Deel 3. Commentaar: cultuurgeschiedenis en sociologie

Civis Mundi Digitaal #143

https://www.linkedin.com/pulse/who-rules-america-power-elite-analysis-deep-state-american-burris-1 

Domhoff begint en eindigt zijn boek met de burgerrechtenbeweging, waarbij hij betrokken is geweest.Deze beweging was echter deel van een bredere sociaal-culturele verschuiving in de jaren zestig, die in ons land een soort van culturele revolutie werd genoemd en werd gedragen door naoorlogse zgn. ‘opstandige’ generatie,2 die zijn rechten opeiste en weinig op had met bevoogding en autoriteit. Maatschappijkritiek, hervorming, sympathie met arbeiders onderdrukten en protest tegen de oorlog in Vietnam waren tekenend voor die tijd. Domhoff noemt alleen het feminisme en de milieubeweging als typerende bewegingen.

In het commentaar op Het betekenisweb van Jeremy Lent in het vorige nummer zijn enkele typerende titels genoemd, zoals Theodore Roszak, De opkomst van een tegencultuur  (1969); Erich Fromm, De gezonde samenleving: Psychopathologie van democratie en kapitalisme (1956), een soort eigentijdse diagnose in het verlengde van Freud, Het onbehagen in de cultuur. Ook One Dimensional Man (1964) van Herbert Marcuse hoort in dit rijtje thuis, zie volgend nummer. Zo zijn nog meer titels te noemen, die we hier voornamelijk beperken tot de werken van cultuurhistoricus Christopher Lasch.

 

 

Christopher Lasch

De titels van de werken van Lasch, die is opgeschoven van radicaal naar neoconservatief, zijn tekenend voor zijn tijd en bestrijken de periode die Domhoff beschrijft. Lasch verschaft een Amerikaans cultuurhistorisch kader aan de ontwikkelingen die Domhoff beschrijft op economisch en politiek gebied en vult de bevindingen van Domhoff aan in een breder kader.

In The New Radicalism in America: The Intellectual as a Social Type (1965) en The Agony of the American Left (1969) kritiseert hij de Amerikaanse liberalen en radicalen. Links richtte zich niet zozeer meer vooral op sociale rechtvaardigheid, maar op hogere lonen om meer te kunnen consumeren. Men nam de consumptieve leefstijl van middenklassen over, die zich spiegelden aan de hogere klassen. Dit consumentisme ging ten koste van de moraal en het gemeenschapsleven. 

De bevindingen van Lasch komen overeen met die van Charles Wright Mills, The New Men in Power: America’s Labor Leaders (1948). Mede door de welvaartsstijging en de daarmee samenhangende ‘verburgerlijking’ van de arbeiders is er weinig terecht gekomen van hervormingen. De vakbonden waren vooral uit op economische voordelen op kortere termijn, zoals loonsverhoging en arbeidstijdverkorting, niet op zelfbeschikking en controle van de arbeiders in het productieproces. De leiders slaagden er niet in het politieke bewustzijn van de massa te mobiliseren. Daardoor heeft Mills “de hoop opgegeven op een maatschappelijke ommekeer vanuit de arbeidersbeweging onder leiding van verantwoordelijke en politiek bewuste vakbondsleiders.”3 Arbeiders werden geïntegreerd in de kapitalistische consumptiemaatschappij, die hen een zekere welvaart verschafte. 

De latere kritiek van Lasch op de elite, die ook geen verantwoordelijkheid neemt en uit is op eigen voordeel, heeft een vergelijkbare strekking. Zijn boeken Haven in a Heartless World: The Family Besieged (1977) gaat over het bedreigde gezinsleven (zie CM 88). De cultuur van het narcisme (1979), gevolgd door The Minimal Self: Psychic Survival in Troubled Times (1984), gaan over de toenemende individualisering, egoïsme en preoccupatie met een eigen fragiele zelf(beeld) en de eigen belangen. De intensieve belangstelling voor het eigen ik... bepaalt het morele klimaat van de moderne maatschappij” (p46). Dit is een andere, bijkomende verklaring voor de verminderde aandacht voor politieke rechten en rechtvaardigheid dan Domhoff geeft, die vooral wijst op de rol van de conservatieve coalitie.

In The True and Only Heaven: Progress and Its Critics (1991) levert Lasch kritiek op het vooruitgangsgeloof. Daarbij hoort ook de ’American Dream’ van succes, liefst in een generatie van krantenjongen tot miljardair: de selfmade man die carrière maakt, maar dit wordt slechts bij uitzondering gerealiseerd. De corporate rich staan in hoog aanzien, maar armoede treft meer mensen dan er rijk worden. De Amerikaans droom botst met de harde realiteit. 

The Revolt of the Elites and the Betrayal of Democracy  

Ook zijn laatste boek The Revolt of the Elites and the Betrayal of Democracy gaat onder meer over sociale mobiliteit. Over arbeiders die ‘kapitalisten’ konden worden. Sociale ongelijkheid was en bleef echter een schrijnende realiteit, die door algemeen onderwijs leek te verminderen, maar niet werd opgeheven. In Amerika zijn arbeiders niet gericht op klassenstrijd en oppositie, maar op het verwerven van de verworvenheden van de klasse boven hen. Ze zijn vaak meer geïnteresseerd in een consumptieve levensstijl en een comfortabel leven dan in politiek, zoals ook Domhoff te kennen geeft. (p5,127)

In zijn laatste boek beschrijft Lasch hoe de democratie tegenwoordig meer wordt bedreigd door de elites dan door de massa. Niet door een feitelijke opstand, maar door verraad in de zin van ontrouw aan hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Ze zijn nl. niet opstandig, maar hebben juist baat bij neoliberale status quo, zolang die maar winst en succes opleveren. Deze bevinding spoort met die van Domhoff. Het boek gaat over intensivering van sociale verdeeldheid, achteruitgang van democratisch overleg en ‘de donkere nacht van de ziel’, d.w.z. het verlies van zingeving, religie en geestelijk leven, de ‘onttovering van de wereld’ en het prevaleren van eigenbelang. 

Groeiende ongelijkheid neigt volgens Lasch naar een tweedeling tussen elite en massa, tussen rijkdom en armoede. De democratisering van overvloed en luxe kent zijn grenzen en excessen. “Rijkdom is geconcentreerd in de handen van een kleine oligarchie... De middenklasse kan maar beperkt groeien [in welvaart en...] ontsnapt niet aan zijn primaire rol van dienende klasse van de oligarchie.” (p31).

Charles Wright Mills schreef dat de middenklassen meer prominent zijn geworden maar evenmin zijn georganiseerd als de arbeidersklasse, bij wie deelname aan vakbonden is afgenomen. De moderne maatschappij heeft een sterk materialistische en hedonistische oriëntatie, gericht op bevrediging van materiële en statusbehoeften. 

“Amerikaanse managers zijn niet beter dan degenen die onder hen werken. Hun obsessie met winsten op korte termijn maakt hen zogezegd onverschillig voor de lange termijn. Een drang naar onmiddellijke bevrediging doordringt de Amerikaanse samenleving van hoog tot laag. Er is een algemene betrokkenheid met het zelf, met ‘zelfbevrediging’ en meer recent met ‘zelfwaardering’” (Lasch, p213). Burgerlijke sociale verplichtingen zijn niet prominent meer in de geïndividualiseerde samenleving. Het eigenbelang gaat vaak voor het algemeen belang. 

Een minder kritisch boek over de cultuurgeschiedenis van de VS biedt Max Lerner in America as a Civilization: Life and Thought in the United States Today (1957). Een pretentieuze titel, want de VS is onderdeel van de westerse cultuur, die er een eigen accent krijgt. Het boek van Domhoff is een sociologische studie waarin ook de geschiedenis van de VS af en toe aan de orde komt. Het heeft vooral betrekking op economische en politieke sociologie. Een meer specifieke miniserie over ‘Big Tech en de informatiemaatschappij in sociologisch en cultuurhistorisch perspectief’ verscheen in CM 125 en 126 op basis van onder meer David Riesman e.a., The Lonely Crowd: A Study of the Changing American Character; Charles Wright Mills, White Collar: The American Middle Classes en Francis Fukuyama, De grote scheuring (The Great Disruption): De menselijke natuur en de reconstructie van de sociale orde. Deze boeken verschaffen ook een breder cultuurhistorisch kader aan de hier besproken economische en politieke ontwikkelingen. 

https://trends.knack.be/nieuws/macro-economie-beleid/de-meritocratie-ligt-onder-vuur/

Opwaartse sociale mobiliteit is kenmerkend voor het Amerikaanse ideaal 

Sociologisch kader

Domhoff bouwt voort op de sociologie van Karl Marx, Max Weber en vooral Charles Wright Mills, zonder naar deze klassieke sociologen te verwijzen. Een jaar na Who Rules America? redigeerde hij het boek C. Wright Mills and The Power Elite, waaruit zijn schatplichtigheid blijkt. Centrale termen als ‘power elite’, ‘corporate rich’, en ‘interlocking networks’ zijn ontleend aan het boek van Mills, dat echter ruimer van opzet is en behalve de economische en politieke elite ook ingaat op de militaire elite, de ‘celebrities’ (filmsterren en Bekende Amerikanen), de ‘superrijken’ en de manipuleerbaarheid van de massamaatschappij, die geen tegenwicht biedt tegen de machtselite. (Zie CM 102)

Het begrip ’economische klasse’ komt van Marx en betreft mensen met eenzelfde economische positie. Marx onderscheidde hoofdzakelijk twee klassen, de kapitalisten en het proletariaat, die met elkaar in conflict waren in zijn klasse-conflictmodel. Klassenstrijd vraagt klassenbewustzijn van de klassenbelangen en een gemeenschappelijke identiteit. Volgens Domhoff is deze aanwezig bij de upperclass maar niet bij de arbeidersklasse min de VS. Deze is juist verdeeld. Dat geldt ook voor de middenklassen, zie Charles Wright Mills, White Collar: The American Middle Classes, besproken in CM 125.

Het begrip ‘sociale klasse’ bouwt voort op de sociologie van Max Weber, die status onderscheidde van macht en bezit als belangrijke determinanten van de maatschappelijke positie. Een sociale klasse bestaat uit een sociale laag van mensen die een overeenkomstige status hebben. Meestal betreft het beroepsgroepen in dezelfde sociale laag met een vergelijkbare status. Er zijn veel meer sociale klassen dan de twee economische klassen van Marx. Domhoff noemt de upper class, de upper-middle class, de middenklassen en de arbeidersklasse met daaronder de ‘poor whites’ die ook wel ‘white trash’ worden genoemd. Algemeen is het onderscheid in hogere, midden-, en lagere klassen, die elk weer onderscheiden worden in upper, middle en lower, dus upper-upper, upper-middel en lower-upper, en zo ook driemaal bij middle en lower. Maar zover gaat Domhoff niet. De zwarte bevolking vormde volgens hem tot zij stemrecht en burgerrechten kregen in 1965 een streng gescheiden ‘onderkaste’, waarmee geen huwelijke gesloten mochten worden. 

In het algemeen blijkt dat de onderste sociale lagen en klassen de verworvenheden nastreven van de klasse(n) boven hen, daartoe aangezet door ‘mimetische of imiterende begeerten’, met een term van de Franse filosoof René Girard, overgenomen door Achterhuis en Goudsblom, zie CM 142. De socioloog Thorstein Veblen heeft dit streven van lagere en middenklassen om de levensstijl, de welvaart en de wijze van consumeren van de klasse boven hem over te nemen uitvoerig beschreven in The Theory of the Leisure Class, besproken in CM 105. Ook Norbert Elias beschrijft een dergelijk proces in Het civilisatieproces. En zo zijn er nog meer studies daarover. 

Er is dus niet zozeer een klassenconflict, maar veeleer een opkijken naar en kopiëren van het gedrag van de bovenliggende klassen, in de VS de ‘corporate rich’ en de ‘upper class’. Er is veeleer sprake van sociale mobiliteit dan conflict, bij voorkeur omhoog, zoals Sorokin als eerste beschrijft in Social Mobility (1926). Als Russisch emigrant het Amerikaans ideaal van opwaartse mobiliteit, liefst zo hoog mogelijk, ‘van krantenjongen tot miljardair’, de ‘American Dream’, die door weinigen wordt verwerkelijkt. Neerwaartse mobiliteit komt mogelijk vaker voor, van mensen die in de ‘goot’ of in de criminaliteit terecht komen. Lukt het niet om op legitieme wijze succes te hebben dan zoekt men vaak zijn toevlucht tot niet-legitieme en criminele middelen, zoals Robert Merton toelicht in zijn anomietheorie ter verklaring van afwijkend gedrag.

Toen in Europa de revolutie werd gepredikt, geloofden de Amerikanen in persoonlijke mobiliteit. De hogere klassen bekrachtigden de mobiliteitsideologie, die in hun voordeel werkte en de solidariteit en het klassenbewustzijn van lagere klassen beperkte. Degenen die succes hebben staan hoog in aanzien en hebben het gemaakt als uitverkorenen en begenadigden in termen van de protestantse predestinatieleer, zoals Max Weber beschrijft in De protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme. Succes wordt beschouwd als persoonlijke verdienste en als eigen krediet, niet vanwege gunstige of toevallige sociale omstandigheden of geluk hebben.

 

Meritocratie

De Amerikaanse maatschappij is een meritocratie waarin de macht van de persoonlijke verdienste geldt, de mythe dat iedereen het kan maken als hij maar hard genoeg werkt en ondernemingsgeest toont. Maar in feite blijkt rijkdom in vergaande mate erfelijk. De maatschappelijke positie en de opleiding van de ouders is sterk bepalend voor die van de kinderen. Wie voor een dubbeltje geboren is wordt moeilijker een kwartje dan wie al voor een kwartje is geboren. Ondanks de grote mate van mobiliteit is er ook een grote stabiliteit in de macht, status en rijkdom van generatie op generatie in de klassenstructuur en machtsstructuur van de Amerikaanse samenleving, waarin oude rijken concurreren met nieuwe rijken. 

Aan de andere kant van het succes en aan de onderkant van de maatschappij staan de ‘losers’. Verliezers krijgen de schuld van hun eigen armoede en voelen dat zelf ook vaak zo vanuit het geloof in de mythe van de opwaartse mobiliteit en de retoriek van het opklimmen, die voorbijgaat aan het grote verschil in startsituatie. De meritocratie is onbarmhartig en heeft weinig op met solidariteit. “Het meritocratische idee dat mensen alle rijkdom verdienen die de markt hun doet toekomen vanwege hun talenten, maakt solidariteit welhaast een onmogelijk streven.” (Michael Sandel, De tirannie van de verdienste, p 306, besproken in CM 106 en 107)4

Dergelijke meritocratische opvattingen en het streven naar persoonlijke mobiliteit en succes belemmerden de solidariteit van de arbeidersklasse. Dit is een factor waarom de arbeidersbewegingen en de sociaaldemocratie in de VS nauwelijks van de grond is gekomen en waarom de conservatieve coalitie die dit tegenwerkte, daarin slaagde.

 

Veblen, ’enfant terrible’ van de Amerikaanse sociologie 

Amerikaanse sociologie5

Domhoff verwijst naar geen van de genoemde sociologen in zijn uitgebreide literatuurlijst van meer dan dertig pagina’s. Hij verwijst vooral naar empirische studies, zoals gebruikelijk is in de Amerikaanse sociologie, die empirisch georiënteerd is en weinig maatschappijkritisch is, op enkele uitzonderingen na. Domhoff combineert empirisch onderzoek met enige maatschappijkritiek en staat zo in de lijn van kritische en dissidente Amerikaanse sociologen als Thorstein Veblen, Charles Wright Mills en Pitirim Sorokin, die tot de meest bekende Amerikaanse sociologen behoorden. Domhoff is minder kritisch dan Mills en baseert zich meer op empirisch onderzoek dat in de tijd van Mills nog niet beschikbaar was.  Mills onderzoekt resp. de arbeidersklasse en de vakbonden, de middenklassen en topklasse en de machtselite in The New Men in Power: America’s Labor Leaders (1948), White Collar: The American Middle Classes, (1951) en The Power Elite (1956).

De Amerikaanse empirische sociologie bestaat meestal uit onderzoek van specifieke gebieden en is vaak weinig kritisch naar de Amerikaanse maatschappij als geheel en zijn onderliggende succesideologie. Dat geldt vaak ook voor de theorievorming, die meestal bestaat uit ‘middle-range’’ theorieën, met een term van Robert Merton in Social Theory and Social Structure. Een uitzondering vormt de ‘grand theory’ van Talcott Parsons, de jongere collega en tegenspeler van Sorokin aan de Harvard Universiteit. Zijn theorie is systeembevestigend en heeft weinig oog voor transformatie en sociale verandering, alsof de liberale kapitalistische Amerikaanse maatschappij Het einde van de geschiedenis en Het einde van de ideologie zou zijn, zoals de titels van geruchtmakende boeken van Francis Fukuyama en Daniel Bell luiden.  

https://steemit.com/sociology/@clumsysilverdad/c-wright-mills-the-rebel-sociologist

Objectieve analyse?

Domhoff slaagt erin een overtuigende analyse te maken van de complexe Amerikaanse machtsstructuur met een hoge mate van objectiviteit en onderbouwing. Maar hier en daar klinkt een voorkeur door. Hij ziet de raciale tegenstellingen als maatschappelijk probleem dat doorwerkt in de politiek en haaks staat op de principes van vrijheid, gelijke kansen, die bij de Amerikanen hoog in het vaandel staan. Ook signaleert hij de spanning tussen de machtselite en de opvatting dat de macht bij het volk dient te berusten. De regeringsmacht dient in een representatieve democratie toegankelijk te zijn voor alle sociale klassen en lagen, niet hoofdzakelijk de upper class, zoals feitelijk het geval blijkt. Een dergelijke zienswijze neigt meer naar de inclusieve politiek van de Democraten dan naar de politiek van de witte nationalistische ingroup van de Republikeinen, die etnische minderheden en vooral de zwarte bevolking zoveel mogelijk wil belemmeren.

De Democraten krijgen bij Domhoff soms iets meer aandacht dan de Republikeinen, hoewel daarbij vooral de invloed van de conservatieve coalitie van beiden aandacht krijgt, die alleen te begrijpen is vanuit interne verschuivingen bij de Democraten en de Republikeinen. het boek is verder evenwichtig en overzichtelijk opgebouwd en onderbouwd met voortdurend verwijzingen naar empirisch onderzoek. Een boek met toegevoegde waarde voor wie de VS en met name de machtselite beter wil begrijpen.

Noten

  1. “This work was partially inspired by Domhoff’s experience of the Civil Rights Movement and projects that he assigned for his social psychology courses to map how different organizations were connected.” Wikipedia.
  2. Over generaties zie CM 108
  3. Zie CM 102, commentaar. Zie ook J P Verhoogt, Moderne Maatschappijkritiek. C. Wright Mills als criticus: tussen problemen en totaliteit, p 133-159. Over uiteenlopende onderwerpen schreef Mills in Charles Wright Mills, Power, Politics & People: The Collected Essays
  4. Zie ook Michael Young, The Rise of the Meritocracy (1958) en wat Nederland betreft Kees Vuyk, Oude en nieuwe ongelijkheid, over het failliet van het verheffingsideaal, Klement, (2017), besproken in CM 124.
  5. Een overzicht van de Amerikaanse sociologie gaat het bestek van deze bespreking te buiten en wordt geboden door o.m. P.A. Sorokin  in het verouderde Contemporary Sociological Theories (1928); en Sociological Theories of Today (1966) en het kritische boek Fad and Foibles of Modern Sociology and Related Sciences (1956) en het daarbij aansluitende boek van Charles Wright Mills, The Sociological Imagination (1959), die o.m. het ‘abstracted empiricism’ en de ‘grand theory’ in de Amerikaanse sociologie bekritiseert. Ook J. Goudsblom, Balans van de sociologie geeft een overzicht. Lewis Coser, Masters of Sociological Thought behandelt de belangrijkste Europese en Amerikaanse sociologen, evenals Rademaker en Bergman, Hoofdfiguren van de sociologie; H. Goddijn e.a., Geschiedenis van de sociologie en Mart-Jan de Jong, Grootmeesters van de sociologie.