]. Hij is een ‘compatibilist’ dat wil zeggen dat hij gelooft dat de combinatie van biologische gedetermineerdheid en vrije wil toch mogelijk is. Hij stelt dat er van een ‘vrije wil’ sprake is als er aan twee voorwaarden is voldaan: je moet een keuze kunnen maken uit verschillende handelingsperspectieven, en je moet de dingen die je doet, ook echt willen.

Veel gedrag komt onbewust tot stand op basis van gewoontes. We draaien de kraan van de douche dicht, zonder al te veel nadenken. Dat zijn handelingen die onderdeel zijn van een vast patroon. Je doet ook jam op je brood zonder iedere keer weer na te denken wat je op je brood zal nemen. Het wordt lastiger als je je gedrag wilt veranderen, of als je twijfelt tussen met de fiets door te regen gaan of de auto te nemen. Slechte gewoontes kosten veel wiskracht om te vermijden en te veranderen. Verslavingen zijn helemaal een opgave. Ons lijf reageert op primaire biologische instincten, die ons influisteren dat zoet, zout en vet eten lekker is, en dat we niet te veel energie moeten verspillen door een rondje te gaan hardlopen. Het kost wilskracht om daar niet aan toe te geven. Door goede gewoontes te trainen en zo aan te leren, kun je die keuzes toch vanzelfsprekend maken, zodat je niet meer hoeft na te denken over wat je doet. Vrijheid houdt in dat je handelt zoals je idealiter wilt zijn.

Het is dus niet zo, als Socrates en Kant stelden, dat je automatisch het goede doet als je weet wat het goede is. Omgekeerd betekent falen niet dat je het eigenlijk niet goed begrijpt. Je kunt ook heel bewust het kwade doen, zoals de Sade liet zien. Je kunt je verzetten tegen je natuur en tegen de natuur in het algemeen. Je kunt ook ontevreden zijn over je lichaam of de plek waar je bent geboren en opgegroeid. Dat is je existentiële opgave, om met Kierkegaard te spreken. Door bewust auteurschap te aanvaarden kun je de kans vergroten dat de dingen een gunstiger wending voor je nemen.

 

Wereldmodel
In de theorie van Thomas Metzinger staat het ‘wereldmodel’ centraal, de visuele weergave van de werkelijkheid vanuit het standpunt van de kijker. Het is geen directe weergave van de omgeving want het dieptebeeld is afkomstig van de input van het linkeroog en van het rechteroog, die net iets van elkaar verschillen. Beide beelden worden samengevoegd tot een naadloos geïntegreerd beeld. Tevens wordt het gesynchroniseerd met het geluid dat via de oren binnenkomt en met het gevoel vanuit het lichaam. Mogelijk wordt het beeld ook nog verrijkt met informatie uit het geheugen. De fusie van al die data kost een paar milliseconden maar de hersenen slagen erin alle informatie zodanig te mengen en op tijd aan te bieden dat wij het gevoel krijgen in een “nu” te leven. Het wereldbeeld ijlt vermoedelijk wel enige milliseconden na bij de werkelijkheid, maar de afzonderlijke componenten zijn zo perfect gesynchroniseerd, dus wij niets merken van die vertraging.

Beeld, geluid, gevoel, alles is perfect op elkaar afgestemd en ook volledig transparant. Het lijkt of wij door onze ogen direct naar de wereld kijken, maar dat is in werkelijkheid dus niet zo. Het beeld zit in ons hoofd. De reden dat we geen direct beeld zien, en dat het lichaam al die moeite doet voor een reconstructie, is dat we sneller kunnen reageren op de omgeving. Betekenisvolle elementen in het beeld herkennen we en weten wat het is. Als we ons verplaatsen verandert het beeld, en ons wereldmodel past zich rimpelloos aan.

Soms denken we een vogel te zien en blijkt het naderhand toch een stukje boomstronk. Onze interpretatie moet zich dan aanpassen. Zo zijn er ook de bekende figuren van visuele illusies (zoals de Neckerkubus) waarbij de interpretatie (het dieptegevoel) zich moet aanpassen aan de ‘gestalt-switch’. Onze hersenen zijn een coherentie-machine, volgens Metzinger. Coherentie vindt het brein belangrijker dan correctheid.

 

Necker kubus. De middelste draadfiguur kan op twee manieren ruimtelijk geïnterpreteerd worden.

In het visuele beeld is de perceptie van het eigen lichaam geïntegreerd (het lichaamsbeeld). Ook hier kan het systeem door ambiguïteit gemakkelijk gefopt worden (bv. de ‘rubber hand illusie’). Ook gereedschap dat we veel gebruiken raakt geïntegreerd in ons lichaamsmodel. Zoals de ‘pointer’ op het computerscherm die door de ‘muis’ bestuurd wordt. We zien de pointer als direct door ons bewogen, op dezelfde manier als een blinde met zijn stok “voelt”. Kortom, ons wereldbeeld werkt prachtig en is flexibel.

Het bewustzijn leeft indit wereldmodel (de ‘egotunnel’)en leeft op ons gevoel van aanwezigheid in een lichaam. Als we onze ogen sluiten dan blijft het bewustzijn. Alleen met slaap zakt het weg.Het bewustzijn is leeg en voortalig. Er is geen ‘zelf’, tenzij we het ‘zelf’ gelijkstellen aan het hele systeem van wereldmodel en geheugen, maar dan is het begrip leeg, omdat het begrip dan geen specifieke rol speelt binnen dat systeem. Het ‘zelf’ is wat blijft hangen in ons geheugen van eerdere ervaringen, onze geschiedenis. Ons zelf bevindt zich voor een groot deel in het talige domein. Slechts op bescheiden manier zijn beelden, geluiden, geuren en gevoelens onderdeel van dit zelfbeeld.

 

Zelfbewustzijn
Marjan Slob is op zoek naar hoe de genoemde algemeen menselijke ervaringen (bewuste en onbewuste gedragspatronen) die zij in het eerste deel van het boek behandelt matchen met dit model. Uiteindelijk moet die zoektocht leiden tot de notie van ‘zelfbewustzijn’, het besef dat je bewust bent van je eigen situatie, en een verklaring voor het gevoel van de vrije wil.

Hoe zelfbewustzijn tot stand komt is nog een open vraag. Volgens Metzinger is zelfbewustzijn gekoppeld aan het fenomeen ‘aandacht’. Veel kun je gedachteloos doen, zoals lopen, fietsen, eten, pianospelen, maar als je veel moeite moet doen, bijvoorbeeld om iets nieuws te leren, dan doe je iets met aandacht en ben je je er meer van bewust, en ontstaat er iets van ‘zelfbewustzijn’, dat daardoor getriggerd wordt. De intensiteit van de hersenactiviteit roept het gevoel van ‘zelfbewustzijn’ op, dat jij diegene bent die hier bezig is, en dat je jezelf kunt ‘observeren’.

Aandacht is een intensieve vorm van observeren. Het is een mentale handeling die selecteert tussen bewustzijnsinhouden: waar wil je je nu op concentreren, wat verkies je op dit moment te negeren? Die aandacht wordt niet gestuurd door het bewustzijn, want dat is leeg en als het bewustzijn wel stuurde dan is de volgende vraag wat in het bewustzijn dan stuurde. Zo krijg je een oneindige regressie. Zo werkt het niet. Kennelijk wordt aandacht opgewekt door het verwerken van informatie. Zo moesten we het stuk hout, waarvan we eerst dachten dat het vogel was, alsnog correct herkennen. Iedere keer als we een dergelijke intensieve denkhandeling doen, zoals iemand herkennen of zijn naam herinneren, dan overschrijden we een bepaalde drempelwaarde en ontstaat er zelfbewustzijn volgens Metzinger.

Aandacht komt dus voort uit deze hogere vormen van interpretatie en gegevensverwerking, die weer worden opgeroepen door onduidelijkheid in wat we zien, horen of denken. Er zijn dus vele feedbacklussen aan de gang om de visuele informatie te interpreteren maar dat geldt ook voor alle andere soorten informatie. Dit model suggereert hoe bepaalde vormen van informatiestromen in de hersenen tot zelfbewustzijn kunnen leiden, maar hiermee is nog niet bewezen dat het inderdaad zo werkt. De processen zijn niet echt helder. Gedachtenstromen zijn meer ‘impressionistisch’ van aard. We maken er zelf een kloppend verhaal van.

 

Nogmaals de vrije wil
Marjan Slob ziet in aandacht ook een manier om het gevoel van vrije wil te verklaren. Rationeel kunnen we heel goed zaken afwegen en ook bedenken dat bijvoorbeeld een gezonde leefstijl beter voor ons is, maar in de dagelijkse praktijk blijkt het nemen van een extra pilsje toch te verleidelijk. We moeten dus ons ‘natuurlijke’ biologische systeem dat ‘automatisch’ verkeerde beslissingen neemt overrulen. Dat doen we door bewust goede gewoontes te ontwikkelen. Zijn die eenmaal ingesleten dan blijken ze bij onbewuste keuzemogelijkheden toch hun invloed uit te oefenen, zoals de psycholoog William James al aan het einde van de 19e eeuw constateerde.

Een oude fabel verwoordt dit goed: in ons huizen twee wolven, een witte en een zwarte. Welke de overhand heeft, is afhankelijk van welke wolf je voedt. Zodra je je impulsen voedt die je werkelijk de moeite waard vindt, en de impulsen afknijpt die je minder waardeert, dan vergroot je je vrijheid en gaat de wereld zich steeds meer voegen naar je wensen. ‘Al zitten daar ook grenzen aan. Je bent je biologie, je wordt ouder, het refrein blijft Hein’. Aandacht is dus de strategie om goede impulsen meer aan bod te laten komen.

Helaas is ‘aandacht’ een moeilijk te onderzoeken fenomeen in de MRI-scanner. Een proefpersoon kan zijn eigen aandacht niet sturen en kan dwalen in gedachten. Alleen door een gerichte taak blijft zijn aandacht gefocust, maar dan meten we de hersenactiviteit die bij die taak hoort, en niet het hersenproces ‘aandacht’ op zich.

 

Tot slot
Marjan Slob geeft een inzichtelijke uitleg van de theorie van Thomas Metzinger en ze maakt de bewustzijnsprocessen duidelijk met behulp van theorieën en voorbeelden vanuit de klassieke filosofie, beelden uit de literatuur, en door middel van haar eigen jeugdherinneringen (zeg maar de eerste observaties ‘vanuit de zandbak’, dat je een zelfstandig persoontje bent). Daarmee komt het bewustzijn fraai tot leven.

Aandacht is een mooi onderwerp en de link naar zelfbewustzijn en de vrije wil is fraai. Vreemd genoeg verdwijnt het bewustzijn weer als je ergens met te veel aandacht aan werkt. Als iets een grote denkinspanning (concentratie) vraagt en je die activiteit ook goed beheerst, zodat alle aandacht zich op de taak kan concentreren, dan vergeet je de tijd en de wereld om je heen, en kom je in een ‘flow’. Heel merkwaardig al die verschillende bewustzijnstoestanden. Er is nog veel te onderzoeken.

Marjan Slob wil graag een brug slaan tussen de geesteswetenschappen en de neurowetenschappen. Ze ziet in kennis over taal een belangrijke meerwaarde van de geesteswetenschappen. ‘De mens is een wezen onder invloed’ meent Peter Sloterdijk. Wij staan onder invloed van ideeën. Ideeën dragen we via meningen aan elkaar over. Aristoteles: de mens is een zoön logon echon, een ‘woordhebbend’ dier. Volgens Marjan Slob is een deugdelijke antropologie dan ook compleet kansloos zonder helder besef van de werking van woorden. Je zou van haar dan ook iets meer aandacht voor het taalvermogen zelf mogen verwachten.

Helaas ziet Metzinger taal als een ‘exaptatie’, een aangeleerd vermogen, dat zelf geen onderdeel is van de biologische machinerie van de hersenen. Mocht dat wel het geval zijn, dat er een basistaalvermogen is zoals Noam Chomsky veronderstelde, dan moeten we weer op zoek gaan naar die fysische basisvoorwaarden. Er is volgens Marjan Slob geen universele grondtaal, een ‘taal van de natuur’, die voor ieder object of fenomeen, een uniek woord heeft (p. 180). Dus taal zegt dan niet zo veel over de hersenprocessen zelf.

Blijft dat we met taal kunnen communiceren en onze gedachten naar elkaar uitdrukken, al is de overwegende indruk, die het nadenken over het bewustzijn achterlaat, toch dat veel van onze ‘keuzes’ zijn voorgeprogrammeerd in ons lijf. Wij “worden” verliefd, het wordt ons niet aangepraat, al kunnen we er heerlijk over dagdromen.

Om tot slot Marjan Slob aan het woord te laten: ‘In een bepaald licht bezien zijn wij biologische machines. Wij hebben geen kosmische bedoeling, er ligt geen masterplan aan ons bestaan ten grondslag. Wij zijn een uitbundige biologische toevalligheid, in elke vezel van ons lijf afgestemd op het leven hier. Zonder de aarde zijn wij compleet ondenkbaar. We zijn haar in zekere zin: levende, ademende stof. Menswetenschap vraagt dus om kennis van de natuurwetten.

Maar wij zijn ook vreemde hersenbeesten. Wij hebben dat kolossale brein met al zijn terugkoppellussen, een brein dat ons voorhoudt waar we staan, wat we willen, waar we slagen, waar we falen. Een brein dat zichzelf kan trainen door aandacht op te brengen voor dat wat het waardeert. Ieder van ons is een zelfbewuste duidingsmachine die rondwaart in een ook voor onszelf vaak vreemde intieme wereld. Dat maakt ons wezenlijk anders dan de meeste andere natuurverschijnselen.’ (p.193).

 

Noten
[1] Toon van Eijk schreef eerder in Civis Mundi een commentaar op Hersenbeest onder de titel: Hoe kan het ’Hersenbeest’ tot ecologisch en maatschappelijk verantwoord gedrag komen? Zie CM#124

[2] Thomas Metzinger, The Ego Tunnel, The Science of the Mind and the Myth of the Self, 2009. Pdf.  Vert. De Egotunnel, hersenonderzoek en de mythe van het zelf, Arbeiderspers, 2010 (alleen nog antiquarisch en via bibliotheek.nl).

 

  

3. Jolien Francken en Marc Slors, Bewustzijn, Elementaire Deeltjes 80, Athenaeum, 2023. Zie ook bespreking in CM#138.